Disclaimer De Auteur! Begrippenlijst
Op
1 september 1939 viel het Duitse leger Polen binnen en daardoor werd de Tweede
Wereldoorlog een feit. Deze oorlog duurde voor Nederland tot 5 mei 1945. Voor
het overzeese gebiedsdeel Nederlands Indië duurde de
oorlog tot 15 augustus 1945.
In
Duitsland was in de jaren 30 de Nazi-partij door
verkiezingen aan de macht gekomen. Aan het hoofd stond de Oostenrijkse
korporaal Adolf Hitler en deze persoon werd de
oorzaak van een onnoemelijk leed dat als een storm over de wereld golfde. Vele
landen, waaronder ook neutrale landen, werden zonder enige oorlogsverklaring
onder de voet gelopen door de Duitsers. Die landen zijn o.a. Nederland, België,
Luxemburg, Frankrijk, Tsjecho-Slowakije, Polen, Rusland, Noorwegen, Denemarken,
Griekenland, om maar een aantal te noemen.
Het
neutrale Nederland werd door de Duitsers bezet in de vroege ochtend van 10 mei
1940.
| Website
over Tweede Wereldoorlog | Illegale
Parool ׀ ENIGMA
| Website Pearl Harbour | Website over D-Day. |Wikkel
Zweeds Witbrood | Tekening
Noodkachel/Wonderkachel | Website
over Operatie Manna | Foto's Betondorp | Oorlogsdagboek
Pieter Oostervink
|
T |
oen in 1940 de Duitsers ons land binnen vielen en wij
na vijf dagen hevig verzet, zinloos tegenover zoveel geweld, de strijd opgaven,
hadden wij niet gedacht dat die moordlustige overheersing vijf jaar zou duren.
Wij dachten dat hoogstens een jaar voorbij zou gaan voordat de vrije wereld,
Amerikanen en Engelsen, ons zou bevrijden.
De eerste jaren ging het nog wel. Ik bedoel, we hadden niet
echt gebrek. Alles was op de bon, zodat een eerlijke verdeling plaatsvond. Wij
hadden zoals veel mensen in die tijd een kast vol weckgroenten, de trots van
mijn moeder. Het was ook een mooi gezicht al die groeten en het fruit, zoals:
bloemkool, worteltjes, sperziebonen en doppertjes, aardbeien, kersen, peren en
pruimen. Het was een levendig stilleven als de kast open ging. We aten alleen
zondags in de winter weckgroenten. In de week aten we wat de tijd van het jaar
gaf. Er was niet zoveel variatie als tegenwoordig met al die uitheemse
groenten.
Toen het wat moeilijker werd om op de bonnen aardappelen en
groenten te kopen, (omdat de rijen bij de winkels langer werden) en het vaak
gebeurde dat, als je aan de beurt was de groenteman uitverkocht was, vonden we
een andere oplossing. Je kon je bonnen bij de centrale keuken inleveren en
tegen betaling kon je dan een maaltijd afhalen. Veel mensen deden dat. Je was
dan verzekerd van voedsel. Je kon niet uitzoeken wat je wilde eten, je kreeg
wat de pot schafte en dat was meestal stampot, soms
pap. De kwaliteit was niet om naar huis te schrijven, maar we moesten het wel
nemen, protest was te gevaarlijk in die tijd. De oorzaak was dat de Duitsers de
oogsten opeisten voor hun volk. Later roofden ze ook paarden en het vee bij de
boeren.
De mensen die op het platteland woonden zorgden wel dat ze
aan hun trekken kwamen, maar de stadsbevolking had het meest te lijden. Het was
ook makkelijker voor díe stedelingen die familie of
bekenden op het platteland hadden. Die kregen nog wel eens een pakket
toegestuurd. Wij hadden alleen familie in Amsterdam, Rotterdam en Schiedam en
helemaal geen bekenden op het platteland. Maar de eerste tijd bood de centrale
keuken aardig uitkomst. De mensen die daar de hap in je pannetje schepten
werden ervan verdacht, dat ze niet bepaald eerlijk waren. Als de gamellen met
eten aankwamen zouden zij er voor een groot gedeelte het vlees uitgehaald
hebben. Wie het dichtst bij het vuur zit zei men, warmt zich het best. Ik weet
niet of het waar is, maar ik zou het goed kunnen voorstellen. Je kon er
natuurlijk niets van zeggen. We waren bang dat we anders te weinig in ons
pannetje zouden krijgen. We konden er gewoon niets aan doen. We waren te veel
afhankelijk van die lui. En omdat wij ze alsmaar vriendelijker bejegenden
werden zij steeds meer stuurser. Ik heb hetzelfde
jaren later op televisie gezien. Je zag drommen mensen in een supermarkt in
Moskou die probeerden iets te kopen. De vrouw achter de toonbank had diezelfde
stuurse uitdrukking als de mensen die ons pannetje in de centrale keuken
vulden. Er straalde iets van macht af. Wij waren de onderdanigen.
Het brood dat we konden kopen bij de bakker heette
Regeringsbrood. Het was donker en klef en smaakte vies. Koffie en thee waren
surrogaat: dus het was geen koffie of thee, maar iets dat er enigszins op leek.
Zeep was gemaakt van zand en klei, daarom noemden we het
kleizeep. Het schuurde goed.
Het was 1942. Omdat ik een wondje in mijn maag had, waar ik
veel pijn aan had, kreeg ik andere bonnen. In plaats van brood kreeg ik
beschuit geen vlees maar vis en melk. Ik moest daarvoor de Vleeskaart en de
Broodkaart inleveren. Daarvoor in de plaats kreeg ik – op doktersadvies –
bonkaarten voor vis, beschuit en melk. Ik heb toen ook een Rode Kruis pakketje
gekregen en ik kon in het Gemeenschapshuis op de Brink (Betondorp) een wit
brood gaan halen. We waren heel blij met het brood hoewel
het nogal oud aanvoelde. Toen we het brood gingen snijden zagen we dat er
allemaal groene schimmelplekken in zaten. Die hebben we er netjes uitgepeuterd
en de rest hebben we opgegeten. Reclameren kon niet. Ik had er niets voor
hoeven betalen en het was het enige brood dat ze hadden.
De echte ellende begon toen de spoorwegen gingen staken en
het zuiden van Nederland, dus beneden de grote rivieren, bevrijd was. Het
voedsel dat voorheen per trein werd aangevoerd kon ons niet meer bereiken.
Wij woonden in Tuindorp Watergraafsmeer. Dat is de
officiële benaming. In de volksmond heette de wijk Betondorp, omdat de meeste
huizen van beton gebouwd zijn. Aan de eindhalte van tram lijn 9 ligt aan de
oostzijde van het dorp
het Ajaxstadion. Ten noorden ligt de Oosterbegraafplaats. Ten zuiden ligt Diemen
en in het westen Duivendrecht. Zo was het dorp dus
van de verdere bebouwing
van Amsterdam afgesloten en had het een dorpse allure. Het was er
prettig wonen, het was er stil en groen door de vele bomen en plantsoenen. Op
de Zaaiersweg, als je het dorp binnenkwam, zag je de
prachtige Japanse kers in de Landbouwstraat met een weelde aan roze bloesem in
het voorjaar.
In die tijd woonden er hoofdzakelijk ambtenaren en bankbedienden.
Er woonden veel mensen die later bekendheid genoten, zoals Johan Cruijff, die
de zoon was van de groenteman. Jan Mens de schrijver, en niet te vergeten Karel
en Gerard van ’t Reeve met
hun ouders en de jongeman Karel Voghes die samen met
Godfried Bomans Pa Pinkelman gestalte gaf. Verder woonden er ook Ed v.d. Elske,
een beroemde fotograaf, en Bert Sitters de coach van
het waterpoloteam.
Je was erg bevoorrecht als je in een – weliswaar – kleine eengezinswoning kon
wonen. Ik woonde daar met mijn moeder die weduwe was. Mijn vader was in 1942 na
een enorme lijdensweg van zeven jaar (hij had
astmatische bronchitis) overleden. Ik werkte bij de Rotterdamse Bank op het Rokin in het centrum van Amsterdam. In het laatste
oorlogsjaar toen er geen trams en bussen meer reden, omdat er geen brandstof
meer was, liep ik elke dag zes kilometer naar kantoor. De fiets kon je niet gebruiken, want
er waren heel vaak razzia’s. Dan roofden de Duitsers alle fietsen die op de weg
waren.
Op een dag werd bekend gemaakt dat ze huis aan huis fietsen
zouden komen ophalen. Mijn moeder en ik zijn toen bij mijn nicht Sophie op
visite gegaan, nadat we de fietsen boven hadden verstopt. We hoopten maar dat
als we terugkwamen ze ons huis niet hadden opengebroken, want die lieden waren
tot alles in staat. We kwamen tegen de avond thuis en alles zag er gewoon uit.
Niets aan de hand dus. Fietsen gered! Maar de buren hadden hun fietsen
ingeleverd. Toen waren wij weer bang dat zij jaloers zouden zijn dat wij de
dans ontsprongen waren.
Normaal gebruikten wij onze fiets dagelijks (vóórdat fietsen ingevorderd werden). Ik gebruikte de fiets
om naar kantoor te gaan en mijn moeder om, zoals wij het noemden, de boer op te
gaan. Zij probeerde bij de boerderijen in de omgeving iets te kopen. De ene dag
kwam ze thuis met drie wortelen en de volgende dag waren het een paar uien.
Op een dag kwam ze thuis met drie schattige konijntjes. Ze
liepen vrij in huis totdat we buiten, waar vroeger het kolenhok was, een
onderkomen voor ze hadden getimmerd. Toen gingen ze op stal. Ik zorgde voor
gras en paardebloemstekken. De konijntjes groeiden
als kool. Toen ze groot waren hebben we ze geruild met iemand die drie konijnen
had geslacht. Dat vond ik niet zo erg. Die heb ik niet gekend. Maar mijn eigen
konijntjes opeten die ik zelf groot had gebracht, dat ging me te ver. Al had ik
nog zo’n honger. Ik zou geen goede boerin geweest
zijn.
Mijn moeder ging ook vaak naar de Haarlemmermeer. Daar
kocht ze een gonjezak vol suikerbieten. Ze kwam dan
lopend terug met die zak tussen het frame van haar fiets.
Die bieten werden geschild en in reepjes gesneden en dan
gekookt. Het smaakte niet zo lekker, maar het was
voedsel. Als we dan een ui of een wortel erbij hadden was het minder erg. Je
kon van suikerbieten ook stroop maken en van de pulp kon je koekjes bakken,
maar voor een dergelijke luxe hadden we geen brandstof.
We hadden in de hongerwinter,
najaar 1944 en voorjaar 1945, alleen maar water. Er was geen gas, geen
elektriciteit, geen kolen of andere brandstof. We hadden een noodkachel
gekocht, waarin je hout en dikke takken kon stoken. We vonden wel eens een paar
takken op de buitenwegen. Daar kan ik nog een mooi verhaal over vertellen. Toen
mijn vader overleden was in 1942 hadden wij zijn fiets en zijn kleren bewaard. De
jongen die vroeger bij ons brood bezorgde wilde alles ruilen tegen
We liepen langs de Keulsevaart over de Weesperzijde richting Amsterdam-zuid, dan langs de Amstel naar Bovenkerk en Uithoorn. Daar ergens in de polder lag het dorp waar die bakkersknecht woonde. We hadden al snel het goede adres gevonden en belden aan. Een jonge vrouw deed open en we vroegen of haar broer thuis was. Het adres was goed en de naam klopte, maar ze zei dat haar broer niet meer bij haar woonde. Ze wist niet waar wij hem zouden kunnen vinden. We vertelden haar waarvoor we kwamen en volgens mij had ze dat al metéén begrepen. Ze nodigde ons niet eens uit om even binnen te komen om een beetje uit te rusten. We hadden uren door de sneeuw geploeterd en we waren doodmoe. We zijn toen maar onverrichter zake teruggekeerd. We hadden toen ook niet de fut om verder te zoeken. De rogge hebben we nooit gekregen.
Onderweg zagen we bij een boerderij enkele tientallen
mensen staan. Het hoge hek was op slot en er stond een forse potige deerne bij
dat hek. Zij moest de orde handhaven als er volk uit of in moest. We hoorden
dat die boer katholiek was. Ik zei tegen mijn moeder dat ze moest wachten; dan
zou ik naar de pastoor gaan om een briefje te halen zodat die boer me iets moest verkopen.
In die tijd kon je met geld niet meer bij de boeren
terecht. Ze wilden alleen nog maar ruilen. Bijvoorbeeld: lakens, slopen,
handdoeken, theedoeken en overhemden. Alles moest wel nieuw zijn. Wij waren
niet zo bevoorrecht dat we dergelijke nieuwe spullen nog hadden. Alles wat we
hadden werd gebruikt. Zo hadden we van een laken een regenjas laten maken en
van een grijze deken werd een winterjas gemaakt. We liepen op schoenen waarvan
de zolen van hout waren en het bovenwerk van papier. Daar zat een laagje op
zodat het net leer leek. Je deed nog tamelijk lang met zulke schoenen, maar
echt makkelijk zaten zij natuurlijk niet.
Ik ging naar de pastorie om de pastoor te spreken. De meid
deed open. Ik vertelde mijn verhaal en vroeg of de pastoor zou kunnen
bemiddelen zodat wij van die boer iets konden kopen. De pastoor zei dat ik geen briefje
nodig had, maar dat ik moest zeggen dat ik door de pastoor gestuurd werd. Ik
ging dus met weinig hoop op resultaat weer terug, werkte me door de menigte
(die steeds groter werd) en klom op het hek.
Ik zei tegen de boerendochter dat ik door de pastoor
gestuurd werd en of ik even binnen mocht. Ik dacht dat lukt nooit. Iedereen kan
wel zeggen dat hij door de pastoor gestuurd wordt. Maar wie schetst mijn
verbazing? Ze maakte met een sleutel het hek open, trok mij naar binnen en liep
met me naar de boerderij. Ze wees mij een poort waar ik in moest om de boer te
vinden. En daar zat hij. Een man van een jaar of vijftig. Hij was met een touw
en een stuk hout iets aan het repareren. Hij zag er gelaten uit. Zoveel ellende
en zo dichtbij; en hij kon niet helpen. Hij had zelf natuurlijk wel te eten en
het werkvolk dat op de boerderij werkte moest ook goed gevoed worden. Er bleef
voor de bevolking niets over als de Duitsers alles naar de Heimat hadden
gebracht. Ze eisten alles op (behoudens een klein gedeelte dat de boer voor
eigen gebruik mocht houden) maar ook de koeien en de varkens en later ook de
paarden. Die boeren hadden het ook niet gemakkelijk. Hij zei: “En kind, vertel
het eens”. Ik zei: “Ik ben bij de pastoor geweest en die zei dat ik U moest
vragen of U iets voor mij te koop had”. Voor een paar dubbeltjes kreeg ik een
paar wortelen. Ik was zó gelukkig. Ik stopte ze gauw tussen mijn jas en ging
terug naar het hek waar de boerendochter weer had postgevat. Toen ik buiten
kwam zocht ik mijn moeder, die met ons sleetje in de sneeuw stond te wachten.
