NaNoWri2009, PetraO.
16 november 2009 - Aantal woorden: 50105 |
Anaxia van Bunnik tot Zeist via Soest
staarde uit het raam de troosteloze Haagse straat in. Het regende. De grauwe
lucht werd weerspiegeld in de oude, verweerde klinkers. Het was één van die
tijdloze middagen, die haar het gevoel gaven dat zij hier eeuwig zou zitten,
voor altijd zou wachten. Natuurlijk zou Hare ook vandaag thuiskomen van haar
wandeling door het park, net als anders. Misschien zou ze weer een beetje
somberder zijn, weer wat ouder, wat zorgelijker. Zo sloop ze de dood tegemoet,
de laatste jaren, elke dag gaf ze een klein beetje leven op. Tot er niets meer
over zou zijn. En elke dag hoopte Anaxia dat het de andere kant op ging, dat
Hare bij thuiskomst wat levendiger uit haar ogen keek, stukje bij beetje de
moed vatte om de haar van hogerhand gegeven opdracht weer op te pakken en weer
de Koningin zou zijn. Wat de referenda ook mochten bepalen. Anaxia wist wel dat
haar hoop tevergeefs was. Hare was te oud. Ze had zich neergelegd bij haar
vernederende positie. Zoals zo vaak als ze dit bedacht, zuchtte Anaxia,
gelaten, maar toch vol spijt. Hoe mooi was het vroeger geweest, tot het einde
van de jaren Nul, toen alles was veranderd. Al die tientallen jaren dat Hare en
zij, dagelijks bijna, de bezoeken brachten aan instituten, tentoonstellingen,
openingen, concerten. Je kon het zo gek niet noemen of ze waren er geweest.
Overal de juichende mensen, zodra Hare de auto uitstapte en zij, Anaxia, altijd
twee passen achter haar. Nog steeds zag ze elke nacht de bevallige hand van
Hare voor zich, als ze Anaxia zonder haar aan te kijken het aangeboden boek of
de bos bloemen gaf. Dat simpele gebaar van vertrouwen, dat haar altijd weer
verwarmde. Hare wist dat ze nooit tevergeefs haar hand uitstak. Anaxia was er
om haar bij te staan, waarin dan ook. Toen kon Hare nooit in een park lopen,
want ze werd door iedereen onmiddellijk herkend. Maar goed, ze had het park
rondom het paleis, daar kon ze lopen en lopen, niemand die haar hinderde, al
die lanen, al die bomen, het was allemaal van haar en haar familie. Dat was nu
wel anders. Niks parken en landerijen waar ze niemand meer tegenkwam. Een
lullig stadstuintje, dat was het enige wat was overgebleven. Zo kon het
verkeren. En iedereen, op Anaxia na, had zich van Hare afgekeerd, bijna zodra
in Nederland de republiek was uitgeroepen die zou worden bestuurd bij
referendum. Jaren had het al gegonsd: er moest worden geluisterd naar de stem
van het volk. Daar paste de monarchie niet bij, hoezeer de Oranjes het volk ook
altijd een warm hart hadden toegedragen. Het volk wilde Hare niet meer, en
zeker haar oudste zoon niet. Het volk wilde helemaal geen regering meer, het
kon het voortaan zelf wel af. Ondankbaar was het, maar er was niets tegen te
doen. Lang had het niet geduurd voor dat Hare en haar familie de paleizen
moesten opgeven. In paleis Noordeinde was nu het bureau Referenda gevestigd,
samen met het dagelijks bestuur. De gebouwen rondom het binnenhof waren
omgebouwd tot hotel met casino met ook nog een subtropisch zwemparadijs. In de
hofvijver was nu een wildwaterbaan, waar mensen konden wildwaterkanoën. En op
het binnenhof zelf stonden levensgrote portretten van de politici uit de jaren
nul, waar je met pijltjes op kon gooien. Eén grote kermis was het en dat gold
voor de hele stad, of eigenlijk voor het hele land. Overal waren happenings met
zang en muziek. Dat ging de hele dag door. Mensen drongen zich verveeld van het
ene openluchtconcert naar de andere herdenking. Nog een geluk dat Hare en zij
in de Staatsliedenbuurt terecht waren gekomen, waar het nog relatief rustig
was. De voordeur klapte dicht en even later kwam
Hare de kamer binnen. Anaxia stond op om haar jas aan te nemen. Hare liep
zonder iets te zeggen door naar de keuken en schonk daar een jonge jenever in.
Ook zoiets: vroeger dronk ze witte wijn of champagne, maar sinds het einde van
de jaren Nul was ze aan de sterke drank. Dat verlies van majesteitelijkheid op
alle terreinen, dat zat Anaxia nog het meeste dwars. Ze ging Hare achteraan, de keuken in. “Wat
ziet u er vermoeid uit, Hare Majesteit,” zei ze. “Hebt u misschien behoefte aan
een warm voetenbad, of zal ik uw joggingpak even op de centrale verwarming
leggen zodat u er straks lekker warmpjes bij zit.” Hare gebaarde dat ze geen
moeite moest doen. In één teug ledigde ze haar glas en schonk zich nog eens in.
“Ik ben bij het bureau Referenda op bezoek geweest,” sprak ze met enigszins
schorre stem. Ze staarde naar de vloer. “Het was verschrikkelijk,” vervolgde
ze. “Ze herkenden me niet. Toen ik vertelde wie ik was, zei de directeur dat we
niet bij het verleden stil moesten staan, maar dat we vooruit moesten. Ze zei
dat het maar goed was dat het niet meer zo was als vroeger, dat de lijnen nu
veel directer en veel duidelijker waren. En toen vroeg ze me om weg te gaan.”
“Verschrikkelijk! Hoe durft ze!” “Ach, het was nog een wonder dat ze me
binnenlieten. Dat ze zich überhaupt nog konden herinneren wie ik was. Ik had er
niet naar toe moeten gaan. Stom van me. Af en toe kruipt de geest van Grootmoeder
even in me en ga ik me inbeelden dat ik dit land nog wat te bieden heb, dat ik
er een plicht te vervullen heb.” “Dat heeft u ook!” beweerde Anaxia fel. “Dat u
die niet kunt uitoefenen, is een schandaal, waarbij we ons nooit moeten
neerleggen!” Hare glimlachte. “Arme Anaxia,” zei ze. “We hebben ons er al bij
neergelegd en we kunnen ook niet anders. Ik moet bij Noordeinde uit de buurt
blijven. Misschien moesten we maar weg uit Den Haag.” “Nee, nee!” Anaxia trok
Hare aan de mouw. “Nooit, nooit mogen wij verzaken, hoe vaak heeft u dat zelf
niet gezegd.” “Vroeger, ja, toen ik er nog in geloofde. Maar werkelijk, Anaxia,
ik ben aan het einde van mijn reis gekomen, en mijn familie met mij. Dat is nu
eenmaal niet anders, hoe pijnlijk ook. Het geschiedenisboek is dicht, of liever
gezegd, we zijn aan een heel nieuw hoofdstuk begonnen.” Hare liep naar de
woonkamer en zette de televisie aan. Ineens sloeg ze de hand voor de mond.
“Nee, dat niet, dat mag niet gebeuren!” stamelde ze. Anaxia had het gestamel van Hare aangehoord
en keek met een half oog naar de televisie. Eerst begreep ze niet wat er aan de
hand was. Het beeld toonde de kroonprins
en zijn echtgenote in het prachtige gebied in Afrika, waar ze sinds 2011
woonden. Hare begon echter te stampvoeten en te schreeuwen op een manier zoals
ze vroeger alleen deed als haar vliegtuig te laat op het vliegveld was, of als
er iets anders gebeurde waar ze zelf geen invloed op had. “Hare!” riep Anaxia
geschrokken uit. “Wat is er? Is er iets met Alex?” Hare, die kennelijk niet had
gehoord dat Anaxia het ‘Majesteit’ weg had gelaten bij het aanspreken, keek
haar aan. Ze had bloeddoorlopen ogen en haar gezicht was rood en opgezwollen,
zozeer dat haar rimpels totaal verdwenen waren. Even leek ze weer op de jonge
vrouw die in 1966 zo moedig in het haar vijandige Amsterdam in het huwelijk was
getreden. “Ze pakken alles van ons af!” riep Hare uit. “Alles. Nu willen ze
Alex zijn huis afpakken, dat zou van de belastingbetaler zijn, van het volk.”
