|
Terug naar: Psychologie Home Page: www.wjsn.nl |
|
|
Een typering van cultuur a.d.h.v. de "intelligenties" van Gardner
Cultuur: intelligenties, kwaliteiten en competenties van groepen
Volgens Howard Gardner beschikken alle mensen over een
van de onderstaande kwaliteiten of competenties. Het zijn deze
kwaliteiten of "vormen van intelligentie" zoals Gardner ze noemt, waarmee de kennis en
vaardigheden van mensen getypeerd kunnen worden. Van belang hierbij is dat
er "intelligenties" zijn, die mensen willen en kunnen ontwikkelen en andere, die nauwelijks
verder ontwikkeld kunnen worden.
|
De acht kwaliteiten of bekwaamheden zijn onderstaande: 1. Muzikale intelligentie 2. Lichamelijke-kinesthetische intelligentie 3. Naturalistische intelligentie 4. Intrapersoonlijke intelligentie 5. Interpersoonlijke intelligentie 6. Taalkundige intelligentie 7. Logisch-wiskundige intelligentie 8. Ruimtelijke intelligentie |
|
De competenties of "kwaliteiten" komen in (nagenoeg) alle culturen voor en zijn dus universeel. Aan de hand van de indeling van Gardner kan men gemeenschappen, volkeren en culturen typeren. Dat kan door: A) "neuzen te tellen": door na te gaan welk percentage over de bedoelde kennis en vaardigheden beschikt, maar dat is ook mogelijk door: B) te "turven": door de culturele en wetenschappelijke producten te "wegen" en te tellen. De nadruk ligt dus op de "output", op de resultaten van het leerproces: op wat er geleerd is en wat daarvan getoond en zichtbaar gemaakt werd.
Welke vormen zijn typerend voor de westerse cultuur en welke niet?
Wellicht zou men op dit moment voorzichtig kunnen stellen, dat de eerste vier dominant zouden
kunnen zijn in niet-westerse samenlevingen en de laatste drie in westerse. Dat zou
men kunnen concluderen door te "turven": men probeert bijvoorbeeld de laatste drie - d.i.
de wetenschappelijke output (nr. 7) en de culturele producten (nr. 6 en 8) - te kwantificeren.
Hierbij zou men de volgende argumenten kunnen hanteren. Het westen heeft een grote voorsprong
wat betreft wetenschappelijk onderzoek en publicaties. In het westen kent men een zgn.
schrijfcultuur, die in de Arabische wereld en in vele
andere niet-westerse landen vrijwel ontbreekt. Het gevolg is: relatief veel gepubliceerde
dichtbundels en literaire werken in het westen, maar ook in Aziatische landen als
China en India .
Architectonische bouwwerken van enige betekenis en "waarde" treft men over de hele wereld aan,
maar de laatste decennia neemt men alleen (= vooral) in het westen architectonische
activiteiten waar.
|
Let wel: hierbij wordt dus niet gecorrigeerd voor de omvang van de relatieve grote groep
welgestelden, alfabeten en hooggeschoolden in het westen. Dat hoeft ook niet, indien men
genoegen neemt met de manier van "turven", die hier werd voorgesteld. |
|
Bovendien zal men steeds de kennis en vaardigheden moeten "wegen": er zou gewogen moeten worden
naar iets als "moeilijkheidsgraad", "schoonheid", "niveau van beheersing", "duur van de
training", "populariteit", "nut voor de gemeenschap", etc.. Dat zijn echter hoofdzakelijk
subjectieve maatstaven, die grotendeels ook weer cultureel bepaald zijn. Over dit soort
"wegingsfactoren" kan daarom geen consensus worden verkregen. Men zal zich daarom (helaas) wel
moeten beperken tot "neuzen tellen".
De vormen van intelligentie waar het hier om gaat zijn
grotendeels onafhankelijk van welvaartsniveau. Veel sportieve en muzikale individuen die niet
in het welvarende westen leven, kunnen zich toch in hun eigen leefomgeving verder bekwamen
in bedoelde kennis en vaardigheden - juist omdat het hen relatief weinig geld kost. Relatief
veel mensen doen dat ook en zijn dagelijks bezig met lichamelijke beweging, zang en muziek.
In het westen vindt dit ook plaats, maar dan op een meer bescheiden schaal (minder deelnemers).
De methodiek van "neuzen tellen" resulteert hier dus duidelijk in het nadeel van het westen,
mag voorzichtig geconcludeerd worden.
Nawoord en nuancering
De acht intelligenties van Howard Gardner - de kwaliteiten en competenties van individuen en
groepen - zorgen voor een tweedeling, zodra ze gebruikt worden als culturele meetlat. De
westerse cultuur scoort hoog op taalkundige, ruimtelijke en logisch-wiskundige intelligentie.
Met andere woorden: de nadruk ligt op het terrein van 1) architectuur en "gebouwde omgeving',
de door mensen geconstrueerde leef- of werk-omgeving samengesteld uit zowel natuurlijk als
artificieel materiaal, 2) op literatuur maar vooral op lezen en schrijven, op leren op school
via boeken en op zich kwalificeren via schrijven, op informatie verzamelen en verwerken via
schriftelijk (al dan niet digitaal) bronmateriaal en 3) op wetenschap en het gebruik van
wetenschappelijke methodes om inzicht en kennis te verwerven.
De eveneens westerse, oud-Griekse denker Pythagoras zette de
toon in dit verband en met hem begon een nieuwe "vorm van denken". De hierboven genoemde vormen
van "intelligentie", die ontwikkeld zijn op basis van zintuiglijke waarneming, zijn
ondergeschikt aan de "logisch-wiskundige intelligentie", stelde Pythagoras. Superieur is
"zuiver denken" boven de zintuiglijke waarneming en de intuïtie.
Een hoge score op genoemde punten wordt doorgaans opgevat als: 1) er zijn relatief veel mensen in de westerse samenleving actief op bedoelde terreinen, ofwel 2) er wordt relatief veel geproduceerd op dit gebied - door wellicht een relatief kleine, maar wel productieve groep.