Bazaj Radikoj de Esperanto
Basis-Woordenschat Esperanto

kun Nederlandlingvaj klarigoj
de Wouter F. Pilger

Basis-woordstammen Esperanto
met Nederlandstalige toelichting

((C) 1994,1997, 1999 Wouter F. Pilger)
Wilt u a.u.b. de enquête invullen?
Bonvolu respondi la enketon!

Ĉi tie estas / Hier zijn ĉĝĥĵŝŭĈĜĤĴŜŬ =  Esperanto-literoj = UTF-8 ("Unikodo/Unicode")

Por iuj navigiloj la versio kun Esperanto-literoj lau LATINO-3 estas pli tauga.
Voor sommige browsers is de versie met Esperanto-letters volgens LATIN-3 meer geschikt.
Se via navigilo ne povas montri Esperanto-literojn, nek lau Latino-3, nek lau Unikodo, vi uzu ASKIAN version.
Wanneer uw browser de Esperanto-letters noch volgens Latin-3, noch volgens Unicode kan tonen, gebruikt u de ASCII-versie.


La Akademio de Esperanto publikigis "Bazan Radikaron" el ĉ. 2500 radikoj, kiu ebligas formi sufiĉe ampleksan vorttrezoron. Laŭ tiu, ĉi tiuj listoj de bazaj radikoj kun Nederlandlingvaj klarigoj estas kompilitaj. Je bazo de frekvenco kaj uzeblo la radikoj estas dividitaj en naŭ grupojn.

De Akademio de Esperanto heeft een lijst gepubliceerd van circa 2500 woordstammen, waaruit een vrij uitgebreide basiswoordenschat gevormd kan worden. Aan de hand daarvan zijn deze lijsten met Nederlandstalige toelichting samengesteld. Op grond van de frequentie en gebruiksmogelijkheden zijn de woordstammen onderverdeeld in negen groepen.


Jena listo estas ne uzebla kiel traduk-helpilo de la Nederlanda al Esperanto. Pro la multa uzo de kunmetitaj vortoj en Esperanto, multaj Nederlandaj vortoj ne estas troveblaj.
Deze lijst is niet bruikbaar als vertaalhulpmiddel Nederlands- Esperanto. Door het ruime gebruik van samengestelde woorden in het Esperanto, zijn veel Nederlandse woorden niet opgenomen.


Wie meer wil weten over Esperanto in het Nederlands, kiest het Nederlandse vlaggetje in:
www.esperanto.net


wfpilger
Bazaj Radikoj 1-1 NL

Prefiksoj kaj sufiksoj
Voor- en achtervoegsels

(NE LAŬ FREKVENCO!) (NIET NAAR FREQUENTIE!)
(kun ne-Akademiaj, Pilgeraj, gramatikaj komentoj)

En Esperanto, la vortformado per prefiksoj kaj sufiksoj estas tre grava. Lerta utiligo de tiuj estas do konsilinda.
In het Esperanto is de woordvorming door middel van voor- en achtervoegsels van groot belang. Er handig gebruik van maken is dus aanbevelenswaard.


gramatikaj finaĵoj / grammaticale uitgangen
(la indikoj pri gramatikaj funkcioj estas donitaj el Nederlandlingva vidpunkto - el alilingva vidpunkto eblas priskribi ilin alie)
(de aanwijzingen v.w.b. grammaticale functies zijn gegeven vanuit een Nederlandstalig gezichtspunt - vanuit een anderstalig gezichtspunt kan men ze anders omschrijven)

-o : (zelfstandig naamwoord); telefono = een telefoon; hundo = een hond; ideo = een idee
(na stam die een handeling aangeeft: de naam van de eenmalige uitvoering: salti = springen - salto = een sprong; ridi = lachen - rido = een lach; pafi = schieten - pafo = een schot; vergelijk -ado)
(na stam die een toestand aangeeft: de naam van die toestand: dormi = slapen - la dormo = de slaap; diferenco = een verschil; vergelijk -ado)
(na stam die een eigenschap aangeeft: de naam van die eigenschap: la belo = de schoonheid; la bluo = het blauw; la kuraĝo = de moed; vergelijk -eco, -aĵo)
-a : (bijvoeglijk naamwoord); blanka telefono = een witte telefoon; granda hundo = een grote hond; bona ideo = een goed idee
(na stam die een zelfstandigheid aangeeft, vaak: typisch voor: urbo = stad - urba trafiko = stadsverkeer, stedelijk verkeer; preĝejo = kerk - preĝeja turo = een kerktoren)
-j : (meervoud); blankaj telefonoj = witte telefoons; grandaj hundoj = grote honden; bonaj ideoj = goede ideeën
(let op: ruĝa kaj blanka rozoj = een rode en een witte roos (-j, want samen twee rozen))
-n : (''lijdend'' voorwerp); mi vidas grandan hundon = ik zie een grote hond; li havas bonajn ideojn = hij heeft goede ideeën
(ook in wensen: bonan matenon! = (ik wens je een) goede morgen!; sanon! = (ik wens je) gezondheid!)
-n : (bepaling zonder voorzetsel); mi atendas unu horon = ik wacht één uur; tio kostas kvin guldenojn = dat kost vijf gulden; li venos lundon = hij komt maandag (li venas lunde = hij komt 's maandags); (datum boven brief:) la 23-an de januaro 1998
-e : (bijwoord); bela kanto = een mooi lied - ŝi kantas bele = zij zingt mooi; rapida veturo = een snelle rit; li veturas rapide = hij rijdt snel
(na stammen die een zelfstandigheid aangeven vaak in plaats van per = d.m.v.: aŭtobuse veturi = met de bus gaan (rijden); mane fari = met de hand maken; aerpoŝte sendi = per luchtpost versturen)
-n : (richting); tie = daar - tien = daarheen; en la ĝardeno = in de tuin - en la ĝardenon = de tuin in; hejme = thuis - hejmen = naar huis
(la kato saltas sur la tablo = de kat springt op de tafel (heen en weer) - la kato saltas sur la tablon = de kat springt (van de vloer) op de tafel)


-i : (infinitief, ''hele werkwoord''); fari = doen, maken; mi povas fari tion = ik kan dat doen
-as : (tegenwoordige tijd: nu, gewoonlijk, altijd); faras = doe, doet, doen
-is : (verleden tijd); faris = deed, deden, heb/heeft/hebben gedaan
(de Nederlandse "voltooid tegenwoordige tijd" is in het Esperanto meestal gewoon -is)
-os : (toekomende tijd); faros = zal/zullen doen; mi morgaŭ iros = ik ga morgen (want toekomst!)
(in het Nederlands gebruikt men vaak de tegenwoordige tijd voor de toekomst, in het Esperanto niet!)
-u : (aanvoegende wijs, gebiedende wijs); faru tion! = doe dat!, doe dat maar; ni faru tion = laten we dat doen; (de -u wordt gebruikt voor zowel een opdracht als een vriendelijk verzoek; vriendelijker is: bonvolu veni = kom alsjeblieft; (of: bonvole venu))
(behalve voor een opdracht of verzoek, wordt -u ook gebruikt, wanneer in het Nederlands "laten" wordt gebruikt (in de betekenis: het lijkt me een goed idee): li faru tion! = laat hij dat doen!; ni aŭskultu = laten we luisteren!; la viroj nun silentu! = laten de mannen nu hun mond houden!)
-us : (voorwaardelijke wijs); farus = zou(den) doen (als...); mi farus tion, se mi povus = ik zou dat doen, als ik (het) zou kunnen (of: als ik ('t) kon)


prefiksoj kaj sufiksoj por vortkonstruo
voor- en achtervoegsels voor woordvorming

-ado : (na een stam die zelf niet een handeling aangeeft: handeling); martelo = hamer - martelado = (het) hameren, gehamer; ŝraŭbo = een (hout)schroef - ŝraŭbado = (het) (in)schroeven
(na een stam die al een handeling aangeeft: een herhaalde of langdurige handeling); salti = springen - salto = een sprong - saltado = (het) springen, gespring)
-adi : (herhaalde/langdurige handeling); diri = zeggen - diradi = blijven zeggen, almaar zeggen
-aĵo : (concreet iets); skribi = schrijven - skribaĵo = schrijfsel; manĝi = eten - manĝaĵo = voedsel; pentraĵo = schilderij
-ano : (lid, inwoner, volgeling); lerni = leren - lernejo = school - lernejano = scholier; Amerikano = Amerikaan; vilaĝano = dorpeling; Luterano = Lutheraan
-aro : (verzameling); meblo = meubel - meblaro = ameublement; arbo = boom - arbaro = bos; ŝtupo = tree - ŝtuparo = trap; homaro = (de) mensheid
bo- : (aangetrouwd); patro = vader - bopatro = schoonvader; bofrato = zwager
ĉef- : (belangrijkst); ĉefo = chef, hoofd van afdeling; ĉefurbo = hoofdstad; ĉefa = belangrijkste
dis- : (uiteen-, overal heen); doni = geven - disdoni = uitdelen; dissendi = uitzenden, rondsturen; disigi = uit elkaar halen; disiĝi = uit elkaar gaan
-ebla : (mogelijk, -baar); fari = doen - farebla = doenlijk, te doen; legebla = leesbaar; eble = misschien; ebla = mogelijk
-eco : (abstracte eigenschap); granda = groot - grandeco = grootte; amikeco = vriendschap
-eg- : (groot soort); forko = vork - forkego = hooivork; pluvegi = stortregenen; ventego = stormwind
-ejo : (plaats, bestemd voor); lerni = leren - lernejo = school; bakejo = bakkerij; loĝejo = woning
ek- : (plotseling beginnen); vidi = zien - ekvidi = in de gaten krijgen; ekplori = in huilen uitbarsten; ekkrii = het uitschreeuwen, een kreet slaken
-ema : (geneigd tot); dormi = slapen - dormema = slaperig; laborema = ijverig, werklustig; parolema = praatgraag
-ero : (klein onderdeel); sablo = zand - sablero = zandkorrel; monero = munt
-estro : (hoofd van); lernejestro = schoolhoofd; urbestro = burgemeester
-et- : (klein soort); forketo = gebaksvorkje; pluvi = regenen - pluveti = motregenen; monteto = heuvel
ge- : (beide geslachten); gepatroj = ouders; gefratoj = broer(s) en zuster(s); gesinjoroj = dames en heren
-ido : (nakomeling); ŝafo = schaap - ŝafido = lam; ĉevalido = veulen
-igi : (doen ..., laten ..., ... maken); blanka = wit - blankigi = witten, bleken; boli = koken (aan de kook zijn) - boligi = laten koken, aan de kook brengen; ripari = repareren - riparigi = laten repareren
-iĝi : (... worden, vanzelf ...); pala = bleek - paliĝi = verbleken, bleek worden; movi = bewegen, in beweging brengen - moviĝi = bewegen (vanzelf); (vergelijk: esti movata = bewogen worden (door iemand) - zie -at-)
-ilo : (het gewone ding waarmee je iets doet); tranĉi = snijden - tranĉilo = mes; skribilo = pen of potlood, "iets om mee te schrijven"; komputi = becijferen, berekenen op grond van... - komputilo = computer; (Je kunt met een zwaard snijden, maar normaal gebruik je een mes.)
-ino : (vrouwelijk wezen); viro = man - virino = vrouw; patrino = moeder; ĉevalino = merrie
(bij beroepen en woorden op -isto, -ano e.d. wordt het geslacht vaak niet aangegeven)
-inda : (waard ge... te worden, -swaard); legi = lezen - leginda = lezenswaard; laŭdinda = prijzenswaard
-ingo : (houder, iets waar iets gedeeltelijk ingestoken wordt); kandelo = kaars - kandelingo = kandelaar; glavo = zwaard - glavingo = schede; piedo = voet - piedingo = stijgbeugel; cigaredo = sigaret - cigaredingo = sigarettepijpje; fingro = vinger - fingringo = vingerhoed
-isto : (beroep, sportbeoefenaar, kunstenaar); dento = tand - dentisto = tandarts; tenisisto = tennisser; skulptisto = beeldhouwer; (ook: aanhanger van -isme:) komunisto = communist
(iemand die gewoon iets doet, is een -anto: biciklanto = fietser - biciklisto = wielrenner)
-ismo : (-isme); komuna = gemeenschappelijk - komunismo = communisme; imperio = keizerrijk - imperiismo = imperialisme
mal- : (tegenovergesteld, on-); profunda = diep - malprofunda = ondiep; riĉa = rijk - malriĉulo = een arme; malfeliĉa = ongelukkig; malbele kanti = lelijk zingen
-obla : (-voudig); cent = 100 - centobla = honderdvoudig; duobla = dubbel
-ona : (-ste deel); du = 2 - duona = een halve; duono = helft; duone = half, voor de helft; kvarono = kwart
re- : (terug, opnieuw); komenci = beginnen - rekomenci = opnieuw beginnen; reveni = terugkomen; revidi = terugzien
-ujo : (iets, waarin); mono = geld - monujo = portemonnee; sukerujo = suikerpot
(-ujo kan ook voor landen (Franco = Fransman - Francujo = Frankrijk, het land v.d. Fransen) en planten (pomo = appel - pomujo = appelboom) worden gebruikt)
-ulo : (persoon met bepaalde eigenschap); juna = jong - junulo = jongere; blindulo = blinde; krimulo = misdadiger
-um- : (achtervoegsel zonder precieze betekenis); akvo = water - akvumi = begieten; plena = vol - plenumi = vervullen; kolo = hals - kolumo = kraag


sufiksoj por ''verbo-modoj'' k.s.
achtervoegsels voor ''werkwoordstijden'' e.d.

(lernotaj en la praktiko) / (te leren in de praktijk)

-ant- : "aktief, aan de gang"; (onvoltooid deelwoord, bedrijvend); faranta = doende, bezig met; lernanto = leerling, iemand die aan het leren is
(kiam mi venis, li estis skribanta = toen ik kwam, was hij aan het schrijven (hij was bezig))
-at- : "passief, aan de gang"; (onvoltooid deelwoord, lijdend); farata = gedaan wordend, onderhanden; la farata laboro = het onderhanden werk, het werk dat gedaan wordt; konato = een bekende, iemand die ''gekend wordt''
(kiam mi venis, tio estis priparolata = toen ik kwam, werd dat (nog) besproken (ze waren bezig))
-int- : "aktief, klaar"; (voltooid deelwoord, bedrijvend); farinta = gedaan hebbend, klaar met; pasinta = voorbij(gegaan), verleden; lerninto = leerling, iemand die iets geleerd heeft
(kiam mi venis, li estis skribinta = toen ik kwam, had hij geschreven (hij was klaar))
-it- : "passief, klaar"; (voltooid deelwoord, lijdend); farita = (reeds) gedaan; la farita laboro = het gedane werk, het werk dat klaar is; elektito = gekozene, iemand die gekozen is
(kiam mi venis, tio estis priparolita = toen ik kwam, was dat (al) besproken (ze waren klaar))
-ont- : "aktief, nog niet"; (aankondigend deelwoord, bedrijvend); faronta = zullende doen, op het punt te gaan doen; estonta = zullende zijn, toekomstig; lernonto = leerling, iemand die iets zal gaan leren
(kiam mi venis, li estis skribonta = toen ik kwam, zou hij gaan schrijven (hij moest nog beginnen))
-ot- : "passief, nog niet"; (aankondigend deelwoord, lijdend); farota = (nog) te doen; la farota laboro = het te doen staande werk, het werk dat nog gedaan moet worden; invitoto = uit te nodigen persoon, iemand die uitgenodigd zal worden
(kiam mi venis, tio estis priparolota = toen ik kwam, zou dat worden besproken (ze moesten nog beginnen))