“Ja mam, ik heb een paar wortels kunnen kopen.” “Kom”, zei
ze “dan gaan we gauw verder”. Ze draaide zich om en pats! Daar lag ze in
de sneeuw. Ze kon niet overeind komen. Ik hielp haar opstaan en toen ontdekte
ik, dat ze niet meer kon praten. Alleen wat onsamenhangende klanken. Iemand die
tegenover de boerderij woonde zette een stoel buiten waarop ze even kon gaan
zitten om bij te komen. Ze kreeg ook een glaasje water. Na een kwartiertje ging
het weer. Langzaam kreeg ze haar spraak weer terug. We bedankten de mevrouw die
ons geholpen had en gingen weer op pad. We moesten goed doorlopen want om acht
uur was het spertijd en als je dan nog op straat liep,
kwam je in grote moeilijkheden. Maar het was al twee uur en we moesten nog uren
lopen.
|
W |
e kwamen bij een spoorwegovergang en toen we die gepasseerd waren zagen we dat het geluk ons toelachte. Ik kon wel dansen van plezier. Een geweldige meevaller zagen we zomaar langs de weg liggen. Wat was de situatie? Stel je voor een kanaal en zover we konden zien een rij bomen, die waren gesnoeid. Bossen takken lagen eronder langs de weg. We besloten om niet te treuzelen. We pakten een enorme bos takken op onze slee en bonden die vast met een touw. We hadden dan wel geen rogge, maar brandhout voor ons kacheltje en die wortels die ik op de boerderij had bemachtigd… We hadden dus toch niet voor niets dat hele eind gelopen. We trokken de slee de weg op en gingen met ons sprokkelhout op pad. Daar kwam ons een fietser tegemoet. Netjes in het pak met regenjas en hoed. Hij passeerde ons en ondertussen schreeuwde hij ons toe: “Vuile stinkdieven!”,doelend op die takkenbos. “Ga terug waar je vandaan komt!” zei hij. Hij bedoelde Amsterdam. Wij waren te verbluft om iets te zeggen. We staarden hem alleen maar sprakeloos na.
Mijn moeder was de eerste die wat zei. “Nou moet je
meemaken! Wij zijn degenen die bestolen zijn door een dorpsgenoot van hem.
Misschien is het wel zijn eigen zoon! Ik vond die regenjas verdacht veel op de
jas van je vader lijken”.
We hadden geen tijd meer om veel aandacht aan het incident
te besteden en ploeterden uren door de sneeuw terug naar huis. Gelukkig
gebeurde er verder niets tot we in Amsterdam aankwamen. Toen waren we twaalf
uur onderweg geweest en we zagen een klok, waaruit bleek dat het juist acht uur
was. Spertijd dus. En wij liepen in Amsterdam-Zuid!
We moesten nog zeker drie kwartier lopen over de onbeschermde dijk van de Weesperzijde. Toen zijn we heel bang geweest. Je kon je
daar nergens verschuilen als er onraad was; bijvoorbeeld bij de komst van een
Duitse patrouille. Maar het liep allemaal gunstig af. We kwamen veilig thuis.
De takkenbos legden we in de bijkeuken. De takken zou ik de volgende dag kleinmaken.
Onze noodkachel was een uitkomst. Het was eigenlijk een
buis van zo’n veertig centimeter diameter en er zat
een pijp aan, voor in de schoorsteen. Een klein deurtje zat aan de voorkant.
Bovenop zat een dekseltje. Dat was later weer noodzakelijk om de wonderkachel
op te plaatsen. Dat was helemaal een ingenieus ding. De wonderkachel was een metalen
pijpje van
Ter vervanging van elektrisch licht gebruikten wij de
fietslantaarn. Ik monteerde de dynamo op het achterwiel, zette de fiets op de
standaard en scheen met de lamp waar we licht nodig hadden. Bijvoorbeeld als
mijn moeder kousen zat te stoppen. Ik heb zo in de kamer heel wat kilometers
afgelegd. Ik had ook nog kaarseneindjes, die we bewaard hadden, in een blikje
gesmolten. Ik had een langwerpige holte gemaakt in een stuk blik. Daar legde ik
een katoenen draad in en goot het gesmolten kaarsvet in de holte.
Mijn buurmeisje had mij verklapt dat haar vader en nog twee
buurmannen naar een al sinds jaren niet meer in gebruik zijnde spoorbaan zouden
gaan om bielzen te halen. Dat moest ’s nachts gebeuren. Omdat het spertijd was
moesten we wel goed uitkijken dat we niet betrapt werden, want dan schoten ze
zonder te vragen. Overdag liep er altijd een Duitse soldaat op die spoorlijn.
Ik vroeg of ik ook mee mocht, want wij wilden ook wel zo’n
biels. De mannen voelden daar niet veel voor. Ze dachten dat een meisje zoiets
niet kon. Maar uiteindelijk werd besloten dat Jopie, het buurmeisje, en ik mee mochten. Maar dan moesten wij de moeren losdraaien en ik
moest zelf zorgen dat mijn biels thuis kwam. Zo’n ding
weegt
Die oude moeren losdraaien viel echt niet mee. We hadden
wel goed gereedschap bij ons, maar voor twee jonge meisjes vergde het toch wel
een grote krachtsinspanning. Het lukte toch, want wij wilden ons niet laten
kennen. De mannen brachten de bielzen naar de rand van de spoordijk en gooiden
ze naar beneden. Daar legden we ze met vereende krachten op de fietsen. We
kwamen veilig thuis, maar al met al was het toch een hachelijke onderneming
geweest. Je zal maar betrapt worden door zo’n Duitser,
die dan op je gaat schieten. Is een biels zoiets waard denk ik nu wel eens. Maar toen was
dat wel zo.
De biels werd in de bijkeuken gelegd. Daar heb ik hem in de
loop van anderhalve week klein gezaagd met een oude handzaag. Dat was we heel
moeilijk werk. Overdag zat ik op kantoor bij de Rotterdams bank en als ik thuis
kwam ging ik zagen aan dat enorme stuk eikenhout. Er kwam maar geen eind aan
dat ding, maar het is toch gelukt.
Bij de bank hadden ze iets leuks georganiseerd. Je kon je
opgeven voor het sorteren van kapucijners. Dat gebeurde in een pakhuis op de
Hoogte Kadijk. Daar stonden aan één kant langs het
water van het Lozingskanaal een rij pakhuizen en aan de andere kant van de
straat een rij eeuwenoude huizen met drie verdiepingen. In één daarvan is mijn
grootvader Gerrit Tasseron geboren. Het leek me wel
leuk. Je kreeg vrijaf van de bank en als je een dag gewerkt had kreeg je als
beloning een kilogram kapucijners. Hoe ze aan die bonen kwamen in die tijd zou
ik niet weten. Je kon het maar een dag doen opdat zoveel mogelijk mensen een
kans kregen om een zak bonen te verdienen. Ik heb het met veel plezier gedaan.
Op een zaterdagmiddag gingen mijn moeder en ik naar een
boer in Duivendrecht. We hoopten dat hij nog iets
eetbaars te koop had.
Mijn moeder ging de boerderij op en ik bleef met de fietsen
aan de weg staan. Na vijf minuten kwam de boer naar buiten en riep mij om ook
binnen te komen. Ik legde de fietsen in het gras en bond ze aan elkaar met een
ketting en een flink slot. Ik ging de boer achterna en daar zag ik mijn moeder
die uit een maatschep stond te drinken. Ze straalde helemaal. “Oh wat
heerlijk”, zei ze. Nu moet je weten, dat ik geen melk lustte en zeker geen
karnemelk of yoghurt. Ik heb het vaak geprobeerd, want het zou zo gezond zijn,
maar het lukte mij niet om het lekker te vinden. Sterker nog, ik walgde ervan.
Melk was niet zo’n probleem maar die zure enigszins
bedorven smaak van karnemelk en yoghurt, daar heb ik nooit aan kunnen wennen.
En ráád eens wat die boer mij, ook in een maatbeker
van een liter, aanbood? Karnemelk…Ik heb het met mijn verstand op nul
achter elkaar leeggedronken. En daarna nam ik nog een halve maatbeker.
Anderhalve liter karnemelk achter elkaar; onvoorstelbaar voor wie mij kent. Je
had tenminste een vol gevoel en daar ging het toen om.
Heel je denken en doen was gericht op overleven, op voedsel.
Wat nooit voorkwam: we hoefden niets te betalen. Wij
bedankten de goede man en zeiden dat het ons heerlijk gesmaakt had en gingen
terug naar huis.
Toen we bij de spoordijk kwamen – dezelfde waar we de biels
hadden gehaald – vond ik beneden aan de dijk een soort put ongeveer twee meter
diep en de wanden waren anderhalf bij anderhalve meter; helemaal bekleed met
takken. Rechte stammetjes stonden in de grond en daartussen waren dunnere
takken geweven. Ik zag het metéén: dat was prachtige
brandstof voor onze noodkachel. Mijn moeder bleef op de uitkijk staan en ik
liet me in de put zakken. Op de dijk liep een Duitser te patrouilleren. Steeds
als hij van ons af liep ging ik razendsnel aan het
werk om de zaak af te breken. Op het laatst stortte het enigszins aan één kant
in. Dat was niet zo erg, want zo kon ik er gemakkelijk uitklimmen. We laadden
de takkenbossen stilletjes achter op de fietsen. Nu moesten we nog over die
spoordijk zonder dat die Duitser ons zou zien. Mijn moeder ging eerst op het
moment dat die Duitser zijn rug naar ons keerde en een eind die dijk afliep.
Toen ging ik op dezelfde manier en we kwamen ongezien aan de andere kant van de
spoordijk.
In de parken was geen boom meer veilig. Alles werd
gesloopt. Op bepaalde plaatsen tussen de tramrails lagen vroeger kleine houten
blokjes met teer besmeerd. Die werden er door de mensen uitgewipt want het was
prachtige brandstof. Niemand zei er iets van.
De Duitsers waren allang blij dat de bevolking op die
manier rustig bezig was. Dan hadden ze de minste last van hen. En ze braken hun
eigen spullen af. Wat kon ze het schelen.
De man van mijn nicht ging op een keer de Jodenbuurt in.
Heel die buurt was toen al door de Duitsers leeggehaald en de bewoners naar
(later bleek) naar de concentratiekampen getransporteerd. De huizen van die
mensen stonden dus leeg. De Duitsers hadden alle inboedels eruit gehaald. Toen
stortte zich een zwerm mensen uit de hele stad zich op de buurt. Iedereen begon
te slopen en aangezien alles van hout was maakte het niet uit waar je begon.
Het ging dus niet geordend en systematisch.
Mijn neef deed dit wel, en begon boven in het gebouw. Hij
had goed gereedschap meegenomen en begon de planken vloer open te breken. Hij
hoorde op de verdieping eronder wel lawaai van andere slopers, maar hij was te
druk bezig om daar teveel aandacht aan te besteden. Hij ging dus rustig zijn
gang, tot hij dacht om nu te vertrekken, want hij moest die planken ook nog op
de fiets naar huis rijden en daar ging ook veel tijd in zitten. Bovendien was
het bijna spertijd. “Ik kom morgen wel terug om de rest op te halen”, dacht
hij. Hij liep naar de overloop waar de trap op uit kwam waarlangs hij naar
boven was gekomen. Maar wie schetst zijn verbazing toen hij in een donkere
afgrond staarde…Andere slopers hadden de trap afgebroken en meegenomen.
Hij heeft zijn planken naar beneden gegooid, behalve één plank. Langs die plank
heeft hij zich van de ene verdieping naar de andere
laten glijden. Zo kwam hij weer bij zijn fiets op de begane grond.
En zo worstelden we ons door die verschrikkelijke hongerwinter. De oogst van de
suiker bieten was op. De gehele oogst was verkocht. En de suikerbiet was ons
enige voedsel.
Op een dag kwam ik thuis van kantoor vermoeid van de lange
wandeling van anderhalf uur en ik plofte neer in een stoel. Onderweg was ik in
Betondorp onder schot gehouden door twee Duitsers, want er was luchtalarm en
dan moest je de schuilkelder in maar die was daar niet in de wijde omgeving. Ik
liep dus gewoon snel door zo dicht mogelijk langs de huizen. Plotseling hoorde
ik: “HALT! STEHEN BLEIBEN!”. Ik schrok me lam! Ik bleef staan liet mijn
tas op de grond vallen. “HÄNDE HOCH!”, klonk
het weer. Ik gehoorzaamde. Vóór mij stond een Duitser bij slagerij Korrel met
een geweer op mij gericht, en áchter mij op de Brink
stond er ook een, bleek later. Die vóór mij
stond riep: “STEHEN
BLEIBEN!” en die achter mij stond riep:
“SCHNELL! DURCHLAUFEN!”. Ik heb toen
maar het laatste bevel opgevolgd en ben als een gek gaan rennen. Ik hoorde niet
schieten, maar mijn hart klopte in mijn keel.
Dit heb ik ook meegemaakt bij de Februaristaking. Toen
schoten de Duitsers op het Damrak na de grote staking. Mensen moesten op hun
buik liggend van de ene portiek naar de andere kruipen
om niet geraakt te worden. Ik bereikte eindelijk het Sint Pieterspoortje. Daar
was de fietsenstalling van de bank. Ik heb mijn fiets gepakt en ben achter om
de Nes ingegaan en door de Hoogstraat naar de Jodenbreestraat.
Daar was je veilig, want daar kwamen de Duitsers niet: dat was Judenviertel. Ze kwamen daar alleen met een
grote groep om razzia’s te houden.
Toen ik de volgende dag op kantoor kwam, was onze
procuratiehouder er niet. Hij was een Jood. Voorzanger heette hij. Hij heeft
met zijn gezin zelfmoord gepleegd. Dat hoorden wij in de loop van de dag.
Waar ik me eigenlijk over verbaas is, dat je het toen zo
gemakkelijk aankon als je zulke dingen meemaakte. Je stapte er zo licht
overheen. Ik denk dat het kwam omdat er zoveel narigheid achter elkaar gebeurde.
Je had gewoon geen tijd om verdrietig te zijn over het één; want de volgende
ellende was al weer gebeurd. En daarbij had je nog dat gevecht tegen de honger.
Dat nam voornamelijk je denken in beslag.
Op een dag kwam ik thuis: het was eind Januari.
Mijn moeder zei: “Het eind is in zicht”. “Welk eind?”,
vroeg ik. Ik dacht dat ze iets gehoord had over het eind van de oorlog, maar
dat bleek niet zo te zijn. Ze zei: “Ik bedoel, dat we geen eten meer hebben
over een week of twee. Als we heel minimaal eten, dan redden we het nog twee
weken. We hebben nog wat suikerbieten en ik heb een voordeeltje gehad. Raad
maar eens!”. “Zalmsla met heerlijk witbrood en boter”, zei ik gekscherend.
