(Uit: EUWE '95-'96 nr. 1 September 1995)

Gopalaratnam's hel

(oftewel: Het kaakwalhalla)

De laatste jaren heb ik mij met de gedachte getroost dat ik weliswaar nimmer meestersterkte zal bereiken, doch met mijn schamele ELO van rond de 2100 mijn schaakpartijtje aardig mee kan blazen.
Maar thans is er toch een duchtige kink in de kabel gekomen. Afgelopen jaar kocht ik in een boekhandel in Madras, India, een schaakboek, dat ik nu, na een jaar intensieve studie, totaal niet blijk te begrijpen.
Een schaakboek niet begrijpen? Dat is toch niet zo erg, zult u zeggen.
Dan heb je waarschijnlijk een van die boeken van Dvoretski, zult u zeggen, of een uitdraai van die eindspel-CD-roms van John Nunn. Daar is voor een normaal mens toch geen touw aan vast te knopen. Zult u zeggen.
Maar dit is andere koek. Mijn boekje heet Sura's Chess Problems en is geschreven door A. Gopalaratnam. Op het eerste gezicht ziet het er eenvoudig uit: 200 problemen en studies, gevolgd door 100 pagina's met de oplossingen en analyses. Gopalaratnam geeft nergens componist of bron aan, maar de oplettende lezer kan vele beroemde problemen en studies herkennen.

DIAGRAM 1
sura1 Ik begon met Diagram 1. Een tweezet. Ik zocht en vond na enige tijd de oplossing:
1. Dg6
Vervolgens keek ik achterin en las dat de schrijver 1. Df7 aangaf. Dat is merkwaardig. Gopalaratnam geeft dan enkele matvarianten in 2. Ik denk: "Ja maar wat volgt er dan na 1... Df4?" Het mat duurt dan een zet langer. Maar niet bij Gopalaratnam. Hij schrijft: "Let op dat in deze problemen gekke zetten (silly moves) zoals 1...Df4 alleen maar bedoeld zijn om het aantal zetten te verhogen en daarom zijn dat soort zetten niet toegestaan (not permitted)".
Waarom zegt hij dat nou? Kent hij de oplossing niet? Vond hij een oplossing en ook een weerlegging en heeft hij vervolgens iets bedacht waardoor de weerlegging niet eerlijk is en niet toegestaan.

Ik dacht aan een grap en las verder,

DIAGRAM 2
sura2 Ik zag dit diagram 2 en herkende het meteen uit Krabbe's boek 'Chess Curiosities'. Een prachtige studie van Halberstadt met twee minorpromoties:
1.f6+ Kh8 (De enige zet die Halberstadt geeft natuurlijk} 2. Bd5 en nu:
A. 2...Pf4 3. Le4 Pg4 4. f7 Pg6+! 5. Lxg6 Ph6 6. f8L! en wit wint (6. f8D Pg8+ en pat; 6. f8T Kg7=)
B. 2...Pd4 3. Le4 Pg4 4. f7 Pf5+! 5. Lxf5 Ph6 6. f8T! Kg7 7. Le6 en wit wint

Fraai, nietwaar? Laten we kijken wat Gopalaratnam aangeeft als oplossing:
1.f6+ Kg8 2. f7+ Kh7 3.e8D Pg4 4.Df5+ Kh8 5.Dxg4 Pc3 6.Kf7 Kh7 7.Dg7 mat!
Gopalaratnam geeft de verdediging 1.. Kh8 helemaal niet aan!!
Hij haalt dus gewoon dame en slaat voor het gemak 1.. Kh8 gewoon over. Wat is hier aan de hand?
Opnieuw lijkt het alsof Gopalaratnam de oplossing van Halberstadt niet kent en hem zelf met een ELO van 200 is gaan oplossen.