Bazaj Radikoj 1-2 NL

ajn : ... dan ook; kiu ajn = wie dan ook; kio ajn = wat dan ook
al : aan, bij, naar; iri al = gaan naar; doni al = geven aan; aliĝi al = zich aansluiten bij (vereniging, enz.)
almenaŭ : tenminste
ambaŭ : beide
ankaŭ : ook; ankaŭ li manĝis pomon = ook hij heeft een appel gegeten; li manĝis ankaŭ pomon = hij heeft ook een appel gegeten
ankoraŭ : nog (steeds)
anstataŭ : in plaats van; anstataŭi = vervangen (een vervanging zijn); anstataŭigi = vervangen (een vervanging geven voor...)
antaŭ : voor (plaats of tijd); antaŭ du jaroj = twee jaar geleden; malantaŭ = achter
apenaŭ : nauwelijks
apud : naast
aŭ : of; li aŭ ŝi = hij of zij
baldaŭ : spoedig, gauw, zometeen
cent : honderd; ducent = tweehonderd
ĉar : omdat, want
ĉe : ĉe = (vlak)bij; ĉe ni = bij ons; ĉe la tablo = aan tafel; ĉe rivero = bij/aan een rivier
ĉi : geeft nabijheid aan in: hier, dit, deze, enz.; tie = daar - ĉi tie (of: tie ĉi) = hier; tio = dat - ĉi tio (of: tio ĉi) = dit; ĉi-foje = ditmaal
ĉia : allerlei (soorten)
ĉiam : altijd
ĉie : overal
ĉio : alles
ĉirkaŭ : rond(om), om ... heen, circa; ĉirkaŭaĵo = omgeving
ĉiu : elk, ieder
ĉu : geeft vraag aan, of (het zo is); li legas = hij leest - ĉu li legas? = leest hij?; ĉu vere? = werkelijk?; mi ne scias, ĉu... = ik weet niet, of...
dek : tien; okdek = tachtig; dek ok = achttien
do : dus
du : twee; dudek = twintig; la dua = de tweede; due = ten tweede
dum : tijdens, terwijl; dume = ondertussen
eĉ : zelfs; eĉ li = zelfs hij; eĉ tie = zelfs daar
ekster : buiten (voorz); ekstere = buiten (bijw)
el : (ergens) uit, vanuit (voorz); eliri = (ergens) uitgaan
en : (ergens) in (voorz); eniri = (ergens) ingaan
de : van, door; de A al B = van A naar B; pordo de domo = een deur van een huis; artikolo de J. = een artikel (in krant) door/van J.
for : (ver)weg, kwijt; foriri = weggaan; forĵeti = weggooien; forigi = wegdoen, verwijderen
ĝi : het/hij/zij (dier of ding); ĝia ... = ... ervan
ĝis : totdat, totaan; ĝis baldaŭ! = tot straks!
ha! : ha!
hieraŭ : gisteren; antaŭhieraŭ = eergisteren
ho! : o!
hodiaŭ : vandaag, heden
ia : een of ander soort (enkelv.); iaj = een of ander soort (meerv.)
iam : ooit, eens
ie : ergens; ien = ergens heen; ie ajn = waar dan ook
ili : zij (meervoud); ilia = hun (van hen)
inter : tussen; internacia = internationaal
io : (een of ander) iets; io ajn = wat dan ook
da : van/- (hoeveelheid); kilogramo da sukero = een kilo suiker; iom da sukero = een beetje suiker; iom da tio = een beetje van dat
iom : een beetje, iets(je)
iu : een of ander; iu ajn = wie/welke dan ook
jam : reeds, al
je : (onbepaald voorzetsel); je la kvara = om vier uur; je la 25a de Decembro = op 25 december; je via sano! = op je gezondheid!
jen : hier is, hier zijn, ziehier, enz.; jen li! = daar heb je hem!
ja : feitelijk, wel (degelijk), immers; jes ja! = ja zeker!
jes : ja
juna : jong; maljuna = oud (niet jong); junulo = een jongere, jong iemand; junuloj = jongeren
ĵus : zojuist, zonet
kaj : en
ke : dat (in zo, dat.../ hij zei, dat...); tiel, ke = zodat, opdat
kia : watvoor
kial : waarom
kiam : wanneer
kie : waar (op welke plek)
kiel : hoe, zoals
kies : wiens, waarvan
kio : wat (voor ding)
kiom : hoeveel; kioma horo estas? = hoe laat is het?
kiu : wie, welke
kontraŭ : tegen, tegenover; kontraŭstari = tegenstand bieden; kontraŭulo = tegenstander
krom : behalve (dit ook dat)


Bazaj Radikoj 1-3 NL

kun : (samen) met; kune = samen
kvankam : hoewel
kvar : vier
kvazaŭ : alsof
kvin : vijf
la : de, het
(het lidwoord wordt niet altijd in het Esperanto en het Nederlands op dezelfde manier gebruikt: en la domo - in (het) huis (vgl.: in de tuin); ĉe la maro - aan (de) zee (vgl.: aan het meer))
laŭ : volgens; laŭ mi... = volgens mij ...
li : hij; lia = zijn (van hem)
mem : (-)zelf; mi mem = ikzelf; ŝi mem faris tion = zij heeft dat zelf gedaan
mi : ik; mia = mijn (van mij)
mil : duizend; dumil = tweeduizend; mil ducent = 1200
morgaŭ : morgen (volgende dag); postmorgaŭ = overmorgen
naŭ : negen
ne : niet, nee; ne! = nee!; tute ne = helemaal niet
nek : noch (... noch...), ook niet
nenia : geen enkel soort
neniam : nooit
nenie : nergens
nenio : niets
neniu : niemand, geen enkele
ni : wij; nia = ons, onze (van ons)
nu nu : nou nou; nu = nou, nou ja
nun : nu (op dit ogenblik); nuntempe = tegenwoordig
nur : enkel, alleen (maar), slechts; nur tri = maar drie
ok : acht; okdek = tachtig; tridek ok = 38
ol : dan (in meer dan, minder dan, groter dan); pli ol = meer dan
oni : men; onidiro = gerucht (naar men zegt)
per : door middel van, met, per; per aŭto = met de auto, per auto
plej : meest; la plejparto de = het merendeel van; malplej = minst
pli : meer; pli granda = groter; pligrandigi = vergroten; malpli = minder
ne plu : niet meer, niet langer; plu kaj plu = aldoor maar; pluiri = verderlopen
por : voor (ten behoeve van)
post : na, achter; post tri tagoj = na/over drie dagen
preskaŭ : bijna
preter : voorbij, langs; preteriri = voorbijlopen
pri : over, betreffende; paroli pri ... = spreken over ...; priparoli = bespreken
pro : wegens, vanwege
se : als, indien; se nur... = als (dat) maar (zo was)
sed : maar (daarentegen); ne du, sed tri = niet twee, maar drie
sen : zonder; sensenta = ongevoelig
sep : zeven
ses : zes; sesdek = zestig; dek ses = zestien
si : zichzelf; sia = zijn/haar eigen; li lavas sin = hij wast zich; li donis sian vizitkarton = hij gaf zijn visitekaartje
sub : onder (voorz); sube = onder, beneden (bijw); subskribi = ondertekenen
super : boven (hoger dan) (voorz); supera = superieur, super; supersigno = boventeken, accent (boven letter)
sur : op; surmeti = aandoen (kleding); sur la tablo = op de tafel; sur la muro = aan de muur
ŝi : zij (vr. persoon); ŝia = haar (van haar)
tamen : echter, maar, toch
tia : zo een, dat soort
tial : daarom
tiam : toen, dan (op dat tijdstip)
tie : daar (op die plek)
tiel : zo, op die manier
tio : dat (ding, geval)
tiom : zoveel
tiu : die (uit meerdere)
tra : door ... heen
trans : over ... heen; transigi = overbrengen (van hier naar daar); transiri = oversteken (straat)
tre : zeer ..., erg ...; treege = uiterst ..., heel erg ...
tri : drie
tro : te(veel); trouzi = misbruiken (te veel gebruiken); troigi = overdrijven
tuj : dadelijk, meteen
unu : een (telwoord); unuiĝi = eenworden; unuigi = verenigen; unueco = eenheid; unuafoje = voor het eerst
vi : jij, u, jullie; via = jouw, uw, (van) jullie


Bazaj Radikoj 2-1 NL

afero : zaak, ding, geval
alia : ander
alta : hoog; malalta = laag
ami : houden van, liefhebben; amo = liefde; amata = geliefd
amiko : vriend; amikino = vriendin; amike = vriendschappelijk
bela : mooi; malbela = lelijk; bele! = mooi zo!; beleco = schoonheid
bona : goed; bone! = o.k.!
ĉambro : kamer
demandi : vragen
devi : moeten; devo = plicht; devigi = verplichten
deziri : wensen, willen; kion vi deziras? = wat wenst u?
diri : zeggen
doni : geven
esti : zijn (werkw)
facila : gemakkelijk; malfacila = moeilijk; faciligi = vergemakkelijken
fari : doen, maken
feliĉa : gelukkig
fini : (be)eindigen; fini = eindigen (een eind maken); finiĝi = eindigen (tot een eind komen)
flanko : kant, zijkant, zijde
fojo : keer, maal (gebeurtenis); refoje = nog een keer; dufoje = twee keer, tweemaal
formo : vorm
forta : sterk
granda : groot
grava : belangrijk
ĝoji : blij zijn, zich verheugen; ĝojigi = blij maken
havi : hebben
helpi : helpen
homo : mens
infano : kind
iri : gaan, lopen; reiri = teruggaan
jaro : jaar; jarcento = eeuw
juna : jong
kampo : veld, akker; kamparo = platteland
kapo : hoofd, kop
kelka : enkele, sommige
klara : duidelijk, helder; klarigi = verduidelijken, uitleggen
komenci : beginnen (aanvang maken, een begin maken); komenciĝi = beginnen (aanvang hebben)
kompreni : begrijpen, verstaan; kompreneble = natuurlijk, vanzelfsprekend
koni : kennen, bekend zijn met; konato = een bekende (persoon); konatiĝi = leren kennen
koro : hart
kredi : geloven
labori : werken; kunlabori = meewerken, samenwerken; senlabora = werkloos; senlaboreco = werkloosheid; senlaborulo = een werkloze
lando : land (gebied, staat); landlimo = (lands)grens
lasta : laatste; lastatempa = laatstelijk, recent
legi : lezen
lerni : leren; lernejo = school
levi : optillen
libera : vrij; malliberejo = gevangenis
loĝi : wonen; loĝejo = woning; transloĝiĝi = verhuizen; loĝantaro = bevolking, inwoners
loko : plek, plaats; loka = plaatselijk, lokaal
longa : lang (lengte en tijd); antaŭ ne longe = niet zo lang geleden
mano : hand
meti : zetten, leggen, plaatsen
militi : oorlog voeren; milito = oorlog
mondo : wereld


Bazaj Radikoj 2-2 NL

montri : tonen, laten zien; montriĝi = blijken (te zijn)
morti : doodgaan, overlijden, sterven; mortigi = doden, doodmaken; mortinta = gestorven, wijlen
movi : (laten) bewegen; moviĝi = bewegen (uit zichzelf)
multa : veel, vele; multnombra = in groten getale
nacio : natie; naciismo = nationalisme
nomo : naam; nomi = noemen; nomiĝi = heten
nova : nieuw; denove = opnieuw, weer; malnova = oud (niet nieuw)
ofta : vaak voorkomend; ofte = vaak, dikwijls
okazi : gebeuren; okazaĵo = gebeurtenis; okazo = gelegenheid
paroli : spreken, praten; interparolo = gesprek; parolado = toespraak, lezing
patro : vader; patrino = moeder; gepatroj = ouders
peti : verzoeken, vragen; (demandi = vragen, informeren (naar iets); peti = vragen, verzoeken (om iets))
plena : vol; malplena = leeg; plenigi = vullen
porti : dragen; kunporti = meenemen, met zich meedragen; alporti = brengen
povi : kunnen
preni : nemen
proksima : nabij(zijnd); proksime = dichtbij, niet ver; proksimiĝi = dichterbijkomen; proksimume = ongeveer
rapida : snel, rap, vlug; malrapida = langzaam, traag
respondi : antwoorden; respondo = antwoord
resti : (over)blijven, achterblijven; resto = rest, restant
ricevi : ontvangen, krijgen
riĉa : rijk; malriĉa = arm
ridi : lachen; rideti = glimlachen; ridegi = schateren
ruĝa : rood
sama : hetzelfde, gelijk; samopinii = het eens zijn (met iemand); malsama = verschillend
scii : weten
sekvi : volgen
sendi : zenden, sturen
sidi : zitten; sidiĝi = gaan zitten
sinjoro : heer, meneer; sinjorino = dame, mevrouw
skribi : schrijven
stari : staan; starigi = rechtop zetten, opzetten; stariĝi = gaan staan; elstara = prominent; memstara = zelfstandig
ŝajni : schijnen, lijken; ŝajne = naar het schijnt, schijnbaar; ŝajnigi = doen alsof
tago : dag; taglibro = dagboek; tagmanĝo = middagmaal; tagmezo = 12 uur 's middags; posttagmezo = (na)middag; tagordo = agenda; ĉiutaga = dagelijks
tempo : tijd; samtempa = gelijktijdig
teni : (vast)houden
tero : aarde, grond; terglobo = aardbol; surtere = op de grond
tuta : heel, geheel; tute = helemaal, volledig; tutmonda = wereldwijd, over de hele wereld
veni : komen; reveni = terugkomen; alveni = aankomen, arriveren; kunveni = bijeenkomen; kunveno = bijeenkomst, vergadering
veturi : rijden, gaan (met een vervoermiddel)
vidi : zien; vidpunkto = gezichtspunt; antaŭvidi = voorzien (van te voren in de gaten hebben)
viro : man; virino = vrouw
vivi : leven; travivi = overleven; senviva = levenloos; viva = levend; viveca = levendig
vojo : weg, pad, rijweg
voli : willen; nevola = ongewild; vole - nevole = of je wilt of niet
vorto : woord; vortaro = woordenboek; laŭvorte = woordelijk, letterlijk


Bazaj Radikoj 3-1 NL

aĉeti : kopen
afabla : vriendelijk, aardig
akvo : water
arbo : boom; arbaro = bos, woud
arto : kunst
atendi : wachten, afwachten, verwachten
aŭdi : horen (met oren)
bati : slaan, aftuigen; (frapi = slaan (een tik geven))
bezoni : nodig hebben
bildo : plaatje, afbeelding
birdo : vogel
blanka : wit
bruli : branden; bruligi = (laten) verbranden
buŝo : mond
certa : zeker
ĉevalo : paard
ĉielo : hemel, lucht
danki : bedanken; dankon! = dank u!, dankjewel!; danka = erkentelijk; danke al = dank zij
dekstra : rechter (niet linker); maldekstra = linker; la dekstra mano = de rechter hand; dekstre = rechts; maldekstre = links
dolĉa : zoet
domo : huis
dormi : slapen; dormeti = sluimeren, dommelen
edzo : echtgenoot; edzino = echtgenote; geedzoj = echtgenoten (man en vrouw); edziĝi = trouwen (man); edziniĝi = trouwen (vrouw); geedziĝi = trouwen (man en vrouw)
fali : vallen
familio : familie, gezin
fenestro : raam, venster
fermi : sluiten, dichtdoen; malfermi = openen, opendoen; malfermita = open (geopend)
filo : zoon; filino = dochter
fingro : vinger
flugi : vliegen
frato : broer; fratino = zuster
fraŭlo : vrijgezel; fraŭlino = mejuffrouw
frua : vroeg (niet laat); frumatene = 's-ochtends vroeg
frukto : vrucht; fruktoj = vruchten, fruit
halti : stoppen, tot stilstand komen; haltigi = (laten) stoppen, stil doen staan
haro : haar (op hoofd, enz.); hararo = hoofdhaar (alle haren samen)
hejmo : een thuis, tehuis; hejme = thuis
horo : uur
interesi : interesseren, belangstelling wekken; interesiĝi = zich interesseren, belangstelling hebben; interesa = interessant
intereso : interest, rente; intereso = (ook:) belang(stelling)
ĵeti : gooien, werpen
kanti : zingen
knabo : jongen; knabino = meisje
koloro : kleur; helkolora = licht van kleur
konsili : raad geven, aanraden
konstrui : bouwen; konstruaĵo = gebouw
korto : hof, binnenplaats; kortumo = gerechtshof, rechtbank; kortego = hof (van koning e.d.)
kosti : kosten; multekosta = duur
kreski : groeien; kreskigi = laten opgroeien, verbouwen, kweken
krii : schreeuwen, roepen
kuri : rennen, hardlopen
kuraĝa : moedig; malkuraĝa = laf
lasi : laten (niet hinderen); enlasi = erinlaten, laten binnenkomen
letero : brief
libro : boek
lingvo : taal
lito : bed; enlitiĝi = naar bed gaan
lumi : lichten, licht geven, schijnen; lumo = licht (zelfst.nw); luma = licht (niet donker); malluma = donker
manĝi : eten (ww); manĝo = maaltijd; manĝaĵo = voedsel
manki : ontbreken; manko = tekort
maro : zee
mateno : ochtend, morgen
memori : zich herinneren, onthouden; memorigi = (doen) herinneren
miri : zich verbazen, verbaasd zijn; mirigi = verbazen, verbaasd doen staan


Bazaj Radikoj 3-2 NL

mono : geld; monero = munt; monujo = portemonnee; monbileto = bankbiljet
monto : berg; monteto = heuvel; montaro = gebergte
muro : muur
naski : baren (geboren laten worden); naskiĝi = geboren worden
necesa : nodig, benodigd; necesejo = w.c., toilet
nigra : zwart
okulo : oog; okulvitroj = bril(leglazen)
okupi : bezig houden, bezet houden; okupita = bezig, bezet; okupiĝi (pri) = zich bezighouden (met)
paco : vrede
pagi : betalen; senpaga = gratis
parto : deel, gedeelte, part
pasi : voorbijgaan; pasigi tempon = tijd doorbrengen
peco : stukje, stuk (exemplaar); dispecigi = in stukken breken
pensi : (na)denken; pripensi = bedenken, overdenken
perdi : verliezen, kwijt raken; perdiĝi = weg raken, de weg kwijtraken
permesi : toestaan, goedvinden; malpermesi = verbieden; permesita = toegestaan; permesiĝi = mogen (toegestaan worden)
persono : persoon
piedo : voet; piediri = te voet gaan, lopen
popolo : volk
pordo : deur
postuli : eisen; postulo = eis
premi : drukken, duwen
prezenti : voorstellen; (iemand aan iemand); (een voorstelling geven); (het stelt iets voor)
propra : eigen; propraĵo = eigendom, eigenschap
provi : (uit)proberen
punkto : punt (.), stip, agendapunt
pura : schoon, puur, rein; purigi = reinigen, schoonmaken; malpuriĝi = vuil worden
rajto : recht (om iets te doen, op iets); rajti = het recht hebben, (officieel) mogen
rakonti : vertellen; rakonto = verhaal, vertelling
regi : regeren, beheersen; registaro = regering
renkonti : ontmoeten, tegenkomen; renkontiĝi = elkaar ontmoeten
rigardi : (be)kijken, bezien
rimarki : (op)merken; rimarkinda = opmerkelijk
rimedo : (hulp)middel, bestaansmiddel; monrimedoj = financiële middelen
semajno : week; semajnfino = weekeinde
senti : voelen, het gevoel hebben
serĉi : zoeken
simpla : eenvoudig; simpligi = vereenvoudigen
sola : alleen, op zich; soleca = eenzaam
soni : klinken (geluid geven); sono = geluid
suno : zon; sunlumo = zonlicht; sun(okul)vitroj = zonnebril
ŝanĝi : (laten) veranderen, wijzigen; ŝanĝiĝi = veranderen, anders worden
tablo : tafel (meubel)
timi : bang zijn, vrezen; timigi = bang maken; timema = bangelijk
tiri : trekken
trankvila : rustig, kalm
trinki : drinken
turni : draaien (een draai geven); turniĝi = draaien, omdraaien (van zichzelf)
urbo : stad; urbestro = burgemeester
uzi : gebruiken
valoro : waarde; valori = waard zijn; valora = waardevol
varma : warm; varmigi = verwarmen; varmega = heet
vento : wind; ventego = stormwind
vera : waar; verŝajne = waarschijnlijk (het schijnt waar te zijn); malvera = onwaar
vespero : avond
vesto : kledingstuk; vestaĵo(j) = kleding; vesti sin = zich aankleden
vizaĝo : gezicht, gelaat
vojaĝi : reizen; vojaĝo = reis