Ze stampvoette nog eens en gooide in uitzinnige woede haar kopje tegen de muur
kapot. “En het is niet waar! Alex heeft dat huis gebouwd van het geld van Papa.
Het geld dat Papa eerlijk had verdiend met zakendoen! Het volk heeft er niets
aan gedaan. Alles heb ik ze gegeven, de paleizen, de bossen, mijn inkomen, mijn
vermogen en nog is het niet genoeg!” Ze liet zich in haar stoel zakken en
barstte in een hysterisch snikken uit. Anaxia keek op haar neer. Anders dan
Hare had zij nooit veel op gehad met de echtgenoot van haar moeder, Prins
Bernhard. Oh ja, hij was zeker charmant, of in ieder geval kon hij zich zo
voordoen als hij er baat bij had, maar in werkelijkheid was hij een uitgeslepen
boef, die alleen uit was op zijn eigen voordeel en zijn eigen genot. Anaxia had
hem zoveel mogelijk ontnomen. Eén ding wist ze zeker: al het geld dat hij had,
was afkomstig van op zijn minst twijfelachtige praktijken. Maar zoiets kon ze
niet zeggen tegen Hare. Die zou haar als verrader beschouwen en dat was wel het
laatste wat ze wilde. Ze sloeg een arm om haar heen. “Ik ben bij u,” sprak ze
de gewezen vorstin zacht toe. “En ik zal altijd bij u blijven, wat er ook
gebeurt, al moeten we samen in een tent gaan slapen.” Als gestoken keek Hare
op. “Wát zeg je? Zullen ze me mijn huis hier ook nog afpakken? Oh ja, ze zijn er
gek genoeg voor. Als een referendum maar uitwijst dat dat moet gebeuren, dan
pakken ze het van me af. Ach, hadden ze me maar doodgeschoten, net als destijds
Nicolas, dat zou eigenlijk humaner zijn geweest.” Anaxia deed er het zwijgen
toe. Als Hare in zo’n stemming was, was het onmogelijk om haar op andere
gedachten te brengen, dat wist ze maar al te goed. Het managementteam van het Bureau Referenda
zat, zoals elke week op maandag ochtend, bijeen om de lopende referenda te
bespreken. Ook knelpunten met al uit te voeren referenda kwamen aan de orde.
Lori Breeweg, sinds jaar en dag interim-directeur van het bureau, las de
agendapunten voor. “Het toegenomen beroep op de WAO als gevolg van het verhogen
van de leeftijd van de AOW”, sprak ze. “En in relatie daarmee natuurlijk de
uitkomst van het referendum over de inkomensvoorziening van
arbeidsmindergeschikte 65-plussers…Het verslag van mijn gesprek met het
triumviraat, en…”. “Hoor eens, Lori,” onderbrak Tecla Pathos, de secretaris van
het bureau, haar. “Denk je dat we er goed aan doen om elke week referenda te
bespreken die met elkaar in tegenspraak zijn? Dat leidt toch nergens toe? Net
zoals vorige week: de A1013 moet snel worden aangelegd om verdere filevorming
rondom Gouda te voorkomen maar een ander referendum wijst uit, dat omwonenden
er geen last van mogen hebben en dat ze wel hun natuurgebieden mogen houden.
Dat houdt toch een keer op?” Lori wuifde de bezwaren van Tecla weg. “Wij hebben
niks te vinden,” stelde zij, niet voor de eerste keer. “Wij hebben uit te
voeren wat het triumviraat wil. Maar het triumviraat is niet tevreden over ons.
Het is ook onze taak om de tegenstellingen tussen de referendumvoorstellen weg
te werken.” “Zal wel,” schamperde Tecla. “Onzichtbaar te maken, bedoel je.
Wegwerken lijkt me nogal moeilijk, als de eis is dat de snelweg er
tegelijkertijd wel en niet moet zijn.” Lori haalde haar schouders op, alsof ze
vermoeid was. Ze herstelde zich echter snel en spoedde zich naar de flap-over,
die altijd gereed stond in de kleine vergaderzaal. Ze tekende wat rechthoekjes,
tenminste, min of meer rechthoekige figuren die meetkundig misschien niet
helemaal klopten, maar die wel degelijk haar bedoeling weergaven. En daar ging
het maar om, vond ze zelf. Ze legde uit: “Kijk, hier hebben we het besluit
‘Aanleg A1013’ en hier hebben we het andere besluit ‘Behoud natuurgebied’. Als
je de twee besluiten verbindt door deze lijn, ” en hier tekende ze een ferme
lijn die recht bedoeld was, maar wat krom en trillerig op het papier
terechtkwam, “Dan zijn de twee ogenschijnlijk tegengestelde besluiten met
elkaar verbonden. Het is een kwestie van het willen zien, Tecla, van helikoptervisie
en in jouw cynisme bespeur ik steeds vaker het ontbreken daarvan!” Nu was het
Tecla’s beurt om haar schouders op te halen. “Zoals je wilt, Lori,” zei ze.
“Jij bent de baas. Laat nu maar eens horen wat het triumviraat te zeggen had.
Als dat iets nieuws is tenminste.” De andere leden van het managementteam
hadden de discussie zwijgend aangehoord. Of misschien hoorden ze niets meer.
Immers, het ging al jaren elke maandagochtend om hetzelfde. Niemand wist of
Lori werkelijk geloofde wat ze beweerde, of dat het de bedoeling was dat het
managementteam het geloofde. En steeds minder maakte men zich daar druk om. Eenmaal terug achter haar bureau opende
Tecla haar mail om de opdrachten van het Triumviraat tot zich te nemen. Elke
week werden er vele referenda uitgeschreven. Eigenlijk was er meer sprake van
vage ideetjes, die door Tecla moesten worden uitgewerkt. Ze deed haar werk
zoals je zo veel noodzakelijke dingen deed in je leven. Opstaan, tanden
poetsen, je in de overvolle bus wringen, allemaal dingen waar je weinig plezier
aan beleefde, maar die je nu eenmaal moest doen. Aan elk referendum moest een
prijsvraag worden verbonden. Iemand die stemde, kon een telefoonnummer bellen
waar een vraag werd gesteld en als de bellende persoon die vraag goed kon
beantwoorden, kwam hij in aanmerking voor de hoofdprijs bij dat referendum.
Toen in 2011 het verkiezingsresultaat had uitgewezen dat geen enkele coalitie
mogelijk was, was men overgaan tot dit systeem. Nog hetzelfde jaar was het
eerste referendum uitgeschreven: moest het koningshuis worden afgeschaft. Ja,
vond zestig procent van de mensen die gestemd hadden. Alleen was de opkomst
maar veertien procent, hetgeen een ietwat wankele basis was voor een tot op de
merg democratische besluitvorming. Al snel had het Triumviraat, dat
tegelijkertijd was ingesteld, besloten dat het zo niet kon en na consultatie
van een gerenommeerd reclamebureau werd aan elk referendum een prijsvraag
verbonden. Er konden flinke prijzen worden gewonnen, zoals villa’s, dure auto’s
en luxe vakanties. De opkomst was meteen met sprongen gestegen, net als de
belangstelling voor de onderwerpen. Elke avond kwam de referendumshow op
televisie, vlak na het journaal. Het was een lichtvoetig entertainmentprogramma
waar het onderwerp op speelse wijze aan de orde werd gesteld. Een opkomst van
tachtig procent was nu geen uitzondering meer, terwijl de mensen minimaal eens
per week naar de stembus moesten. Tecla had het dan ook heel druk met het
uitwerken van de ideeën van het triumviraat. Het was altijd weer ploeteren om
alles op tijd af te krijgen, om nog maar te zwijgen van het bedenken van een
prijs, die de opkomst moest garanderen. Deze keer was het een heel speciale
vraag, van het type dat ze de laatste jaren niet meer bij de hand had gehad.