DIAGRAM 3
sura3 Maar hier gaat Gopalaratnam nog een stap verder. Hij moet gedacht hebben: als de oplossing van die studie van Halberstadt zo eenvoudig is, kan ik er ook wel een componeren. En enkele pagina's later duikt de volgende stelling op, die wel erg op die van Halberstadt lijkt:
diagram 3.
Wit wint in 8 zetten is de opdracht.
De door Gopalaratnam gegeven oplossing is dit maal correct (hoewel Fritz in 2008 mat in 6 aangeeft!) en wederom van een ontwapenende eenvoud:
1. f6+ Kxg8 2. f7+ Kh7 3. f8D (3. Kf6! is mat in 4) 3... Pf3 4.Dxf3 (4. Kf6! is mat in 2) 4... Kh6 5. Pg4+ (5. Kf6! is mat in 3) 5... Kh5 6. Kf6 Kh4 7. Kf5 Kh5 8. Dh3 mat!

Hij doet dat vaker: eerst een bekende studie geven, die foutief oplossen en er dan zelf een eigen studie op componeren, die als een tang op een varken slaat.

Gopalaratnam neemt de correcte studie wit: Kf1, Tg4, Pg1 en zwart: Ka6, Pc5, Lc3 en pion d3 Wit speelt en wint. Hij geeft dan een onzinnige oplossing (waaruit blijkt dat hij de studie eigenlijk niet kent), verplaatst dan het zwarte paard van c5 naar c4 en biedt dit aan als eigen studie:
DIAGRAM 4
sura4 Diagram 4. Wit speelt en wint. De oplossing grenst aan het onvoorstelbare:
1. Txc4 d2 2. Ke2 Kb5 3. Txc3 Kb4 4. Kxd2 Ka4 en vervolgens laat hij wit zwart in 15 zetten matzetten (terwijl het overigens mat in 6 is).
Speel deze zettenreeks nog een keer na en geniet met volle teurgen: wit slaat als eerste zet een vol paard, houdt met zijn tweede zet op de enig mogelijke manier de zwarte pion tegen en slaat in de laatste twee zetten de resterende stukken van zwart.

Dit is de Umwertung aller Werte, doorgedrongen tot het schaakspel.

Soms echter stijgt Gopalaratnam boven zichzelf uit. Dan heeft hij en een correcte studie en een correcte oplossing, zoals in het volgende Diagram 5.

DIAGRAM 5
sura5 Wit speelt en wint.
1. h7+ Kxh7 2. La4 Txb2+ 3. Bc2+!! Txc2+ 4. Kf3 Tc3+ 5. Kf4 Tc4+ 6. Kf5 en wint.
Maar dat is nog niet genoeg voor deze komeet in het heelal der geest. Hij schrijft:
"Dit is de oplossing van de componist. Dat offeren van 2 lopers en pion heeft echter tot gevolg dat wit met een dame tegen toren en twee pionnen nog een lange weg te gaan heeft. Maar wit kan veel eenvoudiger winnen in 7, 5, 3 en zelfs 2 zetten."
Hij geeft vervolgens na 1. Lg6, Tb2:+ 2.Kf3 allerlei onzinvarianten in plaats van 2... Tb8 en 3... a5
En wie er daarna ook zou winnen, het is niet wit!

Uit talloze voorbeelden blijkt dat de auteur de meest elementaire materiaalverhoudingen in het eindspel niet kent (verkeerde randpion) en ook de meest eenvoudige stellingen volstrekt foutief taxeert.
Ik heb enkele hypothesen trachten te ontwikkelen:

  • 1. Gopalaratnam kan niet schaken en heeft op een onbewoond eiland een onvolledige verzameling met studies en oplossingen gevonden.
  • 2. Gopalaratnam kan wel schaken, maar niet tellen. Studies met mat in 6 blijken mat in 5 te zijn, maar dan zegt hij: "dat was niet de opdracht, dus kies de variant met mat in 6."
  • 3. Gopalaratnam kent het begrip van de sterkste verdediging niet. Bij problemen begrijpt hij niet dat de beste verdediging bestaat uit het verhogen van het aantal zetten en uit niets anders. Dit blijkt ook uit het volgende krankzinnige deel uit de inleiding van het boek:

"In some cases, the mandate will restrict the number of moves. In such cases, you must play both sides and win or draw, as per the mandate, within the number of moves mentioned in the mandate. If you exceed even by one move, you fail to solve the problem and must try again. In such cases, however, the opponent's moves must be logical and reasonable and he is not expected to make a move which is aimed solely to increase the number of moves of the winner without in anyway affecting the ultimate result. Such moves intended only to defeat the mandate's number of moves, are 'mala fide'and are not allowed for the purpose of the problem."

