het unabomber manifest
 
Inleiding 
 
 

Met de arrestatie van Theodore (Ted) Kaczinski hoopt de Verenigde Staten een van haar 'meest gezochte misdadigers', de Unabomber, in handen te hebben. Sinds 1978 pleegde hij zestien bomaanslagen, waarbij drie doden en 23 gewonden vielen. Er stond een beloning van een miljoen dollar op zijn hoofd en een speciaal team van 150 FBI-agenten heeft tienduizend getuigen en verdachten ondervraagd en 50 miljoen dollar gespendeerd om hem te pakken te krijgen. Uiteindelijk lijkt de Unabomber's vurigste wens, de publikatie van het manifest The Industrial Society and Its Future in een landelijk dagblad, hem te hebben verraden. Ted's broer David herkent de schrijfstijl van zijn broer en neemt een privé-detective in de arm. Samen gaan ze op onderzoek uit. Het blijkt dat Ted geregeld op dezelfde plaatsen is geweest als waar de Unabomber in de loop der jaren heeft toegeslagen. Reden genoeg om de FBI in te schakelen. Deze schaduwen Ted's hut in de bossen bij Montana waar hij als een kluizenaar zonder elektriciteit en stromend water woont. Begin april besluiten ze hem te arresteren en inmiddels hebben zij voldoende bewijsmateriaal verzameld om hem voor de rechtbank te laten verschijnen. 
De miljoen dollar die David Kaczinski opstreek voor het aangeven van zijn broer, heeft hij ter beschikking gesteld aan de nabestaanden van de Unabomber-slachtoffers. 

Het eerste explosief van de Unabomber, een sigarendoos met daarin een lucifer-ontsteking en elastieke banddetonatoren, wordt op 25 mei 1978 aangetroffen op de parkeerplaats van de University of Illinois, Chigaco. Het pakketje bereikt zijn doel, een professor aan het Polytechnisch Instituut Rensselaer niet. In plaats daarvan raakt een agent van de campus die het pakketje verdacht genoeg vindt om het open te maken gewond. Bijna een jaar later ontploft een tweede pakketbom op de Northwestern University. Pas bij een derde bom in de buik van een Boeing 727 tijdens een vlucht van Chigaco naar Washington op 15 november 1979 waarbij twaalf gewonden vallen, wordt de aandacht van de FBI getrokken. Deze derde aanslag brengt de twee vorige aan het licht. Een lange vruchteloze speurtocht naar Amerika's dodelijke Luddiet vangt aan.
Deze speurtocht belet de Unabomber niet een boekbom te sturen aan Percy Wood, president van United Airlines. Deze aanval op Wood is voor de FBI aanleiding de voor hun ongrijpbare seriebommenwerper om te dopen tot 'Unabomber', waarbij 'Un' staat voor university en 'a' airlines. Uit de aanslagen die volgen wordt duidelijk dat de Unabomber het vooral heeft gemunt op academici die zich bezig houden met belangrijk onderzoek op het gebied van nieuwe technologieën. Later, in 1985, richt hij zich ook op eigenaren van computerwinkels. Een van hen verliest op 11 december 1985 het leven, wanneer hij een pakketje op de parkeerplaats voor zijn deur oppakt. Het is de Unabomber's eerste dodelijke slachtoffer. 
De aanslag op de manager van een computerwinkel in Salt Lake City op 20 februari 1987, wordt de Unabomber bijna fataal. Hij wordt opgemerkt door de secretaresse, maar haar beschrijving van "iemand met een muts en zwarte grote zonnebril" is volgens de FBI zo beroerd dat niet eens de kleur van zijn haar of zijn leeftijd kan worden vastgesteld. De opvatting van de FBI over het motief van de Unabomber schiet al net zo tekort. Ze beschouwen hem als een eenzame gek die handelt vanuit persoonlijke motieven. Zo zou hij ooit een vliegtuigstoel hebben moeten afstaan of zijn ontslagen als automatiseringsdeskundige.
De Unabomber houdt zich na deze laatste aanslag echter een tijdje gedeisd. Omdat de Unabomber-eenheid van de FBI ook niet meer verder komt, wordt zij eind jaren '80 opgeheven. 