Het volk moest beslissen over het huis in Mozambique van de voormalige
kroonprins. Was dat wel of niet het bezit van het volk. De mensen werden geacht
zich daar over een week over uit te spreken, want men kon voorheen de
kroonprins niet al te lang in onzekerheid laten zitten. Tecla opende haar lade
en pakte het buikflesje wodka dat ze had verborgen onder een ordeloze stapel
papieren. Ze nam een flinke slok en direct voelde ze zich wat rustiger.
Allereerst moest ze de vraag formuleren. En dan de stemlokalen op de hoogte
stellen, vervolgens de prijs aanschaffen. Ze zette haar vingers op het
toetsenbord en ging aan de slag. Minister Rita betrad de spreekkamer van het
triumviraat in joggingpak. Met het stijgen van de jaren namen ook de kilo’s vet
toe die aan haar lichaam hingen en die probeerde ze kwijt te raken door al
joggend naar de dagelijkse vergadering te komen. Dat ze onderweg meestal stopte
om iets lekkers bij de koffie te halen, zat haar doelstelling danig in de weg. Ze legde het vettige papier midden op
tafel, en trok haar jack uit. “Sorry dat ik wat later ben,” sprak ze fier.
“Maar mijn oefeningen duurden vanochtend wat langer en bovendien heb ik tijdens
mijn training weer talrijke inspirerende ideeën op gedaan!” Met een bons zette
ze zich op de comfortabele vergaderstoel. Berend de Giller scheurde gretig het
pakje lekkers open. Toen hij de inhoud had gezien, riep hij: “Gadverdamme,
Rita! Baklava! Een tsunami van Baklava bied je ons hier aan! Wat is er mis met
de Bossche bol, het mariakaakje en de koningin van het lekkers bij de koffie:
de Limburgse vlaai!” “Niets, helemaal niets, Berend,” beet Minister Rita van
zich af terwijl ze onder tafel nog wat strekoefeningen met haar benen maakte.
“Maar wat afwisseling kan geen kwaad, lijkt mij. Je moet toch eens wat minder
provinciaal worden! Ik ben rechtdoorzee, maar ik lust alles!” “Ja, dat is je
aan te zien,” mompelde Wouter Tak, die deze maand voorzitter was van het
triumviraat. Een permanent voorzitterschap zou de indruk wekken dat het ene lid
belangrijker was dan het andere, daarom rouleerde het. Als Wouter moest
voorzitten, duurden de besprekingen lang. Hij was immers een gestaald
partijkaderlid, had alle congressen en kiescommissies uitgezeten zonder ooit
ook maar één keer in slaap te vallen en hij wist maar al te goed dat mensen
dodelijk vervelen alles was wat hij hoefde te doen om zijn zin te krijgen. Berend
had al drie stukjes Baklava achter zijn kiezen en zijn wat vettige vingertjes
zweefden boven de doos om de vierde te pakken. “Ho even,” zei Minister Rita.
“Laat je voor ons ook nog wat over? We hebben nog een hele ochtend te gaan
hoor!” Betrapt trok Berend zijn hand terug. “Ik word weer eens in een speciaal
kamp gezet, ik word gedemoniseerd,” zeurde hij. Niemand reageerde. Sinds in
2011 duidelijk was geworden, dat zijn draagvlak bij het volk heel groot was,
was het duidelijk dat hij moest worden toegelaten tot het triumviraat.
Hetzelfde gold voor Minister Rita, al was haar draagvlak wat grilliger van
karakter. Wouter Tak kon met iedereen overweg, want hij voelde heel goed aan
wat er leefde in het land. Het triumviraat was dus snel gevormd. Het moest
eigenlijk om de vier jaar een referendum uitschrijven over zijn opvolging, maar
dat hadden de leden tot dusver niet gedaan. Altijd als het onderwerp op de
agenda kwam, concludeerden de leden dat het land meer gebaat was met
continuïteit dan met weer een periode van onrust. “Het eerste punt op de agenda,” sprak
Wouter tak, terwijl hij zijn leesbril over zijn neus heen en weer schoof, “De
opheffing van het Bureau Referenda.” “Opheffing?” vroeg Berend verbaasd. “We
kunnen toch niet zonder Bureau Referenda? We zouden het toch reorganiseren?”
“Tot die conclusie zouden we ook kunnen komen, natuurlijk, maar opheffing moet
zo langzamerhand toch echt tot de reële opties worden gerekend. Want wat dat
bureau presteert, grenst aan sabotage. Al die tegenstrijdigheden. Ze worden
geacht creatief om te gaan met onze directieven en dat verdommen ze eenvoudig!”
“Laten we het onderzoeken,” sprak Minister Rita kordaat. “Laten we een bureau
in de arm nemen dat gaat onderzoeken hoe ze werken, dan komt er vanzelf wel uit
dat we moeten gaan saneren.” Wouter Tak zuchtte. Er waren al zoveel onderzoeken
geweest, al sinds de oprichting van het Bureau Referenda. Al die onderzoeken
waren in feite nog bezig, want geen conclusie was ooit naar de zin van het
triumviraat, zodat de bureaus eindeloos bezig waren met hun conclusies te
herschrijven. “Nou goed, dan nog maar een onderzoek,” gaf Wouter toe. “Maar dan
van een bureau dat wel eens een keer tot de goede conclusie komt.” “Inderdaad,”
stemde Minister Rita in, terwijl ze haar armen over elkaar legde. “Een
conclusie die rechtdoorzee is, niet zo halfslachtig, maar een duidelijk
verhaal, waarmee we verder kunnen”. Wouter Tak tikte met zijn zilveren hamertje
op tafel. Daarna keek hij er vertederd naar. Het hamertje was nog van Willem
Drees sr geweest. Hij had het bemachtigd op de veiling van partijbezittingen
nadat de partij was opgeheven. Zíjn hamertje. Niemand zou het hem ooit afnemen. Anaxia wist niet wat ze moest doen. Sinds
op de televisie was aangekondigd, dat het huis van Alex het onderwerp van een referendum
zou worden, was Hare in alle staten. Ze trok aan haar haren, stampvoette,
gooide servies kapot, kortom ze had zich zelf in het geheel niet meer in de
hand. “Hare majesteit!” drong Anaxia aan, terwijl ze de gewezen koningin bij de
mouw greep. “U moet u beheersen. Het is het democratische proces, en daar is
niets tegenin te brengen. Als het huis van het geld van uw vader is betaald,
zal Alex dat kunnen aantonen. Hij zal dan op zijn minst recht hebben op
compensatie.” Ze dacht even na en vervolgde. “Misschien loopt het allemaal goed
af, misschien komt hij terug, met vrouw en kinderen, misschien komen ze zelfs
hier in de buurt wonen.” Verwond keek de oude koningin op. “Hier? In een
rijtjeswoning? Ik kan dat aan maar Alex niet! En Maxima ook niet! Het zal ze
vernietigen als het laatste wat ze nog hebben ze wordt afgenomen!” Anaxia
reageerde daar niet op. Het laatste wat Alex had, bestond uit een enorm
landgoed met een kolossaal huis erop. Alles was er: safaripark, zwembad,
braaiplek, je kon het zo gek niet bedenken of Alex had het. Eigenlijk had
Anaxia hem altijd een verwend kreng gevonden. Hij was Hares lieveling en ze
keek wel uit om iets negatiefs over hem te zeggen, maar het was vroeger al een
kreng van een kind. Altijd zijn broertjes treiteren, altijd onbeschoft naar het
personeel. Toen hij eenmaal volwassen was, was hij een inhaler geworden, niks
was goed genoeg voor meneer de gewezen kroonprins. De geest van zijn grootvader
was duidelijk in hem gevaren en helaas miste hij elk sprankje geest van zijn overgrootmoeder.