Misschien wil hij wel helemaal niet de beste verdediging. Misschien is zijn visie op het schaakspel wel helemaal niet het zoeken naar de beste zet, maar het wonder van een willekeurige zettenreeks.
Dat is het: hij is verknocht aan het idee dat de meest fascinerende zettenreeks de volstrekt willekeurige is. Gopalaratnam is de verpersoonlijking van het autistische schaak, het schaak zonder tegenstander.
De theorie van deze schaakvorm beperkte zich tot nu toe tot één partij., die in de roman Murphy van Samuel Beckett staat beschreven: 1. e4, Ph6 2. Ph3, Tg8 3. Tg1, Pc6 etcetera (ziehier)

Het Autistische schaak kent nu met Sura's Chess Problems haar eerste theorieboek.

Nirav Christophe

sura

terug


(Uit: EUWE '95-'96 nr. 3 April 1996)

Gesprek tussen een Opgewonden Practicus en een Afvallige Filosoof. Over opgeven en zo

AF: Zeg eens, ik moet je wat bekennen. De exacte wetenschap en de filosofie daarvan kunnen mij de laatste tijd niet meer zo boeien. Daarentegen interesseer ik mij meer en meer voor mystiek en zo.
OP: Dat zou ik niet achter je hebben gezocht.
AF: Nee. Maar ook over esthetiek en ethiek mag ik de laatste tijd graag lezen.
OP: Ethiek! Heb je dat artikel van Paul Boersma in Schakend Nederland gelezen?
AF: Daar wilde ik het juist over hebben. Er worden daar in schrille termen twee schaakwereldbeelden tegenover elkaar gezet. Liefde voor de schoonheid van het spel aan de ene kant, vertegenwoordigd door met name Bronstein, en fixatie op resultaat aan de andere kant. Voor die laatste houding worden Boersma's naamloze tegenstander die weigerde op te geven in verloren stelling, en de Engelse grootmeester Kosten opgevoerd. Aan welke kant sta jij?
OP: Dat is niet zo een twee drie te zeggen. Gevoelsmatig ga ik een eind met Boersma mee. Zelf ben ik ook redelijk snel van opgeven, en beschouw ik lang doorspelen als niet erg elegant.
AF: Word je er, net als Boersma, door beledigd?
OP: Nee, nauwelijks. Ik vind het eigenlijk wel grappig om af en toe zettenlang tegen een totaal gewonnen stand aan te kijken. Maar ik moet wel toegeven dat er grensgevallen zijn. Als iemand mij naar Haren zou laten reizen om met twee lopers tegen kale koning mat te zetten, dan zou ik wel boos zijn.
AF: Maar dat slaat op Boersma's tweede argument: de noodzaak om tijd te verknoeien aan volkomen oninteressante materie (een totaal gewonnen, dan wel totaal verloren stelling). Nee, het beledigd zijn slaat op iets anders, zoals ook blijkt uit het feit dat hij een verband legt met speelsterkte. Het gaat erom dat wie lang een verloren stelling doorspeelt impliciet te kennen geeft dat hij nog niet zo zeker weet of zijn tegenstander de winst wel tot stand kan brengen. Alsof ze je bij een sollicitatiegesprek de tafel van twaalf laten opzeggen.
OP: Meer belachelijk dan beledigend, eigenlijk. Net als bij schaken. Wie te lang doorspeelt roept iets op, variërend van milde spot tot verachting in het geval dat hij toch verliest, en haat en verachting als hij inderdaad remise maakt (Boersma's tegenstander) of wint. Gevoelens die natuurlijk zelden worden geuit, of, zoals bij een beschaafd iemand als Boersma, slechts in een milde vorm.
AF: Ja. Dat is het risico van de doorspeler, en dat is diens probleem. Net zoals het naar mijn mening Boersma's probleem is dat hij zich beledigd voelt. Boersma had na afloop van de partij aan zijn tegenstander gevraagd of die plezier had beleefd aan het laatste deel van de partij. Die antwoordde op beleefde toon ontkennend. Hij had ook boos kunnen worden: "Nee, natuurlijk niet! Maar wat heb jij daarmee te maken?" Boersma dringt hier zijn normen aan de ander op, zonder zich te realiseren dat die normen nogal arbitrair zijn.
OP: Een tennisser geeft alleen op bij een blessure. Als het mij zou lukken op miraculeuze wijze door te dringen tot de finale van een grand slam toernooi, en ik zou de eerste twee sets tegen Agassi kansloos verliezen, zou het dan onethisch zijn om door te spelen?