Bazaj Radikoj 4-1 NL

aero : lucht
agrabla : prettig, plezierig, leuk
aĝo : leeftijd; pliaĝiĝi = ouder worden
akcepti : aanvaarden, ontvangen (gasten)
amaso : een massa (mensen), een hoop (grote hoeveelheid)
angulo : hoek
aparta : apart, afzonderlijk; apartigi = afzonderen
aperi : verschijnen
atenta : oplettend
aŭskulti : luisteren
aŭtuno : herfst
avo : grootvader, opa
batali : vechten, strijden
besto : dier, beest
blua : blauw
bordo : oever
brako : arm (lichaamsdeel)
brili : schitteren, glimmen
brui : lawaai maken; bruo = lawaai, geluid
celo : doeleind, doel, bedoeling
ĉapelo : hoed
daŭro : duur (hoe lang iets duurt); daŭre = voortdurend, aldoor
dento : tand
dio : god
dika : dik
direkto : richting
diversa : verscheidene, verschillende, veelsoortig
doloro : pijn
dubi : twijfelen; dubinda = twijfelachtig, dubieus
ekzemplo : voorbeeld
elekti : kiezen
erari : een fout maken, het mis hebben; eraro = een fout
esperi : hopen
fajro : vuur
fero : ijzer
festi : (feest)vieren; festo = feest
fiŝo : vis
floro : bloem (van plant)
forgesi : vergeten
frapi : een klap geven; frapi klavon = een toets aanslaan
fremda : vreemd, niet van hier; fremdulo = buitenstaander
gaja : vrolijk
gajni : winnen, geld verdienen; malgajni = verliezen (niet winnen)
gazeto : tijdschrift, krant, blad
glaso : glas (om uit te drinken)
ĝardeno : tuin
ĝusta : juist (niet onjuist), correct; ĝustigi = verbeteren
hela : helder, licht (van kleur); helblua = lichtblauw
historio : geschiedenis
hundo : hond
ideo : idee
interna : intern, van binnen, innerlijk
justa : gerechtig, rechtvaardig, fair
kalkuli : (be)rekenen, rekenen (op)
kapti : vangen
kara : lief; karul(in)o = lieveling
kaŝi : verbergen; kaŝiĝi = zich verbergen, zich verstoppen
kato : kat, poes
kaŭzo : oorzaak; kaŭzi = veroorzaken
kolo : hals
kolekto : verzameling; kolekti = verzamelen, inzamelen; monkolektado = inzameling
koleri : kwaad/boos zijn; kolerigi = (een ander) boos maken
komerci : handel drijven, handelen; komercisto = handelaar
komuna : gemeenschappelijk; komunismo = communisme
konduki : leiden, brengen, begeleiden, sturen
konsenti : het eens zijn met
kontenta : tevreden
korpo : lichaam
kovri : bedekken
kuiri : koken (maaltijd bereiden); kuirejo = keuken
kuŝi : liggen; kuŝigi = (neer)leggen; kuŝiĝi = gaan liggen
kutimo : gewoonte; kutimi = gewoon zijn te...; kutimiĝi = wennen
laca : moe; lacigi = vermoeien, moe maken; laciĝi = moe worden
lakto : melk
larĝa : breed
lavi : wassen
ligi : vastmaken, vastbinden, verbinden (met)


Bazaj Radikoj 4-2 NL

ligo : verbinding, verband (tussen zaken)
ligno : hout
linio : lijn, (schrijf)regel
ludi : spelen
marko : merk, merkteken; poŝtmarko = postzegel
mezo : midden; meznombro = gemiddelde (aantal)
mezuri : meten (de maat nemen)
minuto : minuut
momento : moment
monato : maand
naturo : natuur
nazo : neus
neĝo : sneeuw
nokto : nacht; tranokti = overnachten
nombro : getal, aantal; nombri = tellen (hoeveel)
nubo : wolk
nul : nul
onklo : oom; onklino = tante
opinii : vinden, van mening zijn; opinio = mening, opinie
ordo : orde, regelmaat; ordigi = ordenen, op orde stellen
ordoni : bevelen, opdracht geven
orelo : oor
pano : brood
papero : papier; surpaperigi = op schrift stellen
pardoni : vergeven; pardonu! = pardon!, sorry!
paŝi : stappen (stap voor stap); paŝo = (voet)stap
peni : moeite doen; senpene = moeiteloos
planko : vloer
plendi : klagen
plezuro : plezier; plezura = plezierig; plezure = met plezier
plori : huilen, wenen
plumo : pen (om mee te schrijven), veer (van vogel)
pluvo : regen; pluvi = regenen; pluveto = motregen; pluvego = stortregen
prava : gelijk hebbend, het aan het rechte eind hebbend; prave = terecht, met recht
precipa : belangrijkste, voornaamste; precipe = vooral
preta : klaar, gereed; pretigi = klaarmaken
printempo : lente
profunda : diep
ripozi : (uit)rusten
rivero : rivier
rompi : breken (stukmaken); rompiĝi = breken (stukgaan); interrompo = onderbreking
rondo : kring, rond(je); ronda = rond
rozo : roos (bloem)
salti : springen
saluti : groeten; saluton! = hallo!
sana : gezond; malsana = ziek
sango : bloed; sangi = bloeden
sata : verzadigd (geen honger); malsata = hongerig
seĝo : stoel
servi : dienen, bedienen
silenti : stil zijn; silentema = stil, zwijgzaam
somero : zomer
speco : soort
stacio : station; stacidomo = station, stationsgebouw
stato : staat (goede/slechte), conditie
strato : straat
suferi : lijden
sufiĉa : genoeg, voldoende
sukero : suiker
supro : top, bovenste, bovenkant; supre = boven(in); malsupre = beneden; supraĵo = oppervlak
ŝipo : schip
ŝtono : steen
tranĉi : snijden; tranĉilo = mes
tuŝi : (aan)raken
utila : nuttig; senutila = nutteloos
vagono : wagon
veki : wekken, wakker maken; vekiĝi = wakker worden; vekhorloĝo = wekker (klok)
vendi : verkopen; vendejo = winkel; vendisto = verkoper
verda : groen
vetero : (het) weer
vilaĝo : dorp
vintro : winter
vitro : glas (het materiaal)
voki : roepen; alvoki = aanroepen, oproepen
zorgi : zorgen (voor), bezorgd zijn (om); zorgo = zorg; zorge = zorgvuldig; zorgema = zorgzaam


Bazaj Radikoj 5-1 NL

adreso : adres
agi : handelen, doen, handelend optreden; ago = daad
amuzi : amuseren, (een ander) vermaken; amuziĝi = zich amuseren, zich vermaken
animo : ziel
Aprilo : april
aranĝi : regelen, organiseren, arrangeren
arĝento : zilver
atingi : bereiken
Aŭgusto : augustus
azeno : ezel
bani : in bad doen; sin bani = een bad nemen
benko : bank (om op te zitten)
bovo : rund; bovino = koe; virbovo = stier
bruna : bruin
brusto : borst(kas)
butero : boter
cetera : overblijvend, overig; cetere = overigens
ĉesi : ophouden (niet doorgaan); ĉesigi = laten ophouden
danĝero : gevaar; sendanĝera = ongevaarlijk; endanĝerigi = in gevaar brengen
Decembro : december
decidi : besluiten, beslissen; decido = beslissing, besluit
dimanĉo : zondag
donaco : geschenk, cadeau; donaci = schenken, cadeau geven
dorso : rug
efektiva : werkelijk, reëel
efiki : uitwerken, opleveren, effect hebben
egala : gelijk (aan), effen
ekzisti : bestaan
estimi : (hoog) achten
Februaro : februari
fiksa : vast (onlosmakelijk)
fiksi : vastmaken, vastzetten
flava : geel
flui : vloeien, stromen; fluaĵo = vloeistof
folio : blad (boom, papier), vel (papier)
fonto : bron
freŝa : vers, fris
fundo : bodem, achtergrond
gardi : bewaken, goed bewaren; gardisto = bewaker
genuo : knie
glacio : ijs
greno : graan
griza : grijs
grupo : groep
herbo : gras, kruid
horloĝo : klok, horloge; brakhorloĝo = (pols)horloge
inko : inkt
insekto : insekt
instrui : onderwijzen, les geven; instruisto = onderwijzer, leraar
intenci : van plan zijn, de opzet hebben; intenco = opzet, intentie
inviti : uitnodigen
Januaro : januari
juĝi : oordelen, een oordeel vellen; antaŭjuĝo = vooroordeel; juĝisto = rechter
Julio : juli
Junio : juni
ĵaŭdo : donderdag
kafo : koffie
kapabla : bekwaam, in staat
karto : kaart (speelkaart, briefkaart - geen wegenkaart); poŝtkarto = briefkaart
klaso : klas
klini : schuin zetten; kliniĝi = (zich) buigen
koko : hoen, haan; kokino = hen, kip; virkoko = haan
kompati : medelijden hebben met
konservi : bewaren, conserveren
korbo : mand
koverto : envelop
krajono : potlood
krei : scheppen, creëren, tot stand brengen
kruco : kruis (+) (x)
kruro : been (lichaamsdeel)
kuko : koek
kulero : lepel
kulpa : schuldig; kulpo = schuld (aan iets); kulpigi = beschuldigen; senkulpa = onschuldig; senkulpigi = niet kwalijk nemen, onschuldig verklaren
kuraci : geneeskundig behandelen; kuracisto = arts
kuzo : neef (zelfde generatie); kuzino = nicht (zelfde generatie); (dus niet neef=oomzegger)
lago : meer (water); lageto = meertje, vijver
lango : tong
leĝo : wet; laŭleĝa = wettelijk, wettig; kontraŭleĝa = onwettig, illegaal


Bazaj Radikoj 5-2 NL

lerta : handig
limo : grens; limigi = begrenzen, beperken
luno : maan
lundo : maandag
Majo : mei
maniero : manier; tiamaniere = op een zodanige manier
mardo : dinsdag
marŝi : marcheren, stevig doorlopen
Marto : maart
mastro : baas, meester (de baas van het huis, de meester t.o.v. de knechten)
merkredo : woensdag
moki : (be)spotten; belachelijk maken
mola : zacht (om te voelen); malmola = hard (om te voelen)
muziko : muziek
Novembro : november
numero : nummer (van huis, kaartje, optreden)
objekto : ding, object, voorwerp; rekta objekto = lijdend voorwerp; nerekta objekto = meewerkend voorwerp
ofico : post, functie, baan; oficejo = kantoor; oficisto = beamte, functionaris
Oktobro : oktober
ombro : schaduw
ordinara : gewoon(tjes)
ovo : ei
paĝo : bladzijde, pagina
pako : pakket; paki = inpakken, verpakken
pendi : hangen; pendigi = ophangen (iets); pendumi = ophangen (straf)
peza : zwaar; pezi = wegen (gewicht hebben); pezilo = (metalen) gewicht(je)
plaĉi : aanstaan, bevallen (in: hoe bevalt het je?); plaĉa = leuk, aardig
plafono : plafond, zoldering
porko : varken
poŝo : zak (in kleding)
poŝto : post, posterijen; poŝtkarto = briefkaart; poŝtmarko = postzegel; poŝtoficejo = postkantoor
preferi : de voorkeur geven aan..., prefereren; preferinda = de voorkeur genietend; prefere = bij voorkeur
prepari : voorbereiden
produkto : produkt; produkti = produceren
promeni : wandelen, een uitstapje maken
promesi : beloven
prunto : lening; prunti = lenen (aan of van); pruntepreni = lenen (van); pruntedoni = lenen (aan)
puŝi : duwen
radio : straal (zon), spaak (fiets), radio; radistacio = radiostation
regiono : streek, regio
reĝo : koning; reĝino = koningin; reĝido = koningskind
rekta : recht (niet krom), rechtuit
religio : godsdienst
ripeti : herhalen
ruli : (laten) rollen; ruliĝi = rollen (vanzelf)
rulo : rol (opgerold voorwerp)
sabato : zaterdag
saĝa : wijs
sako : tas, zak (los, niet in kleding)
seka : droog; malseka = nat
senco : zin (van iets) (betekenis, richting); sensenca = zinloos; sensencaĵo = onzin
Septembro : september
serioza : serieus, bezadigd
simila : gelijkend, erop lijkend; malsimila = anders (er niet op lijkend)
spiri : ademen
spirito : geest
stelo : ster
studi : studeren; studobjekto = studie-onderwerp
sukcesi : slagen (in iets), succes hebben; sukceso = succes; malsukcesi = falen
sumo : som, somma, bedrag; sumigi = optellen, totaliseren
ŝafo : schaap; ŝafido = lam
ŝati : (wel) houden van, leuk vinden, lekker vinden
ŝlosi : op slot doen; ŝlosilo = sleutel
ŝtato : staat (land); ŝtatano = staatsburger
ŝteli : stelen; ŝtelisto = dief
ŝtupo : tree, trede (van trap); ŝtuparo = trap (bestaande uit treden)
telero : (etens)bord
teruro : verschrikking; teruri = vreselijk schrik aanjagen
tondi : knippen; tondilo = schaar
trafi : raken, treffen; maltrafi = missen (niet raken)
truo : gat
vaporo : stoom
vasta : wijd, uitgebreid; disvastigi = verspreiden, uitbreiden; disvastiĝi = zich verspreiden, zich uitbreiden
vendredo : vrijdag
verko : werk (literair), kunstwerk; verki = schrijven (literair), componeren...
vino : wijn
viziti : bezoeken, een bezoek brengen
voĉo : stem; unuvoĉa = eenstemmig


Bazaj Radikoj 6-1 NL

akiri : verkrijgen, in bezit krijgen
akompani : begeleiden
akra : scherp; akrigi = slijpen, aanscherpen
anonci : aankondigen; anonco = aankondiging, advertentie
aparteni : behoren tot/aan
apogi : (onder)steunen; apogiĝi = leunen, steunen (op), zich vasthouden aan
aprobi : goed vinden, instemming betuigen; aprobo = goedkeuring
armi : bewapenen
armo : wapentuig, wapening; armilo = stuk wapentuig, wapen
ataki : aanvallen; atakema = aggressief
avara : gierig; malavara = gul, vrijgevig
averti : waarschuwen; averto = waarschuwing
balai : vegen, bezemen; balailo = bezem; balaileto = stoffer
baro : slagboom, barrière, bar, barre; bari = dwarsbomen, de weg versperren
barbo : baard
bastono : stok
bedaŭri : betreuren, spijt hebben; bedaŭrinde! = jammer!
beko : snavel
blovi : blazen
boli : koken (aan de kook zijn); boligi = aan de kook brengen, laten koken; la akvo bolas = het water kookt; boligi akvon = water koken
botelo : fles
branĉo : tak, vertakking
broso : borstel; brosi = borstelen
butono : knoop, (druk)knop
cifero : cijfer
ĉapitro : hoofdstuk
ĉasi : jagen, najagen; ĉasisto = jager
ĉemizo : (over)hemd; subĉemizo = (onder)hemd
ĉiel : op elke manier, hoe dan ook
danci : dansen
defendi : verdedigen
delikata : delikaat, fijn
densa : met grote dichtheid, dik
desegni : tekenen, ontwerpen
diferenci : verschillen, verschillend zijn; diferenca = verschillend
doktoro : doctor, dokter
ebena : vlak (niet hobbelig)
eduki : opvoeden
estingi : blussen; estingiĝi = doven, uitgaan (van vuur)
eviti : vermijden
fadeno : draad (garen)
fako : vak, vakje, afdeling, schoolvak; fakulo = vakman, specialist
fakto : feit; fakte = in feite, feitelijk; eigenlijk
falsa : vals (niet echt); malfalsa = echt (niet vals)
falsi : vervalsen
fama : beroemd
fidela : trouw
fiera : trots
firma : stevig; malfirma = slap
flago : vlag
flegi : verplegen; flegisto = verpleger
forko : vork
forno : oven, fornuis
fosi : graven, spitten; fosilo = spade, schop
foso : greppel, sloot
fromaĝo : kaas
frunto : voorhoofd
fumo : rook; fumi = roken
gaso : gas
gasto : gast; gasti = te gast zijn; gastigi = gastvrijheid verlenen aan; gastamo = gastvrijheid
gliti : glijden, uitglijden, slippen