Natuurlijk was dat huis van het volk, daar twijfelde Anaxia niet aan, maar geen
haar op haar hoofd die er ook maar over peinsde om dat uit te spreken. Daarvoor
had ze Hare te lief. Dat was al zo sinds ze samen op last van Juliana, de
moeder van Hare, als meisjes samen hadden gespeeld. Ze was aan Hare voorgesteld
toen die na de oorlog terugkwam uit Canada en bij de eerste blik was ze
verkocht geweest. Jong als ze was, wist ze dat er nooit een ander in haar leven
zou zijn. Hare wist daar niets van, want die zou haar meteen verstoten. Hare
was gehecht aan decorum en elke afwijking daarvan verafschuwde ze. Toch had ze
zich kennelijk nooit afgevraagd waarom Anaxia al haar nukken verdroeg en waarom
ze haar als enige hofpersoon naar de bescheiden woning in de staatsliedenbuurt
gevolgd was. Het was liefde van de zuiverste soort, een liefde die Hare nooit
zou kunnen ervaren met haar koppige hang aan uiterlijke zaken. Anaxia beschouwde het als het drama van
haar leven, dat ze van iemand hield aan wie ze dat nooit zou kunnen bekennen.
Sterker nog, ze moest het voor iedereen geheim houden, want je wist nooit hoe
iets wat je zei uiteindelijk bij Hare terechtkwam. Iedereen had natuurlijk een
verzwegen drama, tenminste, daar ging Anaxia vanuit. Alle opera’s, musicals,
boeken en soaps gingen alleen maar daarover. En iedereen bleef eeuwig alleen
met haar drama. Wat een rare bedoening was het toch, dit leven. Anaxia
glimlachte wrang. Ze werd uit haar overpeinzingen opgeschrikt door een uitroep
van Hare. “Jij gaat bij dat bureau werken!” riep ze uit. Anaxia wist niet wat
ze bedoelde en keek haar vragend aan. “Het Bureau Referenda!” sprak Hare
ongeduldig. “Daar ga jij werken, en daar ga jij ervoor zorgen dat het
referendum goed afloopt.” “Maar Hare Majesteit! Dat kán toch niet! Dat is
immoreel! Stel, dat ze erachter komen, dan raakt u uw bescheiden staatspensioen
ook nog kwijt, dan raakt u afhankelijk van de AOW! Weet u wel wat dat betekent?
Dan kunnen we zelfs niet meer in de Staatsliedenbuurt blijven wonen!” “En tóch
ga je het doen!” hield Hare vol. “Je neemt vandaag nog contact op met die interim-directeur,
Lori Breeweg, en je meldt je aan als vrijwilliger.” “Maar het is geen
vrijwilligersorganisatie, het is een professionele organisatie, ze nemen daar
mensen in dienst, als er vacatures zijn, je kunt er niet zomaar gaan werken.”
Hare hield voet bij stuk. “Jij gaat het regelen! Ik laat mijn kind niet alles
afnemen, ik laat mijn jong niet aan de leeuwen, dat nooit!” Anaxia zweeg. Er
was geen ontkomen aan. Als Hare iets van haar gedaan wilde krijgen, dan deed ze
dat ook. Zo lagen nu eenmaal de verhoudingen. Minister Rita zat puffend aan haar bureau
in haar eigen kantoor. Haar staf was sinds jaren geslonken tot één medewerker,
maar dat was in ieder geval meer dan Berend kon zeggen: die was helemaal alleen.
Ze legde haar handen achter haar hoofd en wipte wat heen en weer op haar stoel.
Dat deed ze altijd als ze moest nadenken. Negen jaar bestond het Triumviraat nu en
het werd tijd dat zij het roer overnam. Weliswaar mocht ze één keer per drie
maanden als voorzitter optreden, maar een vrouw van haar formaat moest de echte
leider zijn. Alleen zij wist wat er onder het volk leefde, en dat kwam, omdat
alleen zij een luisterend oor had. Dat Karla, haar medewerker, haar
ondersteunde, hielp haar enorm bij het opvangen van alle signalen. Trots op
Rita had alle stormen van de laatste jaren overleefd. Aan het einde van de
jaren Nul had het er naar uitgezien dat de beweging in zijn geheel zou
verdwenen en dat zou vast zijn gebeurd als er nog altijd verkiezingen waren, maar
die waren er gelukkig niet meer. Trots op Rita zou blijven bestaan. Wat zei ze?
Trots op Rita zou de enige beweging worden die nog iets in de melk te brokkelen
had. Ze kon heel goed buiten Wouter en Berend. Karla kwam binnen. Ze wierp een afkeurende
blik op de outfit van Rita. “Je moet toch wat om je imago gaan denken, Rita,”
sprak ze. “Zo’n trainingspak, dat komt niet goed over.” “Hoezo niet? Je hebt
toch zelf gezegd dat een sportief imago me goed zou doen? Ik heb gejogd naar
het Triumviraat, sportiever kan het toch niet, zou ik zo zeggen.” Karla dacht
na. “Ga eens staan,” zei ze. Minister Rita gehoorzaamde. “Draai je om.” Weer
deed ze wat er gezegd werd. “Ja, het is goed zo, ga maar weer zitten.” Minister
Rita nam plaats achter haar bureaustoel. Even beving haar het onaangename
gevoel dat Karla de baas was en niet zij. Maar zo lag het natuurlijk niet.
Karla was gewoon een heel goede imagebuilder. “Dat trainingspak, dat doet het
hem niet,” zei Karla. “Zolang je zo vet bent, zie je eruit als een hobbezak in
zo’n ding. Voortaan vertoon je je alleen nog in mantelpak buiten. Maar aan dat
imago van sportiviteit van jou moeten we wel wat doen. Misschien iets in het
zwembad, dan valt dat blubberlijf van je niet zo op. Ik zal er over nadenken.”
Kordaat verliet Karla de kamer. Minister Rita was blij dat ze weer alleen werd
gelaten. Ze zou het nooit aan zichzelf toegeven, of misschien heel
schoorvoetend dan, maar ze was eigenlijk een beetje bang voor Karla. Die leek
zo streng en zo gespeend van enige bewondering voor haar. Dat gold nog meer
voor de man van Karla, die niet in dienst was van Trots op Rita, maar die af en
toe wat klussen deed voor de beweging. Sander was een Hell’s Angel en hij zag
er nogal woest uit, in dat eeuwige leren jack van hem met die tekenen erop. Hij
had lang haar, een grote baard en vele tatoeages. Als hij kwam om een lamp aan
het plafond te hangen of een nieuw bureau te monteren, sprak hij geen woord en
er kon geen glimlachje af. Maar ja, hij was wel erg handig. Als ze van tevoren
wist dat hij zou komen, zorgde Minister Rita ervoor dat ze net weg was voor een
afspraak. Nu Karla haar kamer uit was, kon ze haar plan om het triumviraat over
te nemen, verder uitwerken. Die twee jongens in diskrediet brengen, dat was het
enige wat ze hoefde te doen. Bij Berend kon dat niet moeilijk zijn, die was te
stom om zijn handel en wandel goed te verbergen, maar aan Wouter zou ze nog een
hele klus hebben. Dat was een gladjanus en hij was de afgelopen twintig jaar
overal mee weggekomen. Zelfs met het opblazen van de hele financiële structuur
in Nederland. Onrustig tikte ze met haar nagels op het bureau. Helemaal achterin de grote schuur die als
inboedelopslagplaats diende, had Berend de Giller nu al zo’n tien jaar zijn
onderkomen. Hij beschikte over een eenvoudige woonkamer met badkamer. Van een
keuken kon geen sprake zijn vanwege het brandgevaar, zodat hij voor zijn warme
maaltijd volledig afhankelijk was de chinees op de hoek. Op deze maandag zat
hij van zijn kartonnen bord nasi te eten. Maandag was nasidag, dinsdag bamidag
en zo ging het de hele week door. Op zondag at hij babi pangang, want zondag
was toch een feestdag. Berend overpeinsde het verloop van de vergadering van
het triumviraat. Het zinde hem helemaal niet zoals dat ging. Wouter koesterde
dat zilveren hamertje, dat vast symbool stond voor het leiderschap dat hij zich
inbeeldde. Hij had een te grote mond, die Wouter. Terwijl Berend toch de
populairste van het Triumviraat was. Althans, dat was altijd zo geweest en
waarom zou dat veranderd zijn. Hij durfde dingen te zeggen die niemand durfde
te zeggen. Hij had daar de nu al jarenlang durende verbanning uit zijn gezin
voor over. Hij leed. Maar hij zou volhouden. Vanmiddag had hij, direct na de
vergadering, in een journalistencafé gezegd dat de baklava verboden moest
worden. Dat was een islamitische lekkernij die de puur Hollandse lekkernijen
zou verdringen. Een zoveelste bewijs van een opdringende Islam, die de cultuur
voorgoed en dramatisch zou veranderen. Nu keek hij in het journaal en tot zijn
ontzetting werd zijn bewering niet genoemd. En dit was al het derde journaal
dat hij bekeek. Geen woord over baklava, helemaal niets, alsof hij het niet
gezegd had, alsof hij niet meer bestond. Als hij erover nadacht, ging alles
achteruit. Het was nu al jaren geleden dat hij met de dood was bedreigd. Hij
had afgelopen zomer zelfs wel eens tegen zijn vrouw gezegd dat hij overwoog
terug te keren naar Venlo, om bij zijn gezin te zijn. Maar zijn vrouw had hem
op het hart gedrukt dat het veiliger was om in de loods te blijven. Nee, ook
een nachtje overkomen kon hij beter niet doen. Stel je voor dat er wat
gebeurde. Daar had hij zich maar bij neer te leggen, en op zijn meest sombere
momenten vroeg hij zich af hoe het kwam dat het met haar juist zo goed leek te
gaan. Oh ja, ze belde hem elke week, maar als hij haar belde, leek ze zich zo snel
mogelijk van het gesprek af te willen maken. Miste ze hem eigenlijk wel, vroeg
hij zich weleens af. Hij moest iets ondernemen. Om te beginnen,
moest hij aan het hoofd staan van het Triumviraat. Zo’n roulerend
voorzitterschap was niks. Daarmee kon je je niet duidelijk genoeg profileren.