AF: Het is maar net wat de gewoontes zijn. Naar mijn gevoel heeft het meer met esthetiek te maken dan met ethiek. Zoals jij het daarstraks uitdrukte: het is elegant om op tijd op te geven. Maar schaken gaat over meer dan schoonheid, wat Bronstein ook moge beweren.
OP: Ik heb Bronsteins doemdenkerij nooit zo goed begrepen. Het resultaatschaak viert misschien wel hoogtij, ratingpunten zijn inderdaad belangrijker dan ooit ...
AF: Maar is dat niet meer de schuld van de organisatoren met hun toernooicategoriefixatie? Van der Sterren bijvoorbeeld klaagt daar mijns inziens terecht over. Ook vrees ik bijvoorbeeld voor het lot van mijn favoriet Salov, die na zijn nederlaag tegen Kamsky flink geduikeld is op de ranglijst.
OP: Salov is nog meer de dupe van elkaar naschrijvende journalisten die hem consequent karakteriseren met adjectieven als "ultra-solide", alleen omdat hij een goede eindspeltechniek heeft. Maar we dwalen af. Ondanks dit soort akelige dingen wordt er naar mijn bescheiden mening de laatste jaren mooier, opwindender schaak dan ooit gespeeld. Schaken is schoonheid èn strijd.
AF: Mooi gezegd.
OP: Was jij ook zo benieuwd naar de zetten van die partij van Boersma? Het feit dat hij die er niet bij geeft, samen met het feit dat hij juist over ethiek klaagt naar aanleiding van een partij waar het "te lang" doorspelen hem een half punt gekost heeft, maakt zijn zaak er naar mijn idee niet overtuigender op.
AF: Nou ja. Voor de vraag of Boersma in het algemeen gesproken gelijk heeft maakt dat halve punt in feite niet uit. Wel dringt onverbiddelijk de vraag zich op: als je zo torenhoog gewonnen stond, waarom hèb je dan niet gewonnen?
OP: Tijdnood misschien? Maar dat is altijd voldoende reden om door te spelen. Zo ben ik onlangs in een stelling met loper en g-pion tegen kale koning door mijn vlag gegaan. Een nogal zware straf voor de tien seconden die ik op een partij van vier uur méér had gebruikt dan mijn tegenstander.
AF: Remise dus. Je mocht nog blij zijn dat je tegenstander geen pionnen meer had.
OP: Dat riep de wedstrijdleider, Dhr. Haggenburg, ook onmiddellijk nadat mijn tegenstander "Vlag!" had geroepen: "Nou Janse, je mocht nog blij zijn dat je tegenstander geen pionnen meer had!" Het is het soort opmerking waar je op dat moment niet bepaald op zit te wachten. Nogal bot.
AF: Sorry.
OP: Nee, nee, nu geeft het niet meer. Maar toen had ik wel zwaar de pest in. Het kostte me enige moeite om mijn tegenstander een hand te geven. Maar ik verweet hem uiteraard niet dat hij niet eerder had opgegeven. Dat zou niemand in zijn plaats hebben gedaan, ook Boersma niet.
AF: Boersma zegt expliciet dat hij vóór de uitvluggerfase al beslissend materiaal voorstond. Het was dus niet alleen een kwestie van tijd. Blijkbaar was het toch ook weer niet zó makkelijk. Misschien kan jij me uitleggen wat er mis is met de volgende redenering. Stel je staat gewonnen. Ofwel het is heel makkelijk en dan hoef je maar weinig tijd aan je zetten te besteden, en je tegenstander wordt alsnog tamelijk spoedig tot opgeven gedwongen, danwel je zet hem gewoon mat. Ofwel het is niet heel makkelijk, je kan nog fouten maken, je moet geconcentreerd blijven, je zetten kosten meer tijd. In dat geval heeft je tegenstander alle reden tot doorspelen.
OP: De redenering lijkt me geldig. Toevallig heb ik laatst in de weekendvierkampen van het Hoogoventoernooi meegedaan. In vier van de zes gevallen werd doorgespeeld bij groot materiaalverschil zonder compensatie. In slechts één van die vier was tijdnood een rechtvaardiging. Maar het grappige is dat die andere drie, in tijd gemeten, vrij snel klaar waren. Ik zal je die van mezelf even laten zien, sowieso wel een aardige partij, al zeg ik het zelf.

