DE TRÉBUCHET WAS NEDERLANDS

'In mijn ogen is schaken maar een spelletje. Wel erg mooi!' schrijft de 82-jarige Henk Mesman in zijn pasverschenen boek 'De artistieke schaakstudie - geschiedenis in drie delen'. Wel erg laconiek! Dat boek is een levenswerk van 900 bladzijden met 1400 diagrammen - niet alleen over de geschiedenis van de schaakstudie van de Arabische mansuben tot 1900, maar ook over de oorsprong van het schaken, over schaaktijdschriften, uitgevers, studietoernooien, de notatie, de classificatie van studies. Met uitgebreide indexen op naam en op thema, en verklarende begrippenlijsten.
    Een schatkamer, ook omdat Mesman vrijwel uitsluitend primaire bronnen gebruikt. Hij wist zelfs in een Poolse bibliotheek het legendarische, nooit uitgegeven manuscript te pakken te krijgen van de achttiende eeuwse Franse koopman Chapais, waarin die als eerste een theorie van het beroemde eindspel 'twee paarden tegen pion' probeerde te formuleren. Meer was uit dat manuscript nooit geciteerd, maar Mesman ontdekte er nog veel meer interessante standen in. Vaak citeert hij bladzijdenlang - meer dan de helft van het boek is in het Duits, Engels en Frans. Maar een naprater is hij niet, en ook geen omgevallen boekenkast; hij heeft alles zelf onderzocht, vergeleken en met elkaar in verband gebracht, historisch en schaaktechnisch; Philidor vindt hij bijvoorbeeld een overschatte figuur.
    Mesman, die tot in de jaren '50 een sterk partijspeler was en die een veertigtal studies heeft gecomponeerd, heeft zich in de twintig jaar na zijn pensionering geheel aan zijn boek gewijd. Het is jammer maar begrijpelijk dat hij het niet uitgegeven heeft kunnen krijgen. Hij heeft dat daarom in eigen beheer gedaan, en maakt exemplaren op bestelling, in het formaat van een keurige en stevige A4-scriptie. Prijs voor de drie delen: ƒ 120, bestellingen aan H. Mesman, Kerklaan 598, 2903 HL Capelle aan den IJssel. Ik zou er dan ook zijn eerdere publicatie 'De artistieke schaakstudie - Inzicht en Compositieleer' bij nemen; het geheel, inclusief verzendkosten, komt dan op ƒ 154. Een koopje.

Onder de tientallen historische figuren (Kieseritzky, Ponziani, Alexandre, Bilguer, Horwitz, Kling, Von der Lasa, Troitzky, Rinck) die bij Mesman in de woorden van hun tijdgenoten tot leven komen, is ook de schrijver van het eerste oorspronkelijke Nederlandse schaakboek: Philip Julius, Graaf van Zuylen van Nijevelt (1743-1826). Van Zuylen studeerde wiskunde en publiceerde aan het eind van zijn leven een werk over astronomie, maar koos een militaire en bestuurlijke loopbaan. Hij werd luitenant-generaal, en bekleedde in de Napoleontische tijd hoge functies: provinciaal stadhouder, gouverneur van Amsterdam, senator van het Franse keizerrijk. Mesman meent zelfs zijn naam te hebben gezien in een plaquette in de Arc de Triomphe in Parijs.
    Van Zuylen publiceerde zijn schaakboek anoniem in 1792, in een Franse en een Nederlandse versie, die laatste onder de titel: 'Het SCHAAKSPEL veel gemaklyker om te leeren en veel vermaaklyker om te speelen gemaakt: of ONDERRIGT op wat wyze men in korten tyd en zonder veel moeite ZEER STERK in dat spel worden kan.'
    In de Franse editie beval Van Zuylen schaken aan als een spel dat speciaal geschikt was voor vrouwen, die nu eenmaal meer verbeeldingskracht en een beter geheugen hadden dan de man - die ook zoveel andere dingen aan zijn hoofd had. De openingen boeiden Van Zuylen niet, dat was tot vervelens toe altijd hetzelfde uit het hoofd geleerde lesje; 'wat liefhebberij moest daar niet door verkoeld worden'? Hij stelde daarom voor de plaats van de stukken op de onderste rij door loting te bepalen, iets waarmee hij Bobby Fischer met zijn 'Fischerrandom chess' dus meer dan tweehonderd jaar vóór was. Hij was ook één van de eersten die niet de beschrijvende, maar een algebraïsche notatie gebruikten; een pion kon van 2.5 naar 4.5 gaan, een paard van 1.7 naar 3.6.
    Van Zuylens boek was een handleiding voor beginners, maar stond toch vol, ontdekte Mesman, met positionele inzichten die in die tijd niet vanzelfsprekend waren - over open torenlijnen, slechte lopers, geïsoleerde pionnen, zetdwang, oppositie; zelfs de verre ('afgeleegene') oppositie komt bij hem ter sprake. Zijn belangstelling ging vooral uit naar het pionneneindspel, en zijn boek was het eerste waarin een ramp werd getoond waarvan iedere beginnende schaker wel eens het slachtoffer is geworden. Van Zuylen geeft het diagram links. Wit moet hier niet haastig 1.Ke5 spelen, want na Kc4 is er een volledige wederzijdse zetdwang ontstaan - wie aan zet is verliest. 1.Kf5 Ook 1.Ke3 leidt tot remise, maar nu kan Zwart het nog fout doen. 1...Kb6 Of Kc6, maar natuurlijk weer niet 1...Kc4? 2.Ke5 en nu wint Wit. En ook niet 1...Kb4? 2.Ke6! Kc4 3.Ke5 en Wit wint. Er kan verder volgen: 2.Ke5 Kc6 3.Ke6 Kc7 4.Kxd5 Kd7 en Zwart heeft de oppositie en houdt remise.
    Pas veel later is men deze situatie de trébuchet (weegschaaltje, maar ook: struikeling) gaan noemen. Soms duikt het thema nog op in moderne studies; ik vond dit fraaie voorbeeld.

Wit speelt en wint
J. Fritz, 1953
1.Pg3+ En niet 1.Pc3+ Kd3 2.Lxg2 Kxc3 en Wit kan zijn laatste pion niet aan ruil onttrekken. 1...Kf2 2.Lxg2 Kxg3 En niet Kxg2 3.Pe4 Kf3 4.Pg5+ enz. Nu lijkt Zwart echter remise te hebben, want hoe kan Wit voorkomen dat zijn laatste pion geruild wordt? Met de trébuchet. 3.Ld5! exd5 4.Kb7 Kf4 5.Kc6 Ke4 6.Kc5 en Wit wint.

© Tim Krabbé, 2001


Index AD Magazine schaakrubrieken
Bovenkant pagina | Hoofdpagina schaken | Hoofdpagina algemene site