“Nee”, zei ze. “Je raadt het nooit. Mevrouw Moerman,
de buurvrouw, heeft een maaltje aardappelen kunnen kopen. Vraag me niet wat ze
er voor betaald heeft, want dat weet ik niet. Maar het zal heel veel geld
geweest zijn. Ik heb de schillen gekregen. Ik heb ze afgeboend en
gekookt. Dus vanavond eten we heerlijke aardappelschillen!”. Nou zeg, dat is inderdaad boffen vond
ik. Het smaakte zalig!
Eindelijk weer eens die smaak van aardappels, hoewel ik daar
vroeger nooit zo gek op was. Alleen jammer dat we niet een klein stukje vet
hadden. Dan was het kompleet geweest. We hadden gelukkig nog wel een beetje
zout. Ik zal vertellen hoe we daar aan kwamen. Mijn vader werkte bij het
Gemeentelijk vervoerbedrijf. Daar gebruikten ze ’s winters zout om de wissels
van de trambaan te ontdooien. Het was geen geraffineerd zout, zoals je dat
tegenwoordig in de winkel koopt, maar vies uitziend grof zout met grote brokken
erin. Het zag eruit of ze het eens op straat gebruikt hadden.
Van het Gemeentelijk vervoerbedrijf kregen we bericht, dat
we in aanmerking kwamen voor een paar kilo zout. Mijn moeder ging er naar toe
met een grote zak. Ze moest ongeveer tien kilometer lopen. Tien kilometer heen,
en tien kilometer terug. We kregen het zout gratis. Thuis gekomen haalden we
zoveel mogelijk het vuil weg, deden water op het zout,
en kookten het. Tijdens het koken kwam er zwarte rommel en strootjes boven
drijven. Je begrijpt wel dat we toen nog gas hadden in het begin van de oorlog.
We vulden een paar flessen met dat zoute water. We hebben er toch de hele
oorlog mee gedaan.
Zo was het ook met zeep. In het begin van de oorlog had
mijn moeder vijf stukjes toiletzeep bemachtigd. “Zo, die zijn voor jou.”, zei
ze tegen mij. “Je hebt een gevoelige huid, maar je mag er alleen je gezicht mee wassen. De rest doe je
maar net als ik met kleizeep.” In kleizeep zat zand en dat schuurde goed. We
kregen die kleizeep op de bon. Ik heb met die vijf stukjes toiletzeep de hele
oorlog gedaan.
Nu ga ik vertellen welke oplossing we gevonden hadden om
verder te overleven. Gedurende de maanden februari, maart 1945 hadden we
gehoord dat in het oosten van Nederland nog voedsel te koop was zonder bonnen
en dat veel mensen daar heen trokken. Aangezien wij nog in het bezit waren van
onze fietsen vonden we dat de tijd was aangebroken om deze te voorschijn te
halen. Ik onderwierp ze aan een inspectie en, met uitzondering van de banden,
was alles in orde.
Ik durfde het niet aan om met die banden zo’n
enorme reis te ondernemen. De binnenbanden waren ontelbare malen geplakt en er
zaten grote gaten in de buitenbanden. Ik had van een oude band stukken
uitgeknipt, en over de buitenband gelegd. Dat klemde tussen de velgen, als je
de binnenband goed oppompte.
Onze buurman had een reuze idee.
In Amsterdam-Zuid, in een straat achter de Maasstraat, was een rijwielhersteller.
Die maakte houten banden om de wielen van je fiets. Daar had je geen omkijken
naar. Alleen, het hobbelde vreselijk.
De laatste tijd hadden wij niets gemerkt van razzia’s op
fietsen, dus gingen wij voorzichtig op pad met onze fietsen. We kwamen veilig
bij de rijwielhersteller aan. Na een paar dagen konden
wij de fietsen weer ophalen. Ik weet niet meer wat het kostte, maar dat zal
waarschijnlijk wel meegevallen zijn.
Zoals ik al vermoed had hobbelde het vreselijk, maar ja,
wat moet je anders. Banden waren natuurlijk niet te koop. Ons land was volkomen
leeggeroofd en er waren ook geen grondstoffen meer om dingen te fabriceren.
Maar het ergste van alles was toch, dat de eerste levensbehoefte, voedsel,
ontbrak.
De hele dag dacht je aan niets anders dan aan eten. Ik heb
in het begin veel honger gehad, maar later wen je er echt aan. Je kan haast niet meer eten en met weinig heb je genoeg. Je
maag past zich wonderlijk genoeg aan; die krimpt na verloop van tijd en dan heb
je aan een slok water al genoeg. Dat we water hadden was wel erg belangrijk.
Ik nam een paar weken vakantie. Het was koud in februari.
Het regende af en toe. We hadden nog twee jampotjes, één met witte bonen en één
met bruine bonen. Die had mijn moeder ooit nog eens geweckt. Vroeger stond die
kast vol met weckgroenten en fruit en het was haar grote trots als ze die kast
open deed. Maar nu waren er alleen maar lege flessen en die twee jampotjes met
bonen.
In de winkels was niets te koop en de boeren in de omgeving
hadden ook niets meer aan te bieden. Het was een hopeloze situatie. Wij konden
dus niet langer wachten. We moesten, weer of geen weer, de volgende dag
vertrekken. Hoewel onze conditie nu niet bepaald goed te noemen was hadden we
een behoorlijke dosis optimisme. Per slot van rekening gingen we naar
Luilekkerland. We hadden een behoorlijke training. Ik liep elke dag twaalf
kilometer naar mijn werk en mijn moeder zat ook bepaald niet stil. Die was ook
altijd op pad; maar met een lege maag was je soms de uitputting nabij.
Mijn moeder was de helft van haar gewicht kwijt geraakt. Ze
was vroeger wel te zwaar maar dít was toch ook niet
gezond. Hoeveel ik ben afgevallen weet ik niet (ik heb
me niet laten wegen), maar ik was van een flinke meid veranderd in een magere
spriet. Dit gaat natuurlijk allemaal ten koste van je uithoudingsvermogen.
Ik had van Pater Glaudemans een
briefje meegekregen voor zijn familie die woonde in Nunspeet.
Hij vroeg of ze voor ons een bed hadden voor één nacht als we heen gingen en
ook voor één nacht als we terugkwamen. Dat was dus al goed geregeld. Maar we
geloofden niet, dat we die afstand met ons uithoudingsvermogen in één dag
zouden kunnen afleggen. Per slot van rekening waren we erg verzwakt. Het was
dus verstandiger als we tussentijds nog ergens onderdak konden vinden. Van
Pater Glaudemans hadden we ook nog
Tot Naarden konden we aardig vlug
doorrijden. In Naarden zagen we van alle kanten
mensen komen die zich bij onze stoet voegden. Zij hadden hetzelfde doel als
wij. Het leek wel een optocht of demonstratie. Je kon daar niet fietsen. Dat
was niet erg, want een eindje lopen was ook wel prettig.
Langs de weg stonden de inwoners van Naarden
onze stoet gade te slaan. In het begin schaamde ik me.
Ik voelde me zó opgelaten. Je had dat ook moeten zien. Het was niet bepaald een
opgewekte vertoning. Als je een fiets had behoorde je tot de elite. De meeste
mensen liepen achter een handkar of een kinderwagen. Ook zag je zelfgemaakte
wagentjes. Het hele gezin werd meegevoerd: kleine kinderen op de kar soms een
vrouw of een oude moeder, en daarachter liep pa dan helemaal schuin te duwen tegen de kar onderwijl commando’s te roepen naar de kinderen die
meeliepen. Je moest in die drukte nu eenmaal je zaakjes bij elkaar zien te
houden.
Plotseling greep één van de inwoners die stonden te kijken
mij bij de arm. Het was een heel vriendelijke meneer.
Hij bood mijn moeder en mij een boterham aan als wij even mee naar zijn huis
gingen. En dat was dichtbij. Wij gingen naar binnen in een voor zover ik mij
kan herinneren heel mooie villa. En daar stond een gedekte tafel. Ik
durfde bijna niet naar te kijken. Dit was ongelooflijk. Dit kon niet bestaan…
Op de tafel prijkte een enorme ham en prachtig eigengebakken
witbrood en boter. Hij sneed voor ons ieder twee boterhammen af, deed er
boter op, en sneed met een scherp mes twee flinke plakken ham af. Nooit zal ik
die man vergeten die ons deze enorme weldaad bezorgde.
Wij praatten wat met elkaar en vervolgden toen weer onze weg.
Tegen een uur of vier kwamen we in het vissersplaatsje Bunschoten. Bij een boerderij stond op een bord met grote
letters: “TYPHUS”. “Dat doen ze opdat de Duitsers daar niet naar binnen gaan”,
vond mijn moeder. Zij ging het erf op en klopte op de deur. Ze vroeg of de
mensen een hapje eten over hadden. Ik schaamde me nogal. Daar stond je als bankbediende
met een keurig salaris om een hapje eten te vragen. Wat was dat een wonderlijke
wereld waarin we toen leefden. Dat was niet van krantenjongen tot miljonair
dacht ik, maar van bankbediende tot bedelaar.
Mijn moeder keek naar mij om, en ze was zo blij en hoopvol.
Het scheen te lukken. Schoorvoetend kwam ik tussen de twee fietsen het erf op
geschuifeld. De boer kwam naar buiten met een bord hutspot met een vork erin. Toen hij mij zag ging hij nog een vork halen en samen aten we van
het ene bord de hutspot op. Heerlijk was dat! Helemaal voldaan bedankten
we de boer en gingen toen de gemeente Bunschoten in
om een slaapplaats te zoeken, want het werd al aardig donker.
Hier en daar vroegen we naar een onderkomen voor de nacht
en men verwees ons naar een leegstaand huis. De deur stond open. Het was toen
al aardedonker. En als het toen donker was, bijvoorbeeld bij nieuwe maan, dan wás het ook donker. Je kon dan echt geen hand voor ogen
zien. Je kon dan in je eigen omgeving of buurt verdwalen, wat mijn moeder een
keer gebeurd is. Hoe ze ook zocht, ze kon haar huis niet meer terug vinden.
Grote hilariteit natuurlijk. (In de bezettingstijd waren er
verduisteringsvoorschriften: zo werd de straatverlichting niet aangedaan. In
korte tijd werd het dus aardedonker.)
Daarom hadden we ons een knijpkat aangeschaft (Klik hier voor foto).
Dat was een heel praktisch ding. Het leek op een handgranaat en het werkte als
een dynamo van een fiets. Er zat een hefboompje aan. Door in het hele geval te
knijpen hoorde je een zoemend geluid. Dan ging er een lichtje branden.
Dat was een hele uitkomst in de tijd van de verduistering.
In de huizen hadden we zwarte papieren rolgordijnen. Er mocht van de Duitse
bezetter geen straaltje licht naar buiten schijnen.
Toen we dat huis in Bunschoten
binnen kwamen verwachten we wel niet de enige te zijn, maar zoveel mensen als
in dát huis de nacht doorbrachten…dat hadden we niet
verwacht.
Beneden lagen in de kamers, in de keuken en in de hal
mensen op de grond te slapen. De trap naar de eerste verdieping lag ook vol met
mensen. Met grote moeite kwamen we tussen de mensen door naar boven. Op de
eerste verdieping hetzelfde beeld. Overal slapende mensen. Geen plekje onbezet.
En zo was het ook op de tweede verdieping.
Daarboven was een zolder en daar vonden we zowaar ieder een
plekje. We konden niet liggen, maar met onze rug geleund tegen een lattenzolder
hebben we toch een beetje kunnen uitrusten. We hebben zowaar nog geslapen ook.
De volgende ochtend stroomde het huis leeg. Allemaal richting het oosten, naar
Zwolle en omgeving, maar dat was niet in één dag te halen.
|
W |
ij hadden gelukkig in Nunspeet
dat adres van de Pater zijn familie. We aten een paar boontjes uit onze
jampotjes en toen stapten we weer op onze stalen rossen.
Tot Nunspeet ging gelukkig alles goed. Er was
natuurlijk veel oponthoud door de stromen mensen met hun karretjes en
kinderwagens. Je moest er tussendoor laveren. Eindelijk vonden we in Nunspeet het adres. Het was niet een gewoon huis, maar een
prachtig landgoed. We reden de oprijlaan in en kwamen bij dat enorme huis. Voor
de deur was er een druk verkeer van auto’s van de Duitsers. Ik wist dat het
gebouw in beslag was genomen door de SS. De bewoners zouden in een bijgebouwtje
wonen had Pater Glaudemans gezegd, dus we trokken van
de SS-ers niets aan en liepen naar een soort
portierswoning. Daar vonden we de familie: een jong gezin met kleine kinderen.
Wij gaven ons briefje van de Pater en we werden meteen binnen gevraagd. Daar
maakte de mevrouw voor ons brood met gebakken eieren. We hebben nog een uurtje
met ze gepraat, daarna gingen we naar onze slaapplaats.
Overal in het door de Duitsers bezette gebouw hingen
portretten van Adolf Hitler. Op de bovenste
verdieping was een laddertje naar de zolder. Ik was nog nooit zo dicht bij de
vijand geweest. Maar er was geen tijd om bang te zijn. Op de zolder was het een
enorme puinhoop. Kruipend over kisten en andere troep vonden we iets dat op een
bed leek. We hadden geen licht en alles ging op de tast. We sliepen die nacht
goed want we waren erg moe. De volgende dag gingen we weer naar het
bijgebouwtje en daar kregen we brood met kaas. We verbaasden ons dat die mensen
gewoon te eten hadden. In de steden was eigenlijk de honger het ergst. Op het platteland scheen nog
wel iets met moeite te koop te zijn.
We moesten de familie beloven dat we op de terugweg weer
langs kwamen, dan konden we weer een nacht slapen. Dat beloofden we maar al te
graag.
We fietsten richting Zwolle, de IJssel over. Dat was ons
doel. We reden ongeveer bij het dorp Wezep. We
passeerden de mensen die lopend waren met hun karretjes en kinderwagens en als
ik er aan terug denk dan is mij één ding heel sterk bijgebleven: dat is de
kleurloosheid van alles. Ik zie in mijn herinnering alles in een grauwe
grijsbruine kleur en het trieste beeld van de in de regen druipende kale bomen.
We reden onder een viaduct door waarover net een trein passeerde. Honderd meter
verder aan de rechter kant zagen we een boerderij. Plotseling was er een hels
kabaal. Een ratelend boordkanon van een vliegtuig dat op de trein
schoot. Ik ben nog nooit zo vlug rijdend van mijn fiets afgestapt als
toen. We lieten alles los en renden naar de boerderij en met ons wel zo’n honderd mensen. We zochten dekking in de grote schuur. Na een
kwartier was het karwij voor het vliegtuig geklaard en
konden wij onze weg weer vervolgen. De trein hing rokend, puffend en op sommige
plaatsen brandend over de spoorbaan. We liepen naar de weg waar we onze fietsen
hadden laten vallen. Tussen de karretjes, kinderwagens en fietsen vond ik mijn
fiets. Mijn moeders fiets was verdwenen. Het was meer geluk dan wijsheid dat ik
het diefje, een jongen van een jaar of tien, in zijn kraag kon pakken. Hij wist
niet hoe snel hij de benen moest nemen. Stel je eens voor dat we die fiets kwijt
waren geweest. Dat zou een ramp hebben betekend. Maar je ziet, in de donkerste
tijden kan je geluk hebben.