Daar raakten mensen van in verwarring. Dan wisten ze niet wie de echte leider
was. Misschien moest hij er zelfs een univiraat van maken. Wouter en Rita waren
allebei lastposten, met hun zogenaamde kritische vragen, die daadkracht maar in
de weg stonden. Negen jaar bestond het triumviraat nu en nog altijd waren er
anderhalf miljoen Moslims in Nederland. Dat wilde het volk niet, dat had het
volk nooit gewild en hij, Berend, was de luidste en de duidelijkste stem van
het volk. Hij dacht terug aan die prachtige jaren Nul, toen hij elke avond op
televisie was en toen zijn aanhang volgens de opiniepeilingen almaar toenam.
Die was groter dan die van Wouter en al helemaal groter dan die van Rita. Dat
de verkiezingsuitslagen van 2011 iets anders hadden uitgewezen, kon niet anders
betekenen dat er fraude in het spel was geweest. Dus het was gewoon het
eindelijk, eindelijk uitvoeren van de wil van het volk als hij de macht
overnam. En zodra hij dat voor elkaar had gekregen, was het gedaan met het
Bureau Referenda. Referenda waren niet meer nodig, hij kon zelf wel bepalen wat
de meerderheid wilde. Zijn bord was leeg. Hij legde het in de vuilniszak, die
tegen een verhuisdoos stond. Langzamerhand ging hij zich iets beter voelen. In zijn riante appartement liep Wouter Tak
onrustig heen en weer. Het moest nu eens afgelopen zijn met die amateurs in het
triumviraat, bedacht hij voor de zoveelste keer. Het liep totaal uit de hand.
Elke dag weer die zinloze discussies over de referenda, die dan weer zo knullig
werden uitgevoerd door dat bureau, de stompzinnige blik van Berend, de
gevangenisbewaardersuitstraling van Rita, soms kon hij er gewoon niet meer
tegen. En dat terwijl hij de meeste bestuurservaring had van het drietal. Hij
was staatssecretaris geweest, hij was minister geweest. Die Rita, die nog
altijd niet kon scheiden van haar ministerstitel, had weliswaar ook in een
kabinet gezeten, maar dan toch niet op zo’n belangrijke plaats als hij. Had hij
niet aan de wieg gestaan van de kabinetscrisis? Of aan de oplossing daarvan,
corrigeerde hij zichzelf. Als minister van financiën had hij diverse banken uit
de nood gered. Dat diezelfde banken hem een paar jaar later niet uit de nood
wilden redden, deed daar niets aan af. Het was zo duidelijk dat alleen hij,
Wouter Tak, gepokt en gemazeld in de Nederlandse politiek, geschikt was om dit
land te leiden, dat het enige wat hem te doen stond was het duidelijk maken aan
het volk. Via een referendum moesten ze zich voor hem uitspreken. Hij moest er
wel zeker van zijn dat ze hem kozen, en niet voor één van die andere twee, die
met allerlei achterbakse beloften en toespelingen een flink deel van het
electoraat aan zich wisten te binden. Die mogelijkheid moest hij eerst
minimaliseren, dan ging de rest vanzelf. Hij begon zich weer wat beter te voelen, al
zat de irritatie over zijn twee collega’s in het triumviraat hem nog danig
dwars. De proleten, mompelde hij voor zich uit, de nitwits, de clowns. Kom,
maande hij zichzelf, nu een plan, hoe kan ik het volk ervan overtuigen dat ze
van Berend de Giller en Minister Rita niks te verwachten hebben, dat het ze zal
beschadigen als ze die twee omhoog houden. Even dacht hij erover om zijn vrouw
te bellen. Al snel bedacht hij dat hij die helemaal niet meer had. Hij was
ergens in de jaren Nul gescheiden en zijn vrouw was naar de Verenigde Staten
verhuisd en had de kinderen meegenomen. “NSB-er’ had ze hem toegesist nadat ze
de eerste versie van het integratierapport van zijn partij had gelezen. Dat was
het laatste wat ze ooit tegen hem had gezegd. Alles wat hij verder kwijt wilde,
moest hij haar advocaat maar zeggen. Ze was geen politicus, ze begreep zijn
beweegredenen niet, ze begreep niet dat je vandaag minister was en dat je
morgen zomaar uit het zadel gewipt kon worden. En ze gaf hem de kans niet haar
dat duidelijk te maken. In de schouwburg van Dordrecht zaten
diverse kopstukken uit de christelijke kerken en de islamitische moskeeën
bijeen. Dat was niet nieuw, ze zaten er al acht jaar. Via een referendum was
het volk gevraagd zich uit te spreken over de wenselijkheid van religie in dit
land: moest religie verboden worden, moest de islam verboden worden, of moest
er worden gepraat zodat het tot een samenwerking kwam. Omdat drie keuzes op één
referendumformulier wel veel was, waren de mensen in de war geraakt en hadden
velen de laatste optie gekozen. Tenminste, dat was wat ze beweerden. Dus nu
zaten alle christelijke en alle islamitische gezindten bijeen om tot
gezamenlijke standpunten te komen. Niet voor de eerste keer stond de houding
ten opzichte van homoseksualiteit op de agenda. De vertegenwoordiger van de
Verenigde Gereformeerden, Klaas Veen,
was aan het woord: “Het is duidelijk wat God hiervan vindt. Het is hem
een gruwel, dat staat duidelijk in de Bijbel, dus ik begrijp niet dat we iedere
keer op dit onderwerp moeten terug komen. Wij moeten dit afwijzen, dat is
klaar!” Een lid van de Hervormde Gematigden spoedde zich naar de microfoon:
“God is liefde,” riep hij. “En homoseksualiteit gaat ook over liefde. Wij
moeten dat aanvaarden, wij moeten de homoseksuele medemens de helpende hand
reiken!” “Dan wilt u ze zeker ook toelaten tot onze kinderen!” riep Klaas Veen
verontwaardigd uit. “Zodat die worden verleid tot zonden, die onuitsprekelijk
zijn. Het is al erg genoeg dat u het woord in uw mond neemt. Bah! Bah!” Om zijn
walging kracht bij te zetten, spuwde hij op de grond. “Vrijheid van godsdienst
moet worden gewaarborgd,” sprak de gematigde christen. “Natuurlijk moeten
scholen de mogelijkheid blijven houden om deze mensen te weren. Die zullen dat
zelf toch ook wel begrijpen?” “Branden zullen zij, eeuwig branden in de hel!”
