| DE VOLKSKRANT
15 JUNI 2002
IQ in hoge mate erfelijk bepaald Van onze medewerker John Ekkelboom
|
|
TOM BOUCHARD, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Minnesota, Verenigde Staten, onderwierp in de jaren tachtig eeneiïge tweelingen aan een IQ-test. Het betrof paren die na hun geboorte waren gescheiden en vervolgens apart opgroeiden. Bouchard ontdekte dat bij elk paar de IQ's zelfs vele jaren na de scheiding nog vrijwel hetzelfde waren. Er moest dus sprake zijn van erfelijkheid, concludeerde Bouchard als een van de eersten op grond van metingen in plaats van meningen. Dat er een relatie bestaat tussen intelligentie en erfelijkheid, is voor de meeste psychologen allang geen vraag meer, maar een weet. Daarmee is echter lang niet alles gezegd. De kwestie is nu in welke mate erfelijkheid een rol speelt. Geven ouders zoiets als 'intelligente genen' door aan hun kroost? Of wordt een kind met name slimmer door het milieu waarin het opgroeit? Dat is niet alleen een beladen kwestie, het is ook een lastige wetenschappelijke vraag, zegt biologisch psychologe drs. Daniëlle Posthuma van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). 'Een domme en een slimme ouder krijgen niet zomaar een kind met een gemiddeld IQ, zo eenvoudig werkt de genetica natuurlijk niet. Hooguit kun je zeggen dat de IQ-verschillen binnen een gezin altijd kleiner zijn dan de verschillen tussen individuen uit verschillende gezinnen. Maandag promoveert Posthuma op haar studie naar de mate van erfelijkheid van IQ-scores. Die is, zegt ze, niet alleen verrassend hoog. Ook de invloed van de omgeving en de opvoeding wordt door de meeste leken schromelijk overschat. Posthuma maakte bij haar onderzoek gebruik van het Nederlands Tweelingen Register (NTR), dat vijftien jaar geleden aan de VU werd opgericht voor wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek bij tweelingen en hun familieleden kan als geen andere methode inzicht verschaffen in hoeverre verschillen tussen mensen erfelijk of door omgevingsfactoren zijn bepaald. Posthuma onderzocht drie jaar lang in totaal 688 personen van jong tot oud uit gezinnen met minimaal één tweeling. Bijzonder was dat de promovenda ook broers en zussen van die tweelingen in de studie opnam. Die delen gemiddeld de helft van de genen. De omgevingsfactoren waarin zij opgroeiden, waren nagenoeg gelijk. Ze hebben, om te beginnen, in dezelfde baarmoeder gezeten en kwamen uit hetzelfde gezin. Alle deelnemers ondergingen een uitgebreide IQ-test (de Wechsler Adult Intelligence Scale III, zie kader). Dat mannen in het algemeen beter scoorden, vindt Posthuma jammer, maar ze kan er wel om glimlachen. ‘Het blijkt dat de IQ-score voor 80 tot 90 procent erfelijk is. Dit is enorm hoog. Het verschil in |
intelligentie tussen mensen wordt kennelijk in zeer hoge mate bepaald door het verschil in genen. En nauwelijks door directe invloeden van de omgeving.’ Haar uitkomst, waarschuwt Posthuma, moet niet verkeerd worden begrepen. Uit haar onderzoek blijkt vooralsnog dat genetische verschillen tussen individuen statistisch beter het verschil in IQ-scores verklaren dan omgevingsverschillen. Posthuma: 'Maar dat wil niet zeggen dat de omgeving geen invloed heeft op een IQ-score. Je kunt er alleen niet erg goed de verschillen tussen mensen mee verklaren of voorspellen.' Van twee eigenschappen die mogelijk samenhangen met intelligentie en die in IQ-tests ook worden gemeten, - snelheid en aandacht - bepaalde Posthuma vervolgens nog eens afzonderlijk de erfelijkheid. Mensen die sneller reageren, zijn in het algemeen slimmer. Om die snelheid te achterhalen, werd bij de proefpersonen de reactietijd tijdens allerlei tests geregistreerd. Daarbij moesten ze met knoppen reageren op afbeeldingen die op het beeldscherm verschenen. Dat waren bijvoorbeeld twee stokjes, waarvan één telkens het langste was. De aanbiedingstijd werd steeds korter. Posthuma: 'De snelheid waarmee iemand een beslissing neemt tijdens zo'n simpele taak, was voor bijna 50 procent erfelijk. Interessant is dat de relatie tussen deze snelheid en IQ volledig is toe te schrijven aan erfelijke factoren. Er zijn dus genen die zowel reactiesnelheid als IQ beïnvloeden.' In een verwant Australisch onderzoek kwam niet lang geleden hetzelfde naar voren. Ook aandacht - dat wil zeggen: de mate waarin iemand in staat is afleidende informatie te negeren - bleek grotendeels genetisch bepaald en een relatie te hebben met het IQ. In tests hiervoor kregen de deelnemers telkens vijf naast elkaar gelegen pijltjes op het beeldscherm gepresenteerd, waarbij iedere keer het middelste pijltje dezelfde óf de andere kant uitwees dan de overige vier. Met knoppen moesten de proefpersonen de richting van de middelste pijl aangeven. Slimme mensen deden dit niet sneller dan minder slimme, maar maakten minder fouten doordat zij zich minder lieten afleiden. Alsof intelligentie en erfelijkheid op zichzelf al niet omstreden genoeg zijn, deed Posthuma ook onderzoek naar het verband tussen schedelgrootte en intelligentie. Voor exactere gegevens dan alleen de klassieke en veel te grondstoffelijke schedelomtrek, zocht Posthuma samenwerking met prof. dr. René Kahn, hoofd van de afdeling psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Hij is gespecialiseerd in het bepalen van breinvolumes met de MRI-scanner, onder meer bij schizofreniepatiënten. Uit de metingen bij een |
groot
deel van de proefpersonen van Posthuma werd dat de omvang van de hersenen
erfelijk bepaald is en dat een groter brein bovendien daadwerkelijk gepaard gaat
met een hoger IQ. Kahn bekent dat hij enigszins verbaasd was over de hoge mate
van erfelijkheid. 'Het volume van de grijze en witte stof blijkt voor maar
liefst 90 procent genetisch bepaald.' De grootte van de vloeistofhoudende kamers
- tussen de grijze en de witte stof - die de hersenen beschermen, blijkt
daarentegen juist afhankelijk van omgevingsfactoren.Kahn: 'Bij schizofreniepatiënten
en patiënten met de ziekte van Alzheimer zie je dat die kamers sterk zijn
vergroot doordat er hersenweefsel verloren is gegaan. Dus wat je hebt aan
hersenweefsel, ligt genetisch vast, maar wat je vervolgens kwijtraakt, komt door
omgevingsfactoren.' De volgende stap die Posthuma na haar promotie wil zetten,
is het aanwijzen van genen die verantwoordelijk zijn voor intelligentie.