Eindelijk kregen we de brug over de IJssel in zicht. We
liepen de brug over, want je kon daar niet fietsen omdat het zo druk was.
Mensen met handkarren namen veel plaats in. Zo snel mogelijk reden we door
Zwolle. Eenmaal buiten de stad zagen we alle mensen die vóór ons gingen, een
zijweg inslaan. Daar kwam ook een enorm lawaai vandaan. Toen we voorbij een
bossage waren, zagen we een boerderij. Het lawaai werd veroorzaakt door een
dorsmachine. Mijn moeder en ik liepen de mensen achterna en daar aangekomen zag
ik een triest tafereel. Een grote dorsmachine met een paar boeren
die de machine bedienden. Duidelijk was herkenbaar met jas, hoed en
opschrijfboek een ambtenaar van de Crisis Controle Dienst. Zij controleerden de
crisis wel, maar ze losten hem voor ons niet op. Waarschijnlijk alleen voor
zichzelf dan. Wie het dichtst bij het vuur zit warmt zich het best.
Alles wat geoogst werd moest naar de Duitse bezetter die
het weer naar de Heimat vervoerde. Rondom dit spektakel in een grote kring
stonden al die hongerende mensen zich te vergapen aan dat prachtige graan dat
uit de machine in zakken werd gespoten. Iedereen stond daar stil te kijken,
maar wat was de bedoeling van die belangstelling? Hadden ze dat al eerder
gedaan en zou er uiteindelijk een verdeling van een deel van dat graan gaan
plaatsvinden? Ik wist het niet en wij besloten te blijven wachten. De mensen van de
boerderij waren het zeker wel gewend. Die zagen ons gewoon niet. Ze gingen
rustig door met hun werk. Er stonden zeker een paar honderd mensen rondom. De
man van de CCD had duidelijk de leiding en deelde de bevelen uit.
Na een paar uur dit alles te hebben gade geslagen was het koffietijd voor de CCD-er. Hij
ging de boerenhofstede in met de boer en zijn knechten. De zoon van de boer,
een jongen van mijn leeftijd, bleef bij de machine. Hij keek de kring rond en
ontdekte mij. Hij riep me en vroeg of ik iets bij me had om graan in te doen.
Ik haalde snel de kussensloop die we hadden
meegenomen. Hij deed in elke zak ongeveer een kilogram tarwe en een kilogram
rogge. Ik wilde betalen, maar dat hoefde niet. “Ga maar gauw weg, want als die CCD-er het merkt zijn we nog niet jarig” zei hij. Dat was
dus een buitenkansje! We stopten de beiden
kussenslopen met het graan vlug in een fietstas en bewaakten het als een
kostbare schat.
Even verder zagen we boerenarbeiders. Ze riepen ons en we
stapten van onze fietsen. Ze boden ons hun boterhammen aan en koffie in
een grote emaillen kroes. Dit was toch luilekkerland!!!
Inwendig juichten wij om het geluk wat ons ten deel viel. We lieten ons de
heerlijke boterhammen en de zwarte koffie goed smaken. Ik at zelfs het
koffiedik op uit de kroes. Ik vond het ondankbaar om ook maar iets over te
laten. Nu begrijp ik de meewarige blik waarmee deze mensen ons aankeken. Na
afloop kon ik bijna niet meer fietsen. De boterhammen en het koffiedik lagen
als een steen op mijn maag. “Dat zakt wel”, zei mijn moeder.
We reden richting Ommen en onderweg konden we zo maar een
zwart roggebrood kopen. We waren nu niet meer afhankelijk van vragen om eten.
We hadden geld genoeg bij ons om eten te kopen.
Om te beginnen aten we de boontjes in de jampotten op. Van
het roggebrood sneden we een snee af. Héérlijk was
dat, maar zwaar. Dat kon nooit goed gaan. Ik had weer dat akelige gevoel dat ik
uit elkaar plofte. “Onze maag is gekrompen, die moet
weer een beetje uitrekken”. Mijn moeder had overal een oplossing voor.
We reden nu naar het noorden richting Dedemsvaart.
(Routekaart Amsterdam naar Dedemsvaart)
Daar zouden aardappels te koop zijn. Onderweg vertelden mensen ons, dat je bij de
boeren in het hooi kon slapen. We vonden het verstandig om dat eerst in orde te
maken. “We gaan naar een grote boerderij”, zei mijn
moeder. Daar hebben we de meeste kans van slagen. We hoefden niet lang te
zoeken. We vonden een boerderij langs de Dedemsvaart.
De boer stond op het erf. Hij was vriendelijk, maar het
leek me een harde kerel. Zijn zoontje, een jongen van een jaar of vijf, was een
hondje dat hij had vastgebonden aan het pesten. Hij sloeg het arme diertje
steeds met een stok. Ik dacht metéén “aardje naar
zijn vaartje”. Pa zei er niets van. Hij zei dat ik in het hooi kon slapen boven
de koeien. Er waren ook twee onderwijzeressen uit Amsterdam. Daar moest ik me
bij aansluiten, dan zou ik me niet zo alleen voelen.
Mijn moeder kreeg een bijzondere behandeling vanwege haar
leeftijd. Ze was toen 53 jaar. Zij mocht in een bedstee in het huis slapen. Dat
was toch wel heel aardig.
’s Avonds leerden we de andere bewoners van het huis
kennen. De boerin was een Friezin en ze sprak heel mooi Nederlands. Ze kon heel
mooi gedichten voordragen. Wij hoorden later dat ze verschillende keren in een
psychiatrische kliniek was opgenomen.
Wij mochten die avond “de voorstelling van het avondeten”
bijwonen. Alle mensen die daar in het hooi logeerden, en dat waren er ongeveer
twintig, moesten in de keuken gaan zitten. Er stonden banken en stoelen rondom
tegen de muur. Daar werden we geacht plaats te nemen.
In het midden stond een grote tafel met rondom vier stoelen. De vierde stoel
was voor een meisje van een jaar of acht dat daar logeerde. De boer, de boerin,
het jongetje en het meisje gingen aan de tafel zitten. Er werd
gebeden en de boer pakte een grote mik die op de tafel lag, en sneed het brood
tegen zijn borst houdend. Hij sneed vier boterhammen af. Hij pakte een groot
stuk kaas en iedereen die om de tafel zat kreeg een stuk. Wij, de
gasten, keken toe. Niemand van ons kreeg iets en dat vond ik wel raar. Als je
dan niets wilt geven, nodig de mensen dan niet uit om te gaan zitten toekijken.
Dat vond ik eigenlijk een beetje wreed. Dit typeerde de man wel. Gelukkig
hadden wij ons roggebrood, dus we hoefden geen honger te lijden. Maar een
beetje boter en een stukje kaas was wel lekker geweest.
Mijn moeder had de onderwijzeressen gevraagd of ze een
beetje op mij wilden letten. Ik kon goed met ze opschieten. We klommen op een
laddertje naar boven naar de hooizolder en maakten ons een nestje. Heerlijk
sliep je in het hooi. Je werd af en toe wel wakker als beneden een koe begon te
loeien. Het was toch een leuke ervaring.
De onderwijzeressen hadden een handkar en ze boden ons aan
om als we aardappels kochten, de zakken op hun kar te laden en om beurten te
duwen. Mijn moeder had een andere oplossing. Als we een schipper konden vinden
die naar Amsterdam voer dan konden we hem de aardappels meegeven en dan konden
wij op de fiets naar huis. Dat was sneller en comfortabeler want mijn moeder
kon dat hele eind niet lopen. Het was ongeveer honderd kilometer. De boer gaf
ons een adres waar we aardappels konden kopen en hij wist ook een schipper die
op Amsterdam voer. Eerst dan maar de aardappels gekocht. We kochten zoveel als
in de jute zakken ging en liepen met ieder een zak tussen het frame van de
fiets weer terug naar de boerderij.
Onderweg kwamen we een boerenarbeider tegen. Hij maakte een
praatje met ons en zo kwamen we er achter dat hij op de Dam in Amsterdam aan de
bestrating had gewerkt. Hij nodigde ons uit bij hem thuis te komen eten, “want
bij die boer waar jullie zijn krijgen jullie toch niets. Die is zo gierig”, zei
hij. We konden
dan ook blijven slapen. Nou, dat was wel fijn vonden wij.
Hij woonde in Zuid Wolde,
ongeveer tien kilometer van Dedemsvaart. Het was nu
zaterdag en we zouden zondagavond naar Zuid Wolde
komen en de volgende dag van daaruit weer naar huis rijden. Toen we met de
aardappels aankwamen bij de boerderij waar we nog een nacht zouden slapen, zag
ik daar een jonge boer. Ik vond hem toen verschrikkelijk oud. Hij was ongeveer
35 jaar, maar hij leek wel 40. Hij had interesse in mijn moeder en mij om bij hem
op de boerderij te komen wonen en daar het huishouden te doen. Hij was
vrijgezel. Eerlijk gezegd vond ik het een beetje griezelig, omdat hij zelf
niets zei. Onze boer voerde voor hem het woord. Als ik naar hem keek draaide
hij zijn hoofd de andere kant op. Mijn moeder voelde er wel iets voor, maar ik
was niet te bewegen. Ik wilde naar mijn eigen veilige plekje in Amsterdam. De
eerste reden was omdat ik al verkering had en ten tweede omdat ons het bericht
had bereikt dat transportvliegtuigen van de Geallieerden voor iedere inwoner
van Holland een Zweeds witbrood en een pakje boter hadden afgeworpen. Ze hadden
dat met toestemming van de Duitsers gedaan. In die tijd liep je honderden
kilometers voor zo’n meevaller. Mijn moeder maakte er
niet veel werk van om mij te overreden. Ze legde zich bij mijn beslissing neer.
Dus gingen we ons weer concentreren op de aardappelen.
De boer wees ons de weg die we de volgende dag moesten gaan
om bij het schip te komen dat naar Amsterdam voer. “Je kan
het beste de kruiwagen nemen”, zei de boer. Maar wat had ik een spijt dat ik
zijn raad opvolgde. Met de fietsen was het nog goed gegaan en dan hadden we nog
het voordeel dat we terug konden fietsen. Dat is toch altijd beter dan lopen
met een kruiwagen! De kruiwagen was van hout met één wiel, voorzien van een
ijzeren band.
Samen met de boer laadde ik de volgende morgen de zakken op
de kruiwagen. Wat viel dát tegen. Ik had al mijn
kracht nodig om dat ding in beweging te krijgen. Dan was je er nog niet, want
je moest ook zorgen dat je je evenwicht bewaarde. De
boer die mijn gestuntel zag riep: “hou je roer
recht!”. Ik kon niet eens antwoord geven, zo’n
inspanning kostte het. Als ik maar eerst van dat erf af was, want iedereen
stond te kijken. Ik vond het heel beschamend.
Gelukkig. We waren op de weg en al gauw uit het zicht van
de boerderij. Ik zei: “mam! Ik moet even rusten!”. Ik zette de kruiwagen op de twee steunen onder de handvaten. Ik wreef over de
bovenkant van mijn armen. Het leek wel of daar tennisballen inzaten die eruit
wilden. De zakken, waar de aardappelen inzaten, zagen er ook niet al te best
uit. Ze waren al oud en hier en daar was een slijtplek te zien. Zouden ze het
wel houden? Nou, daar gingen we weer, en onderweg deed ik een schietgebedje dat
de zakken het toch maar zouden houden. Dat die zakken ten
minste heel zouden blijven tot de aardappels veilig thuis waren. En hoe
kregen we die aardappels van de haven naar ons huis? Dat was wel een kilometer
of acht lopen. En dan moesten we ook nog stille wegen uitzoeken. We zouden
beroofd kunnen worden door de bevolking of door de Duitsers en de Crisis
Controle Dienst. Deze laatste was ook actief. Het kostte dus nog veel
hoofdbrekens en we hadden een grote dosis geluk nodig. Onder dit angstig
gemijmer sjokten we voort.
In de verte zag ik een stoet mensen aankomen. Het waren
boeren en boerinnen in hun zondagse kleren die naar de kerk gingen. Ze leken in
mijn verbeelding op reuzen. Zo groot, zo statig in hun zwarte kleding. De
boerinnen met hun kanten kappen en gouden oorijzers, en ze keken hooghartig
naar die twee landlopers met hun kruiwagen. En dat op zondag! Ik kon die
kruiwagen bijna niet rechthouden en ik liep te trillen op mijn benen van
inspanning. Mijn moeder kon mij niet helpen, want die had bij een val van haar
fiets dertig jaar geleden een verbrijzelde elleboog opgelopen en daar had ze
altijd veel pijn aan.
En of heel de vernederende situatie al niet erg genoeg was begaf ook nog één van de zakken het. De aardappels stroomden
over de weg tot voor de voeten van de voortschrijdende kerkgangers. Toen was
mijn trots, die ik ondanks alles toch nog in voldoende mate bezat, volkomen
gebroken. Onthutst zette ik de kruiwagen op zijn steunen en kroop op mijn
knieën over de weg om de kostbare lading weer in de zak te werken. Dat viel
niet mee. Met touwtjes herstelden we de schade aan de zak. Bij de kerkgangers
was totaal geen reactie te zien geweest. Ze stapten onbewogen tussen de
aardappels door en vervolgden hun weg naar de kerk. Daar hield de dominee
misschien wel een preek over de straffende hand Gods en ze zouden
waarschijnlijk denken aan die moeder en haar dochter die de zondag ontheiligden
met hun kruiwagen met aardappels. Maar ik had geen tijd om me daar zorgen over
te maken. De vernedering was voorbij. Ik moest nu zorgen dat die aardappels op
het schip kwamen. Daar in de verte zagen we inderdaad een schip liggen. Zou dat
hem zijn? Was dit het schip dat naar Amsterdam voer? We zouden er gauw achter
komen als we de schipper spraken. Na nog een heel uur ploeteren kwamen we bij
het schip. Het lag midden in het kanaal. Er was geen enkele mogelijkheid om
erop te komen. Dan maar roepen. “Schipper!! Schipper!!”, riepen we met vereende krachten. “Schipper!! Schipper!!!” Geen beweging. We
letten goed op of de gordijntjes voor de ramen bewogen. Want als je toch hoort
roepen, dan kijk je allicht. Maar er was geen beweging. Het leek wel of er
niemand aan boord was. “Misschien zijn ze naar de kerk”, bedacht ik. “Zeker
zwemmend”, zei mijn moeder. “Hoe zijn ze dan van dat schip afgekomen? Nee, ze
moeten aan boord zijn. Misschien zijn ze met een roeiboot aan de wal gekomen”,
zei ik weer. “Ja, maar waar is die roeiboot dan. Die zou dan hier ergens moeten
liggen”. “Ja, dat is zo”, zei ik. “Daar kan ik geen speld tussen krijgen”.