donderde Klaas Veen. De leider van de
Ware Islam, Mohammed Bahir, had de microfoon niet nodig om zich verstaanbaar te
maken. “Met hun hoofd naar beneden van de Minaret af!” riep hij. “Allah walgt
van deze mensen, die geen mensen zijn maar varkens.” “Nou, nou,” suste Kapelaan
Vernugten. “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen natuurlijk. Een tijdje
in het vagevuur, om hun zonden weg te branden, dat moet toch ook wel voldoende
zijn? De heer is barmhartig. Uiteindelijk.” Tevreden glimlachend om wat hij had
gezegd, vouwde hij zijn handen om zijn ronde buik. De voorzitter van de Dordtse
Synthese, zoals de vergadering heette, Jan Peter Balkenende, maande met getik
van zijn hamer op zijn bureau tot kalmte. “Mensen, mensen,” zei hij. “Zo komen
we er toch nooit uit? Ik heb het gevoel dat we allemaal hetzelfde vinden, dat
we alleen de gemeenschappelijke taal nog niet hebben gevonden. We moeten dit
onderwerp maar weer eens voor ons uitschuiven. We hebben de tijd. De Schrift is
per slot van rekening ook niet in één dag tot stand gekomen!” Hij glimlachte
minzaam. Zoals altijd tegen drie uur in de middag
steeg de wodka Tecla naar het hoofd. Het was een tijdelijke inzinking, wist ze
uit ervaring. Tegen vieren zou ze er al niets meer van voelen. Toch was het
goed om even over de gang te gaan wandelen. Ze stond op, zette voetje voor
voetje om te controleren of ze niet al te erg wankelde en wandelde toen naar de
volgende verdieping van het paleis. Daar was het stil. Er waren kamers
gevestigd waar onderzoekers werkten aan rapporten over het Bureau Referenda.
Een ijzeren concentratie heerste er, tenminste zo voelde het. Tecla schuifelde
door de slecht verlichte gang en probeerde de kamers binnen te kijken. De
meeste deuren zaten dicht, af en toe zag ze een man in wit overhemd over een
stuk papier gebogen, terwijl zijn laptop rusteloos zoemde. Niemand leek haar op
te merken. Bij de deur van het Bureau LogischDenken stopte ze. Het was lang
geleden dat ze iets van dat bureau had gehoord. Toen ze er pas waren, een jaar
of tien, elf geleden alweer, bracht Lori Breeweg nog weleens verslag uit van
hun onderzoek, maar Tecla kon zich niet meer voor de geest halen wanneer dat
voor het laatst was gebeurd. Toch waren ze er nog wel. Ze had tenminste onlangs
nog een uitdraai van de conceptjaarrekening bij de printer zien liggen en
daarin werd het bureau genoemd. Ze opende langzaam de deur en keek door de
nauwe opening naar binnen. Een enorme walm van verrotting en verzuring kwam
haar tegemoet. Bijna had ze de deur dicht gedaan, maar ze was te nieuwsgierig.
Overal lag een laag stof. Op een stoel lag een stapel vettige pizzadozen en
achter een van de bureaus zat een man met lang grijs haar en een heel lange
baard. Zijn kleren waren vuil en versleten en hij leek een aura van grauwheid
om zich heen te hebben. Hij merkte haar niet op, maar ging op in zijn werk. “De
nullijn, die moeten we zien te vinden,” mompelde hij steeds voor zich uit.
Plotseling richtte hij zijn blik op de hoek van de kamer. Snel als een kat
sprong hij van zijn stoel en een ogenblik later greep hij de muis die hij in de
hoek had gezien. Het beestje piepte kort voor zijn leven, maar de man beet
meteen het kopje af en verslond het diertje rauw. Terwijl hij het bloed van
zijn mond veegde, liep hij langzaam terug naar zijn bureau, intussen mompelend:
“De nullijn, waarom kan ik verdomme de nullijn niet vinden…” Tecla sloot
zachtjes de deur. Ineens zo nuchter als een kalf zette ze koers naar de kamer
van Lori. Hier moest iets aan gedaan worden, dat was duidelijk. Naarmate ze
dichter bij de kamer van haar baas kwam, vroeg ze zich af waar ze zich mee ging
bemoeien, er zou nooit iets goeds uitkomen, maar ze besloot door te zetten. Lori keek verstrooid op toen ze binnenkwam.
“Heb je het druk?” vroeg Tecla retorisch. Ze wachtte het antwoord niet af, maar
ging verder. “Het bureau LogischDenken, hebben die eigenlijk hun onderzoek ooit
afgerond?” Even leek Lori niet te begrijpen waarover ze het had, toen zei ze:
“Nee, nog niet, maar dat nadert zijn einde. We zijn erg benieuwd naar de
uitkomsten. Hoezo?” Tecla vertelde wat ze gezien had. Lori keek haar aan alsof
ze een gevaarlijke gek voor zich had, maar toch stond ze op. Ze liep op een
drafje naar de bovenverdieping. Tecla ging terug naar haar kamer. Ik ben ook
wel benieuwd naar het eindrapport van LogischDenken, zei ze grinnikend in
zichzelf. Maar het was eenzaam, die avonden in de
loods. Zeker nu hij niet meer zo vaak op televisie was. Daarom snoof Berend wel
eens van de vloerbedekkinglijm, waarvan een aantal flessen op de gang stond.
Daar werd hij lekker ontspannen van. En zoals vaak, als hij heerlijk achterover
lag te ontspannen en beelden voor zich zag waarin hij werd toegejuicht, tussen
zijn lijfwachten in Venlo wandelde, waar er tientallen telefoons onder zijn
neus werden geduwd, ging de telefoon. Hij nam op. Het was de Weduwe Rost Van
Tonningen die belde. “Dag Berend,” lispelde ze. Ondanks haar krakende, dode
stem klonk ze krachtig. “Hoe gaat het met je, soldaat van me?” “Goed, Florrie,”
antwoordde Berend, terwijl zijn hart in zijn borstkas bloeide. Dat had hij
altijd als de Weduwe Rost van Tonningen belde. Wat een vrouw was dat. Die bleef
achter haar idealen staan, zelfs nu ze dood was. Zo’n vrouw had hij achter zich
moeten hebben! “Mooi jongen,” kraakte de Weduwe verder. “De strijd is hard,
maar vergeet niet dat het om het bloed gaat. Het goede bloed moet zegevieren en
zal zegevieren, waar is het anders bloed voor? Zet hem op jongen, ik ben hier
in het Walhalla aan het feesten met Anton en Adolf, geweldige kerels, altijd
nog. Maar ooit ben jij er ook bij.” Zonder zijn antwoord af te wachten, hing ze
op. Berend bleef een tijdlang zitten met de telefoon in zijn hand. Ooit zou hij
erbij zijn, had ze gezegd. Dat betekende dat ze nog altijd in hem geloofde,
ondanks zijn afnemende zichtbaarheid in de media. Van zo’n leeuwin had hij niet
anders verwacht dan dat zij de echte kwaliteit zag. Nee, hij zou doorzetten.
