Duits Wonder

First Published 19.7.99
Edited 10.8.2001

Nu niet meteen gaan denken aan dikke Mercedessen, snelle Porches of de afnemende bierconsumptie maar aan een echt wonder. Iets in de orde van grootte als de Maria verschijning aan Bernadette te Lourdes of het winnen van de Europacup I door Heerenveen. Het wonder waar wij het hier over hebben is het platen label 'Organic Music'. Waar het woord 'Organic' in de meeste gevallen direct beelden van met schapenmest in de weer zijnde geitenwollensokkendragers oproept, dient het hier begrepen te worden als: 'des Orgels'. Dit door de jonge Münchenaar Thorsten Scheffner in 1997 tot leven gewekte label, heeft zich ten doel gesteld het evangelie van het Jazz-orgel te verspreiden onder de ongelovigen. Thorsten heeft de zaken voortvarend aangepakt. Nadat hij de opnamen voor de eerste cd's had gemaakt in een gehuurde studio, heeft hij nu nabij München een studio opgezet rond een B-3 met Leslie 122. Voorwaar een aanpak die van visie getuigt en in ieder geval voor organisten fysieke verlichting betekent.

De cd's

Tot dusverre heeft de nieuwkomer al een achttal cd's gerealiseerd en zijn nummer negen en tien in voorbereiding. De spits werd in 1997 afgebeten door de groep 'Grooveyard' met de cd. 'Basic Instinct' (Organic Music 9701): Matthias Bätzel, Hammond C3, Michael Arlt, gitaar en Michael Keul, drums. Wie nu zijn schouders ophaalt, zal zeker opveren bij de namen Houston Person en Red Holloway. Twee tenor-saxofonisten die hun lauweren in het tenorgel-wereldje zeker verdiend hebben. Zij doen naast de derde tenor, de Zwitser Roman Schwaller, hun uiterste best om met succes te demonstreren dat er ook aan de voet van de Beierse Alpen, swingende orgel muziek gemaakt kan worden. De blazers, die niet gezamenlijk te horen zijn, hebben er kennelijk plezier in gehad. De keuze van de gekozen songs is vrijblijvend op een werkje van de organist en twee van de gitarist na. Het orgelspel van Matthias Bätzel is adequaat maar niet opzienbarend. De geluidskwaliteit is goed en de blazers hebben er zoals gezegd duidelijk plezier in. Grootte verrassing is gitarist Michael Arlt, die hier niet alleen vakbekwaam bezig is maar meer dan de anderen ook aan muziek maken toekomt. Hij heeft een mooie toon en is duidelijk een gitarist die zich heeft toegelegd op het spelen met Hammond's.
Cd nummer twee (ORGM 9702) draagt als titel 'We Three'
en wordt volgespeeld door twee Amerikanen en één Duitser. Tevens is op drie nummers de al eerder genoemde Zwitser Roman Schwaller te horen. Het trio op deze cd bestaat uit organist Dan Kostelnik, drummer Duck Scott en gitarist Michael Arlt.
Laatstgenoemde ontdekte Dan Kostelnik terwijl deze in Chicago in een club speelde waar ook gejamd kan worden. Het klikte tussen de twee en aangevuld met drummer Duck Scott, een zoon van organiste Shirley Scott dus ongetwijfeld heeft hij de Hammond-sound met de paplepel ingegoten gekregen, werd deze cd gemaakt. Het resultaat is aardig maar niet echt schokkend te noemen. De organist blijft keurig binnen de door Jimmy Smith c.s. gebaande orgelpaden en laat het orgel veel te weinig janken, gieren en brullen naar mijn smaak. Ook de drummer en gitarist doen plichtsgetrouw hun best, waarbij opvalt dat de gitarist, die voor vijf van de tien nummers tekende, ook hier duidelijk laat merken van Hammond's gecharmeerd te zijn. Al met al een niet opdringerige maar plezierige luisterervaring.