P.Janse J.R.Thakoerdien, Hoogovens, weekendvierkamp, hoofdklasse, 1996 1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.g3 c5 4.Pf3 d5 5.cxd5 Pxd5 6.Lg2 Pc6 7.0 0 Le7 8.Pc3 Pxc3 9.bxc3 0 0 10.e4 Da5? (10...b6) 11.Db3 Td8 12.Td1 [12.d5 c4!] 12...a6?! 13.d5! exd5 14.exd5 Pb8 [14...c4 15.Dxc4 Le6 16.Pg5!+ ] 15.Pg5! Db5 16.Dc2 (wit staat vrijwel gewonnen) g6 17.d6! Lf6 [17...Txd6 18.Txd6 Lxd6 19.Ld5 met sterke aanval] 18.Pe4! [18.Ld5 Lf5! 19.Lxf7+ Kg7 onduidelijk] 18...Lg7 19.Lg5 Tf8 20.c4 (Ook Tb1 was natuurlijk sterk. De volgende dameruil brengt geen verlichting.) 20...Db2?! 21.Dxb2 Lxb2 22.Tab1 Ld4 23.Lf6! (Een rustige genadeklap, sterker dan kwalwinst met Le7) 23...Pc6? [23...Pd7 24.Lxd4 cxd4 25.Txd4+ ] 24.Lxd4 cxd4 25.d7!+ DIAGRAM
opgeven (dit wint een stuk, zwart had hier uiteraard kunnen opgeven; minder sterk is 25.Pf6+? Kg7 26.d7 Kxf6 27.dxc8D Taxc8 28.Txb7) 25...Td8 26.dxc8D Taxc8 27.Txb7 Pa5 28.Ta7 Pxc4 29.Txa6 29...d3 (Hier schrok ik nog. Pb2 is een vervelende dreiging.) 30.Lf1! Td4 [30...Pb2 31.Td2 Tc2 32.Txc2 dxc2 33.Tc6+ ] 31.Pf6+ Kg7 32.Txd3 33.Lxd3 Pe5 34.Lf1 Tc2 35.Kg2 g5 36.h3 Pc6 37.Pd5 1 0. Ik denk dat ik zelf na 30.Lf1 zou hebben opgegeven.