Bazaj Radikoj 6-2 NL

graso : (het) vet
guto : druppel
gvidi : leiden, leiding geven
ĝeni : hinderen, storen; ĝeniĝi = gehinderd worden, zich storen, zich generen
ĝenerala : algemeen; ĝenerale = in het algemeen
ĝentila : beleefd, voorkomend
haŭto : huid
hejti : stoken (verwarmen); centra hejtado = centrale verwarming
honesta : eerlijk
honoro : eer
honti : zich schamen
ial : om een of andere reden
iel : op een of andere manier
ies : iemands
imagi : zich verbeelden, zich iets voorstellen
imiti : imiteren, nadoen
industrio : industrie
informi : informeren, inlichtingen geven; informiĝi = zich op de hoogte stellen, iets navragen
insulo : eiland
jako : jasje, jak, jack
kajero : (school)schrift, katern (van boek)
kameno : stookplaats, open haard, schoorsteen(mantel); kamentubo = schoorsteen(pijp)
kapro : geit of bok; kaprino = geit; virkapro = bok
karbo : (steen)kool
kelo : kelder
kesto : kist
kilogramo : kilogram
kisi : kussen, een kus geven
kombi : kammen; kombilo = kam
komforta : comfortabel, gerieflijk, gemakkelijk
kompari : vergelijken
kondiĉo : voorwaarde
konduti : zich gedragen
konfesi : (op)biechten
konscii : zich ervan bewust zijn
konsisti : bestaan (uit); konsisti el = bestaan uit; konsisto = samenstelling; konsistigi = vormen
konstanta : constant, permanent
konvena : geschikt, passend
korespondi : corresponderen (brieven schrijven)
korno : hoorn, horen
kravato : stropdas
krimo : misdaad, misdrijf; krimulo = misdadiger
kulturi : cultiveren, verbouwen
kulturo : kultuur
kuvo : kom, bak, kuip, tobbe; bankuvo = badkuip; lavkuvo = wasbak
kvieta : kalm, rustig, stil (geen drukte, geen kabaal)
lampo : lamp
leciono : les
legomo : groente
lipo : lip
litero : letter; litertipo = lettertype; literumi = spellen
maŝino : machine; skribmaŝino = schrijfmachine
matura : rijp, gerijpt
meblo : meubel(stuk)
mendi : bestellen
mensogi : liegen, jokken; mensogo = leugen
meriti : iets verdiend hebben, waard zijn; merito = verdienste
metalo : metaal
mieno : gezichtsuitdrukking
miksi : mengen, miksen
miliono : miljoen
minaci : dreigen
muŝo : vlieg (insekt)


Bazaj Radikoj 6-3 NL

naĝi : zwemmen; naĝejo = zwembad
najbaro : buurman
nepo : kleinzoon; nepino = kleindochter; pranepo = achterkleinzoon
nepra : noodzakelijk
nevo : neef (oom- of tante-zegger)
nordo : (het) noorden
noto : noot (voetnoot, muzieknoot), schoolcijfer
obei : gehoorzamen
okcidento : (het) westen
oleo : olie
ondo : golf
oro : goud
organizi : organiseren
oriento : (het) oosten
osto : bot, been
pacienca : geduldig
pafi : schieten, vuren; mortpafi = doodschieten
pantalono : broek, pantalon
paro : een paar (2 bij elkaar horende)
parenco : familielid
pasto : deeg, pasta
peli : opdrijven, voortdrijven, opjagen; forpeli = wegjagen
pentri : schilderen (schilderij)
piki : prikken, steken
pilko : bal (om mee te spelen)
pinglo : speld
pinto : punt (potlood), spits, top (berg)
planti : planten (werkw)
planto : plant
plata : plat (bijv. nw)
plugi : ploegen; plugilo = een ploeg (werktuig)
pluraj : meerdere
polico : politie; policano = politieagent
poluro : glans; poluri = oppoetsen, opwrijven
polvo : stof (stoffig stof)
pomo : appel (vrucht)
ponto : brug
posedi : bezitten; posedaĵo = bezitting
poto : pot, potje; kuirpoto = (kook)pan
praktiko : praktijk; praktiki = practiseren, uitoefenen; praktika = praktisch
preciza : precies, nauwkeurig
preĝi : bidden; preĝejo = bedehuis, kerk (gebouw)
premio : prijs (die je kunt winnen), premie
presi : drukken (op drukpers); presejo = drukkerij
prezo : prijs (die je moet betalen)
progresi : vooruitgaan; progreso = vooruitgang; progresema = progressief
publiko : (het) publiek; publika = openbaar, publiek (bijv. nw)
puni : straffen; monpuno = (geld)boete
rado : wiel, rad
rando : rand
regno : rijk (koninkrijk, keizerrijk)
regulo : regel (voorschrift); regula = op regels gebaseerd; laŭregula = volgens de regels; regularo = reglement
rekomendi : aanbevelen; rekomendita letero = aangetekende brief
respekti : respecteren
reto : net, netwerk
rezulti : resulteren, opleveren; rezulto = resultaat
rifuzi : weigeren
rikolti : oogsten
rilati : betrekking hebben met, zich verhouden tot
ripari : repareren, herstellen
riproĉi : kwalijk nemen


Bazaj Radikoj 6-4 NL

salo : zout
sankta : heilig; sanktulo = heilige
sapo : zeep
savi : redden
scienco : wetenschap
sekreto : een geheim
semo : zaad; semi = zaaien
serio : serie, reeks
serpento : slang
sezono : seizoen, jaargetijde
signo : teken
skatolo : doos, blikje
skrapi : (af)schrappen
soifi : dorst hebben; soifa = dorstig
soldato : soldaat
sorto : lot, noodlot, (levens)bestemming
speciala : speciaal, bijzonder; speciale = in het bijzonder
spegulo : spiegel
sperta : ervaren (bijv. nw); spertulo = expert (persoon)
spezi : geld uitgeven/ontvangen; enspezo = inkomen, ontvangsten; elspezi = uitgeven (geld); spezoj = omzet
spico : specerij, kruiderij; spica = gekruid, pittig
stranga : vreemd, raar
streĉi : spannen, rekken, opwinden; malstreĉiĝi = zich ontspannen
subita : plotseling; subite = plots
sudo : (het) zuiden
supo : soep
surda : doof
ŝanco : kans (op succes); bonŝanco = geluk (in het spel...)
ŝarĝo : last, lading
ŝerci : schertsen, grappen maken; ŝerco = grap, mop
ŝiri : scheuren
ŝnuro : snoer, touw
ŝoveli : scheppen (kolen, sneeuw, graan, water); ŝovelilo = schep (om te scheppen, geen schop om te graven, geen spade om te spitten)
ŝranko : kast
ŝtrumpo : kous; ŝtrumpeto = sok
ŝuo : schoen
tabulo : (brede) plank, (school)bord
taso : kopje; subtaso = schoteltje, onderkop
taŭga : deugdelijk, geschikt (voor gebruik); sentaŭgulo = deugniet (iemand die nergens voor deugt)
teo : thee
tegmento : dak
telefono : telefoon
tolo : linnen stof
tremi : rillen, bibberen
trompi : bedriegen
trovi : vinden; troviĝi = zich bevinden
tualeto : toilet (kleding, opmaak)
tuko : doek
tusi : hoesten
ungo : nagel, klauw
valo : dal
vango : wang
venki : winnen, overwinnen
viando : vlees
vico : rij, rang, beurt; laŭvice = om beurt, op de rij af; vicprezidento = vice-president; vicprezidanto = ondervoorzitter; vicurbestro = loco-burgemeester
vigla : levendig
viŝi : wissen, afvegen
volonta : gewillig; volonte = met genoegen, graag
volvi : (in)wikkelen
vosto : staart
vundo : wond; vundi = verwonden; vundito = een gewonde


Bazaj Radikoj 7-1 NL

abio : (zilver)spar
abunda : overvloedig
acida : zuur
adiaŭ : vaarwel; adiaŭi = afscheid nemen
aglo : arend
agordo : overeenstemming, gelijkgestemdheid
akcidento : ongeluk, ongeval
alumeto : lucifer
aparato : apparaat, toestel
armeo : leger (mil.)
artikolo : artikel (krant), lidwoord (grammatica)
aspekti : er uitzien als
aŭtobuso : (auto)bus
aŭtomato : automaat
aventuro : avontuur
babili : kletsen, babbelen
balono : ballon
banko : bank (financieel); bankbileto = bankbiljet
bero : bes (vrucht)
bieno : landgoed
biero : bier
bileto : biljet, kaartje
blinda : blind
blonda : blond
boto : laars
brasiko : kool (groente)
breto : plank (in kast e.d.)
briko : baksteen
bulo : kluit, bol, bal, kluwen
burĝo : burger, burgerlijk iemand
centro : middelpunt, centrum
cigaredo : sigaret
ciklo : cyclus, kringloop
citrono : citroen
ĉapo : muts
ĉarma : charmant, beminnelijk
ĉifono : vod
ĉokolado : chocolade
dato : datum; datreveno = verjaardag, herdenkingsdag
daŭri : voortduren; daŭrigi = voortzetten
deklivo : helling
des : des te...; ju pli granda, des pli bona = hoe groter, des te beter (hoe meer, hoe liever); des pli bone! = des te beter!
detrui : verwoesten
dezerto : woestijn
difekti : beschadigen; difekto = beschadiging, defect
difini : definiëren, bepalen, vaststellen; difino = definitie
diligenta : vlijtig, hard werkend
direktoro : directeur
diskuti : discussiëren
distanco : afstand (van...tot)
distri : (anderen) ontspannen, verstrooien, afleiden; distriĝi = zich ontspannen,...
diveni : (oplossing e.d.) raden
dividi : verdelen
domaĝi : betreuren, jammer vinden; estas domaĝe, ke... = het is jammer, dat...
drato : (metalen) draad
droni : verdrinken, ondergaan
eksciti : prikkelen, opwinden, aanwakkeren
ekskursi : een excursie maken
ekzameni : examineren, onderzoeken (of iets of iemand voldoet); ekzameno = examen
ekzerci : (iets) oefenen
elektro : elektriciteit
embaraso : hinder, verlegenheid, storing; embarasi = in verlegenheid brengen; embarasiĝi = in verlegenheid gebracht worden
energio : energie
enui : zich vervelen
epoko : tijdperk
esplori : onderzoeken (hoe iets in elkaar zit, e.d.), onderzoek plegen
esprimi : uitdrukken, onder woorden brengen; esprimo = een uitdrukking
etaĝo : verdieping, etage
etendi : (iets) uitstrekken; etendiĝi = zich uitstrekken
eterna : eeuwig
evidenta : overduidelijk, evident
evolui : zich ontwikkelen, evolueren; evoluigi = tot ontwikkeling brengen
fajfi : fluiten (niet op fluit); fajfilo = (scheidrechters)fluitje
faldi : vouwen; faldo = vouw


Bazaj Radikoj 7-2 NL

fandi : doen smelten; fandiĝi = smelten (vloeibaar worden)
farmi : pachten, landbouw uitoefenen; farmejo = (pacht)boerderij; farmisto = boer, pachter
farti : het maken, zich voelen; kiel vi fartas? = hoe maakt u het?
faruno : meel
fasko : bundel
favora : gunstig
ferio : vakantie
fianĉo : verloofde (man); fianĉino = verloofde (vrouw)
fidi : vertrouwen hebben; fidinda = betrouwbaar
figuro : figuur
filmo : film
flamo : vlam (van kaars, vuur)
floso : vlot (in het water)
fojno : hooi
forĝi : smeden
fortika : stevig, robuust
fotografi : fotograferen
frandi : snoepen
freneza : gek, krankzinnig
frosto : vorst (onder nul)
froti : wrijven
fulmo : bliksem
glata : glad
globo : globe, (wereld)bol
gluo : lijm; glui = lijmen; algluiĝi = blijven plakken
gorĝo : keel
gracia : gracieus, sierlijk
grado : graad (temperatuur, hoek, mate)
grimpi : klimmen
grundo : aarde, grond (m.b.t. samenstelling)
gusto : smaak; gusti = smaken
ĝemi : zuchten
ĝui : genieten
haki : hakken; hakilo = bijl
haveno : haven
heziti : aarzelen
hirundo : zwaluw
hotelo : hotel
humila : nederig
humoro : humeur
instinkto : instinct
jupo : rok (vrouwenkledingstuk)
kadro : kader, raam(werk)
kamarado : kameraad, makker
karaktero : karakter
karoto : peen, wortel
kaserolo : braadpan
kataro : catarre, (neus)verkoudheid
kaŭĉuko : rubber
kavo : holte, hol
kelnero : kelner
klera : ontwikkeld (door studie, zelfstudie e.d.)
klingo : lemmet, kling, blad (van mes)
komitato : comité
komuniki : mededelen, communiceren
koncerni : betreffen, betrekking hebben op
kongreso : congres
konsideri : beschouwen, in overweging nemen
konsoli : troosten
konstati : vaststellen, constateren
kotono : katoen
kremo : room; kremaĵo = crême
krevi : barsten; krevinta = gebarsten; krevigi = doen barsten
kroĉi : vasthaken, aanhaken (iets aan iets); kroĉiĝi = blijven haken; kroĉeti = haken (handwerken)
kruda : ruw, rauw, onbewerkt
kudri : naaien
kurbo : bocht (in weg e.d.)
kurioza : eigenaardig, curieus
kurso : cursus, leergang
kvadrato : vierkant, kwadraat
kvalito : kwaliteit, hoedanigheid
kvanto : hoeveelheid
lama : lam, verlamd
lano : wol
larmo : traan (in oog)


Bazaj Radikoj 7-3 NL

laŭdi : loven, prijzen; laŭdinda = prijzenswaard
laŭta : luid, hard (van geluid)
ledo : leder, leer
leono : leeuw
leporo : haas
litro : liter
logi : lokken, aantrekken; alloga = aantrekkelijk
lui : huren; luigi = verhuren
lukso : luxe
magazeno : magazijn (goederen, geweer), warenhuis
majstro : meester (in kunst of ambacht)
makulo : vlek; senmakula = vlekkeloos, onbevlekt
malgraŭ : ondanks
maniko : mouw
mantelo : mantel (kledingstuk)
martelo : hamer
masoni : metselen
materialo : materiaal, grondstof
matraco : matras
membro : lid (van vereniging), lichaamsdeel (arm of been)
mentono : kin
metio : ambacht
metro : meter (m)
milda : mild
mizero : ellende, misère
modo : mode (kleding e.d.)
moro : gebruik, zede, gewoonte (vanouds)
mordi : bijten
mueli : malen (graan e.d.)
murmuri : murmelen, morren, brommen
muta : stom (zonder spraak)
najlo : spijker
nebulo : mist, nevel
nesto : nest
nuda : naakt, bloot
nutri : voeden
odori : ruiken (reuk afgeven)
oferti : aanbieden, offreren
oportuna : van pas, handig, opportuun
oranĝo : sinaasappel; oranĝ(kolor)a = oranje
organo : orgaan
origino : oorsprong
ornami : versieren, opsieren
pajlo : stro
pala : bleek (van kleur, gezicht)
partio : partij (politiek, spel)
pasporto : paspoort
pastro : priester
peki : zondigen; peko = zonde
persekuti : vervolgen, achtervolgen
pesi : wegen (gewicht/massa bepalen); pesilo = weegschaal
petoli : stoeien, dartelen, kattekwaad uithalen
pino : den, pijnboom
pipo : pijp (voor tabak)
pizo : erwt
placo : plein
plado : schotel, gerecht (onderdeel van maaltijd)
plano : plan
poeto : dichter
politiko : politiek; politikisto = politicus
potenco : macht
prezidi : voorzitten; prezidanto = voorzitter
privata : privé
proksimume : ongeveer; (proksim/ume)
protekti : beschermen
protesti : protesteren
prudenta : verstandig; prudento = gezond verstand
pugno : vuist
puto : put
radiko : wortel (plant, wiskunde)
rajdi : rijden (op fiets, paard e.d.)
razi : (iemand) scheren; sin razi = zich scheren
reprezenti : vertegenwoordigen
registro : register; registri = registreren, inschrijven
relo : rail, spoorstaaf


Bazaj Radikoj 7-4 NL

renversi : omverwerpen, ondersteboven gooien; renversiĝi = omvallen
restoracio : restaurant
ringo : ring
rizo : rijst
roko : rots
ruza : slim, geslepen
sablo : zand
salajro : salaris, loon
sceno : scène, bedrijf (toneelstuk)
scivola : (sci/vola); nieuwsgierig
sekundo : sekonde, secunde (tijd, hoek)
seruro : slot (om af te sluiten)
severa : streng, strikt
signifi : betekenen (betekenis hebben); dusignifa = tweeduidig
sincera : oprecht
skalo : schaal (maat, verhouding)
skulpti : beeldhouwen; skulptaĵo = beeldhouwwerk
socio : maatschappij, samenleving
societo : gezelschap
solido : soliditeit, stevigheid; solida = stevig, solide
solvi : oplossen (oplossing vinden, oplossing maken) (vraagstuk, in water); solviĝi = oplossen (opgelost worden); solvo = oplossing (van vraagstuk); solvaĵo = een oplossing (van iets in bijv. water)
sonĝi : dromen (in slaap)
sonoro : galm, klank; sonorilo = (lui)klok; sonori = luiden (luid klinken)
spaco : ruimte
stalo : stal
standardo : vaandel, wimpel
sterni : (plat) uitspreiden
stomako : maag
streko : streep, streek, lijn; substreki = onderstrepen; trastreki = doorstrepen
stulta : heel dom, stom
suko : sap
supozi : veronderstellen, (als veronderstelling) aannemen
surprizi : verrassen
ŝirmi : beschermen
ŝpari : (op)sparen; malŝpari = verspillen; ŝparema = zuinig, spaarzaam
ŝtopi : dichtstoppen; ŝtopiĝi = verstopt raken
ŝuldi : verschuldigd zijn, een schuld hebben
ŝultro : schouder
ŝveli : (op)zwellen; ŝvelinta = opgezwollen; malŝveli = slinken
ŝvito : zweet
tabako : tabak
tabelo : tabel, lijst
taksi : schatten (waarde), taxeren; supertaksi = overschatten
tapiŝo : tapijt, vloerkleed
tasko : taak
teksi : weven; teksaĵo = weefsel; teksisto = wever
telegrafo : telegraaf
temo : onderwerp, thema
tenti : in verzoeking brengen, in verleiding brengen; tentiĝi = in (de) verleiding komen
terpomo : (ter/pomo); aardappel
titolo : titel (ook academisch), kop (boven artikel)
toleri : dulden, toelaten, verdragen
tombo : graf, tombe; tombejo = kerkhof, begraafplaats
tondro : donder (bij onweer)
traduki : vertalen
tritiko : tarwe
tubo : buis, tube, pijp
turo : toren
urĝi : dringend zijn, tot haast nopen; urĝa = dringend
valizo : koffer
vana : tevergeefs
vato : wat (katoenpluis)
vazo : vaas, vat, pot
ve! : wee!, helaas!
ventro : buik
vermo : worm
verso : vers (van gedicht)
verŝi : (uit)gieten, (in)schenken
violo : viooltje (bloem); viol(kolor)a = violet
zono : gordel, riem, zone