De verrassing

Net toen ik begon te vrezen dit Duitse wonder toch niet zo'n wonder te vinden, gebeurde het. Ik duwde 'Live in Concert!' (ORGM 9704) op van de Christian Rover Group met Rhoda Scott in de cd-speler. Rhoda Scott? Was dat niet die keurige dame met een klein wit hondje, die ik in de grijze oudheid eens bij Willem O Duys in het programma 'De vuist' (of zoiets) had gezien achter een imposante B-3. Bij de eerste door haar geproduceerde tonen had ik begrepen, dat het niets voor mij was. Het swingde niet en de dame vertoonde in haar spel Cor Steyn trekjes. Dus als ik de naam Rhoda Scott in de bakken bij de platenhandelaar tegenkwam werd die stelselmatig genegeerd. Terecht of onterecht? Nader onderzoek leerde mij, dat het onterecht was geweest. Mijn geheugen bleek selectief gewerkt te hebben en ik had twee ooit in De Vuist aanwezige organistes, Rhoda met blote voeten en ene Cherry Wainer, met hondje en gecapitoneerde B3, door elkaar gehaald. Blijkens deze cd had ik Rhoda toch beter in haar loopbaan moeten volgen. Zij doet op deze 'live' cd wat de eerste twee organisten een beetje hebben nagelaten: gieren, janken en brullen. Duidelijk tot groot genoegen van het publiek tijdens het jazzfestival van Eisenach. Eerste constatering, mevrouw Scott swingt en niet zo zuinig ook. Tweede constatering, ze is niet bang voor wat Hammond-orgelgeweld. Gesteund door een stuwende ritmesectie bestaande uit gitarist Christian Rover en drummer Alex Bätzel met daarnaast een plezierig spelende Stanley Blume op alt-sax , gaat zij er flink tegenaan. Haar stijl doet aan een kruising van Richard 'Groove' Holmes met Milt Buckner denken, gekruid met een forse scheut Jimmy Smith en gedrenkt in een herkenbaar eigen sausje. Het op de cd gezette repertoire varieert van een Toccata van J.S. Bach tot aan het rechtstreeks uit de kerk komende 'Stay with me Lord'. Zij verloochent haar afkomst als dochter van een predikant niet. (Dat zij in dit nummer ook nog zingt zij haar vergeven). Een moddervette blues wordt niet door haar geschuwd evenmin als het modale 'Impressions' van John Coltrane. In de eerste plaats luisterend naar de muzikale prestaties, viel mij niet direct iets bijzonders aangaande het orgelgeluid op, maar ergens constateerden mijn oren iets afwijkends. Nadere beluistering leerde, dat het orgelgeluid iets afweek van wat ik gewend ben. Bestudering van de linernotes leerde, dat Rhoda Scott op een XB3 acte de présence had gegeven. Het klonk overtuigend maar toch net even anders. Al met al -in ieder geval voor mij- een verrassende cd en beslist een aanrader.