Plotseling ging de deur van één van de huisjes tegenover
het schip open. Een aardige mevrouw kwam naar buiten. “Het is zondag vandaag,
en dan doet de schipper geen zaken. Maar ik weet wel een oplossing. Jullie
willen zeker die aardappels verschepen? Zet die zakken maar in mijn voortuintje
en doe uw naam en adres eraan, dan zorg ik dat ze morgen op het schip komen”.
We hadden een stuk karton voor iedere zak met onze naam en adres erop. Die bonden we aan de zakken en zetten ze bij de mevrouw in de tuin.
Opgelucht en met de hoop dat alles goed zou komen reed ik de kruiwagen
terug naar de boerderij in Dedemsvaart. Daar namen we
van iedereen afscheid en bedankten voor het onderdak dat we genoten hadden.
Nu gingen we op weg naar Zuid Wolde.
We kwamen bij een kleine arbeiderswoning. We werden hartelijk ontvangen. Die
mensen daar, waren blij dat ze iets goeds konden doen. Het gezin bestond uit
vader, moeder en drie zoons. Eén van de zoons was getrouwd en woonde daar met
zijn vrouw en twee kleine kinderen. Waar ze allemaal sliepen wist ik niet, maar
wij konden er ook nog bij. De jongen die wij ontmoet hadden bleek in Amsterdam
te hebben gewerkt aan de bestrating op de Dam.
Nadat we een ouderwetse hutspot met klapstuk hadden gegeten
en een kop koffie hadden gedronken, hebben we nog honderd uit gepraat, want ze
wilden alles over Amsterdam weten.
Wij sliepen in een opkamertje in een heerlijk bed. Aan het
plafond hingen hammen en worsten. Wat een weelde hadden die
boerenmensen! Het rook goed, maar ik vond het toch
niet zo leuk. Aan de andere kant was het zo, als ze ons niet vertrouwd hadden
zouden ze ons niet in die kamer hebben laten slapen.
’s Nachts moest ik naar het toilet. Die was in de schuur
waar de koe stond. Ik durfde bijna niet op te staan, bang om me verdacht te
maken vanwege die hammen en worsten. Maar ja, de natuur ging z’n
gang en op een gegeven moment kon ik het niet langer ophouden. Ik stond op en
liep de treden af van het opkamertje; daarna de woonkamer door naar het toilet.
Daar was de deur naar de schuur en tegenover die deur, de deur van de wc. Het
was eigenlijk een plee. Het toilet bleek te bestaan
uit een plank met een gat erin en een houten deksel erop. Ik kan me herinneren
dat mijn grootmoeder ook zo’n toilet had. Maar deze
hier kwam uit op een sloot. Geen emmer dus, zoals dat in de 19de eeuw in de
stad was. Dan kwam er een wagen langs die de inhoud van die emmers ophaalde.
Enfin, ik deed de deur open en daar stond mevrouw de koe tussen mij en de
toiletdeur. Hoe kwam ik dáár nou in? Ik vroeg die koe
heel beleefd of ze een stukje opzij wilde gaan, maar dat begreep ze niet. Toen
gaf ik een zacht klapje op haar achterhand en toen ging ze een stapje vooruit.
Ik kon toen met veel moeite de deur op een kier krijgen en naar binnen glippen.
Als ze nou maar niet haar oude positie innam, want dan zat ik voor de rest van
de nacht op die niet zo fris ruikende wc opgesloten.
Maar ik had geluk. Ik kwam er weer uit en ging weer naar
bed. We moesten goed uitgerust zijn, want de volgende dag moesten we weer
huiswaarts keren. Ik
sliep nog heerlijk een paar uur.
De volgende morgen na het ontbijt vertrokken we. We reden
terug naar de Dedemsvaart en toen begon de ellende:
mijn moeder kreeg hevige buikpijn. Bij iedere boerderij ging ze vragen of ze
naar het toilet mocht. Dat lukte gelukkig steeds. Toen zagen we onderweg een
apotheek. We hebben stoppoeders gekocht en met een glaasje water nam ze het
poeder in. Vanaf dat moment heeft ze gelukkig geen last meer gehad. Ik vermoed
dat het door het goede eten is gekomen dat we de dag ervoor genuttigd hadden.
Dat waren we niet meer gewend. Je moet zoiets namelijk voorzichtig opbouwen. In
zo’n situatie doe je zulke domme dingen.
We zijn in één dag doorgereden naar Zwolle. Daar konden we
een nacht slapen in het Rooms Katholiek ziekenhuis. We kregen een kamer waar
zes bedden stonden. De vier andere bedden waren bestemd voor een moeder met
haar dochter en nog twee vrouwen. Tegenover mijn bed stond een stilletje. Dat
is een emmer met een wc-bril en een klep erop. Rondom het stilletje stond een
kamerscherm. Midden in de nacht werd ik wakker doordat die mevrouw met dochter,
naar het stilletje ging.
Ik hoorde een vreselijk gespetter zoals bij hevige diarree,
en de kamer was gelijk vergeven van de stank en ik moest heel nodig plassen. We konden de kamer niet af want die was afgesloten,
dus ik moest wel op die vieze wc. Ik deed de klep open, en greep gelijk in
de viezigheid. Heel de bril zat klaarblijkelijk onder. Ik heb mijn handen
afgeveegd aan een krant die niet dienst deed als toiletpapier want er was geen
wastafel op die kamer. Wat voelde ik me vies en ellendig. Ik ging weer naar bed
en sliep nog een paar uur. De volgende morgen stonden we op en mijn moeder
vroeg of ik haar haar wilde doen. Dat kon ze niet
zelf, vanwege de stijve linkerarm. Ik rolde het haar op in een wrong en
toen…wist ik niets meer. Ik was flauw gevallen. Ik kwam weer bij in mijn bed.
Om mij heen stonden twee verpleegsters en een broeder te beraadslagen wat ze
met mij aan moesten. Ik voelde me doodziek en het enige wat ik wilde was naar
huis. En dat moest vandaag gebeuren, want ik had gehoord dat de brug morgen
werd ondermijnd en afgesloten. We moesten er vandaag dus overheen.
Toen kwam er een verpleegster binnen, pakte het stilletje
op, en keek met een verwijtend en vies gezicht naar mij. Zo van: we geven je
onderdak en dan besmeur je de boel ook nog. Ik kwam daarvoor ook het meest in
aanmerking. Ik was niet in staat om iets te zeggen. Ik voelde me zo
ziek. De broeder liep naar de gang om te telefoneren en de twee verpleegsters
gingen ook weg. De telefoon was bij de deur van de kamer, dus ik kon alles
horen wat hij zei. Hij belde, zoals later bleek, met het noodhospitaal. “Ik heb
een patiënt voor jullie, die kan hier niet blijven. Wij zullen voor transport
zorgen”.
Ik schrok me een hoedje. Dát
wilde ik niet. Ik wilde de IJssel over en naar huis. Ik moest een toneelstuk
opvoeren. Ik ging zitten en alles draaide om mij heen. Ik vermande me en stapte
uit het bed. Ik hield me goed vast aan alle bedden en schuifelde naar de deur.
Daar stond de broeder. Nu kwam het erop aan dat ik niet weer in elkaar zakte.
Ik zei zo krachtig mogelijk dat ik me weer goed voelde en vroeg waar mijn
moeder was. Ik begreep er niets van dat ze niet bij me was gebleven. Ze was
altijd zo bezorgd om mijn welzijn en ik voelde me echt in de steek gelaten.
Stel je eens voor, dat ze me naar dat noodhospitaal hadden gebracht. Dan had ze
dat niet eens gemerkt!
“Gaat het echt wel?”, vroeg de
broeder en hij keek mij heel ongelovig aan. “Ja, ik voel me weer goed”, jokte ik. “Je moeder zit beneden”, zei hij. Oh hémel, ik moest dus een trap af. Ik stond te trillen op
mijn benen.
Ik hield me goed aan de leuning vast en liep voorzichtig
naar beneden. De trap kwam uit op een grote hal waar tafels en stoelen stonden.
Bij één tafel ontdekte ik mijn moeder. Die zat een groot bord met rode kool en
stamppot naar binnen te werken. Ze merkte niet eens dat ik naar haar toe kwam.
Ik ging zitten en ze zei: “je moet daar naar toe gaan, dan krijg je ook eten”.
Ze vroeg helemaal niet hoe het met me ging. Eten was alleen maar belangrijk. Ik
kon geen eten meer zien. Alleen van de geur al werd ik onpasselijk. Ik zei:
“nee, ik heb nu geen trek”. Ze drong niet aan. Toen ze klaar was met eten
gingen we naar onze fietsen en gingen op weg naar de brug.
Het kostte me ontzettend veel moeite, maar naar mate het
vorderde ging het steeds beter. Ik moest wennen aan een volkomen nieuwe
situatie van waarnemen. Ik zal het proberen te beschrijven. Voor mijn gevoel
bestond ik als het ware uit twee delen: mijn lichaam dat de fiets voortbewoog,
en een meter daarboven zweefde ik en nam alles waar. Ik weet nog heel goed dat
de tegels van het fietspad ongeveer driekwart kleiner waren terwijl je ze
waarnam vanaf de fiets. Ik vermoed dat het door de koorts kwam, maar ik moest
doorzetten. Mijn enige zorg was om die IJsselbrug
over te komen. We vonden een klein plantsoen met struiken rondom. Vandaar bekeken we de brug. Daar stonden Duitse soldaten
iedereen te controleren. Ze pakten alles af wat de mensen hadden weten te
kopen. Het was erg bedreigend voor ons, want we hadden die twee zakjes graan en
die wilden we niet kwijt. We gingen dus achter de bosjes staan en daar
verdeelde ik het graan over de beide kussenslopen en maakte er met touwtjes een
soort worst van. Die twee ‘worsten’ bond ik onder mijn kleren om mijn middel.
Je werd niet op het lichaam gefouilleerd en wij hadden verder alleen een
roggebrood bij ons. We waagden de oversteek.
We gingen in de rij staan en toen we aan de beurt waren
mochten we zo doorlopen. Onderweg kwamen we op een smal landweggetje met aan
weerskanten een sloot. De meeste mensen die daar liepen of fietsten, hadden
pakken en zakken met levensmiddelen. Hoe die over de brug waren gekomen, snapte
ik niet, want daar werd zó gecontroleerd dat er geen ontkomen aan was. Je
raakte dan alles kwijt wat je dan had weten te bemachtigen. Misschien was er
ook nog een andere manier om de IJssel over te komen. Vóór mij reed een man met
grote zakken aan zijn bagagedrager en daarboven op lag weer een groot pak.
Plotseling kwam op het landweggetje een open auto met Duitse officieren
aanrijden. De man met de volgepakte fiets werd zó zenuwachtig, dat hij met
fiets en al in de sloot belandde. Uit de auto steeg gelach op en wij reden
haastig door. Ik hoop dat die man nog iets van zijn spullen heeft kunnen
redden.
We
stapten weer op onze fietsen en gingen op weg naar Nunspeet.
Daar konden we de nacht weer doorbrengen. We sliepen weer op de zolder boven de
SS. Ik heb die nacht heel hoge koorts gehad. Desondanks gingen we ’s morgens
weer heel vroeg op pad. Toen we richting Nunspeet
reden, kwamen we een buurjongetje van 12 jaar tegen. Hij was helemaal alleen op
z’n fietsje (en zonder zijn ouders) op zoek gegaan
naar voedsel. Hij was van Amsterdam vertrokken richting Zwolle. Mijn moeder
herkende hem en zei: “Waar ga jij naar toe?” De buurjongen zei: “Ik ga de IJssel over om eten
te kopen”. Het kind zag er zo uitgehongerd uit. Mijn moeder brak ons roggebrood
in tweeën en gaf hem de helft. Hij viel er als een hongerige leeuw op aan.
We reden nu richting Harderwijk.
Toen we daar aankwamen boog de stoet van hongerende mensen waarin we reden, het
dorp in. Wij erachter aan, want we hadden de ervaring, dat als een stoet afboog
er wat te halen was. En ja hoor! In Harderwijk stond
de California soepfabrieken. Iedereen die langs kwam
kreeg een kop soep. Je kon in de kantine gaan zitten en je soep opdrinken. De
lege gamellen werden door het personeel buiten gezet.
Wij zaten aan een tafeltje met een moeder en een dochter
uit Rotterdam. Ze heetten Van Son. Het meisje was van mijn leeftijd. Wij zijn
met z’n tweetjes naar buiten gegaan en deden wat alle
kinderen deden: met je vingers de gamellen leeg likken. De moeders keken
door de ramen toe. We moesten snel weer op de fiets, want we moesten vóór
spertijd weer in Amsterdam zijn. We haalden het bijna. Om acht uur waren we in Diemen. Daar stonden toen grote bunkers midden op de weg en
bij elke bunker stonden twee Duitsers die de mensen controleerden.
Wij hadden een vriendinnetje van mij ontmoet, Ans Diepenbroek, en gedrieën werden we aangehouden door een oudere Duitser. Hij zei: “Es ist Sperrzeit”.”Sie darfen nicht weiter gehen”. De Duitser zei dat we tot morgenochtend hier moesten blijven en dat we niet verder mochten. We maakten hem duidelijk dat we nog maar vijf minuten vanaf ons huis waren. Ans zei: “Ich will bei meine Mutter schlafen!”. De soldaat glimlachte. Er waren dus ook nog vriendelijke Duitsers. “Ach was, gehen sie weiter, aber schnell”. Wij blij, en als de wiedeweerga naar huis.
Toen we thuis kwamen en ik mijn fietstas uitpakte vond ik
onder in de tas een stuk of vier illegale verzetsblaadjes. De straf op het
bezit ervan stond gelijk aan ten minste
concentratiekamp, maar je kon ook de doodstraf krijgen. Rond december 1944 had
klasgenoot Wim Koch aan mij namelijk gevraagd om illegale krantjes (Het
Parool) rond te brengen. Ik had er een paar van in mijn fietstas en was
vergeten deze krantjes uit mijn tas te halen. (Klik hier
voor het bekijken van dit blad.)
Nadat we thuisgekomen waren, kregen we ongeveer een week later een briefkaart van de schipper dat hij in de haven lag en dat we onze aardappels konden afhalen. We zijn toen op de fiets gestapt en naar de haven gereden. Ik weet echter niet meer welke haven. Toen we daar aankwamen betaalden we de schipper zijn loon en namen de aardappels mee. We legden deze aardappelzakken over het fietsframe en zijn toen ermee naar huis gelopen.
Toen we de klucht van de kade opreden met de fiets, stond
bovenaan een vrouw met een aardappelmesje in haar hand. Zij kwam op ons
toegelopen en begon met het mesje in mijn aardappelzak te peuteren om mijn
aardappels eruit te halen. Ik schreeuwde: “Hé, blijf van mijn aardappels af!”, maar dat mens ging gewoon ermee door. Uiteindelijk heb ik
haar zover gekregen dat ze ermee ophield. We hebben toen een paar uur met deze
aardappelzakken gelopen op weg naar huis.
Toen we thuis kwamen hebben we een grote pan genomen en
aardappels gekookt. Ik heb toen zoveel gegeten, dat ik het gevoel had te
“knappen”. Ik kon zelfs niet meer op bed liggen.