Bazaj Radikoj 8-1 NL

abelo : bij (insekt); abelujo = bijenkorf; abelisto = imker
abomeno : afschuw
aboni : geabonneerd zijn op; abono = abonnement
adicii : optellen
adjektivo : bijvoeglijk naamwoord
administri : administreren
admiri : bewonderen
admoni : vermanen
adopti : adopteren
advokato : advokaat, strafpleiter
afiŝo : poster, affiche
afranki : frankeren; afranko = porto
akceli : versnellen, bevorderen
akurata : stipt, punctueel
albumo : album
alkoholo : alkohol
almozo : aalmoes; almozi = bedelen; almozulo = bedelaar
amplekso : omvang, uitgebreidheid
anaso : eend
anĝelo : engel
animalo : dierlijk wezen (t.o. plant)
apartamento : flat, apartement
apetito : eetlust; bonan apetiton! = smakelijk eten!
apoteko : apotheek
araneo : spin
arda : vurig; ardi = smeulen (van vuur)
arko : boog
asekuri : verzekeren (tegen schade e.d.)
asocio : vereniging (organisatie)
atesti : getuigen
aŭto : auto
aŭtomobilo : automobiel, auto
aŭtoritato : autoriteit, gezag
avenuo : laan
aviadilo : vliegtuig; (aviad/ilo)
avida : begerig, gretig
baki : bakken (in oven)
balanci : heen en weer laten schommelen; balanciĝi = schommelen
barakti : spartelen
barelo : ton, vat
bazo : basis, grondslag
bazaro : bazaar
bebo : baby
beni : zegenen; malbeni = (ver)vloeken
benzino : benzine
betulo : berk
biblioteko : bibliotheek
biciklo : fiets
bluzo : blouse
boato : boot
boji : blaffen
bombono : bonbon, snoepje
bori : boren
brakumi : omarmen; (brak/umi)
brava : dapper, ridderlijk
bremso : rem
broŝuro : brochure
brovo : wenkbrauw
bubo : joch, straatjongen
budo : stalletje, kraam
bulvardo : boulevard
butiko : winkel(tje)
cedi : toegeven, wijken, afstaan
cemento : cement
cerbo : hersenen
cirkonstanco : omstandigheid
citi : citeren, aanhalen; citilo = aanhalingsteken
civilizi : beschaven, beschaafd maken; civilizita = beschaafd
ĉagreni : ergeren, bedroeven; ĉagreniĝi = zich ergeren, bedroefd zijn
ĉeko : cheque
ĉeno : ketting; ĉenero = schakel
ĉerizo : kers
ĉerpi : putten (water, ideeën)
dependi : afhangen, afhankelijk zijn; (de/pendi); sendependa = onafhankelijk
dediĉi : wijden (aan)
deficito : tekort, nadelig saldo
degeli : dooien (sneeuw, ijs)
deklari : verklaren (een verklaring afleggen)
dekoracio : decoratie, decor


Bazaj Radikoj 8-2 NL

delegi : afvaardigen, delegeren; delegito = afgevaardigde, gedelegeerde
deserto : dessert, nagerecht
destini : bestemmen (tot, voor)
detalo : detail
diablo : duivel
disko : schijf, discus; (son)disko = (grammofoon)plaat
disputi : redetwisten
distingi : onderscheiden
distribui : distribueren, uitdelen, rondbrengen
dramo : drama
drapo : laken (wollen stof)
dungi : in dienst nemen, aannemen, inhuren; maldungi = ontslaan
duŝo : douche
ebria : dronken; ebriulo = dronkaard
ekonomio : ekonomie
eksperimento : experiment
eksplodi : ontploffen, exploderen
ekstrema : extreem
ekvilibro : evenwicht
elturniĝi : zich ergens uitredden; (el/turn/iĝi)
elefanto : olifant
eleganta : elegant
eminenta : eminent, voortreffelijk
emocio : emotie
enigmo : raadsel, puzzel
entrepreni : ondernemen
envii : benijden, jaloers zijn op
escepti : uitzonderen; senescepte = zonder uitzondering
esenco : essentie
Esperanto : Esperanto
Esperantisto : Esperantist
ezoko : snoek
fabriko : fabriek
fanfaroni : opscheppen (over daden enz.)
farbo : verf; farbi = verven, (deur, muur) schilderen
faŭko : muil
febro : koorts
felo : vel, huid (van dier)
fendo : gleuf, spleet; fendi = splijten
fervora : ijverig, vurig, enthousiast
festeni : een festijn aanrichten, een feestmaal houden; festeno = festijn, feestmaal
financo : financiën
fiziko : natuurkunde
flari : ruiken (met neus)
fleksi : (iets) buigen; fleksiĝi (zich) buigen
flirti : wapperen, fladderen, flirten
foiro : markt; foirejo = markt(plein)
fondi : stichten, oprichten
fonografo : fonograaf (oude grammofoon)
fosto : paal
frago : aardbei
frakasi : verbrijzelen
frambo : framboos
friti : frituren, bakken (in koekepan)
frizi : kappen (hoofdhaar, door kapper); frizisto = kapper
fulgo : roet
fundamento : fundering, fundament, grondslag
funebro : rouw
funkcio : functie
funto : pond
ganto : handschoen
garaĝo : garage
garantii : garanderen
genio : genie (geniaal persoon), genius (beschermgeest)
gesti : gebaren (maken)
gladi : strijken (met strijkbout)
gloro : glorie, roem
gluti : slikken
golfo : golf, baai
grajno : korrel
gratuli : gelukwensen, feliciteren
hajlo : hagel (neerslagtype)
he! : hee daar!
heredi : erven (erfenis ontvangen)
heroo : held
hoko : haak(je)
hospitalo : hospitaal, ziekenhuis
hufo : hoef
humida : vochtig


Bazaj Radikoj 8-3 NL

ĥemio : scheikunde; ook: kemio
idealo : een ideaal
identa : identiek
ilustri : illustreren
imperio : keizerrijk; imperiestro = keizer; imperiismo = imperialisme
importi : importeren
imposto : belasting (geld voor overheid)
impreso : indruk
indiferenta : onverschillig
influi : beïnvloeden, invloed hebben op
inĝeniero : ingenieur
inklina : geneigd (tot)
insisti : aandringen
instali : installeren
instigi : aansporen; malinstigi = afraden
instrumento : instrument
insulti : beledigen
intelekto : intellect
inteligenta : intelligent
ju pli : hoe meer...; ju pli oni pripensas... = hoe meer je erover nadenkt...
juro : recht(en) (systeem van wetten); juristo = jurist
juvelo : juweel
ĵaluza : jaloers
ĵuri : zweren, een eed afleggen
ĵurnalo : krant, dagblad, journaal; ĵurnalisto = journalist
kabineto : kabinet, studeerkamer
kajo : kade, perron
kalendaro : kalender
kalkano : hiel; kalkanumo = hak (van schoen)
kalsono : onderbroek; ban-kalsono = zwembroek
kamiono : vrachtwagen
kandelo : kaars
kanzono : chanson
kapitalo : kapitaal (geld)
kaprica : wispelturig, grillig
karesi : aaien, strelen, liefkozen
kaso : kas (geld), kassa
kastelo : kasteel
kateno : keten (om mee vast te ketenen); kateni = vastketenen
kilometro : kilometer
kino : kinematografie, filmkunst; kinejo = bioscoop
kitelo : kiel, boezeroen, overall
kliento : klant
knedi : kneden
kolumo : boord (van overhemd...); (kol/umo)
kolono : pilaar, colonne
komo : komma
komandi : commanderen
komika : komisch
komisii : belasten (met een taak), opdragen
komisiono : commissie
kompleta : compleet
komplezi : iemand een plezier doen, welwillend zijn
koncerto : concert
kondamni : veroordelen
konferenco : conferentie
konfidi : toevertrouwen
konfirmi : bevestigen (dat iets zo is)
konfiti : confijten
konfuzi : verwarren, in de war brengen; konfuziĝi = in de war raken
konjekti : gissen, vermoeden
konkludi : concluderen, tot de slotsom komen
konkuri : concurreren, wedijveren
konscienco : geweten
kontrakti : contracteren, een contract afsluiten
kontroli : controleren, nakijken
konvinki : overtuigen
kopio : kopie; kopii = kopiëren
kordo : snaar
korko : kurk
koto : modder
krado : rooster
krano : kraan
krepusko : schemering
kreto : krijt
kripla : kreupel, gebrekkig
kritiki : kritiek hebben op
krizo : crisis


Bazaj Radikoj 8-4 NL

krono : kroon
kruĉo : (schenk)kruik
kruela : wreed
krusto : korst
kruta : steil
kubuto : elleboog
kuglo : kogel
kukolo : koekoek
kupro : koper (metaal)
kurteno : gordijn
kvartalo : wijk (van stad)
kverko : eik
lameno : metalen plaatje
leki : likken
lifto : lift (hijstoestel)
listo : lijst; listigi = op een lijst zetten, opsommen
literaturo : literatuur
lupo : wolf
maĉi : kauwen
malvarmumo : verkoudheid; (mal/varm/umo)
mamo : (vrouwe)borst, uier; mamulo = zoogdier
mandato : mandaat, (post)wissel
mapo : kaart (wegenkaart e.d.)
marĉo : moeras
masto : mast
mastrumi : de huishouding voeren; (mastr/umi)
medikamento : geneesmiddel, medicijn
mediti : mediteren
meĥaniko : mechanica, werktuigkunde; ook: mekaniko
meĥanismo : mechanisme, mechaniek; ook: mekanismo
melki : melken, uitmelken
metodo : methode
migri : migreren, trekken (van land tot land)
miliardo : miljard
milimetro : millimeter
mino : mijn (mineralen, explosief)
minus : min, minus
mistero : mysterie
modelo : model
modera : gematigd; moderigi = (iets) matigen, afzwakken
moderna : modern
modesta : bescheiden (niet opschepperig)
moskito : muskiet
motoro : motor
munti : monteren
muso : muis (dier)
muskolo : spier
nadlo : naald (van grammofoon e.d., niet om te naaien)
naiva : naief
naŭzi : walging opwekken, tegenstaan; naŭziĝi = walgen; naŭzo = walging
nenies : niemands
neniom : helemaal niets (geen enkele hoeveelheid)
nervo : zenuw
neto : netschrift, netto; neta = net, netto-; malneto = klad, brutto
nivelo : niveau
nobla : nobel
nodo : knoop (in touw e.d.)
normala : normaal
observi : observeren, waarnemen, in acht nemen
oferi : (op)offeren
oficiala : officieel
olivo : olijf
ombrelo : paraplu, parasol; pluvombrelo = paraplu; sunombrelo = parasol
operacii : opereren; operacio = operatie
orfo : wees (kind zonder ouders)
originalo : een origineel (geen kopie); originala = origineel
orto : rechte hoek (meetkunde); orta = van 90 graden
oscedi : gapen
paĉjo : pappa
palaco : paleis
panjo : mamma
parfumo : parfum
parko : park
pasio : passie, hartstocht
Pasko : Pasen
paŝti : weiden (koeien, schapen); paŝtisto = herder


Bazaj Radikoj 8-5 NL

pato : koekepan; patkuko = pannekoek
patrono : patroon, beschermheer, beschermheilige
paŭzi : pauzeren, een pauze nemen; paŭzo = pauze
pejzaĝo : landschap
pelto : bont(mantel)
penetri : binnendringen, doordringen (tot in)
peniko : kwast
penti : berouwen, berouw hebben
perfekta : volmaakt, perfect
perfidi : verraden
petrolo : petroleum
pilo : stroomgevend element, cel van batterij
pinĉi : knijpen
pioĉo : houweel
piro : peer (vrucht)
plekti : vlechten
plenumi : vervullen, volbrengen; (plen/umi)
pleto : dienblad
plumbo : lood (metaal)
plus : plus
poemo : gedicht
poezio : poëzie, dichtkunst
posteno : (wacht)post, ambt
pozicio : positie, houding, stand
preteksto : voorwendsel
pretendi : doen alsof, aanspraak maken op
probabla : waarschijnlijk, voor de hand liggend
problemo : probleem
procedi : te werk gaan; procedo = proces, gang van zaken
proceso : proces, rechtsgeding
profesio : beroep
profito : winst, profijt; malprofito = verlies (financieel)
prokrasti : uitstellen
provizo : voorraad; provizi = bevoorraden; provizi per = voorzien van
prozo : proza
pruvi : bewijzen
pulmo : long
pulvo : (bus)kruit
pulvoro : poeder
pumpi : pompen
pupo : pop
putri : rotten; putrinta = verrot
rabi : roven
rampi : kruipen
rango : rang
raporti : rapporteren, verslag uitbrengen; raportisto = verslaggever, rapporteur
rato : rat
ravi : verrukken, bekoren
recepto : recept
reciproka : wederkerig, wederzijds
regali : tracteren, onthalen (op)
reklami : reclame maken; reklamo = reclame
rekompenco : beloning
rekordo : record
remi : roeien; remilo = roeispaan
respubliko : republiek
revi : dagdromen, dromen (niet in slaap)
revuo : tijdschrift
rezervo : reserve; rezervi = reserveren
rezigni : opgeven, afstand doen van, afzien van
rezisti : weerstand bieden
ribeli : in opstand komen, muiten; ribelulo = rebel
rifuĝi : een toevlucht zoeken, bescherming zoeken; rifuĝejo = toevluchtsoord
ripo : rib
riski : riskeren, wagen, op het spel zetten; risko = risico; senriska = risicoloos
ritmo : ritme
robo : jurk, japon, robe
ronki : snurken
rosti : roosteren, braden
sagaca : schrander, scherpzinnig
salono : salon, zaal
saŭco : saus
segi : zagen; segilo = zaag
sekretario : secretaris
sekso : seks, sekse
senso : zintuig
serena : sereen, onbezorgd, kalm
signalo : sein, signaal


Bazaj Radikoj 8-6 NL

silko : zijde (stof)
simio : aap
simpatio : sympatie
sistemo : systeem
sitelo : emmer
sklavo : slaaf
skui : (doen) schudden; skuiĝi = schudden (vanzelf)
sobra : sober, matig, nuchter
sojlo : drempel
sopiri : smachten, verlangen naar
sorĉi : betoveren; sorĉisto = tovenaar; sorĉistino = heks
sovaĝa : wild
sporto : sport; sportisto = sportman
sprita : geestig
stampo : stempel(afdruk); stampilo = stempel (om mee te stempelen)
stango : stang, paal
stilo : stijl
strio : streep, strook
striki : staken (werk neerleggen)
strukturo : structuur
studento : student
stumpo : stomp(je) (overblijfsel), (boom)stronk, (sigarette)peuk
sufoki : wurgen, verstikken; sufokiĝi = stikken
surfaco : oppervlak(te)
suspekti : verdenken
sveni : flauwvallen
svingi : (iets, met iets) zwaaien; svingiĝi = zwaaien (vanzelf)
ŝargi : laden (fototoestel, batterij, geweer)
ŝelo : schil, bast, velletje
ŝmiri : (in)smeren
ŝoforo : chauffeur, bestuurder (trein, tram); ŝofori = besturen (aŭto,...)
ŝovi : (iets) (ver)schuiven; ŝoviĝi = verschuiven (vanzelf)
ŝraŭbo : schroef; ŝraŭbilo = schroevedraaier
ŝtalo : staal (ijzer)
ŝtofo : stof (textiel)
ŝuti : (uit)strooien, storten
tajli : fatsoeneren, bijwerken, slijpen (diamant), knippen (kleding); tajlisto = diamantslijper, coupeur (kleding)
tajloro : kleermaker
teatro : theater, schouwburg; teatraĵo = toneelstuk
tedi : (iemand) vervelen, vervelend zijn; tediĝi = zich vervelen
tegi : bekleden, overtrekken (met stof, beschermlaag e.d.)
telegramo : telegram
temperaturo : temperatuur
tempesto : storm, tempeest
tendo : tent; tendaro = kamp; tendumi = kamperen
teorio : theorie
tereno : terrein
tipo : type (soort van)
tono : toon
tordi : (doen) (ver)wringen, verdraaien; tordiĝi = (ver)wringen, verdraaien (vanzelf)
trajno : trein
trajto : (gelaats)trek
trakti : behandelen (niet medisch), onderhandelen
traktoro : trekker, tractor
trempi : (in)dopen, (in)weken; trempiĝi = weken (in de week staan)
treni : slepen
trezoro : schat
triangulo : driehoek; (tri/angulo)
tribunalo : tribunaal, rechterlijke macht
trikoto : tricot (gebreide stof)
trotuaro : trottoir
trunko : boomstam, romp
turmenti : kwellen, martelen
urso : beer
vakcino : vaccin
varo : handelswaar; varoj = waren, goederen
varii : variëren, variabel zijn
velo : zeil
velki : (ver)welken, (weg)kwijnen
veneno : vergif, venijn
verbo : werkwoord
vergo : roede, gard, stokje
verto : kruin (van hoofd)
veŝto : vest (van costuum)
vidvo : weduwnaar; vidvino = weduwe
virto : deugd
vito : wijnstok (druivenplant)
vualo : sluier
vulpo : vos