Italiaanse Hammond-klanken

'Them That's Got' (ORGM 9705) is de titel van de vierde cd die in mijn cd-speler belande. De vaardige bespeler van de twee manualen is een buitenbeentje want hij komt ditmaal uit Italië en heet Alberto Marsico. Een voor mij niet geheel en al onbekende want hij is een keer in Nederland op tournee geweest en bij die gelegenheid heb ik hem horen spelen. In gezelschap van een eveneens Italiaanse bariton-saxofonist en een Nederlandse drummer. Die saxofonist maakte toen meer indruk op mij dan de organist, maar ik moet zeggen dat op deze cd goed gemusiceerd wordt. Alberto revancheert zich volledig en toont zich een organist die goed naar de Amerikaanse voorbeelden heeft geluisterd maar duidelijk zijn eigen weg aan het zoeken is. Wat hij blijkens deze cd-registratie tot dusverre gevonden heeft is af en toe een beetje popperig (= van popmuziek) af en toe zeer dromerig, af en toe fel swingend. Het best valt het geheel samen te vatten onder de noemer fusion. De keuze van de nummers laat dat ook al een beetje zien: Naast een song van Lennon/Mc Cartney, een song van Ray Charles en een van soul-ster Marvin Gaye. Aardig is dat Alberto ook zijn beroemde landgenoot, componist Enrico Morricone, niet vergeet. Gesteund door alt-sax, Stanley Blume en tenor-sax Thilo Kreitmeier, drummer Alex Bätzel en gitarist Christian Rover heeft Alberto Marsico een plezierige bijdrage aan het orgelavontuur geleverd.
The Drivin' Beat
(ORGM 9707) laat opnieuw het trio 'We Three' (ORGM 9702) horen uitgebreid met percussionist José Cortijo. Van de tien songs op dit album zijn er drie van de hand van gitarist Michael Arlt. Tevens zijn er twee 'live' opnamen onder de tien vastgelegde stukken. Het trio heeft er zin in en toont duidelijk beter op elkaar ingespeeld te zijn. De percussionist is vooral in de Braziliaanse stukken flink op dreef. Prettige maar niet dwingende luistermuziek. Gitarist Michael Arlt heeft deze cd opgedragen aan de helaas overleden Wim Overgaauw.
Het opdragen van je eigen muzikale voortbrengselen aan een idool of leermeester is een nobele zaak waar wel een schaduwzijde aan kleeft. Slaag je er niet in muzikaal op het zelfde niveau als de geadoreerde te opereren en er liefst nog iets aan toe te voegen, dan wordt het een heikele zaak op diens naam en composities te gaan leunen. Een voorbeeld hoe het niet moet is te vinden op 'A little taste of Cannonball'
(ORGM 9708). Op deze cd met composities van voornamelijk Bobby Timmons en Cannonball Adderley, laat het Alkaline Jazz Trio van organist Alberto Marsico merken geen snars van de muzikale boodschap van Julian 'Canonball' Adderley c.s. begrepen te hebben. Cannonball's muziek had alles met intense 'soul' en swing te maken. Op deze cd is hiervan weinig bespeurbaar. Daarbij komt nog dat de mondharmonica spelende Mike Turk, de gastsolist op deze cd, beslist geen begeesterde solist is, hetgeen ook voor vibrafonist Allessandro di Puccio geldt. Vakbekwame muzikanten maar met te weinig 'soul'. Bijkomend probleem is dat Hammond-orgel noch erg mooi kleurt met vibrafoon noch met mondharmonica. Organist Alberto doet zijn best maar kan ook niet de sfeer van 'Cannonball's' muziek oproepen. Daarbij maakt hij de haast onvergefelijke fout zich te vergrijpen aan Bobby Timmons onvergetelijke compositie 'This Here'. Je moet maar durven om dit rechtstreeks uit de zwarte kerk komende meesterwerkje op deze manier te reproduceren. Helaas, geen aanrader deze cd.
'Movin'up'
(ORGM 9709) van het Stanley Blume Quartet met Matthias Bätzel op orgel, omzeilt gelukkig al deze valkuilen. Altist Stanley Blume, ook op de cd van Rhoda Scott (ORGM 9704) te horen, tekent voor acht van de negen songs. De overgebleven compositie staat op naam van meespelende gitarist Ecki Gleim. Het kwartet aangevuld met gastsolist Ingolf Burkhardt op trompet levert een aangename prestatie. Geen hemelbestormers of grote vernieuwers, wel musici die er veel zin in hadden en dat ook laten horen. De organist heeft zich duidelijk laten inspireren door Jimmy Smith zonder in de fout van imiteren te vervallen.

Conclusie

Zonder meteen in bewonderende 'oh's en ah's' uit te barsten, kan hier toch van een lovenswaardig initiatief worden gesproken. Zeker er kan best wat meer spanning in de producties gestopt worden. Mogelijk zorgen bijvoorbeeld de opnamen die met organist Larry Goldings zijn gemaakt hiervoor. In het Münchener potje schijnen overigens wel wat meer verrassingen te zitten. Voorlopig is het resultaat in ieder geval zeer bevredigend. Wie had dat gedacht, een echt

'orgellabel'.