Voorlopig doet ze dat nog aan de hand van dierexperimenteel onderzoek. Bij
studies bij muizen zijn al genen gevonden die iets te maken hebben met
reactiesnelheid of met breinvolume. Wanneer bepaalde genen bij muizen worden
uitgeschakeld - de zogenoemde knock-out - komt bijvoorbeeld de vorming van de
mergschede rondom zenuwen slecht op gang. Hoe dikker deze zogeheten myeline-laag,
hoe sneller de prikkeloverdracht, in dit geval in de hersenen. Er zijn ook
knock-outmuizen waarbij de kleine hersenen zich nauwelijks ontwikkelen door het
uitschakelen van slechts enkele genen. Posthuma: ‘Graag zou ik in de toekomst
de mensen die aan mijn onderzoek hebben meegedaan, willen vragen of ik hun DNA
mag onderzoeken. Dan kan ik de plekjes in hun erfelijk materiaal bestuderen die
overeenstemmen met de kandidaat-genen bij muizen. De vraag is of bij mensen met
hetzelfde IQ die gebiedjes op elkaar lijken.' Maar doen verloofden er nou wel of
niet goed aan eerst een intelligentietest in te vullen, voor ze elkaar het
jawoord geven? Dat valt nog volledig te bezien, zegt Posthuma. Stel eens, zegt
ze, dat intelligentie met één gen samenhangt, waarvan slechts twee varianten
bestaan: A die tot een verhoogd IQ leidt, en B die het IQ juist verlaagt. Een
slimme ouder (AA) en een domme ouder (BB) krijgen dan altijd gemiddeld kroost (AB),
maar gemiddelde ouders (AB) misschien wel heel slimme kinderen (AA). Of heel
domme (BB). Het is echter ondenkbaar dat intelligentie met maar één gen
samenhangt. Er zijn, schat Posthuma met de natte vinger, misschien wel twintig
genen in het spel, die elk een relatief klein effect zullen hebben. Zelfs als al
die genen zijn geïdentificeerd, blijft de intelligentie van nageslacht gewoon
de loterij die Moeder Natuur er vast mee had bedoeld. John Ekkelboom
|
| IQ
en intelligentie Het IQ, luidt de gevleugelde uitdrukking over een controversieel begrip, is datgene wat een IQ-test meet. Test-psychologen spreken zelf liever niet van intelligentietests, omdat IQ en intelligentie niet per definitie hetzelfde betekenen. Intelligentie is volgens gangbare definities doorgaans zoiets als het vermogen van een individu om adequaat te reageren op complexe problemen. Vaak wordt een onderscheid gemaakt naar numerieke intelligentie en taalkundige intelligentie. IQ-tests worden ontworpen aan de hand van de gekozen definitie van het begrip intelligentie. Een hoge score in de ene test, betekent niet vanzelf een hoog IQ volgens een concurrerende toetsing. Volgens sommige psychologische scholen bestaan er meer vormen van intelligentie; de laatste vijf jaar is bijvoorbeeld het EQ in de mode, dat de emotionele intelligentie zou meten, een maat voor iemands sociale behendigheid. Het getal dat een IQ-test oplevert, is de relatieve score van een individu ten opzichte van het gemiddelde in die test. Iemand met een IQ van 100 zit precies op de gemiddelde score. Iemand met meer dan 125 zit er aanzienlijk boven en wordt doorgaans 'hoogbegaafd' genoemd. Alleen al in Nederland zijn zeker vijf tests breed in gebruik, waaronder de Wechster Adult lntelligence Scale-III. Die test bestaat uit veertien onderdelen met vraagstukken, variërend van af te maken tekeningen tot rekenen, overeenkomsten zoeken, ordening. De test wordt veelvuldig gebruikt bij het zoeken naar oorzaken van leerprobie- men. Er komen algemene IQ-scores uit, maar bovendien vier zogeheten indexscores: verbaal begrip, perceptuele organisatie, verwerkingssnelheid en werkgeheugen. Voor WAIS-III, waarvan de vragenlijsten zorgvuldig niet-openbaar worden gemaakt om oefenen te voorkomen, zijn normen verzameld bij een grote groep Nederlanders en Vlamingen tussen de 16 en 85 jaar. |