AF: Het feit dat die partijen vrij snel klaar waren doet dus behoorlijke afbreuk aan Boersma's tweede argument: de verspilling van tijd aan iets volkomen oninteressants. Dat lijkt wel mee te vallen.
OP: Ja. Ook grappig is dat bij het grofste geval de twee op papier sterkste spelers betrokken waren. Een hoofdklasser speelde een eindspel met een dame minder wel twintig zetten door. Zijn twee verbonden vrijpionnen waren kansloos geblokkeerd, maar hij wist van geen ophouden.
AF: Waren de winnaars van die drie partijen beledigd?
OP: Nee.
AF: Er was nog een derde argument: Doorspelen zou ook onethisch zijn omdat bij succes (remise of zelfs winst) voor de doorspeler de uitslag van de partij in strijd zou zijn met de gebeurtenissen in de uren daarvoor.
OP: Sorry hoor, maar dat vind ik ècht flauwe kul. De uitslag van een partij is zo vaak in strijd met de gebeurtenissen daarvoor. Ik zou Boersma een vraag willen voorleggen. Stel dat hij in een partij tegen een sterke grootmeester, zeg Beljavski, langzaam wordt weggedrukt. Hij begint een wanhoopsaanval, offert een toren voor matdreigingen. Dan raakt Beljavski de kluts kwijt en denkt dat het ondekbaar mat is. Hij steekt zijn hand uit ten teken van overgave. Wat doet Boersma? Neemt hij de hand aan, of zegt hij: "Waarom, u heeft immers nog Lh4? Ik accepteer uw opgeven niet, de uitslag zou in strijd zijn met de gebeurtenissen hiervoor!" Zou Bronstein dit doen? Nee, natuurlijk niet.
AF: Mag je opgeven eigenlijk weigeren?
OP: Ik denk het niet. Maar stel. Ik had trouwens eens een afgebroken partij, een eindspel dat erg gunstig voor mij stond. De avond voor het uitspelen belde mijn tegenstander me op:"Ik geloof dat ik eigenlijk wel kan opgeven", zei hij, "vind je ook niet?" Hij liet echt de mogelijkheid open dat ik zou zeggen: "Nou, dat zou ik nog maar niet doen. Ik kan in sommige varianten nog lelijk in de fout gaan." Uiteraard accepteerde ik zijn opgave.
AF: Hoe zit het eigenlijk met de ethiek van het remise aanbieden?
OP: Dat is inderdaad ook een hele interessante kwestie. We moeten hier onderscheid maken tussen twee gevallen. De eerste, eenvoudigste mogelijkheid: de uitslag staat eigenlijk al vast. Het is potremise, het wachten is alleen nog op een formele bezegeling daarvan. Dan wordt degene met het meeste materiaal, of degene die op winst gespeeld heeft, geacht de remise aan te bieden. Zo had ik eens een moeilijk toreneindspel gered door af te wikkelen naar een pionneneindspel met nul tegen een, heel elementair, gewoon oppositie en zo. Mijn tegenstander ging lang nadenken, en ik wachtte al die tijd op zijn onvermijdelijke remise-aanbod.
AF: Dit lijkt me meer een kwestie van etiquette dan van ethiek. (Ik realiseer me trouwens nu pas hoe zeer die woorden op elkaar lijken. Etiquette betekent `kleine ethiek'.) Er staat in het door jouw beschreven geval immers niets op het spel. Het is geen onderhandelingsbod maar inderdaad de start van een formaliteit.
OP: Fischer schrijft aan het eind van een partij tegen Petrosjan, die hij met moeite uit het vuur had gesleept: "Here I offered a draw, not realizing that it was bad etiquette." Dan volgt er een variant die leidt tot een stelling waarin hij alleen nog een loperpion op de voorlaatste rij had, en Petrosjan een dame. Wat je zei over onderhandelingsbod brengt ons meteen op de tweede soort gevallen: die waarbij de uitslag geenszins vaststaat. Hier zijn weer allerlei verschillende soorten mogelijk. Ik geloof wel dat het remise-aanbod in de meeste gevallen van de `sterkere', niet qua speelsterkte maar in de concrete situatie van die partij, hoort uit te gaan. Bijvoorbeeld kan het bod dienen als teken van toegeven dat je de winstpogingen opgeeft.
AF: Dat is ook wel logisch. De `zwakkere' heeft in zo'n geval in feite niets aan te bieden. De sterkere heeft de remise al. Van zijn wil om het nog te proberen hangt de verdere lengte van de partij af. Door een zet te doen geeft hij aan dat hij zijn pogingen nog niet opgeeft. Een remise-aanbod van de zwakkere zou vragen naar de bekende weg zijn.