Nieuwe Duitse Avonturen.



ORGM 9710: Sketches
ORGM 9715: Ghostbusters
ORGM 9722: Earth Tones


Het hierboven besproken Duitse label Organics met als specialiteit Hammond geluiden, heeft een drietal nieuwe cd's uitgebracht.
De eerste in het laatje van de cd speler geschoven geluidsdrager Sketches (Orgm 9710) bevat een op 3 december 1999 gemaakte opname van de Duitse tenorist Jason Seizer. Hij wordt begeleid door drie Amerikanen, Larry Goldings (B3), Peter Bernstein (Gitaar) en Bill Stewart (Drums).
De opnamen vonden plaats nadat drummer Bill Stewart in de dagen voorafgaand aan de opname, een workshop had gegeven in het Amsterdamse Sweelick conservatorium. Tijdens die workshop werd hij begeleid door Larry Goldings en Peter Bernstein. Tros Sesjun heeft vanuit het Sweelinck en live-opname van dit trio verzorgd. Die klonk heel wat avontuurlijker dan de op dit cd-tje vastgelegde muziek. Vooral drummer Bill Stewart liet een goede indruk achter met zijn inventieve en somtijds innoverende spel.
Jason Seizer is een bekwame muzikant, met een aangename toon, iets wat ook voor Larry Goldings en Peter Bernstein geldt. Er is goed naar de combinatie Larry Young en Grant Green geluisterd. De zeven op de cd staande stukken zijn op de klassieker ‘Body and soul' alle van de hand van Jason Seizer. Het orgel, een door mij aangeleverde B3 met Leslie 860, klinkt lekker, de opname technicus heeft goed geluisterd. Prima in orde allemaal. Alleen de muziek maakt niets bij mij los. Ik luister er naar en denk: Wanneer gebeurt er wat?
Voor mij is muziek emotie. Als die ontbreekt blijft er weinig meer over dan een zacht voortkabbelend beekje. Je hoort het wel maar het trekt niet je aandacht. Om het maar eens plat te zeggen, de muziek op deze cd heeft geen ballen.
Als echter de bedoeling van de muzikanten was een netjes in het gehoor liggend, niet gepeperd product af te leveren, dan zijn zij daar wel in geslaagd, je oor wordt niet gemaltraiteerd.