Bazaj Radikoj 9-1 NL

abrikoto : abrikoos
abrupta : abrupt, kortaf
absoluta : absoluut
abstini : zich onthouden van (bijv. drank)
absurda : absurd
-aĉ- : (lelijk, verachtelijk); domaĉo = krot
adapti : aanpassen (aan), aanbrengen (op), op maat maken (voor)
adori : aanbidden, verafgoden
adverbo : bijwoord
aflikti : bedroeven, raken (emotioneel)
Afriko : Afrika
agento : agent
agiti : schudden (vloeistof), agiteren, opruien
ajlo : knoflook
akademio : academie (geleerd genootschap)
akcento : klemtoon, nadruk
akcio : aandeel (in onderneming)
akno : acne, puistje
akordo : accoord, overeenstemming, schikking
akrido : sprinkhaan
akso : as (van wiel), spil (waarom iets draait)
akto : acte (toneelstuk, officieel document)
aktiva : aktief
aktoro : acteur
aktuala : actueel
akuzi : beschuldigen
alarmo : alarm
alaŭdo : leeuwerik
aleo : laan, laantje in tuin
alfabeto : alfabet
algo : wier, alg
alterni : elkaar afwisselen, om de beurt iets doen; alterna kurento = wisselstroom
aludi : zinspelen op
aluminio : aluminium
amara : bitter
amatoro : amateur, liefhebber
ambasado : ambassade
ambasadoro : ambassadeur
Ameriko : Amerika
ampolo : gloeilamp
anekdoto : anekdote
angilo : aal, paling
ansero : gans
aperturo : opening
aplaŭdi : applauderen, klappen
apliki : toepassen
apostolo : apostel
apro : wild zwijn
arbitra : arbitrair
arterio : slagader
artiko : gewricht
asembleo : assemblee, algemene vergadering
aserti : beweren
asfalto : asfalt
asisti : assisteren (door daarvoor aangewezen assistent)
Atlantiko : Atlantische Oceaan
atomo : atoom
aŭdaca : gedurfd, gewaagd
Aŭstralio : Australië
aŭtoro : auteur
avantaĝo : voordeel
aveno : haver
Azio : Azië
bacilo : bacil
bagatelo : bagatel, iets onbetekenends
bakterio : bacterie
balo : bal (dansen)
balbuti : stotteren, stamelen
baloti : stemmen, kiezen (bij verkiezing)
bambuo : bamboe
banano : banaan
bandaĝo : verband, zwachtel
banto : strik(je) (versiering)
bapti : dopen (in kerk)
barbiro : barbier


Bazaj Radikoj 9-2 NL

barko : bark (zeilschip)
basko : slip, pand (van jas)
bendo : strook, reep, band
beto : biet
bifsteko : biefstuk
bindi : (in)binden (boeken)
blasfemi : vloeken
bleki : geluid maken door dieren (blaten e.d.)
bloko : blok
bonvoli : zo goed willen zijn te...; (bon/vol/i); bonvolu = alstublieft (bij verzoek)
borso : beurs (aandelen, goederen)
bovlo : kom, schaal
braceleto : armband
brando : sterkedrank, borrel
bredi : fokken, kweken
brido : teugel; bridi = beteugelen
brokanti : handelen in tweedehands goederen
bronzo : brons
bruto : stuk vee
buĉi : slachten
budĝeto : budget; ook: buĝeto
buko : gesp
bukedo : boeket
buklo : krul (van haar)
bulbo : bol (van plant)
bulko : kadetje, broodje
bulteno : bulletin
burĝono : knop (van bloem)
centimetro : centimeter
centralo : centrale (telefoon, elektriciteit)
cepo : ui
cervo : hert
cigaro : sigaar
cigno : zwaan
cikado : cicade
cikatro : litteken
cikonio : ooievaar
cinamo : kaneel
cindro : as (na verbranding)
ciro : schoensmeer
cirkelo : passer
cirklo : cirkel
cirkuli : circuleren (verkeer, geld, gerucht...)
cirkulero : circulaire, rondschrijven
cirkvito : circuit, stroomkring
civila : civiel, niet-militair
civito : stad-staat, burgerlijke gemeente; civitano = burger
ĉaro : kar, wagen
ĉarumo : kruiwagen; (ĉar/umo)
ĉeesti : bijwonen; (ĉe/esti)
ĉelo : cel (biologie, gevangenis)
ĉerko : doodskist
ĉial : om alle redenen
ĉies : ieders, van iedereen
ĉifi : kreuk(el)en, verfrommelen
ĉiom : in elke hoeveelheid
-ĉj- : (mannelijke koosnaam); paĉjo = pappa, pappie
daktilo : dadel
dando : dandy
deteni : niet toelaten, tegenhouden; (de/teni); sin deteni = zich onthouden (van commentaar, bij stemming)
debeto : debet (boekhouding)
deci : horen, zijn zoals het hoort, betamen
deĵori : dienst doen, dienst hebben
deliri : malen, ijlen
denunci : verklikken, aanbrengen
deponi : deponeren, in bewaring geven
deputi : afvaardigen
determini : determineren, nauwkeurig bepalen
devontigi : verplichten, een verplichting opleggen; (dev/ont/igi)
dialogo : dialoog
dianto : anjer
dieto : dieet
digesti : verteren (voedsel)
dikti : dicteren
dimensio : dimensie
disponi : (kunnen) beschikken (over); disponebla = beschikbaar
dogano : doeane


Bazaj Radikoj 9-3 NL

dokumento : document
dorloti : vertroetelen, verwennen
dorno : doorn
doto : bruidsschat
dresi : dresseren
efekto : (bedoeld) effect (bijv. geluidseffect bij film)
egoisto : egoïst
eĥo : echo
ekipi : uitrusten (van het nodige voorzien)
eklezio : kerk (organisatie)
ekrano : scherm
eks- : ex-; eksprezidanto = ex-voorzitter
ekspedi : verzenden
ekspluati : uitbuiten, uitbaten, exploiteren
eksporti : exporteren
ekspozicio : tentoonstelling
ekvatoro : equator, evenaar
ekzakta : exact
ekzekuti : executeren, ten uitvoer leggen (vonnis)
eldoni : uitgeven (boek e.d.); (el/doni); eldonejo = uitgeverij
elasta : elastisch
elektroniko : electronica
elemento : element
emajlo : email
emerito : gepensionneerde, emeritus
-end- : (noodzaak: wat ge... moet worden); pagenda = te betalen, verschuldigd
enketi : enquêteren
epidemio : epidemie
-er- : (klein onderdeel van); sablero = zandkorrel
eskapi : ontsnappen
estigi : doen ontstaan, tot stand brengen; (est/igi)
establi : vestigen, oprichten
etapo : etappe, stadium
etato : loonstaat
Eŭropo : Europa
evento : gebeurtenis
fabo : boon
fabelo : sprookje
faco : vlak(je) (van voorwerp zoals kubus, briljant)
fago : beuk (boom)
fajenco : aardewerk
falĉi : maaien
familiara : familiair, informeel
fantazio : fantasie
fasado : (voor)gevel, façade
fasono : snit (kleding)
fasti : vasten
fazeolo : spercieboon, snijboon
feo : (mannelijke) fee; feino = fee
feĉo : droesem, bezinksel, gespuis
federacio : federatie
felto : vilt
fenomeno : fenomeen, verschijnsel
fi! : foei!; fi- = (ongunstig, verachtelijk); fikomerco = vuile zaakjes; fiplantoj = onkruid
figo : vijg (vrucht)
fikcio : fictie
flagri : flakkeren
flati : vleien
fliki : verstellen, stoppen (kleren)
fluido : fluïdum (gas of vloeistof); fluida = niet in vaste vorm
flustri : fluisteren
fontano : fontein
foresti : afwezig zijn; (for/esti)
formiko : mier
formulo : formule
fotelo : fauteuil, leunstoel
frako : rok (herenkleding)
frazo : (vol)zin
fripono : schurk
fronto : front, voorkant
fuĝi : vluchten
funelo : trechter
fungo : zwam, paddestoel
furaĝo : fourage, voer
furioza : woedend, furieus


Bazaj Radikoj 9-4 NL

fuŝi : verknoeien
galo : gal
galoŝo : overschoen
garbo : schoof (graan)
garni : garneren
gelateno : gelatine
generacio : generatie
generalo : generaal
gento : geslacht, stam (etnische groep)
geografio : aardrijkskunde
girlando : slinger, guirlande
glavo : zwaard
gobio : grondel (vis)
gramo : gram
gramatiko : grammatica
grandioza : grandioos, groots
grati : krabben
graveda : zwanger
grego : kudde
grimaci : grimassen maken
grinci : knarsen, piepen
gripo : griep
groto : grot
gruo : kraanvogel
grumbli : mopperen
gudro : teer (zwarte substantie)
gumo : (vlak)gom, gummetje
gustumi : proeven; (gust/umi)
gvardio : garde, (lijf)wacht
ĝemelo : (een van een) tweeling
ĝendarmo : gendarme, veldwachter
ĝermo : kiem
ĝibo : bochel, bult
halo : hal
hangaro : hangar
haringo : haring
harmonio : harmonie
havigi : verschaffen; (hav/igi)
hazardo : toeval, toevalligheid
heĝo : heg
hektaro : hektare
helikoptero : helikopter
hepato : lever
heroldo : herout
higieno : hygiëne
himno : hymne, (nationaal) volkslied
hordeo : gerst
horizonto : horizon
horizontalo : horizontale lijn; horizontala = horizontaal
humana : humaan
ĥoro : (zang)koor
iafoje : heel soms; (ia/foje)
ignori : negeren, niet willen weten
impeti : vooruitstormen, zich er helemaal op storten
impliki : ingewikkeld maken
impulso : impuls, stuwende kracht
imuna : immuun, onvatbaar
inciti : boos maken, prikkelen
indigni : verontwaardigd zijn
indiki : aanduiden, aanwijzen
individuo : individu
indulgi : toegeeflijk zijn; senindulga = meedogenloos
infekti : infecteren, besmetten
infero : hel
-ing- : (houder); kandelingo = kandelaar
iniciati : het initiatief nemen tot
injekti : injecteren, inspuiten
insidi : belagen, een valstrik zetten, in de val lokken
insigno : insigne, speldje, blazoen
inspektoro : inspecteur
inspiri : inspireren, bezielen
instanco : instantie
interpelacii : interpelleren
interpreti : interpreteren, verklaren, vertolken
intesto : darm


Bazaj Radikoj 9-5 NL

intima : intiem
inundi : overstromen
invalido : invalide
inventi : uitvinden, een uitvinding doen
ironio : ironie
izoli : isoleren
jubileo : jubileum
jugo : juk
juki : jeuken
jungi : inspannen (paard)
kabano : hut
kaĉo : pap, brij, moes
kaduka : aftands, bouwvallig, kaduuk
kaĝo : kooi
kahelo : tegel
kajuto : kajuit, cabine
kakao : cacao
kakto : cactus
kalo : eelt
kaldrono : ketel
kalkanumo : hak (van schoen); (kalkan/umo)
kalumnii : (be)lasteren
kamelo : kameel
kanalo : kanaal
kandidato : kandidaat
kankro : kreeft
karafo : karaf
karno : vlees (geen bot, geen huid)
karnavalo : karneval
karpo : karper
kartono : karton
kaskedo : pet met klep
kaŝtano : kastanje
katalogo : catalogus
kategorio : categorie
kaverno : onderaardse grot, spelonk
kazo : geval (in dit...)
kejlo : pin, spie
kerno : kern, pit
kioma : de/het hoeveelste; (kiom/a); kioma horo? = hoe laat?
kirurgo : chirurg
kirurgio : chirurgie
klasika : klassiek
klimato : klimaat
kliniko : kliniek
klopodi : trachten, pogen, moeite doen
klubo : club
koketa : koket
kokoso : kokos
kolegio : college (schooltype, bestuurslichaam)
kolektiva : collectief
kolizii : botsen, in aanvaring komen met
kolombo : duif
kolonelo : kolonel
kolumno : kolom (krant), rij
kombini : combineren
komedio : komedie
komisaro : commissaris
kompanio : gezelschap, vennootschap
kompensi : compenseren
kompetenta : competent
komplemento : complement, (zins)bepaling, aanvulling
kompliki : ingewikkeld maken; komplika = ingewikkeld
komponi : componeren (muziek), samenstellen (chemie)
kompromiti : compromitteren
komunumo : gemeenschap, gemeente, communiteit
koncentri : concentreren
koncepto : concept
konfidenco : vertrouwelijke mededeling
konkordo : eendracht
konkurso : wedstrijd, concours
konsekvenco : consequentie
konstitucio : grondwet, constitutie
konsulo : consul
konsumi : consumeren, verbruiken


Bazaj Radikoj 9-6 NL

kontanta : contant
kontesti : betwisten
konvalo : lelietje van dalen
konversacii : converseren, praten met elkaar; konversacio = conversatie, gesprek
korekti : corrigeren, verbeteren; korekta = correct
koridoro : gang
korniko : bonte kraai
korvo : kraai, raaf
kosmo : cosmos, heelal
kostumo : costuum
kraĉi : spuwen, spugen
kranio : schedel
kredito : krediet
kresto : kam (van haan)
kristalo : kristal
krokodilo : krokodil
kubo : kubus; ludkubo = dobbelsteen
kukumo : komkommer
kukurbo : pompoen
kulto : cultus
kuniklo : konijn
kupono : coupon
kurento : (elektrische) stroom
kuseno : (hoofd)kussen
laboratorio : laboratorium
lacerto : hagedis
laĉo : schoenveter
lado : blik (dunne metaalplaat)
lako : lak
lanterno : lantaarn
lapo : klis, klit
lardo : spek
larvo : larve
latitudo : geografische breedte
latuno : geelkoper, messing
laŭbo : prieel
lekcio : college (les)
lesivo : loog (oplossing), wasmiddel-oplossing
leŭtenanto : luitenant
liceo : lyceum
licenco : licentie
likva : vloeibaar
lilio : lelie
limako : slak
lino : linnen, vlas
liveri : (af)leveren
logiko : logica
lojala : loyaal
lokomotivo : lokomotief
longitudo : geografische lengte
loto : lot (in loterij)
lotuso : lotus
lubriki : smeren (machine e.d.)
luko : luik
lukti : worstelen
luli : in slaap wiegen
maizo : maïs
majesta : majestueus, majesteitelijk
maksimumo : maximum
maleolo : enkel
malica : boosaardig, gemeen
malvo : malve (bloemplant)
manipuli : manipuleren, hanteren, omgaan met (weten om te gaan met)
manovri : manoeuvreren
marmelado : jam, marmelade
maso : massa (hoeveelheid, "gewicht")
mato : mat
matematiko : wiskunde
materio : materie, stof
medicino : geneeskunde
Mediteraneo : Mediterranee, Middellandse Zee
melono : meloen
mencii : vermelden
menso : geest, gedachten
menuo : menu


Bazaj Radikoj 9-7 NL

metalurgio : metallurgie, ertsenkunde
mielo : honing
mineralo : mineraal
minimumo : minimum
ministerio : ministerie
ministro : minister; ministrejo = ministerie; ĉefministro = premier, eerste minister
mirinda : wonderlijk; (mir/inda)
mirtelo : blauwe bosbes
mis- : mis-; misuzi = misbruiken
mistifiki : voor de mal houden, foppen
modifi : modifiëren, wijzigen, aanpassen; modifo = modificatie
monstro : monster
monumento : monument
moralo : moraal
muĝi : loeien, brullen
multipliki : vermenigvuldigen (rekenkunde)
musko : mos
muzeo : museum
muzelo : snuit, muil
najtingalo : nachtegaal
neglekti : verwaarlozen
nenial : nergens om, voor geen enkele reden
neniel : op geen enkele manier
nervoza : nerveus
nilono : nylon
-nj- : (vrouwelijke koosnaam); panjo = mammie
nuko : nek
nukso : noot (vrucht)
oblikva : schuin, hellend
obstaklo : obstakel
obstina : koppig, obstinaat
oceano : oceaan
ofendi : beledigen, krenken
oficiro : officier (militair)
-op- : (met z'n...); kvarope = met z'n vieren
opero : opera
oponi : tegenwerpingen maken, tegen zijn
opozicii : oppositie voeren
oratoro : redenaar
orienti : oriënteren; orientiĝi = zich oriënteren
orkestro : orkest
ortografio : spelling
ovalo : ovaal
Pacifiko : Stille Oceaan, Pacific
palato : verhemelte (mond)
paliso : (scherpe) paal (in palen-hekwerk)
palmo : palm (boom)
palpi : (be)tasten
palpebro : ooglid
palto : overjas
paneo : panne, motorpech
pantoflo : pantoffel
papo : paus
papago : papegaai
papilio : vlinder
paradizo : paradijs
paralelo : parallel
paraŝuto : parachute
parlamento : parlement
pasaĝero : passagier
pasero : mus
pavo : pauw
pekli : pekelen, zouten
pendolo : slinger (klok), pendel
pensio : pensioen
perei : omkomen, vergaan
periodo : periode
perlo : parel
perono : perron, bordes
persiko : persik
persisti : volharden
pia : vroom
piano : piano
piceo : (fijn)spar
pigo : ekster