Hier eindigt het relaas van Coby den Uijl.
Na deze voorvallen werd ze ernstig ziek en moest noodgedwongen thuis blijven,
terwijl haar moeder weer op voedseljacht moest. De laatste maanden van de
Tweede Wereldoorlog braken aan. Binnen niet al te lange tijd werd dit deel van
Nederland bevrijd. De oorlog was voorbij.
In het kleine Amsterdamse straatje De Graanstraat (een
stukje van
In 1999 werd door de familie Verhoeven ontdekt dat twee
Joodse vriendinnetjes van Coby den Uijl
hoogstwaarschijnlijk zijn vermoord in het concentratiekamp Auschwitz,
in het huidige Polen. Dat heeft haar en haar familie tot op de dag van vandaag
buitengewoon veel verdriet gedaan.
Ook het trieste verhaal over de wegvoering van een Joods
gezin is hierboven niet vermeld. Vader, moeder en twee kinderen (meisje van 3
jaar en broertje van 7) werden door de buurt uitgezwaaid, niet wetend wat een
gruwelijk lot deze arme drommels in Duitsland te wachten stond. Dit Joods gezin
is waarschijnlijk in een concentratiekamp omgebracht, want ze zijn na de oorlog
niet meer teruggekeerd. In de veronderstelling dat hij in Duitsland zou gaan
werken, had de Joodse vader van dit gezin alvast splinternieuwe overalls
gekocht…
Persoonsbewijs: Het
Persoonsbewijs was een identificatiekaart met daarop een pasfoto, een aantal
controlenummers en de vingerafdrukken van de houder. Het Persoonsbewijs werd al
voor de oorlog in Nederland door ambtenaar J.L.Lentz
uitgevonden. De Duitse bezetter maakte handig gebruik van dit middel om
iedereen in Nederland te controleren. Joden en onderduikers konden zo
gemakkelijker worden opgespoord. Zo verordineerde medio 1941 de Duitse
politiechef en SS-obergruppenführer Hanns Rauter – op aandringen van Lentz- , dat bij Nederlandse Joden twee grote “J”-s op het
Persoonsbewijs moesten worden aangebracht zodat ze direct te herkennen waren. Brieven
van Rauter over de Jodenvervolging.
Het Persoonsbewijs
had een aantal kenmerken, waardoor vervalsing nagenoeg onmogelijk was (één
vingerafdruk bijvoorbeeld zat op de achterkant van de pasfoto geplakt met
daaroverheen een doorzichtige zegel. Zo kon men de pasfoto niet verwijderen
aangezien dan ook de rechter vingerafdruk en zegel werden verwijderd.), zie Persoonsbewijs
van Geertruida den Uijl). (Voor meer foto’s klik hier en
klik en klik hier)
De inkt van het
PB was zo ontworpen, dat het raster verdween indien men er een kwartslamp op
scheen. Het verwijderen van de geschreven tekst op het PB met aceton was ook
niet mogelijk, aangezien het karton op aceton reageerde en deze veranderingen
direct zichtbaar waren. Bovendien moesten de controlenummers – die bovenaan op
het PB stonden – corresponderen met de nummers in een speciaal archief, dat in
Huize Kleykamp in Den Haag werd bewaard. Wilde men
een vervalsing maken die niet van echt te onderscheiden was, dan moesten alle
nummers op het PB ook overeenkomen in dit archief in Kleykamp.
Het is het verzet nooit gelukt om een perfecte vervalsing van dit PB te maken.
Iedere
Nederlander van 16 jaar en ouder diende dit Persoonsbewijs bij zich te dragen
en moest bij controle op de openbare weg deze pas aan “bevoegd gezag” laten zien.
Men kon bijvoorbeeld zien, of een (mannelijk) persoon de juiste leeftijd had om
naar de Dwangarbeid in Duitsland overgeplaatst te worden. (Arbeidseinsatz)
Wie weigerde naar de Arbeitseinsatz te gaan, moest onderduiken. Anders werd men zonder pardon gearresteerd
en geëxecuteerd. Aanplakbiljet
Arbeidseinsatz
Ausweis: Een papieren document dat aangaf dat
men vergunning had om op een bepaalde plaats of gedurende een bepaalde tijd aanwezig
te zijn of dat er sprake was van een vrijstelling (zoals Arbeitseinzatz
of dienst aan het front). In zo’n geval
spreekt men dan van een Sonderausweis. Moest men
bijvoorbeeld werken gedurende de spertijd, dan had men naast een Persoonsbewijs
ook een Ausweis
nodig . Een Ausweis is dus
niet hetzelfde als een Persoonsbewijs, hoewel beide documenten met hetzelfde
woord worden aangeduid.
SS: Speciale afdeling
in het Duitse leger die bestond uit elitesoldaten. Deze afdeling is bekend geworden
wegens gruwelijke oorlogsmisdaden tegen Joden en Zigeuners, maar ook tegen
burgers in bezet gebied en bij gewone Duitsers. In het proces van Neurenberg
werd de SS betiteld als een criminele organisatie. De Waffen-SS
vocht aan het Oostfront tegen de Russen, maar schoot ook zonder pardon Duitse
soldaten dood als deze troepen zich tijdens gevechtshandelingen “laf”
gedroegen.
Vooral vlak na
de ineenstorting van het Derde Rijk, probeerden veel SS-ers
te vluchten voor de Geallieerden door een ander Duits uniform aan te trekken.
Maar omdat elk lid van de SS een tatoeagenummer had (aan de binnenkant van de linker bovenarm)
vielen ze bij controle gemakkelijk door de mand. Kleine oorlogsmisdadigers en SS-ers die niet voor het Tribunaal van Neurenberg zouden
verschijnen werden op Duits grondgebied ontvoerd en in het geheim, door het z.g. Baker-team uit Engeland,
standrechterlijk geëxecuteerd.
Razzia’s: Met groot
militair machtsvertoon werd door de Duitse bezetter een bewoond gebied
afgegrendeld en uitgekamd op zoek naar onschuldige burgers zoals Joden,
onderduikers en iedereen die later eventueel als gijzelaar kon worden
vastgehouden. Goederen waren tijdens deze razzia’s ook niet veilig. Zo was Coby
den Uijl eens getuige van een razzia, waarbij alle
fietsen van de eigenaren in beslag werden genomen in de Amsterdamse Linnaeusstraat tegenover de winkel van Jamin.
Soms werden er per keer wel duizenden mensen opgepakt. Op 11 november 1944
werden in Rotterdam 50.000 jongens en mannen gearresteerd in één enkele razzia, waarvan een groot deel
nog diezelfde dag werd afgevoerd. Foto razzia in Amsterdam.
Voedselsituatie:
Gedurende het derde kwartaal van 1944 bedroeg de hoeveelheid
energie in levensmiddelen in het door Duitsers bezet gebied nog maar zo’n 6000 Joule per
persoon per dag. Dit daalde dramatisch tot zo’n 2500
Joule per persoon per dag in het eerste kwartaal van 1945. En dit daalde weer
tot zo’n 1600 Joule per persoon per dag bij het begin
van het tweede kwartaal in 1945. Normaal heeft een gezonde man met een
gemiddelde lengte zo’n 11,200 Joule per dag nodig, een
gezonde vrouw (die niet zwanger is) ongeveer 10,400 Joule per dag. Het zal
duidelijk zijn dat de hoeveelheid energie in voedsel (en dan hebben we het nog
niet over het ontbreken van eiwitten, vitaminen en mineralen) tussen 1944-1945
volstrekt onvoldoende was; m.a.w. dit kwam gewoon neer op uithongering.
Voedselhulp door de gezamenlijke kerken:
Bij het uitbreken van de hongerwinter
hebben de Katholieke en Protestante kerken erg veel hulp geboden om kinderen
naar het Oosten van Nederland te evacueren. In het Oosten en Noorden van
Nederland was nog voedsel genoeg. Dankzij de gezamenlijke kerken zijn gedurende
de Hongerwinter 50.000 kinderen naar andere gebieden overgebracht om daar aan
te sterken. Men vreesde anders dat de jongsten onder
de bevolking deze winter niet zouden overleven. Omdat Coby en haar moeder niet
de juiste leeftijd hadden voor kerkelijke hulp, heeft een Rooms Katholiek
priester hen met extra voedselhulp ondersteund.
Gevolgen hongerwinter: Sir Winston Churchill
maakte via een telegram op 10 april 1945 aan de Amerikaanse president Roosevelt bekend, dat de situatie in Nederland wanhopig is.
Churchill zegt hierin dat er twee à drie miljoen
mensen in Nederland voor de hongersnood staan, waarvan er dagelijks een groot
aantal zal sterven. Aanleiding is o.a. het verzoek van minister-president
Gerbrandy geweest die op 16 december 1944 Generaal Eisenhower
een brief schrijft. Gerbrandy zegt hierin dat “de Nederlandse regering niet kan
aanvaarden dat lijken bevrijd zullen worden”. De Geallieerden stemmen daarom
toe in voedselhulp voor hongerend Nederland. Dat het overlijden van duizenden
per dag, gedurende de hongerwinter
niet ongemerkt voorbij ging, bleek wel uit het feit dat Coby den Uijl verschillende lijken in de Amsterdamse straten zag
liggen waar iedereen overheen stapte. Wetenschappelijk onderzoek na de oorlog
in Nederland heeft aangetoond dat er ernstige gezondheidsschade moet zijn
opgetreden bij bepaalde leeftijdscategorieën die de hongerwinter hebben overleefd.
Zwarte handel: Gedurende de
bezettingstijd in Nederland ontstond een levendige zwarte handel, waarbij tegen
zeer hoge prijzen clandestien producten konden worden ingekocht. Houten vloeren
die in de Amsterdamse Jodenbuurt massaal door de bevolking waren weggehaald,
werden grotendeels verhandeld op de zwarte markt. De Controleurs van de
Centrale Crisis Controle Dienst hadden tot taak om deze zwarte handel
(economische sabotage) te bestrijden. Bijna elk denkbaar product kon zijn weg
vinden naar zwarthandelaren. Een brood kostte op de zwarte markt 100 gulden,
terwijl het gemiddelde maandsalaris rond de 80 gulden schommelde. Alleen de welgestelden konden zich dergelijke uitgaven permitteren.
Wie betrapt werd op zwarte handel, kon op arrestatie en Duitse internering in
een concentratiekamp rekenen. Naar schatting zijn enkele honderden Nederlanders
omgekomen in Duitse concentratiekampen nadat zij opgepakt waren voor zwarte
handel.
Nutsvoorzieningen: Gedurende de bezettingstijd
waren alle nutsvoorzieningen in het westen nog aanwezig, maar gaandeweg werden
deze diensten opgeheven. In de Hongerwinter was er in Amsterdam-Betondorp
alleen nog maar water uit de kraan voorradig. Elektriciteit en gasaanvoer waren
gestopt. Hierdoor moest men de nodige creativiteit ontplooien om toch aan licht
te komen. Zo monteerde Coby den Uijl de fietsdynamo
op het achterwiel van haar fiets. Door nu de fietsstandaard
te gebruiken kon je gewoon zitten met het achterwiel los van de grond en kon je
bij het trappen
licht maken. Ook werden er zelfgemaakte kaarsen gebruikt voor de
binnenverlichting. De kaarsrestjes werden dan na gebruik in een vorm
omgesmolten met een nieuwe pit erin. Door het ontbreken van bepaalde
nutsvoorzieningen, was het openbaar vervoer in de hongerwinter stil komen te liggen. Hierdoor moest je
met de ‘benenwagen’ vele kilometers afleggen aangezien
het gebruik van de fiets te gevaarlijk was (razzia’s).
Distributiestamkaart:
Deze kaart had je nodig om de distributiebonnen (voor voedsel en
andere producten) te krijgen. De uitgifte van de Eerste- en Tweede
Distributiestamkaart kon alleen plaatsvinden indien men in het Gemeentelijke of
Centrale bevolkingsregister was opgenomen. Dit betekende dat bij de uitgifte
van de stamkaarten verschillende diensten waren betrokken: de burgerlijke
stand, de afdeling bevolking en de distributiedienst. Wie een stamkaart ontving
moest daarvoor een ontvangstbewijs tekenen dat in een speciaal register, het distributie-stamregister werd bijgehouden. Bepaalde
straffen werden ingesteld indien men stamkaarten met andere personen uitruilde,
en een waarschuwing werd dan ook op de Eerste Distributiestamkaart met een tekst aangegeven. Er bestonden
ook Noodstamkaarten. Distributiekaarten kwamen niet
alleen voor in de Tweede Wereldoorlog. Ook in de Eerste Wereldoorlog bestond in
Nederland distributie waarbij zaken als leer, meel, eieren, brood, aardappelen,
melk en melkproducten, suiker, vis, brandstoffen, granen, peulvruchten,
looistoffen, schoeisel, sajet en zelfs koffie en thee op de bon waren. Voor
schoenreparaties had men de Lederkaart nodig, Afbeelding Lederkaart
WOI
Distributiebescheiden
gedurende de bezetting: De volgende
distributiebescheiden zijn gedurende de bezetting in Nederland van kracht
geweest.
De Eerste
Distributiestamkaart was op naam gesteld
en deze kaart had je nodig om de distributiebonnen te krijgen. Zonder stamkaart
kreeg je geen bonnen en kon je dus geen voedsel of andere producten kopen.
Omdat vele duizenden jonge mannen gedurende de bezettingstijd ondergedoken
waren wegens de Arbeidseinsatz, werd door de Duitse
bezetter de Tweede
Distributiestamkaart ingevoerd. Deze
stamkaart kon men alleen verkrijgen, indien men zich meldde met het
Persoonsbewijs. Beide kaarten kregen dan een controlezegel opgeplakt. Wie
ondergedoken zat, kon zich niet legaal melden, en kon daarom geen Tweede
Stamkaart bemachtigen en ook geen bonnen verkrijgen. Dankzij het verzet had
deze maatregel gelukkig geen groot gevolg.
Tabakskaarten waren bonnen om z.g. bugshag of
surrogaat tabak te verkrijgen. De Tabakskaart krijgt een merkwaardige rol
toebedeelt in 1943. Op 30 november 1943 gingen alle scheermesjes per direct op
de bon. Daarvoor moesten alle mannen en jongens, in de leeftijd van 18 jaar en
ouder, de Tabakskaart R14 inleveren bij hun vaste leverancier van scheermesjes.
Wie zich niet meldde vóór 11 december van dat jaar, kwam niet meer in
aanmerking voor nieuwe mesjes. Om in aanmerking te komen voor een rantsoen,
moest er bovendien elke keer 5 gebruikte mesjes worden ingeleverd. Deze maatregel voor inlevering van mesjes liep tussen 6
november en 11 december 1943.