OP: Toch ligt het niet helemaal zo simpel. Vooral als er tijdnood in het geding is. Vooral in een uitvluggerfase. Dan worden de begrippen sterker en zwakker ook door de stand van de klok bepaald. Zo kan je je voorstellen dat iemand in een slecht eindspel remise aanbiedt aan een tegenstander die nog een halve minuut heeft. Deze zal het misschien opgelucht aannemen. Maar hij kan er ook bijzonder door geïrriteerd raken: heeft-ie nog een halve minuut om te winnen, wordt-ie ook nog lastiggevallen. Ingewikkelde materie.
AF: Hoe zit het eigenlijk in uitvluggerfases? Als het `remise staat', maar de sterkere biedt het niet aan? Als de zwakkere ook nog minder tijd heeft zal hij onherroepelijk sneuvelen wanneer niemand remise aanbiedt.
OP: Nee, dat is niet zo. Hiervoor hebben we de regel van de ingrijpende wedstrijdleider. Als naar het oordeel van de wedstrijdleider een van beide spelers alleen nog op de klok speelt en op het bord geen winstpogingen onderneemt, kan de wedstrijdleider de partij remise verklaren. Dit is in het bijzonder van toepassing op stellingen met ongelijk materiaal die theoretisch remise zijn. Zoals toren en paard tegen toren.
AF: Maar dat heeft Kortsjnoi eens dertig zetten lang doorgespeeld tegen Hübner! In een uitvluggerfase had dat dus misschien niet gemogen.
OP: Als Hübner heel weinig tijd zou hebben gehad zou de wedstrijdleider in zo'n geval inderdaad kunnen ingrijpen.
AF: Is dat niet een beetje vreemd? Stel dat Hübner nog tien minuten zou hebben gehad. Dan had hij misschien het beste zijn voorraad tot één minuut kunnen laten slinken, zodat het zou lijken dat Kortsjnoi hem door de vlag probeerde te stampen.
OP: Dat vind ik wel een beetje ver gaan. Hübner houdt dat ook zo wel remise.
AF: Maar dat neemt niet weg dat er situaties denkbaar zijn dat je het best nog even wil proberen, maar dat dat niet mag van de wedstrijdleider omdat je tegenstander minder tijd heeft. Juist in van die zogenaamd theoretische remisestellingen. Toreneindspel met vier tegen drie op een vleugel. Twee torens tegen toren en paard. Dame en paard tegen dame.
OP: Grappig dat je die noemt. Ik heb lange tijd gedacht dat dat juist theoretisch gewonnen was, omdat ik een zinnetje van Krabbé verkeerd gelezen had. Ik werd gesterkt in die overtuiging toen ik een keer op TV, bij het prachtige `Turnier der Schachgrossmeister'...
AF: Wat is dat?
OP: Ik weet niet zeker of het nog bestaat, en zo ja in dezelfde vorm. Maar in mijn middelbare schooltijd had je een toernooi dat zich op de Duitse TV afspeelde. Het waren partijen van een uur per partij per persoon, waar de kijkers een samenvatting van kregen; ze sloegen in de uitzending soms een paar zetten over. Je zag een `diagram' op het scherm, en, wat het aardigste was, je hoorde degene die aan zet was in het Duits over zijn zet nadenken. Dat hadden ze natuurlijk achteraf ingesproken, maar het kwam heel echt over. Als de partij ontaardde in vluggeren, zag je op het laatst nog even de heren echt in actie, bij klok en houten bord. Welnu, de finale van een van die toernooien was Spasski-Karpov. Na een spannende partij ontstond in wederzijdse tijdnood het eindspel dame en paard tegen dame. Spasski had het paard extra, en hij won regelmatig. Zo zag het er tenminste uit.
AF: De wedstrijdleider greep niet in.
OP: Nee. Het lijkt me trouwens een afschuwelijk eindspel om in tijdnood te moeten verdedigen.
AF: De regel van de ingrijpende wedstrijdleider kan misschien in een enkel geval tot onrechtvaardigheid ten opzichte van de op-winst-speler leiden, maar ik zie ook wel in dat de regel noodzakelijk is. Anders zou je toren tegen toren en paard net zo goed meteen kunnen opgeven als je minder tijd hebt.
OP: Bij dat soort grensgevallen is het beste dat je kan doen remise aanbieden op een moment dat de wedstrijdleider toekijkt. Ik heb eens gezien hoe een vriend van me in een potremise toreneindspel met nul tegen een pion door zijn vlag gestampt werd...
AF: Wat vind ik dat toch een prachtige uitdrukking!