Bazaj Radikoj 9-8 NL

piloto : piloot
pioniro : pionier
pipro : peper
plago : plaag (ramp)
plando : voetzool
plandumo : zool (van schoen); (pland/umo)
planedo : planeet
plasto : plastic
plastiko : plastiek, boetseerkunst
platano : plataan
plenaĝa : volwassen; (plen/aĝa)
pliigi : vermeerderen; (pli/igi)
plonĝi : duiken, plonsen
pluralo : meervoud
po du : elk twee, twee aan twee; ili ricevis po dek = zij kregen er elk tien; marŝi po du = twee aan twee marcheren
populara : populair
porcelano : porselein
porcio : portie
portreto : portret
pra- : (oer-); pratempo = oertijd; praavo = overgrootvader
prelegi : een lezing geven; prelego = lezing, voordracht
preskribi : voorschrijven
princo : prins
principo : principe
procento : percentage, procent; dek procentoj = 10 %; ook: elcento (el/cento)
profesoro : professor
profeto : profeet
programo : programma
projekto : project
proleto : proleet
proletario : proletariër
pronomo : voornaamwoord
prononci : uitspreken (klanken, oordeel)
propagandi : propaganda maken
proponi : voorstellen, aanbieden
propozicio : stelling, hoofdzin (grammatica)
prosperi : gedijen, bloeien; prospero = voorspoed
proverbo : spreekwoord
provinco : provincie
provoki : provoceren, uitdagen
pruno : pruim
psikologio : psychologie
pudro : poeder (cosmetica)
punto : kant (stof)
pupilo : pupil (van oog)
puso : pus
rabato : korting
racio : rede
radiatoro : radiator
rafano : rammenas, radijs; rafaneto = radijs(je)
rano : kikker
raŭka : hees, schor
raŭpo : rups
reformi : hervormen; (re/formi)
reakcio : reactie (scheikunde); reakcii = reageren (scheikunde)
reala : reëel, werkelijk
recenzi : recenseren, bespreken (van boek e.d.)
redakti : redigeren, redaktie voeren
redukti : reduceren, verminderen
reflekti : terugkaatsen (licht)
regimento : regiment
reĝimo : regiem, stelsel
rektangulo : rechthoek (rekt/angulo)
relativa : relatief
reno : nier
rendevuo : afspraak(je), rendez-vous
rento : inkomen uit kapitaal; rentumo = rente
resumo : samenvatting
revizii : (grondig) herzien (opvattingen e.d.); reviseren (motor)
revolucii : in opstand komen; revolucio = opstand, revolutie
rezoni : redeneren
ribo : aalbes
rigida : stijf, star
rimo : rijm
rimeno : riem


Bazaj Radikoj 9-9 NL

riveli : ontwikkelen (foto), openbaren
riverenci : een buiging(kje) maken
rivoluo : omwenteling (om as)
rolo : rol (toneel, maatschappij)
romano : roman
roso : dauw
rubando : lint, band
ruino : ruïne
rusto : roest
sago : pijl
salato : salade, slaatje
saliko : wilg
sandviĉo : sandwich
sarki : wieden
satiro : satire
sciuro : eekhoorn
sekalo : rogge
sekci : snijden (meetkunde), sectie verrichten (op lijk)
sekcio : afdeling, sectie
sekura : veilig, sekuur
senato : senaat
sino : schoot, boezem
sindona : toegewijd; (sin/dona)
singarda : voorzichtig; (sin/garda)
sinteno : houding; (sin/teno)
sindikato : vakvereniging, vakbond, sindicaat
singularo : enkelvoud
situo : ligging (van huis, land)
situacio : situatie, staat van zaken
skio : ski
skorpio : schorpioen
sledo : slee
sociala : sociaal
sofo : sofa
solena : plechtig
solidara : solidair
sorbi : absorberen, opzuigen
sorgo : sorghum
specimeno : monster, specimen
spektaklo : spektakel, schouwspel
spiko : aar (gras, graan)
spinaco : spinazie
spiti : trotseren; spite ĉiujn argumentojn = alle argumenten ten spijt, in weerwil van ...
splito : splinter
spongo : spons
spuro : (voet)spoor
stadio : stadium
stadiono : stadion
stameno : meeldraad
stano : tin (metaal)
starti : starten (zelf); startigi = (doen) starten (motor)
statuo : standbeeld
staturo : postuur, lichaamsbouw
sterko : mest, gier
strigo : uil
struto : struisvogel
subjekto : onderwerp, subject
substanco : substantie
substantivo : zelfstandig naamwoord
subtila : subtiel, fijn
subtrahi : aftrekken (rekenkunde)
suĉi : zuigen
sulko : vore, rimpel
suplemento : supplement
surtuto : overjas, overall
susuri : ruisen, ritselen
svati : koppelen, huwelijken regelen; svatisto = huwelijksmakelaar
ŝakalo : jakhals
ŝanceli : laten wankelen; ŝanceliĝi = wankelen
ŝaŭmo : schuim
ŝinko : ham
ŝpini : spinnen (draden)
ŝpruci : spuiten, opspatten (water)
ŝtipo : houtblok
tajpi : typen, tikken
takto : tact (optreden), maat (muziek)
talio : taille, middel


Bazaj Radikoj 9-10 NL

tapeto : behang
tarifo : tarief
tegolo : dakpan
teĥniko : techniek; ook: tekniko
teksto : tekst
televidi : televisie kijken; (tele/vidi); televidilo = TV-toestel
tendenco : tendens, strekking
tenera : teder
teraso : terras
teritorio : territorium, grondgebied
termometro : thermometer
terni : niezen
testudo : schildpad
ties : ervan, van die
tigo : stengel, steel
tigro : tijger
tikli : kietelen; tikla situacio = een netelige situatie
tinkturo : verfstof, tinctuur
tinti : rinkelen, tingelen
tomato : tomaat
torento : woeste rivier
torto : taart, gebak; torteto = gebakje
tradicio : traditie
trafiko : verkeer
tragedio : tragedie, treurspel
tragika : tragisch
traktato : verdrag
tramo : tram
trejni : trainen
triki : breien
trudi : opdringen
trumpeto : trompet
trupo : troep (soldaten, acteurs)
tubero : knol, knobbel, knoest
tufo : plukje (haar), kuifje, bosje
tumulto : tumult, opschudding
tuno : ton (gewicht)
tunelo : tunnel
turismo : toerisme
turisto : toerist
uniformo : uniform (kleding)
unika : uniek
universala : universeel, algemeen geldig
universitato : universiteit
vadi : waden
vagi : zwerven
vakso : (boen)was
valida : geldig; validi = geldig zijn
vanta : ijdel
varti : verzorgen (zieke, plant), oppassen (kind)
vegetalo : plantaardig wezen (geen dier)
vegetara : vegetarisch; vegetarano = vegetariër
vejno : ader
veluro : fluweel
venĝi : wreken, wraak nemen
vertico : top (van een driehoek)
vertikalo : vertikale lijn; vertikala = vertikaal
veruko : wrat
vespo : wesp
veti : wedden
veziko : blaas
viadukto : viaduct
viktimo : slachtoffer
vindi : omwikkelen, inwikkelen, omwinden
violono : viool
vipo : zweep
virga : maagdelijk; virgulino = maagd
volumo : deel (van een boek)
volumeno : volume (inhoud)
vomi : overgeven, braken
vulkano : vulkaan
vulturo : gier (vogel)
zinko : zink
zoologio : zoölogie, dierkunde
zumi : zoemen, neuriën; zumado = gezoem, geneurie


BRN-aldonoj
toevoegingen

Dum la ellaborado de miaj "Bazaj Radikoj Esperanto-Esperanto", montriĝis, ke necesas aldoni plurajn radikojn, aŭ por povi difini la ja enestantajn, aŭ, ĉar ili (ne nur laŭ mi) estas almenaŭ tiel gravaj aŭ oftaj, kiel radikoj ja enestantaj. Jen tiuj radikoj, kun Nederlanda traduko.

Tijdens het uitwerken van mijn "Bazaj Radikoj Esperanto-Esperanto", bleek het nodig te zijn, een aantal woordstammen toe te voegen, hetzij omdat ze nodig waren voor de definitie van woorden in de lijst, hetzij omdat ze (niet alleen volgens mij) minstens zo belangrijk of vaak voorkomend zijn als woordstammen die wel in de lijst zijn opgenomen. Hier dus die woordstammen, met een Nederlandse vertaling.


absceso : abces
abstrakta : abstract
afikso : voor- of achtervoegsel
akvumi : water geven (aan planten) (akv/um/i)
aldoni : toevoegen (al/don/i)
aliĝi : lid worden van een groep of zich aanmelden als deelnemer (al/iĝ/i)
alternativo : alternatief (keuzemogelijkheid)
ambulanco : ziekenauto; veldhospitaal
amfibio : amfibie (groep dieren)
amindumi : liefkozen, vrijen (am/ind/um/i)
anso : oor (van iets), (gebogen) handvat
antaŭulo : voorganger (iemand die eerder die functie had), voorouder (antaŭ/ul/o)
antikva : antiek
arbusto : struik
arĉo : strijkstok
aresti : arresteren, (iemand) aanhouden
argilo : klei
argumento : argument; argumenti: argumenteren, argumenten aandragen
aromo : aroma
artifiko : kunstgreep; list; streek
artiklo : artikel (in winkel)
astro : hemellichaam
atenci : een aanslag plegen op; zich vergrijpen aan
baleno : walvis
barilo : hek; erfafscheiding (bar/il/o)
baterio : batterij (elektrische cellen, kanonnen,...)
bonhavo : tegoed (geld); bonhava: goed in zijn geld zittend (bon/hav/o)
branko : kieuw
broĉo : broche
brodi : borduren
bv. : = bonvolu: a.u.b.
cendo : cent
cerbumi : peinzen; piekeren (cerb/um/i)
ceremonio : ceremonie
cico : tepel
cilindro : cilinder
colo : inch, duim (ca. 2,5 cm)
ĉ. : = ĉirkaŭ: circa (ongeveer)
ĉarniro : scharnier
ĉarpenti : timmeren
ĉasta : kuis; zedig
ĉirkaŭaĵo : omgeving (ĉirkaŭ/aĵ/o)
d-ro : = doktoro: dr.
damo : dame (titel); koningin (in schaakspel); dam (in damspel); damoj = dam-ludo: damspel
definitiva : definitief
degeneri : degenereren; aftakelen
demokratio : democratie
demokrato : democraat
depreni : (ergens iets van) afnemen (de/pren/i)
derivi : (iets van iets) afleiden
deveno : afkomst; oorsprong (de/ven/o)
digo : dijk
diplomo : diploma
distili : distilleren
distrikto : district
drinki : (te veel of te vaak) alkohol drinken
ekskrementoj : uitwerpselen; ontlasting (=fekaĵo)
ekstra : extra
ekz. : = ekzemple: bijv.; = ekzemplero(j): exemplaren
ekzemplero : exemplaar
elipso : ellips
elparolo : = prononco: uitspraak (van woorden) (el/parol/o)
elstari : uitsteken; afsteken (tegen achtergrond) (el/star/i)
elteni : (iets) uithouden; (ergens) tegen kunnen (el/ten/i)
elvoki : naar buiten roepen; (iets) oproepen (el/vok/i)
enhavo : inhoud (en/hav/o)
enmiksiĝi : zich ergens mee bemoeien (en/miks/iĝ/i)
Eo : = Esperanto
etikedo : etiket
etiketo : etiquette
etoso : sfeer; stemming
eventuala : eventueel
ezofago : slokdarm
f-ino : = fraŭlino: mej.
fablo : fabel
faksi : faxen
faksimilo : facsimile (precieze reproductie)
fakturo : factuur
fantomo : spook; geest; fantoom
fariĝi : worden (far/iĝ/i)
feki : ontlasting hebben; fekaĵo: ontlasting
femuro : dij(been)
ferdeko : dek (van schip)
fermenti : gisten (ww)
fervojo : spoorweg(en) (fer/voj/o)
fibro : vezel
filtri : filt(r)eren
fluto : fluit (muziekinstrument)
formala : formeel
forpreni : (iets van iemand) afnemen; (ergens iets) wegnemen (for/pren/i)
foto : foto
fumaĵi : (vlees, vis) roken (d.m.v. rook conserveren) (fum/aĵ/i)
futbalo : voetbal; futbali: voetballen (ww)
generi : genereren; verwekken
ges., ges-roj : = gesinjoroj: meneer en mevrouw; dames en heren
gimnastiko : gymnastiek
glando : klier (in lichaam)
gramofono : grammofoon
ĝirafo : giraf
helico : vijzel; schroef(draad); schroef (van schip); propeller
horaro : dienstregeling; dienstrooster (hor/ar/o)
i.a. : = inter aliaj; interalie: o.a.
indiĝeno : inheemse; oorspronkelijke bewoner
inspekti : inspecteren
instrukcio : instructie
interalie : onder andere (inter/ali/e)
internacia : internationaal (inter/naci/a)
interrompi : onderbreken (inter/romp/i)
intertempe : intussen; ondertussen; in de tussentijd (inter/temp/e)
interveni : tussenkomen, interveniëren (omdat iets niet goed gaat/dreigt te gaan) (inter/ven/i)
intervjui : interviewen; een vraaggesprek houden
inversa : omgekeerd; andersom; achterstevoren; ondersteboven; binnenstebuiten
irk. : = internacia respondkupono: internationale antwoordcoupon (van de post)
k.a. : = kaj aliaj: e.a.
k.s. : = kaj similaj; kaj simile: en dergelijke
k.t.p. : = kaj tiel plu: enz.
kalcio : calcium
kalko : kalk
kamero : hok, kamertje zonder ramen; camera
kanguruo : kangoeroe
kano : riet; (rieten) wandelstok
kanono : kanon (schiettuig)
kapitano : kapitein (schip, leger)
kapuĉo : capuchon; kap(je); huif
kardo : distel
kasedo : = kaseto: cassette (geluid of beeld)
kaseto : cassette (juwelen, bestek, film, band)
katastrofo : catastrofe
kemio : = ĥemio
kirli : roeren
klavaro : toetsenbord (klav/ar/o)
klavo : toets
kokso : heup
kolbaso : worst
kolego : collega
komenti : commentaar leveren
komplimento : compliment; komplimenti: complimenteren
komposti : zetten (van drukwerk)
komputi : berekenen, uitrekenen; komputilo: computer (ook: gas-, water-, benzine-meter)
konekti : verbinden (elektriciteit, telefoon,...)
konko : schelp
konkreta : concreet
konsonanto : medeklinker
konsterni : verbijsteren
konsulti : consulteren; raadplegen
kontakto : contact; kontakti: contact hebben; kontaktilo: stekker of contactdoos (stopcontact)
kontinento : continent; werelddeel
konto : rekening (in boekhouding)
kontrasto : contrast; kontrasti: contrasteren; afsteken tegen
kontribui : bijdragen (aan iets)
konuso : kegel, conus
kortumo : (gerechts)hof (kort/um/o)
korupti : corrumperen; omkopen
kotizo : contributie; bijdrage; lid(maatschaps)geld
krampo : haak(je); nietje; "(" (ronda krampo), "[" (rekta krampo), "{" (kurba / onda krampo); "<" (pinta krampo); krampi: (vast)nieten
kribri : zeven (met zeef (kribrilo))
kriterio : criterium
kulo : mug
kultivi : = kulturi
kunsido : vergadering; zitting (van bestuur, commissie, raad,...) (kun/sid/o)
kunveno : bijeenkomst (kun/ven/o)
kursiva : cursief; schuin (schrift)
kurzo : koers (prijs)
kvereli : ruziemaken
laiko : leek
lanugo : dons
legitimi : legitimeren (legitimilo: legitimatiebewijs)
liki : lekken
literumi : spellen (liter/um/i)
lo! : (ha lo!: hallo!)
lotumi : verloten (lot/um/i)
magio : magie
magneto : magneet
mamulo : zoogdier (mam/ul/o)
maŝo : maas (van net); steek (van breiwerk, bep. soort knoop); strik (om dieren te vangen)
medio : milieu; sociale, natuurlijke omgeving; medium (natuurkunde)
mejlo : mijl
memstara : zelfstandig (mem/star/a)
mesaĝo : bericht
miraklo : wonder; mirakel
mito : mythe
mitulo : mossel
modemo : modem
molekulo : molecule
molusko : weekdier
monaĥo : monnik
mortero : mortel; specie
motivo : motief (zowel reden als herhaald deel in kunstwerk); motivi: motiveren
movado : beweging (ook gezamenlijk handelen voor een bepaald doel) (mov/ad/o)
murdo : moord; murdi: (ver)moorden
n-ro : = numero: nr.
necesejo : w.c. (neces/ej/o)
negativa : negatief (bijv.nw.)
neŭtrala : neutraal
normo : norm
novaĵo : iets nieuws; nieuws (nov/aĵ/o)
nuanco : nuance; nuanci: nuanceren
obligacio : obligatie (waardepapier)
oksido : oxyde
organika : organisch (chemie)
orgeno : orgel
ostro : oester
paciento : patiënt
paniko : paniek
parkere : uit het hoofd; parkerigi: uit het hoofd leren
participo : (grammatica:) deelwoord
partopreni : deelnemen (aan iets) (part/o/pren/i)
pasiva : passief
pedalo : pedaal
peri : bemiddelen; optreden als tussenpersoon (per/i); peranto: tussenpersoon
piedingo : stijgbeugel (pied/ing/o)
pisi : plassen, pissen
plotono : peloton
pneŭmatiko : pneumatiek (onderdeel natuurkunde); luchtband
poento : punt (in spel); cijfer (op school)
poluso : pool (noord- of zuid-); pool (van elektrische cel, magneet,...)
posteulo : nakomeling; opvolger (post/e/ul/o)
pozitiva : positief
pramo : veer(boot); pont
predikato : gezegde (grammatica)
prefikso : voorvoegsel
prepozicio : voorzetsel
prezidento : president (staatshoofd)
priskribi : beschrijven (pri/skrib/i)
projekcii : projecteren
proporcio : proportie; onderlinge verhouding
protokolo : protocol; proces-verbaal; notulen; protokoli: ... opmaken
provizora : voorlopig; niet definitief
psiko : psyche; psika: psychisch
pulovero : pullover
purpura : purper; (roodachtig) paars
raketo : raket (vuurwerk, ruimtevaart)
rampulo : reptiel; kruipend dier (=reptilio) (ramp/ul/o)
raso : ras; rasismo: racisme
redakcio : redactie (personen, plaats)
redaktoro : = redaktisto: redacteur
registaro : regering (reg/ist/ar/o)
reĝisoro : regisseur
reliefo : reliëf
rentumo : rente (opbrengst in procenten) (rent/um/o)
reprodukti : reproduceren (re/produkt/i)
reptilio : = rampulo: reptiel
respondeca : verantwoordelijk; aanspreekbaar (op) (respond/ec/a)
respondkupono : antwoordcoupon (van de post) (wordt ook gebruikt voor kleine betalingen aan iemand in het buitenland) (respond/kupon/o)
risorto : (spring)veer
rk. : = respondkupono: antwoordcoupon
rotacii : roteren; draaien (om as)
rubo : puin; waardeloos afval
rubriko : rubriek
s-ino : = sinjorino: mevr.
s-ro : = sinjoro: dhr.
salamandro : salamander
saldo : saldo
salivo : speeksel
satelito : satelliet (natuurlijk, kunstmatig)
selo : zadel
sendependa : onafhankelijk (sen/de/pend/a)
sfero : sfeer (driedimensionale meetkundige figuur); bol
siatempe : in zijn/haar tijd; op z'n tijd (si/a/temp/e)
silabo : lettergreep
simbolo : symbool
sinsekve : achtereenvolgens (si/n/sekv/e)
siropo : siroop; stroop
skeleto : skelet; geraamte
skemo : schema
skizo : schets; skizi: schetsen
skvamo : schub; (huid)schilfer
starpunkto : standpunt (star/punkt/o)
strikta : nauwsluitend; strikt
subaĉeti : = korupti: omkopen (sub/aĉet/i)
subskribi : ondertekenen (sub/skrib/i); subskribo: handtekening
subteni : ondersteunen (sub/ten/i)
sufikso : achtervoegsel
sugesti : suggereren; opperen
superflua : overbodig (super/flu/a)
ŝako : schaak (in schaakspel); (ŝakoj = ŝakludo: schaakspel)
ŝalmo : halm; schalmei (muziekinstrument)
ŝimo : schimmel; (ŝimi: (be)schimmelen)
ŝlimo : slijm; modder
ŝoki : (iemand) schokken; aanstoot geven; choqueren; ŝoko: shock
t.e. : = tio estas: d.i.; d.w.z.
tajdo : tij; getijde (eb en vloed)
tamburo : trom(mel)
tavolo : (een) laag
teamo : team (sport, spel)
tekniko : = teĥniko
telekomuniki : communiceren d.m.v. telecommunicatie
trabo : balk
transitiva : overgankelijk (werkwoord)
tribo : stam (groep mensen van gelijke afkomst)
troviĝi : zich bevinden (trov/iĝ/i)
turbano : tulband (hoofddeksel)
urino : urine; urini: urineren (=pisi)
Usono : de Verenigde Staten van (Noord-)Amerika; de VS
vakuo : vacuüm; (het) luchtledige
vando : wand
varbi : (aan)werven; lid maken
ventumi : luchten; frisse lucht toewaaien; wannen (graan) (vent/um/i)
versio : versie
verŝajna : waarschijnlijk (ver/ŝajn/a)
vibri : trillen; vibreren
vic- : vice-; loco-
vidpunkto : gezichtspunt; zienswijze (vid/punkt/o)
vinagro : azijn
voĉdoni : stemmen (zijn/haar stem uitbrengen) (voĉ/don/i)
vokalo : klinker
volbo : gewelf; welving
vortaro : woordenboek (vort/ar/o)
zebro : zebra
zipo : rits(sluiting); zipi: dichtritsen