Textiel kon men
verkrijgen door de Textielkaart en de Toeslagkaart textiel, en was weer ingedeeld voor mannen en vrouwen. Serviesgoed
verkreeg men door de Serviesgoedkaart etc. Het inlegvel was een kaart waarop
stond, wanneer je de volgende distributiebonnen kon afhalen. Daarvoor moest je
een zegel afscheuren en die inleveren. Dan werd er een nieuwe bonkaart
afgegeven waarop nieuwe bonnen stonden van een bepaald product. Vervolgens
werden op de Stamkaart en het inlegvel aangetekend dat men deze kaart(en) had
afgehaald. De inlegvellen, die ingevoerd
werden in 1942, waren ingedeeld in K-inlegvellen en L-inlegvellen. Dit
onderscheid werd gemaakt naar leeftijd en welstand van de
betrokkenen. Kinderen bijvoorbeeld hadden nu eenmaal andere bonnen (en dus
andere inlegvellen) nodig, dan volwassen. De zogenaamde bonkaarten konden broodkaarten, vleeskaarten, boterkaarten en
bloemkaarten zijn. Daarnaast was er nog een bonkaart Algemeen. De
distributiebonnen waren niet meteen geldig. De geldigheid werd altijd van te
voren afgekondigd in de krant, zodat je wist wanneer je bepaalde bonnen kon inleveren.
Het nadeel van dit systeem was, dat iedereen op het zelfde moment zijn bonnen
moest gebruiken. Daardoor stonden voor de winkels lange rijen. Wie niet de hele
dag kon staan, moest natuurlijk door een familielid afgelost worden. Het was
daarom meer regel dan uitzondering dat – zodra als men aan de beurt was om iets
te kopen - de
winkelier uitverkocht bleek. Losse bonnetjes konden worden opgeborgen in een
mapje en werden soms stiekem gebruikt in een ruilhandel voor andere bonnen.
Nederlandse mannen, die in 1944 moesten opkomen voor
militaire dienst bij de Geallieerden, werden verzocht om hun
distributiebescheiden bij hun legeronderdeel in te leveren. Deze werden dan
opgestuurd naar de gemeente die bevrijd was en vervolgens vernietigd. Formulier
Militair Gezag Distributiebescheiden Wie meer informatie wil zoeken over de distributie kan ook de volgende
website bezoeken: Website
over de Distributie in Nederland
Distributiebonnen: Met deze bonnen
had men het recht om een bepaalde hoeveelheid voedsel en/of andere producten te
kopen. Men moest geld en
distributiebonnen hebben. Had men bijvoorbeeld wel geld, maar geen bonnen, dan
kon je geen voedsel of andere artikelen kopen. Zonder bonnen bestaat immers het
distributiesysteem niet. Het distributiesysteem moet er immers voor zorgen dat
iedereen evenveel krijgt en dat hamsteren wordt voorkomen. Toen er geen voedsel
meer te verkrijgen was in de hongerwinter had je aan bonnen dus
ook niets meer. Nu moesten de mensen noodgedwongen naar voedsel zoeken op het
platteland. Men schat dat er per dag zo’n
50.000 mensen vanuit het Westen op weg waren, op zoek naar voedsel. Het was
meer regel dan uitzondering dat daarvoor te voet of per fiets vele honderden
kilometers moesten worden afgelegd. Routekaart hongertocht Dedemsvaart
Surrogaat
middelen: gedurende de bezettingsjaren in Nederland werden steeds meer
gebruiksartikelen vervangen door surrogaat middelen, omdat de oorspronkelijke
grondstoffen niet meer verkrijgbaar waren. Uiteindelijk gingen na mei 1943 ook
de surrogaatmiddelen op de bon. Het waren dus producten die wat betreft smaak en/of kwaliteit volledig
in de schaduw stonden van de echte producten. Zeep bijvoorbeeld werd in de
oorlog vervangen door het surrogaat kleizeep. Het was geen echte zeep, maar
bestond uit een kleibasis met daaroverheen zand. Tabak werd vervangen door
surrogaattabak, ook wel
bug-shag genoemd (uitspreken als buksjek). Brood werd vervangen door het surrogaatmiddel
Regeringsbrood. Het zag er wel uit als brood, maar Regeringsbrood was donker
van kleur en smaakte klef en vies. Het Regeringsbrood was ook helemaal niet
gemaakt van tarwemeel, maar bestond voornamelijk uit roggemeel, aardappel- en
peulvruchtenmeel. Er zijn gevallen bekend dat er groene erwten, gemalen
tulpenbollen en zelfs stro in het brood verwerkt werden. Ook koffie en thee
werden vervangen door surrogaatmiddelen. Koffie was gemaakt van granen en werd
ook wel ‘eikeltjeskoffie’ genoemd. Schoenen waren niet gemaakt van leer, maar
van karton en papier. Ook touw was van papier gemaakt. Zelfs de grondstoffen
voor muntgeld en lijkkisten werden vervangen door surrogaatmiddelen. Lijkkisten
werden niet van hout, maar van karton gemaakt en muntgeld van zink. Omdat Coby
en haar moeder geen tabak gebruikten, ruilden ze deze bonnen in voor
‘voedingsmiddelen’, zoals beentjes afkomstig van de slager. De beentjes werden
dan gebruikt om soep van te trekken.
Noodkachel: Een buis van
Wonderkachel: een buis van
Brandstofschaarste: Toen het niet meer mogelijk was om aan kolen en andere
brandstoffen te komen, moesten de mensen in de hongerwinter zelf op zoek naar brandstof voor hun
Noodkacheltjes. Dit was makkelijker gezegd dan gedaan, want in de betreffende
winter was iedereen op zoek naar wat brandbaar was, met als gevolg dat al heel
snel de beschikbare voorraad in de omgeving uitgeput was. Er werd van alles
verzonnen om aan hout te komen. Mensen sloopten delen van het Nederlandse
spoorwegennet (bielzen), demonteerden stiekem (Duitse) schuttersputjes, hakten
bomen en heesters om, braken houten noodschooltjes af, sloopten de vloeren van
leegstaande gebouwen in de Amsterdamse Jodenbuurt en wipten zelfs de houten
blokjes eruit die tussen de Amsterdamse trambanen waren aangelegd. Weer anderen
grepen hun kans om bij de hongertochten illegaal sprokkelhout op het platteland
te verzamelen. Maar toen dit alles niet meer voorradig was kon de Noodkachel
ook geen uitkomst meer bieden. Daarom werd toen overgeschakeld op de
Wonderkachel aangezien je maar hele kleine takjes en twijgjes nodig had om dit
kacheltje te laten branden. Dit alles maakte de hongerwinter extra zwaar: men had onvoldoende
brandstof om de huizen te verwarmen en het ‘eten’ te koken.
Controleurs van de Centrale Crisis Controle Dienst: de CCD werd opgericht door de Duitse
bezetter, stond onder diens toezicht en had tot taak om de zwarte handel en
economische sabotage te bestrijden. Hierbij gingen deze Nederlandse controleurs
zóver, dat alle goederen van de mensen werden
afgepakt zodra men bemerkte dat deze goederen niet voorkwamen op het
bonnenboekje. Natuurlijk waren de mensen die in de hongerwinter op zoek waren naar voedsel hiervan de
dupe. Zij konden immers hun spullen aan de CCD kwijtraken. De CCD was ook
betrokken bij strenge controles tijdens het binnenhalen van de oogst. Er werd
bij dorsmachines gecontroleerd of de oogst niet in handen viel van de
hongerende bevolking. Ook het goedgekeurde zaaigoed stond onder strenge
controle van de CCD. De CCD trad niet in uniform op, maar in burger en de
controleurs waren waarschijnlijk te herkennen via een penning. Foto’s bij het
NIOD laten CCD-ers zien die controles uitvoeren op
straat met het bekende spiegeleibordje met daarop de tekst: “HALT-CCCD”. Wie
het geluk had om de CCD te ontlopen, kon ook nog controles verwachten van de
Landwacht. Ook zij namen voedsel en goederen van de mensen in beslag.
De Landwacht: In november 1943 werd van Duitse zijde de Nederlandse Landwacht
opgericht. De landwacht bestond voornamelijk uit NSB-ers die met jachtgeweren
uitgerust waren. Vandaar dat de bevolking de scheldnaam “Jan-Hagel”
bedacht. Gevreesd was de Landwacht echter wel, want op 27 maart 1945 wijdde het
illegale Parool er een artikel aan. In dat blad werd gewag gemaakt van talloze
arrestaties en executies door diezelfde Landwacht. Helemaal gehaat heeft deze
eenheid zich gemaakt, door de controles op straat zo fanatiek door te voeren
dat zelfs de voedselpakketten van de mensen in de Hongerwinter werden afgepakt.
Hoewel de Landwacht uit leden van de NSB bestond, stond aan het hoofd van de
Landwacht niet het hoofd van de NSB, Anton Mussert,
maar de SS- politiechef Hanns Rauter.
De Landwacht werd voor het eerst op straat gesignaleerd in maart 1944. De
Landwacht werd vooral ingezet voor de bewaking van gebouwen, het controleren
van Persoonsbewijzen op straat en het uitvoeren van arrestaties. Op sommige
foto’s is de Landwacht te zien in volledig zwarte uniformen, koppelriemen,
pistoolholsters en (Duitse) zwarte laarzen.
Grüne Polizei: Duitse ordepolitie die genoemd is naar hun
opvallend groene uniformen die zij droegen. Deze politie-eenheid was betrokken
bij razzia's, fietsenrazzia’s en arrestaties. Het is bekend dat zij
buitengewoon hard optraden tegen Joden en verzetsmensen. Over het algemeen
werden ze gehaat en met "groenen" aangeduid. NSB-ers echter werden
"zwarten" genoemd, omdat zij te herkennen waren aan hun zwarte
uniformen. Coby den Uijl zag tijdens een
fietsenrazzia ook dergelijke "groenen" optreden. Toen zij bleef
toekijken snauwde één lid van de Grüne Polizei haar toe:
"DURCHLAUFEN SCHWEINHUND!!". Deze bejegening
is ze nooit meer vergeten en soms nóg wordt ze er
boos over dat ze zo werd afgeblaft.
Knijpkat: een kort zaklantaarntje dat geen batterijen had. Het licht werd
verkregen door een beugel te bewegen die aan de knijpkat vastzat. Hierdoor werd
inwendig een magneet in een spoel rondgedreven waardoor inductiestroom
ontstond. Door deze stroom had men licht.
Foto
knijpkat uit 1993
Spertijd: Gedurende de spertijd, mocht je niet meer op straat zijn. In de
beginjaren van de bezetting ging de spertijd in om 24:00 uur en eindigde op
04:00 uur in de ochtend. Vanaf 1 februari 1942 werd als strafmaatregel de
spertijd in Amsterdam aangepast. De spertijd ging toen om 20:00 uur ’s avonds
in en duurde tot de volgende ochtend. De spertijd betekende in feite dat de
Nederlandse bevolking door de Duitse bezetter collectief huisarrest kreeg
opgelegd. Alleen mensen met een speciale Ausweis mochten tijdens de spertijd op
straat zijn.
Illegale krantjes: gedurende de bezettingstijd ontstonden vele illegale krantjes die
opriepen tot verzet. Natuurlijk waren deze krantjes door de Duitse bezetter
verboden. De bekendste illegale kranten waren het blad TROUW en Het Parool. Ook
in de katholieke provincies werden veel illegale
krantjes gedrukt en verspreid. Wie betrapt werd op het bezit van illegale
blaadjes kon niet alleen op arrestatie rekenen. Het is voorgekomen dat de
Duitse bezetter geprobeerd heeft om een productiestop van illegale blaadjes,
zoals Trouw, af te dwingen door op 9 augustus 1944 twaalf medewerkers van dit
blad te executeren door een vuurpeloton. Toen deze represaillemaatregel niet
hielp, werden de volgende dag daarop elf medewerkers van Trouw gefusilleerd.
Oorzaken hongerwinter: De Nederlandse regering in ballingschap
riep de Nederlandse spoorwegen op, om massaal het werk na 17 september 1944
neer te leggen. Deze oproep viel samen met de Geallieerde luchtlandingsoperatie
“Market Garden” bij Arnhem. Er werd inderdaad op 18 september 1944 gevolg
gegeven aan deze stakingsoproep. Maar de Duitse bezetter nam deze rebellie
niet, en als represaille voor deze opstand werden alle voedseltransporten naar
het westen van Nederland geblokkeerd. Omdat in de tussentijd het zuiden van
Nederland bevrijd was, konden er ook geen brandstoffen (Limburgse kolen) het
westen bereiken. Dit alles gebeurde in een periode waarin een zeer strenge
winter inviel, waardoor het vervoer over het water ook stil kwam te liggen.
Hoewel de Duitse blokkade zes weken heeft geduurd, was dit voldoende om een
hongerramp in het westen te veroorzaken van catastrofale omvang. Er was dus
niet alleen geen voedsel meer voor de bevolking, maar ook geen brandstoffen,
kleding en andere hulpmiddelen om de winter door te komen. Het heeft de
Geallieerden erg veel tijd en moeite gekost het Duitse opperbevel te bewegen om
in te stemmen met voedselhulp en medicamenten voor de hongerende bevolking.
Deze voedselhulp werd uitgeworpen door Geallieerde bommenwerpers.
Inleveren Nederlandse radio’s: Op 29 april 1943 werd door de Duitse
bezetter in Nederland alle mannen die in Nederlandse krijgsdienst waren geweest
(en na de capitulatie van Nederland vrij waren gelaten) verordineert
om in Duitse krijgsgevangenschap te worden gevoerd. Hiermee wilden de Duitsers
alle weerbare mannen uit het verzet houden en verplicht te werk stellen voor de
Arbeidseinsatz in Duitsland. Deze maatregel wekte
enorme beroering bij de Nederlandse bevolking, en spontaan braken stakingen uit
in het hele land. Politiechef en SS-obergruppenführer,
Hanns Rauter, kondigde
meteen een politie standgericht af, om de stakingen met grof geweld de kop in
te drukken. Zo’n 200 Nederlanders zijn toen door de
Duitse bezetter opgepakt en gefusilleerd door het vuurpeloton of zij kwamen om
tijdens gevechten op straat. Meteen werd Radio Oranje – die vanuit Londen
uitzond – verantwoordelijk gehouden voor het aanzetten van deze volksopstand en
iedere Nederlander kreeg toen het bevel om zijn radio in te leveren. Wie dat
niet deed, kon op transport worden gesteld naar het concentratiekamp.
Maar de Nederlandse bevolking had geen zin
haar radio’s in te leveren. Velen hebben
toen letterlijk hun radio laten “onderduiken” door dit apparaat op
ingenieuze wijze ergens in hun huis te verstoppen. Ook Coby en haar moeder
moesten de radio inleveren. Men schat dat zo’n 25% van
alle werkende radio’s in Nederland niet zijn ingeleverd. Toen hebben Coby en
haar moeder een werkend exemplaar in de houten vloer van de bovenverdieping van
hun woning verstopt. Daarvoor werd eerst een plank van de vloer verwijderd en
de radio in de vloerruimte neergelegd. Vervolgens werd de losse vloerplank weer
teruggeplaatst en een vloerkleedje overheen gelegd. Natuurlijk moest ook aan de
‘inlevering’ van de radio worden gedacht. Coby en haar moeder hebben in het
gemeenschapshuis in Betondorp een kapot exemplaar ingeleverd, alwaar alle
radiotoestellen van het dorp werden verzameld. Op de vraag of het toestel nog
werkte, zei de moeder van Coby “ja, natuurlijk!”.