OP: Ik ook. Wel, de wedstrijdleider stond erbij en greep niet in. Achteraf zei hij dat hij dit wel gedaan zou hebben als de op-winst-speler een remise-aanbod zou hebben geweigerd.
AF: Dit lijkt me niet helemaal in overeenstemming met de spelregels, maar het is wel begrijpelijk: door te weigeren geef je formeel te kennen dat je op winst speelt. Als beiden gewoon hun zetten doen kan het nog zijn dat het niet bij hem opkwam remise aan te bieden, dat hij er geen tijd voor had of iets dergelijks.
OP: Als je in een uitvluggerfase of in een rapid-partij goed tot gewonnen staat ben je eigenlijk slechter beschermd door de spelregels dan wanneer je slechter staat. Als je bijvoorbeeld totaal gewonnen staat, maar je hebt nog een halve minuut, moet je gaan gokken. Je kan remise aanbieden, wat je tegenstander fatsoenshalve niet kan weigeren. Als hij wel weigert kan de wedstrijdleider bovendien ingrijpen. Als je wil winnen en dat lukt niet binnen de tijd, ben je afhankelijk van de tamelijk toevallige kwestie van het matpotentieel van de tegenstander. De beruchte laatste pion. Heeft hij nog matpotentieel, dan verlies je, hoe gewonnen je ook staat.
AF: Terwijl de tegenstander natuurlijk alleen doorspeelt vanwege de klok, net als in de regel van de ingrijpende wedstrijdleider. Waar zit hem precies het verschil? Ik moet trouwens denken aan het verhaal van Karel v.d. Weide in het laatste clubblad van Euwe.
OP: Ja, hoe was dat ook alweer? Een stuntelende wedstrijdleider verklaarde een partij van Karel verloren waarin hij in wederzijdse klokkemepperstijdnood een kale koning tegen koning en toren had. Tja. Volgens de spelregels heeft Karel natuurlijk gelijk, maar was het argument van de wedstrijdleider eigenlijk wel zo krankzinnig, zoals Karel het noemt? Hij speelde immers inderdaad alleen nog door in de hoop dat de vlag van zijn tegenstander zou vallen!
AF: Ja, maar er is een verschil. Karel kon met recht zeggen: hij moet maar zien dat hij me binnen de tijd mat zet. Maar de toren-paard-partij kan niet tegen de toren-partij zeggen dat die maar binnen de tijd remise moet maken. Hoe maak je immers remise: door een aanbod, door het verwijderen van je tegenstanders matpotentieel, door pat, drie keer dezelfde stelling of de vijftig zetten-regel. Nou, het eerst wordt geweigerd, de tweede en derde mogelijkheid zullen bijna altijd gemakkelijk kunnen worden vermeden, en voor de laatste twee moet je noteren. Het is met name de vijftig zetten-regel die normaal gesproken onnodig lang doorspelen voorkomt, en die hier helemaal niet meer kan worden toegepast. Kortom, zonder te noteren kan je eigenlijk geen remise maken. Maar winnen is matzetten, daar is geen notatie of aanbod voor nodig, en als je niet binnen de tijd matzet verdien je de winst niet.
OP: Inderdaad. Het zou trouwens wel aardig zijn als je om te winnen wèl een aanbod zou kunnen gebruiken: "Ik bied je een nul aan." Het tegenovergestelde van opgeven, zeg maar. Iets voor Paul Boersma misschien? Weigeren in totaal verloren stand zou onbeleefd zijn, net zoals het flauw is om in een potremise stand remise te weigeren.
AF: Ik zit toch nog steeds met het probleem hoe een wedstrijdleider vast kan stellen of iemand echt op winst speelt of alleen maar op tijd. Dat moet aan de gebeurtenissen op het bord te zien zijn, niet aan de klok. Ik weet niet wat hun op de cursus gezegd wordt, maar een goed criterium lijkt mij dat van de vijftig zetten-regel. Wanneer er lange tijd niets geslagen wordt en niet met een pion gezet, zou dat reden kunnen zijn om in te grijpen.
OP: Misschien zou een wedstrijdleider zelfs moeten gaan turven.
AF: Of misschien moeten ze met camera's gaan werken, net zoals bij voetbal TV-beelden soms een rol spelen bij de beslissing over een schorsing. Gewoon bij ieder bord een camera, en bij een controversiële situatie achteraf de beelden bekijken. Speelde hij op winst of niet? Is de vijftig zetten-regel van toepassing?
OP: Mogelijkheden te over.

Paul Janse

terug


terug
Naar de omslagpagina