Allereerst moest de baklava het land uit! Onwillekeurig balde hij zijn vuist en
stak die strijdbaar in de lucht. Karla was onvervangbaar! Minister Rita had
haar opdracht gegeven om alles boven tafel te halen over de jeugd en de jonge
jaren van Wouter Tak en binnen een dag had ze al zeer waardevol materiaal
gevonden. Voor haar lagen oude kranten en clubblaadjes, allemaal uit de
gereformeerde hoek. Minister Rita had nog nooit van de blaadjes gehoord: Het Bazuin, De Jongste Dag, en Hoe de Here mijn Herder werd. Zoals ze
al verwachtte, stond Wouter in zijn vroegste jeugd al op de voorgrond. In Het Bazuin, een jeugdblad van de
Gereformeerde Echte Bond, stond een foto van de kleine Wouter die een stel
andere kleuters voorging in het bos. Wouter
Tak leidt de jonge schapen door de louterende natuur luidde het
onderschrift. Hij liep trots rechtop, een echt leidertje. Toen al had hij
kennelijk grote ambities. De andere kleine jongetjes zagen er echt als kleine
schaapjes uit. Ze hadden bedrukte en bedeesde gezichtjes, een beetje angstig
zelfs. Minister Rita glimlachte. Wat een baasje, die jongen en wat was het toch
het type beste jongen van de klas, zo’n kind dat elke onderwijzer graag stiekem
kneep. In zijn latere jaren ging het door. Er was geen jongensclub in de
gereformeerde wereld of Woutertje was er voorzitter van. Op één van de foto’s
hadden de jongens een pakje aan, een soort legeruniformpje. Rita bekeek de foto
beter. Nee, het was geen uniformpje van het leger des heils, het was iets
anders, het zag er echt uit als een gevechtsuniform. Ze bladerde verder. Nu
wist een vrouw van haar kaliber bijna alles van de wereld, maar van dit
legertje had ze toch echt nooit gehoord. Er waren namelijk nog meer foto’s van
het jongetjesleger en ook verslagen van hun artikelen. In één ervan stond: “De
soldaten de Heren hebben laatste zaterdag getraind voor hun grote strijd.
Niemand weet of hij is opgenomen in de zaligheid van de heer, maar deze ventjes
maken daar straks toch een grote kans op! Zij zullen het woord verspreiden! En
dat zonodig onderstrepen met het zwaard!” Minister Rita viel ten prooi aan
tegenstrijdige gevoelens: enerzijds was ze verontwaardigd om zoveel
militaristisch vertoon, en dat in een tijd dat de PSP nog moest worden
opgericht, anderzijds was ze in haar nopjes omdat ze eindelijk wat gevonden had
dat de glimlach van dat uitgestreken smoelwerk zou halen. Wouter was een
christenfundamentalist! In ieder geval was hij dat geweest en al zou hij er nu
anders over denken, ze zou het volk ervan overtuigen hoe gevaarlijk hij was. Ze
stond op en liep de kamer van Karla binnen: “Karla, je bent geniaal! Ik heb hem
te pakken! Echt waar.” Karla glimlachte ietwat zuur naar haar, net alsof ze het
compliment niet kon waarderen. Minister Rita begreep dat niet. Zij, als
voorvrouw, wist maar al te goed hoe het was om op de onderste trede te beginnen
en daarom had ze oog voor de noden van haar medewerkers. Zo zou zij het nooit
nalaten een complimentje te maken, als daar tenminste echt reden voor was.
“Echt goed, echt goed,” mompelde ze, terwijl ze de kamer van haar
stafmedewerkster verliet. Karla keek Minister Rita na. “Echt goed, me
reet!” mompelde ze. “Ik het werk doen en mevrouw Minister Rita met de eer
strijken.” Ze sloeg met haar vuist op tafel. “Ik zal me verdomme niet in een
hoek laten drukken. Ik bén de beweging! En zeg nou zelf: TOK, Trots op Karla,
klinkt toch een stuk daadkrachtiger dan TOR, Trots op Rita!” Ze schaterlachte
spookachtig en ging aan de slag met de nieuwe promotieposter. Anaxia van Bunnik tot Zeist via Soest moest
iets wegslikken toen ze de oprijlaan van Paleis Noordeinde opliep. Hier had ze
zoveel uren doorgebracht, samen met Hare. Hier hadden ze hun bezoeken
voorbereid, hadden ze geoefend hoe Hare het aangebodene discreet aan haar zou
geven, zonder de aangevers te beledigen, hier had ze de jurken en hoeden van
Hare gekeurd. Zij was Hares vertrouwelinge geweest en dat was ze natuurlijk nog
steeds, maar in de Staatsliedenbuurt voelde dat net iets anders dan in Paleis
Noordeinde. Nu zat er dan een kantoor, een soort ministerie dat niet eens een
ministerie was, maar een uitvoerende organisatie. Geen enkele grandeur had het,
niets betekenden die mensen daar in de wereld. Waar was de wereld trouwens
gebleven? Daar hoorde je weinig meer van tegenwoordig, net alsof Nederland was
losgeraakt van de aarde en ergens in het universum zweefde. Vroeger ontvingen
ze veel buitenlandse gasten in het paleis. Staatshoofden, presidenten,
voormalige presidenten, alle grootheden had ze wel eens langs zien komen. En nu
was ze op weg naar een interim-directeur van een ambtelijk uitvoerapparaat. Kom
op, meid, zei ze bij zichzelf, flink zijn, het is voor Hare. Bij de receptie meldde ze zich en de vrouw
achter de balie verwees haar naar een wrakke stoel, waar ze kon wachten.
Onwennig ging ze zitten. Vroeger hoefde ze hier niet te wachten. Maar, bracht
ze zichzelf onder ogen, het was geen vroeger meer, het was nu. Toen ze een kwartier wachtte, en net
overwoog om onverrichter zake terug te gaan, kwam er een vrouw van midden in de
vijftig op haar af. Ze glimlachte vriendelijk. Op het eerste gezicht zag ze er
goed en levendig uit, maar Anaxia zag door het masker van energie en
oplettendheid de afgematheid, de dreigende ineenstorting. Het kon niet missen,
die vrouw was aan het einde van haar Latijn. Anaxia stond op en stelde zich
voor met: Anaxia Van Zeist. Haar volledige naam kon ze niet noemen, dat was
verdacht. Iemand van adel zou zelfs in 2020 niet gaan solliciteren bij een
dergelijke organisatie. ‘Lori Breeweg,’ sprak de vrouw. “Volgt u mij.” De interim-directeur
bleek een niet zo grote kamer te hebben. Vreemd, in een paleis als dit, waar
toch prachtige zalen waren. Maar het had wel iets knus, dat kleine, zeker met
de wollige kussentjes in de vensterbank en de foto’s van de kinderen op het
bureau. “U reageerde op de vacature voor referendumformulant,” sprak Lori,
terwijl ze haar bril afzette om het sollicitatieformulier te kunnen lezen. Ze
keek op. “Dat is een zware functie, mevrouw Van Zeist. De druk is groot. Er moeten
vele referenda worden georganiseerd, dat begrijpt u, en die kunnen niet
wachten.” Anaxia knikte. “Dat begrijp ik. Maar ik wil iets doen voor de
democratie. Deze functie was precies wat ik zocht. De mensen duidelijk maken
waar het om gaat, prachtig werk lijkt me.” “Ja, dat is zo. Maar ik dacht
eigenlijk…” Lori vouwde haar handen en glimlachte lievig. “Ik dacht eigenlijk,”
vervolgde ze. “Dat uw leeftijd misschien wat te hoog was, voor deze functie.”