Halverwege 1993 doet de Unabomber, wellicht geïnspireerd door de aanslag op het Wereldhandelscentrum in New York, plotseling weer van zich spreken. Op 22 juni raakt een geneticus van de University of Tiburon (Californië) zwaar gewond door een Unabomberpakketje. Twee dagen later wordt computer-programmeur David Gelertner van de Yale University het slachtoffer. 
Rond deze tijd benadert de Unabomber voor het eerste The New York Times, waarbij hij laat weten dat de bombardementen het werk zijn van de Freedom Club (FC). 
Het FBI-team wordt in allerijl weer in het leven geroepen, maar kan niet voorkomen dat er nog een tweede dode valt. Op 10 december 1994 wordt Thomas Mosser, directeur van het reclamebureau Burston-Marsteller dat in de ogen van de Unabomber verantwoordelijk is voor het 'groenwassen' van de milieuramp veroorzaakt door de Exxon-Valdez, gedood als hij thuis een postpakketje opent. Op 24 april 1995 arriveert een met tape dichtgeplakte doos op het hoofdkwartier van de Forest Association in Californië. Geamuseerd speculeert de staf dat het wel eens een bom zou kunnen zijn. Omdat de secretaresse het niet open krijgt, overhandigt ze het aan haar baas Gilbert Murray - ook al was het pakketje dan geadresseerd aan zijn voorganger William Dennison. Deze maakt het open en komt door de explosie om het leven. 
Twee dagen later stuurt de Unabomber een brief aan The New York Times, een aantal andere Amerikaanse dagbladen en David Gelertner waarin de Freedom Club laat weten dat "nu de tijd rijp is voor het verspreiden van haar anti-industriële ideeën". De Unabomber belooft geen aanslagen meer te plegen als het manifest van de Freedom Club, Industrial Society and Its Future, wordt gepubliceerd. 
Om zijn eisen kracht bij te zetten, verstuurt de Unabomber nog een aantal brieven. In de eerste, gericht aan de Nobelprijs-laureaten voor biologie en genetische manipulatie Richard Roberts van Boston Biotech en Philip Sharpe van het Technologisch Instituut te Massachusetts, wijst hij hen erop hoezeer de Freedom Club gekant is tegen hun onderzoekingen. Eind juni 1995, ontvangt de luchthaven van Los Angeles een brief waarin wordt gedreigd op een dag een vliegtuig op te blazen. De volgende dag, wanneer inmiddels al een peperdure veiligheidsoperatie op gang is gekomen, wordt in een nieuwe brief de vorige afgedaan als een grap. 
Op 2 juli 1995, de dertiende verjaardag van het eerste Unabombardement op Berkeley, arriveert daar een volgend pakket van de Freedom Club. Ondanks de waarschuwingen van de FBI, wordt het pakket opengemaakt door een hoogleraar in de psychologie, die eerder in een artikel had beweerd dat de Unabomber een psychopaat is zonder geldige motieven. Tot zijn opluchting ontdekt hij dat het slechts een kopie bevat van Industrial Society and Its Future en een lijst indringende vragen, waarin de draak wordt gestoken met de karikatuur die de hoogleraar eerder van de Unabomber had geschetst. Terwijl The New York Times en andere kranten nog twijfelen of ze het manifest zullen publiceren, zijn andere bladen naarstig op zoek naar een primeur. De meest bizarre onderhandeling vindt plaats tussen de Unabomber en Penthouse. De Unabomber stemt erin toe dat dit blad het manifest publiceert, maar dan wil hij vanwege de "allerbelabberdste kwaliteit" van Penthouse nog één technocraat ombrengen. Duidelijk ongelukkig met deze deal biedt uitgever Bob Guccione de Unabomber een maandelijkse column als alternatief. 
Deze deal gaat uiteindelijk niet door omdat The New York Times en The Washington Post op 19 september tot publikatie over gaan. De redacties benadrukken dat ze dit niet doen om journalistieke redenen, maar in het belang van de openbareveiligheid. Hoofd-aanklager Janet Reno en FBI-directeur Louis Freeh bevestigen dat zij enige druk op de redactie hebben uitgeoefend. Beide kranten krijgen er overigens elk 30 duizend dollar voor. Om technische redenen wordt het zes pagina's lange manifest eerst uitgebracht als bijlage van The Washington Post. De bijlage wordt opzettelijk midden in de week uitgebracht omdat de oplage dan lager is.
Time Warner is zo goed om Industrial Society and Its Future onmiddellijk op Internet te zetten. Twee dagen later, op 21 september 1995, staat het manifest ook in The Oakland Tribune. Dit, zo zegt de redactie, opdat lezers de auteur kunnen herkennen aan zijn manier van schrijven en hem eventueel kunnen aangeven. 
De discussie over de inhoud van het manifest is dan al in alle hevigheid losgebarsten. Velen prijzen de inzichten van de Freedom Club omtrent de malheur van het moderne bestaan. Andere vinden het hoogdravend en slechts een herhaling van eerder geformuleerde kritieken op de industriële samenleving. Vooral in gematigd linkse kringen valt het manifest slecht. Niet alleen distantiëren ze zich van het door de Freedom Club gepropageerde geweld, ook zijn ze gepikeerd over de aan hun gerichte kritiek welke een centrale plaats inneemt in het manifest. De meer radicale groepen waren vaak wel te spreken over het manifest. Enkele van deze groepen starten onlangs zelfs een campagne, Ted for President!. Theodore Kaczinski heeft laten weten niet beschikbaar te zijn. 

Amsterdam, juni 1996