Het illegaal beluisteren van Radio Oranje
ging als volgt: voorzichtig werd ‘s avonds het vloerkleedje en de betreffende
vloerplank weggehaald. Daarna ging iedereen op de vloer liggen en de radio werd
heel zachtjes aangezet. Stoorzenders van de Nazi’s verstoorden de uitzendingen
vaak zodat je bijna niets kon verstaan. Zo werd vanaf 1943 tot 1945 stiekem
geluisterd naar de uitzendingen van radio Oranje.
Later hoorde de moeder van Coby van de
overburen, dat er ’s avonds in het donker een NSB-er
de voortuintjes van de huizen binnensloop om aan de
ruiten te horen of iemand stiekem zat te luisteren naar een radio-uitzending
van de BBC. Gelukkig werd niemand door deze NSB-er
betrapt, maar toont wel aan dat overal in je eigen buurt verklikkers en
verraders konden opereren.
Verduistering: tijdens de bezetting moesten de mensen verplicht hun ramen zó
lichtdicht maken, dat er geen licht tijdens de avonduren naar buiten kon lekken.
Daarvoor werden geen normale gordijnen gebruikt, maar zwarte papieren
rolgordijnen. Dit ‘lichtdicht maken’ werd gecombineerd met algehele
verduisteringsmaatregelen, zoals gedoofde straatverlichting. Binnen korte tijd
werd het na zonsondergang dus pikdonker op straat. Hierdoor kon het gebeuren
dat je in je eigen straat kon verdwalen en vandaar dat mensen een knijpkat bij
zich hadden. Er zijn ook gevallen bekend van mensen die in het donker - van hun
werk op weg naar huis - verongelukten. In sommige buurten van Amsterdam werden
de huisnummers zo groot mogelijk op de buitenmuur geschilderd om ’s avonds de
weg te kunnen terugvinden. De Luchtbeschermingsdienst zag erop toe dat de verduistering van
de ramen kompleet bleef en reageerde direct met aanbellen als bleek dat een
raam een spleetje licht lekte. Bedoeling van de verduistering was om het
Geallieerde bommenwerpers onmogelijk te maken hun doelen te vinden.
Dolle Dinsdag: Op zondag 3 september 1944 wist Radio
Oranje te melden dat de bevrijding van Nederland aanstaande was, maar dit
bericht berustte op totaal verkeerde
informatie. Om niet geheel duidelijke redenen ging dit valse gerucht een eigen
leven leiden, want op dinsdag 5 september 1944 (Dolle Dinsdag)
werd er rondverteld dat de Geallieerden vanuit het zuiden van Nederland doorgestoten waren naar Breda. Hierdoor brak
er totale paniek uit bij de Duitse bezetter en de NSB, die massaal op de vlucht
sloegen voor de komst van de Geallieerden. In de grote steden zoals, Amsterdam,
Rotterdam, Utrecht, Assen, Groningen en Breda ging de bevolking massaal de
straat op om feest te vieren. Er werd gedanst, met potten en pannen geslagen en
lawaai gemaakt en men hing Nederlandse vlaggen buiten de ramen of droeg die op
de schouders buiten op straat. De bijna voltallige organisatie van de NSB
stortte als een kaartenhuis in elkaar en de leider van de NSB, Anton Mussert organiseerde in de haast een evacuatie van zo’n 60.000 mannen, vrouwen en kinderen met 40
evacuatietreinen naar Nazi-Duitsland. Sommige treinen, zoals bij Diemen, werden door Spitfires
vanuit de lucht beschoten, waarbij doden en gewonden vielen. Het komt tot
schermutselingen en schietpartijen tussen feestvierenden
op straat en Duitse soldaten samen met leden van de NSB. Ook in Betondorp in
Amsterdam kwam het tot schermutselingen. Op de Brink stond een Duitse
vrachtwagen gereed met NSB-ers die probeerde weg te komen. Daarbij werd
tenminste 1 jonge vrouw van de NSB in de wagen bewusteloos geslagen door
een buurvrouw die een uithaal maakte met een bos sleutels. Maar al gauw blijkt,
dat het gerucht over de bevrijding van Breda op niets is gebaseerd en de rust
keert weer terug, zodat het wel lijkt alsof alles bij het
oude blijft. Wat de bevolking in het Westen van Nederland dan niet weet is, dat
de euforie over een spoedige bevrijding van Nederland aan de vooravond staat
van de grootste hongercatastrofe in de moderne geschiedenis van ons land, de
Hongerwinter.
Inundaties in Nederland: De Duitse bezetter heeft in de periode tussen februari
1944 tot en met april 1945 grote delen van het Nederlandse laagland onder water
gezet met de bedoeling de Geallieerden zo moeilijk mogelijk te maken in hun
doorstoot naar het westelijke deel van Nederland. Deze inundaties begonnen
vanaf 11 februari 1944 waarbij de Wehrmacht de evacuatie
eiste van bepaalde poldergebieden in het westen. Niet alleen werden de mensen
door de Hongerwinter bedreigd, maar ook door opzettelijke inundaties. Naar schatting ging op deze manier
meer dan
Voedseldroppings Operation Manna en Operation Chowhound: Na maanden van overleg tussen de
Geallieerden en de Duitsers werd op 29 april 1945 de eerste voedseldropping
voor hongerend Nederland uitgevoerd en duurde 8 dagen. Hiervoor werden o.a. het
625ste Squadron in Scampton (Lincolnshire),
het (Australische) 460ste, het 467ste, verder het 100ste en het 101ste Squadron
van de RAF ingezet. In totaal waren er meer dan 30 Engelse Squadrons en 11 Bomb Groups van de Amerikaanse
luchtmacht bij deze droppings betrokken. Bij de eerste missie vlogen 242 zware
bommenwerpers van het type Lancaster naar de Hollandse kust via een afgesproken
corridor. Op 29 april 1945 werd 535 ton aan voedsel uitgegooid. De Duitsers
waren met de Geallieerden overeengekomen, dat deze bommenwerpers dit voedsel en
noodrantsoenen op geringe hoogte mochten afwerpen. Om er zeker van te zijn dat
tijdens deze wapenstilstand uit deze vliegtuigen geen parachutisten werden
afgeworpen, verordineerde het Duitse opperbevel in het geheim de samentrekking
van FLAK-afweergeschut. Ook zou de Duitse SD
steekproeven nemen om vast te stellen of deze afgeworpen zendingen inderdaad
voedsel betrof en geen illegale wapenzendingen.
Met alleen voedseldroppings was men er
niet, want men had bijvoorbeeld in Terbregge al 4000
man nodig om de voedselpakketten
van de velden af te halen. Dit kwam doordat er onvoldoende vervoersmiddelen voorhanden
waren. Voor het weghalen van de voedselpakketten werden o.a. de leden van de
Luchtbeschermingsdienst ingeschakeld. Op andere plaatsen in Nederland konden de
pakketten worden vervoerd met wagens getrokken door paarden. In sommige delen
werd de bureaucratie zo doorgevoerd dat het voor de bewoners nog 10 dagen
duurde alvorens zij deze pakketten in handen kregen. Natuurlijk werden de voedselpakketten
ook direct door de hongerige bevolking geopend om zo snel mogelijk iets naar
binnen te werken. Door de maandenlange uithongering echter konden velen het
voedsel niet verdragen, wat weer tot problemen leidde om de maaltijd binnen te
houden.
Sommige bommenwerpers werden tijdens deze
vluchten toch door de Duitsers (met lichte handvuurwapens) beschoten. Zij konden
evenwel hun pakketten zonder al te veel problemen
afwerpen. Overal stond de uitgehongerde bevolking naar deze voedseldroppings te
kijken, zelfs vanaf de daken werden de vliegtuigen toegezwaaid met vlaggen en
doeken.
In de tussentijd moest ook de USAAF in
actie komen. Door slecht weer echter, konden zij pas later aan de operatie meedoen, die
zij Operation Chowhound
noemden. Op 1 mei 1945 stegen meer dan 400 Amerikaanse B-17 bommenwerpers op
van Engeland richting Nederland. Van nu af werkten de Amerikanen en Britten
samen en daardoor verdubbelden zij het aantal voedseldroppings. Hierdoor werden
het aantal drop zones uitgebreid van 5 naar 11. Na 1 mei 1945 hadden de RAF en
de USAAF hun eigen zones. De zones voor de RAF waren: Valkenburg, Duindigt, Ypenburg, Terbregge, en Gouda. De USAAF had de volgende zones:
Vliegveld Schiphol, Vogelenzang, Bergen, Hilversum en
Utrecht. In deze 8 dagen werd meer dan 11.000 ton aan goederen afgeworpen boven
bezet Nederlands gebied. Bomber Command
voerde 3100 sorties uit en de USAAF 2200 sorties. Voor de bevolking was toen
het ergste leed geleden.
Zweeds witbrood: Nog steeds wordt gedacht dat het Zweeds witbrood boven Nederland
werd uitgegooid door Amerikaanse en Britse bommenwerpers. Het meel voor dit
brood werd echter aangevoerd door drie enorme schepen (de HALLAREN, de NOREG en
de DAGMAR BRATT) van het Zweedse Rode Kruis, waarvan de laatste twee schepen op
28 januari
De Bevrijding en de nasleep van de Hongerwinter: Op 4 mei 1945 gaven alle Duitse troepen zich
over in Noordwest-Europa. Een dag later volgde de capitulatie van het Duitse Ober-Kommando Nord-West aan de
21ste legergroep van generaal Montgomery. Alle
vijandelijkheden zouden op 5 mei 1945 om 08:00 ’s morgens in Nederland worden
gestaakt. Het 25ste Duitse leger met een sterkte van ongeveer 120.000 man en
onder commando van kolonelgeneraal Blaskowitz zou dan de wapens
neerleggen. Om 11:00 uur ’s ochtends werd in Hotel ‘De Wereld’ in Wageningen
een voorbespreking gehouden, waarna de capitulatieoorkonden geratificeerd
werden op 6 mei 1945 om 17:00 uur in de Aula van de Landbouwhogeschool, ook te
Wageningen. Op 7 mei vond nog een schietpartij plaats in Amsterdam, omdat een
aantal Duitse troepen hun wapens niet wilde inleveren aan de Binnenlandse Strijdkrachten
(de BS). Dit resulteerde in 19 doden en 117 gewonden op de Dam en de Nieuwe Zijds Voorburgwal, waar duizenden Amsterdammers waren
samengestroomd om hun Canadese bevrijders te verwelkomen.
De algemene toestand in Nederland vlak na
de bevrijding was ronduit rampzalig. Vooral in de laatste maanden van de oorlog
werd met verhoogde inzet het land door de Duitse bezetter leeggeroofd en werden
zelfs fabrieken ontmanteld. Tienduizenden huizen en bedrijfsruimten in de
steden waren verwoest of platgebombardeerd. Duizenden boerderijen, honderden
kerken, ziekenhuizen, scholen en jeugdgebouwen waren vernield. De spoorwegen
waren totaal ontregeld, het spoorwegennet deels onttakeld, en een groot deel
van het Nederlands rollend materieel was door de Duitsers geroofd en naar
Duitsland afgevoerd. Dit gold ook voor vee, goederen, vervoersmiddelen,
machines en de oogsten van het land. Nederland was grotendeels uitgeplunderd en
voor een gedeelte door de Duitsers moedwillig uitgemoord: vele tienduizenden
Nederlandse Joden kwamen om tijdens de beruchte veetransporten of stierven in
vernietigingskampen of concentratiekampen. Vele duizenden verzetsmensen en
willekeurig opgepakte onschuldige gijzelaars stierven door het vuurpeloton van
het SS-Standgericht van politiechef Rauter. Duizenden jonge mannen stierven tijdens de Arbeidseinsatz en vele duizenden stierven tijdens de
Hongerwinter. Meer dan 200.000 Nederlanders stierven door de Nazi-terreur of sneuvelden in de oorlog ter land, ter zee en in de lucht. De materiële ontreddering en de
financiële schade (van rond de 15 miljard gulden) waren enorm. Spoorbruggen
waren onttakeld en konden niet gebruikt worden. Havens waren volledig verwoest
door oorlogsschade waardoor het invoeren van hulpgoederen niet meer mogelijk
was. Het openbare leven was stil komen te liggen. Vuilnis werd in Amsterdam niet meer
door de Gemeente opgehaald. De overlevenden van deze verschrikkelijk
winter hadden gezondheidsschade opgelopen. Gevallen van hongeroedeem kwamen
voor door een chronisch gebrek aan eiwitten. Tienduizenden hectaren
landbouwareaal waren door opzettelijke Duitse inundaties in het westen van Nederland verwoest of
tijdelijk verloren gegaan. De blijdschap, de emoties en de opluchting van de
bevolking over de bevrijding waren enorm en zijn moeilijk in woorden uit te drukken.
Mensen huilden van geluk, droegen Nederlandse vlaggetjes mee naar hun verwoeste
huizen of dansten uitzinnig van vreugde op straat wegens de verlossing van een
5 jarige gruweltirannie van onderdrukking, uitmoording, van Duitse
terreurmaatregelen en uithongering die collectief en massaal over het
Nederlandse en Joodse volk waren uitgestort.
Om de oogst in 1945 te redden, werden
duizenden vrijwilligers en militairen ingezet om de oogst van het land af te
halen. Gelukkig slaagde men daarin wonderwel. Langzamerhand kwam de voedselhulp
en de verzorging op gang. Het heeft jaren geduurd, voordat Nederland en het westen van
Nederland deze afschuwelijke ramp te boven kwam.
Films (Polygoon journaal) vindt men via
deze link: Website filmcollectie de
Bevrijding van Nederland.
Reacties kun je versturen naar de Webmaster
Bij het samenstellen en het beheer van deze
website is de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. Dit geldt voor
de hierboven geldende informatie als de historische data. Wij aanvaarden geen
enkele aansprakelijkheid voor enige schade en voor de gevolgen van welke
beslissing dan ook die men op grond van bovengenoemde informatie heeft genomen,
ook indien deze informatie onjuistheden mocht bevatten. Verder hebben we geen
invloed op de informatie van andere websites die via de hier opgenomen links in
onze website worden vermeld en we aanvaarden dan ook geen enkele
aansprakelijkheid voor enige schade en voor de gevolgen van welke beslissing
dan ook die men op grond van deze informatie heeft genomen, ook als deze
informatie onjuistheden mocht bevatten.
© Copyright 2000-2010 by
P.G.Verhoeven en J.G.Den Uijl. All rights reserved. Datum
actualisatie: 1 januari 2010 om 17:24 uur.
Niets mag worden verveelvoudigd en/of
openbaar gemaakt op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van
de uitgevers.
Aantal bezoekers van 1 januari 2009 tot en
met 31 december 2010: 7205
Website
Mijnopruimingsdienst |
Aantal bezoekers sinds 5 november 2005