Dat zou voor luisteraars naar ‘ghostbusters' (Orgm 9715) wel eens anders kunnen liggen.
In de eerste plaats is er sprake van een ongewone combinatie: Hammond met trombone. Op de tweede plaats zijn de twee muzikanten, Andreas Bötcher (Hammond C3) en Günther Heinz (trombone) erop uit om muzikale grenzen op te zoeken en desnoods op te rekken.
Bötcher is geen pur sang Hammond organist, verre van. Van oorsprong is hij pianist, vibrafonist, bassist, gitarist en nog het een en ander. Zijn ‘roots' wat betreft het Hammond orgel liggen bij Keith Emerson.
De opnamen dateren uit 1997 en vonden plaats in de studio van het Dresden-er conservatorium. Er stond tijdelijk een C3 in de studio en de beide musici lieten dit buitenkansje niet voorbijgaan. Opnametechnisch is er weinig op de cd aan te merken, het klinkt goed. Op de gepresenteerde muziek valt echter wel het een en ander af te dingen. Ruim een uur duurt de cd en dat had wel wat korter gekund. Er staan genoeg interessante momenten op maar ook een aantal van het kaliber ‘dat doet mijn neefje van vijf ook'. Van een echte opbouw is er ook geen sprake. Het is meer de vraag:" Wollt Ihr den Totalen Improvisation", die door beide muzikanten bevestigend beantwoord wordt. Het probleem bij een dergelijke vraagstelling is de inventiviteit van de uitvoerenden. Ik spreek hier uit ervaring. Als eenmaal alle knopjes, ventielen ingedrukt en uitgetrokken zijn en de navenante geluiden geproduceerd blijft de vraag, hoe maken wij hier muziek van? Kort door de bocht zijn daar twee antwoorden op mogelijk. Het eerste luidt: We trekken ons nergens wat van aan en zien wel waar het schip strandt. Het tweede antwoord is: We gaan uit van een thema/schema of andersoortige vorm.
De beide ‘ghostbusters' hebben voor het eerste antwoord gekozen. Een probleem bij deze aanpak vormt de onvermijdelijke stranding. Die vindt helaas voor de luisteraar, meestal niet aan het eind van het stuk plaats maar vaak al middenin of bij erge pech al aan het begin. Je hoeft dan maar twee noten (in de meest ruime betekenis van het woord) te horen of je weet al, dit wordt niks. Van de in totaal acht stukken op deze cd valt de helft ten prooi aan dit euvel.
De stukken 2,3,5 en 7 maakten op mij de meest verfrissende indruk.
Nog een tweetal opmerkingen. Wie zich verwachtingsvol opstelt met het idee op een fijn stukje swingende Hammond vergast te worden, dient met een ruime boog om deze cd heen te lopen. Het swingt niet en de Hammond geluiden zijn beslist niet alledaags hoewel wel herkenbaar Hammondiaans. Daarnaast kan het lovenswaardige initiatief om deze muziek te maken en uit te brengen niet voldoende geprezen worden.

In de hoestekst bij ‘Earth Tones'
, de eerste cd van blueszanger Ron Ringwood, wordt de vraag gesteld: "Waarom speel je op een nieuwe blues cd, bekende standaard blues songs?" De hoestekstschrijver heeft er ook wel een antwoord op, dat neerkomt op ‘het is mijn interpretatie, dus mijn muziek'. Bevredigend is dit echter niet. Het grootste risico dat je als vertolker van standaard songs loopt, is de mogelijkheid van vergelijking met het origineel. Je moet van bijzonder goede muzikale huize komen om een dergelijke vergelijking zonder kleerscheuren te doorstaan.
Eerst even iets over de begeleidende musici. Wij komen hier de Italiaanse Hammond bespeler Alberto Marsico tegen. Waar hij op een eerder besproken cd wat tegenviel ('A little taste of Cannonball'), doet hij hier de Hammond weer alle eer aan. Het orgel staat er mooi op, klinkt lekker vet en net ruig genoeg. Zijn solo's zijn geënt op de Amerikaanse voorbeelden maar met een eigen draai. De drummer en gitarist leveren een prettige bijdrage. Hetgeen ook gezegd kan worden van saxofonist Derrick James die op een paar nummers meespeelt.
De opname, die plaatsvond in december 2000 in de eigen Organic studio uitgerust met eigen B3, is kwalitatief goed.
Als je over de repertoire keuze heenstapt dan valt er veel genoegen aan deze cd te beleven. Ron Ringwood heeft een prettige bluesy stem en zingt in de traditie. Hij tekende voor drie eigen songs op deze twaalf songs bevattende cd, die meteen de drie leukste vormen. Je vraagt je dan ook af waarvoor niet is gekozen voor meer eigen repertoire. Zit de luisteraar smartelijk te wachten op de zoveelste vertolking van bijvoorbeeld Sittin' On A Dock Of The Bay of The Trill Is Gone?
Ik in ieder geval niet en dat doet afbreuk aan deze verder aangename cd, waarvan vooral het door de groep gezamenlijk gemaakte Turner Brown Blues mij goed beviel.

Deze drie nieuwe Organic cd's, hoe wisselend van muzikale vorm ook, geven in ieder geval aan dat er nog voldoende leven in de Hammond brouwerij zit.

Infopage Songbook for Hammondorgan Guitarbooks CD's for sale