1999-11-15


kelkaj pliaj ekzemploj de vortoj kun prefiksoj kaj sufiksoj
(rigardu ankaŭ ĉe la apartaj vortoj/radikoj)

nog enkele voorbeelden van woorden met voor- en achtervoegsels
(kijk ook bij de aparte woorden/woordstammen)


aĉetaĵo : aankoop, boodschap (aĉet/aĵ/o)
aerumi : luchten (aer/um/i)
akrigi : slijpen (scherp maken) (akr/ig/i)
akvumi : water geven (aan planten) (akv/um/i)
alproprigi : (zich) toe-eigenen (al/propr/ig/i)
amindumi : liefkozen (am/ind/um/i)
Amerikano : Amerikaan (Amerik/an/o)
antaŭdiri : voorspellen (antaŭ/dir/i)
antaŭnomo : (iemands) voornaam (antaŭ/nom/o)
apogilo : leuning, steun (ding) (apog/il/o)
arbaro : bos (arb/ar/o)
arbaristo : boswachter (arb/ar/ist/o)
armeano : (een) militair (arme/an/o)
artaĵo : kunstwerk (art/aĵ/o)
artefarita : kunstmatig (art/e/far/it/a)
artisto : kunstenaar, artiest (art/ist/o)
atentigi : (iemand) opmerkzaam maken (op) (atent/ig/i)
aŭdebla : hoorbaar (aŭd/ebl/a)
aŭdigi : laten horen (aŭd/ig/i)
avino : grootmoeder, oma (av/in/o)
bakisto : bakker (bak/ist/o)
barbeto : sik (barb/et/o)
biciklisto : wielrenner (bicikl/ist/o)
bofilo : schoonzoon (bo/fil/o)
bofrato : zwager (bo/frat/o)
bopatro : schoonvader (bo/patr/o)
bovido : kalf (bov/id/o)
bretaro : open kast (zonder deur) (bret/ar/o)
brulaĵo : brandstof (brul/aĵ/o)
certigi : verzekeren (dat iets zo is) (cert/ig/i)
ĉeesti : bijwonen (ĉe/est/i)
ĉevalido : veulen (ĉeval/id/o)
denaska : van jongs af (de/nask/a)
demandsigno : vraagteken (demand/sign/o)
dentaro : gebit (dent/ar/o)
dentisto : tandarts (dent/ist/o)
dikfingro : duim, grote teen (dik/fingr/o)
disŝiri : in stukken scheuren (dis/ŝir/i)
dorsosako : rugzak (dors/o/sak/o)
duoninsulo : schiereiland (du/on/insul/o)
edziĝi : trouwen (man) (edz/iĝ/i)
edziniĝi : trouwen (vrouw) (edz/in/iĝ/i)
ektimi : schrikken (ek/tim/i)
eksterlando : buitenland (ekster/land/o)
eksterlandano : buitenlander (ekster/land/an/o)
elpagi : uitbetalen (el/pag/i)
enloĝanto : inwoner, bewoner (en/loĝ/ant/o)
enloĝantaro : bevolking (en/loĝ/ant/ar/o)
enpagi : storten (geld) (en/pag/i)
enskribiĝi : zich inschrijven (en/skrib/iĝ/i)
estaĵo : schepsel, (een) wezen (est/aĵ/o)
estonta : toekomstig (est/ont/a)
estraro : bestuur (estr/ar/o)
estrarano : bestuurslid (estr/ar/an/o)
eta fingro : pink (et/a fingr/o)
fajrobrigado : brandweer (fajro/brigad/o)
familiano : gezinslid, lid van de familie (famili/an/o)
fervojo : spoorweg (fer/voj/o)
fermilo : sluiting, deksel, dopje (ferm/il/o)
fiŝhoki : hengelen (fiŝ/hok/i)
floristo : bloemist (flor/ist/o)
flugilo : vleugel (flug/il/o)
foliumi : bladeren (in boek) (foli/um/i)
foriri : weggaan, vertrekken (for/ir/i)
forveturi : vertrekken, wegrijden (for/vetur/i)
forgesema : vergeetachtig (forges/em/a)
gazetaro : (de) pers (alle kranten) (gazet/ar/o)
geavoj : grootouders (ge/av/o/j)
geedzeco : huwelijk (huwelijkse staat) (ge/edz/ec/o)
geedziĝi : trouwen (man en vrouw) (ge/edz/iĝ/i)
geedziĝo : huwelijk (het trouwen) (ge/edz/iĝ/o)
glaciaĵo : (consumptie-)ijs, ijsje (glaci/aĵ/o)
grenero : graankorrel (gren/er/o)
haltejo : halte (halt/ej/o)
havaĵo : bezit (hav/aĵ/o)
herbejo : grasveld (herb/ej/o)
homaro : (de) mensheid (hom/ar/o)
horaro : dienstregeling, (les)rooster (hor/ar/o)
hundido : pup (hund/id/o)
interkruciĝi : elkaar kruisen (inter/kruc/iĝ/i)
internacia : internationaal (inter/naci/a)
intertempe : ondertussen (inter/temp/e)
kamparo : platteland (kamp/ar/o)
kamparano : plattelander (kamp/ar/an/o)
kantisto : zanger (kant/ist/o)
kaptaĵo : vangst (kapt/aĵ/o)
klubano : lid (van club) (klub/an/o)
kolumo : kraag (kol/um/o)
komparebla : vergelijkbaar (kompar/ebl/a)
kompatinda : zielig (kompat/ind/a)
konsilantaro : raad (van advies) (konsil/ant/ar/o)
kontraŭbatali : bestrijden, vechten tegen (kontraŭ/batal/i)
kontraŭdiri : tegenspreken (kontraŭ/dir/i)
kovraĵo : bedekking, deken (kovr/aĵ/o)
kovrilo : deksel (kovr/il/o)
krisigno : uitroepteken (kri/sign/o)
kuiristo : kok (kuir/ist/o)
laktaĵoj : zuivel (lakt/aĵ/o/j)
lampingo : fitting (van lamp) (lamp/ing/o)
lavilo : wasmiddel (lav/il/o)
lavotaĵoj : was, wasgoed (lav/ot/aĵ/o/j)
lignero : (hout)splinter (lign/er/o)
malafabla : onvriendelijk, onaardig, bars (mal/afabl/a)
malagrabla : onprettig, vervelend (mal/agrabl/a)
malakcepti : weigeren (niet aanvaarden) (mal/akcept/i)
malakra : bot, stomp (niet scherp) (mal/akr/a)
malami : haten (mal/am/i)
malamiko : vijand (mal/amik/o)
malanonci : afzeggen, aankondiging intrekken (mal/anonc/i)
malaperi : verdwijnen (mal/aper/i)
malaprobi : afkeuren, afwijzen (niet goedkeuren) (mal/aprob/i)
malatenta : verstrooid (geen aandacht) (mal/atent/a)
malbona : slecht (mal/bon/a)
malcerta : onzeker (mal/cert/a)
maldensa : dun (met lage dichtheid, waterig) (mal/dens/a)
maldika : mager, dun (niet dik) (mal/dik/a)
maldormi : waken, wakker zijn (mal/dorm/i)
malesperi : wanhopen (mal/esper/i)
malfaciligi : bemoeilijken (mal/facil/ig/i)
malfeliĉa : ongelukkig (mal/feliĉ/a)
malfidela : ontrouw (mal/fidel/a)
malfiksa : los (zittend) (mal/fiks/a)
malforta : zwak (mal/fort/a)
malfreŝa : belegen (niet vers) (mal/freŝ/a)
malfrua : laat (niet vroeg) (mal/fru/a)
malgaja : treurig (niet vrolijk) (mal/gaj/a)
malgranda : klein (mal/grand/a)
malgrava : onbelangrijk (mal/grav/a)
malĝentila : onbeleefd, onbeschoft (mal/ĝentil/a)
malĝoja : bedroefd (mal/ĝoj/a)
malĝusta : fout, onjuist, onterecht (mal/ĝust/a)
malhela : donker (niet licht) (mal/hel/a)
malhelpi : hinderen (mal/help/i)
malhonesta : oneerlijk, vals, gemeen (mal/honest/a)
malinviti : afzeggen, uitnodiging intrekken (mal/invit/i)
maljuna : oud (mal/jun/a)
maljusta : oneerlijk, onrechtvaardig (mal/just/a)
malkaŝa : open (niet verborgen) (mal/kaŝ/a)
malklara : onduidelijk (mal/klar/a)
malkonsenti : het oneens zijn met (mal/konsent/i)
malkonsili : afraden (mal/konsil/i)
malkonstrui : afbreken (mal/konstru/i)
malkontenta : ontevreden (mal/kontent/a)
mallarĝa : smal (niet breed) (mal/larĝ/a)
mallerni : (zich iets) afleren (mal/lern/i)
mallerta : onhandig, stuntelig (mal/lert/a)
mallibera : onvrij, gevangen (mal/liber/a)
malliberulo : gevangene (mal/liber/ul/o)
mallonga : kort (mal/long/a)
malmulta : weinig (mal/mult/a)
malofta : zeldzaam, weinig voorkomend (mal/oft/a)
malordo : wanorde (mal/ord/o)
malpeza : licht (van gewicht) (mal/pez/a)
malplaĉa : vervelend (niet leuk) (mal/plaĉ/a)
malplezura : onplezierig, vervelend (mal/plezur/a)
malpliiĝi : afnemen, verminderen (minder worden) (mal/pli/iĝ/i)
malprava : ongelijk hebbend (mal/prav/a)
malprofunda : ondiep (mal/profund/a)
malprogresi : achteruitgaan (slechter worden) (mal/progres/i)
malproksima : ver, verweg (mal/proksim/a)
malpura : vuil (mal/pur/a)
malrekomendi : afraden (mal/rekomend/i)
malsaĝa : dom (mal/saĝ/a)
malsanulejo : ziekenhuis (mal/san/ul/ej/o)
malsimpla : ingewikkeld (mal/simpl/a)
malsupro : onderkant (mal/supr/o)
malŝarĝi : uitladen, afladen (van vracht) (mal/ŝarĝ/i)
maltaŭga : ongeschikt (mal/taŭg/a)
maltrankvila : onrustig, ongerust (mal/trankvil/a)
malutila : schadelijk (mal/util/a)
malvarma : koud (mal/varm/a)
malvasta : nauw (niet wijd) (mal/vast/a)
malvenki : verliezen (het onderspit delven) (mal/venk/i)
malvigla : sloom, onlevendig (mal/vigl/a)
malzorgi : verwaarlozen (mal/zorg/i)
mambesto : zoogdier (mam/best/o)
maristo : zeeman (mar/ist/o)
memcerta : zelfverzekerd (mem/cert/a)
mendilo : bestelformulier (mend/il/o)
mirinda : verbazingwekkend (mir/ind/a)
misfama : berucht (mis/fam/a)
miskompreni : verkeerd begrijpen (mis/kompren/i)
miskonduti : zich misdragen (mis/kondut/i)
misuzi : misbruiken (mis/uz/i)
montrofingro : wijsvinger (montr/o/fingr/o)
mueldento : kies (muel/dent/o)
mureto : muurtje, wand (mur/et/o)
muzikisto : musicus (muzik/ist/o)
naciismo : nationalisme (naci/ism/o)
naztuko : zakdoek (naz/tuk/o)
orumi : vergulden (or/um/i)
ovingo : eierdop (ov/ing/o)
pentraĵo : schilderij (pentr/aĵ/o)
peristo : tussenpersoon (per/ist/o)
piediranto : voetganger (pied/ir/ant/o)
pintigi : slijpen (potlood), tuiten (lippen) (pint/ig/i)
plenaĝa : volwassen (plen/aĝ/a)
plenumi : (een taak) vervullen, (een afspraak) nakomen (plen/um/i)
plifruigi : vervroegen (pli/fru/ig/i)
pordisto : portier (persoon) (pord/ist/o)
porkido : big (pork/id/o)
preterpasi : voorbijgaan (aan) (preter/pas/i)
pridemandi : ondervragen (pri/demand/i)
publikigi : openbaar maken, publiceren (publik/ig/i)
purigisto : schoonmaker (pur/ig/ist/o)
rajtigi : (iemand) het recht geven, (officieel) toestemmen (rajt/ig/i)
registaro : regering (reg/ist/ar/o)
rektigi : strekken (recht maken) (rekt/ig/i)
respondeca : verantwoordelijk (respond/ec/a)
ridinda : belachelijk (rid/ind/a)
ruĝiĝi : blozen, rood worden (ruĝ/iĝ/i)
sablero : zandkorrel (sabl/er/o)
samdomano : huisgenoot (sam/dom/an/o)
samideano : geestverwant (sam/ide/an/o)
samklasano : klasgenoot (sam/klas/an/o)
samlandano : landgenoot (sam/land/an/o)
samrajta : gelijkberechtigd (sam/rajt/a)
samseksa : van gelijk geslacht (sam/seks/a)
samsortano : lotgenoot (sam/sort/an/o)
samspeca : soortgelijk (sam/spec/a)
samtempe : tegelijk (sam/temp/e)
sciigi : laten weten, (iemand iets) berichten (sci/ig/i)
sciinda : wetenswaard (sci/ind/a)
sendefenda : weerloos (sen/defend/a)
sendube : ongetwijfeld, zonder twijfel (sen/dub/e)
senerara : foutloos (sen/erar/a)
senhonta : onbeschaamd (sen/hont/a)
senpune : ongestraft (sen/pun/e)
senrajta : rechteloos (sen/rajt/a)
senrezulte : tevergeefs (sen/rezult/e)
senvalora : waardeloos (sen/valor/a)
sendaĵo : zending (iets dat verzonden wordt) (send/aĵ/o)
skribilo : pen-of-potlood, iets om mee te schrijven (skrib/il/o)
solulo : alleenstaande, iemand die alleen is (sol/ul/o)
subakviĝo : overstroming (sub/akv/iĝ/o)
supersigno : accent (boven letter) (super/sign/o)
ŝarĝi : (in)laden (van vracht) (ŝarĝ/i)
ŝiparo : vloot (ŝip/ar/o)
ŝtatano : staatsburger (ŝtat/an/o)
ŝtuparo : trap (ŝtup/ar/o)
ŝuisto : schoenmaker (ŝu/ist/o)
trinkaĵo : (een of andere) drank, iets te drinken (trink/aĵ/o)
tutmonda : wereldwijd (tut/mond/a)
vagonaro : trein (lokomotief met wagons) (vagon/ar/o)
vinbero : druif (vin/ber/o)
vitrero : (glas)splinter (vitr/er/o)
voĉdoni : stemmen (bij stemming) (voĉ/don/i)
vojkruco : kruising (van wegen) (voj/kruc/o)
vortaro : woordenboek (vort/ar/o)


1999-07-09
BAZA RADIKARO ESPERANTO-NEDERLANDA

wfpilger