In oprechte verontwaardiging schoot Anaxia omhoog. “Moet u eens goed naar mij
luisteren, mevrouw Wegbree. Ik ben vijfentachtig, ik heb veel ervaring met het
organiseren van allerlei evenementen, ik barst van de energie en bovendien
horen wij al decennia dat we door moeten werken, dus kom me niet aan dat ik te
oud ben voor een functie die mij op het lijf geschreven staat.” “Rustig,” suste
Lori Breeweg. “Ik wilde u alleen beschermen tegen al te veel enthousiasme. We
kunnen hier mensen met ervaring gebruiken, natuurlijk, maar we willen niemand
over de kling jagen door teveel werkdruk.” Anaxia ging weer zitten. “En, heb ik
de baan?” vroeg ze, terwijl ze zich afvroeg wat ze moest doen, als ze hem niet
had. Ze kon Hare dan niet onder ogen komen. Lori knikte. “Ja, zoals u al weet,
nemen we alleen mensen op tijdelijk contract aan. Dat kan niet anders zolang er
niet over onze toekomst is besloten. Laten we zeggen, een contract voor een
half jaar. En daarna zien we wel verder.” “Lijkt mij uitstekend, mevrouw
Wegbree. Aanstaande maandag kunt u mij verwachten.” Met een knikje verliet ze
de kamer. De eerste sollicitatie in haar leven en meteen aangenomen. Waar deden
mensen toch zo moeilijk over? Het was gewoon een kwestie van weten wat je wilt
en dat zeggen. Nu ze in de buurt was, zou ze van die heerlijke tompoezen gaan
halen, die ze vroeger vaak kocht als Hare en zij na een uitputtende dag vol
glimlachen en bloemen aannemen bij de open haard thee dronken. Daarna zou ze
Hare gaan inlichten over haar infiltratie bij het Bureau Referenda. Ex-Regina Beatrix, ook wel bekend als Hare,
en ook wel als Trix, en moeder en overgrootmoeder, stond op het station
Hollands Spoor. Voor de eerste keer in haar leven moest ze een treinkaartje
kopen. Dat was nog niet zo gemakkelijk. Anaxia had haar een plastic kaart
gegeven die ze ergens in moest stoppen, maar de vraag was: waar dan in? Geen
doen eigenlijk, zonder personeel. Die ochtend, toen ze aan het ontbijt had
aangekondigd dat ze Alex zou ontmoeten op station Brussel Zuid, was ze er
vanuit gegaan dat ze mee zou gaan. Zo was het altijd geweest sinds ze waren
teruggekomen uit Canada. Altijd had Anaxia haar vergezeld om al die irritante
praktische zaken te regelen. Maar Anaxia had gezegd: “Nee, ik kan niet mee,
want ik moet werken. Bij het Bureau Referenda, weet u nog wel?” Er was iets van
triomf geweest in Anaxia’s blik, maar daar kon ze niks van zeggen, want
inderdaad, ze had Anaxia bevolen om bij dat vermaledijde bureau in dienst te
treden. Geen seconde had ze eraan gedacht dat dat betekende dat ze zelf zonder
ondersteuning zat. En nu stond ze daar, op Hollands Spoor. Mensen schoten links
en rechts om haar heen, en er was veel lawaai, van omroepende stemmen, van
pratende passagiers, van aankomende en vertrekkende treinen. Wat een
gekkenhuis. Hoe kon een normaal mens hier wijs uit worden? Ze keek op het
briefje, dat Anaxia haar had gegeven: spoor 4b, dan in Roosendaal overstappen
op spoor 1b. Het leek het enigma wel, wat betekenden die cijfertjes in
godsnaam. Nooit had ze geweten dat het gewone leven zo ingewikkeld was. Ergens
diep in haar borrelde woede op, omdat niemand haar had voorbereid op de gang
die ze te gaan had op haar vijfentachtigste. Maar het was te laat. Ze moest
naar Brussel, want ze moest Alex spreken over de kwestie van zijn huis in
Mozambique. Weliswaar had hij dat gekocht van het geld van vader, maar ergens
kwam dat toch niet helemaal goed over bij het volk. Het volk had de Oranjes dan
wel verstoten als Staatshoofd, maar toch waren ze nog min of meer afhankelijk
van wat het volk van ze dacht. Alex moest het niet te dol maken, kortom. Hij
was geen kroonprins meer, laat staan dat hij koning was. Ze had hem meer lief
dan wat dan ook in de wereld, en alleen al daarom had zij tot taak hem af en
toe te corrigeren. Ze pakte het plastic pasje uit haar
portemonnee en keek ernaar. Anaxia had gezegd dat op dat pasje genoeg saldo
stond om naar Brussel te reizen. Beatrix rechtte haar rug: zij, Beatrix Regina,
en nu ex-regina, had nooit saldo nodig gehad om waar dan ook naar toe te
reizen. Altijd stonden er treinen, vliegtuigen, auto’s klaar, en nu was ze
aangewezen op een armzalig stukje plastic, dat haar toestemming moest geven om
te reizen. De Oranjes waren diep gezonken, moest ze vaststellen. Toch zat er
niks anders op dan de realiteit te aanvaarden, wilde ze de nieuwe tijd
overleven. Bij het poortje, waarboven een bord stond met ‘Brussel-Zuid’ erop
stond een man met een pet op. Kijk, dat was nu mooi. Knechten waren er nog
steeds, ondanks alles. Ze stapte op de man af en sprak: “Pardon, beste man, ik
heb hier een kaartje en dat zou mij naar Brussel kunnen brengen. Kunt u me
zeggen hoe?” De man, ouder dan vijfendertig was hij niet, keek haar vorsend
aan, alsof hij te maken had met een uit het gesticht losgelaten gek. “Gewoon
hier in douwen, mevrouw,” zei hij en hij wees op een gleuf bij het poortje, dat
haar toegang moest verschaffen tot het perron. “Dank u, beste man,” sprak ze.
De man wees naar zijn voorhoofd en verdween. Ze stak het kaartje in de
aangewezen gleuf en wonder boven wonder opende het poortje zich. Binnen, dacht
ze, nu sta ik op het perron en kan ik volgens mij zonder plichtplegingen de
trein instappen. Ze wandelde naar het ijzeren gevaarte, dat ronkend klaar stond
om te vertrekken en stapte in. Niemand hielp haar om haar bagage, bestaande uit
enkel haar handtas, te dragen, maar aan de andere kant was er niemand die haar
tegenhield. Eerste honk gehaald, bedacht ze trots. Als vader dit eens had
kunnen zien. Al snel nadat ze was ingestapt, begon de
trein te rijden, eerst langzaam, toen sneller. Ze keek op het papiertje: in
Roosendaal overstappen. Kennelijk was deze aanwijzing essentieel. Gespannen
keek ze uit het raam zodra de trein vaart minderde. Steeds zag ze een
plaatsnaam, die niet Roosendaal was. Hoe moest je op deze manier in Godsnaam
weten waar je was? Hoe deden mensen dat? Hoe deed Anaxia dat? Terwijl de paniek
dreigde, vertraagde de trein het tempo. Ze focuste op de blauwe
plaatsnamenbordjes: inderdaad, Roosendaal! Nu naar 1b. Op het perron keek ze
omhoog en inderdaad, daar hingen diverse bordjes met cijfers en letters. Dat
zou de naam van het perron dan wel zijn. Moedig stapte ze voort. Een
uitgemergelde man kwam haar tegemoet. Zijn kleren hingen in flarden langs hem
heen. Hongersnood, dacht ze, ook in Nederland. Wie had dat ooit gedacht, wat
een geluk dat mijn grootmoeder dit niet hoeft mee te maken, om maar te zwijgen
van moeder. Hoe hadden we die in toom moeten houden, die was vast weer tekeer
gegaan in een of andere vergadering van de Verenigde Naties. “Een eurootje,
mevrouw,” kraste de man, “Een eurootje en ik kan weer ergens slapen vannacht.”
Nee toch. Was het werkelijk nog mogelijk om voor een euro een fatsoenlijke
hotelkamer te krijgen? Beatrix dacht dat de prijzen veel hoger lagen. Aan de
andere kant moest ze bekennen dat ze het niet wist, want ze had nog nooit een
hotelrekening voldaan. Ze zuchtte. Waarom was het toch zo moeilijk geworden
allemaal. Eén bediende was gewoonweg te weinig. Als je die wat opdroeg, kon je
haar niet ook nog iets anders opdragen. Terwijl dat eigenlijk wel moest. “Een
eurootje, jonge man, nou, ik denk dat ik die wel heb, als ik u daarmee een
plezier kan doen.” Uit haar kalfslederen handtas diepte ze haar portemonnee op
en keek erin. Een graaiende hand kwam in de richting van haar portemonnee. Net
op tijd wist ze hem weg te trekken. “Nee, nee, het is geen zelfbediening
natuurlijk.” Ze haalde er een briefje uit, met vijftig erop en gaf het aan de
jongen. “Zo, dit moet voldoende zijn voor een nachtje, en misschien wel meer,
de prijs gehoord hebbende.” De man nam het biljet gretig aan en maakte dat hij
wegkwam. “Een bedankje kan er ook niet af,” mompelde Beatrix. Ze vond de trap
naar perron 1B en beklom hem moeizaam. Kon dat nou niet gemakkelijker, vroeg ze
zich af. Je reisde per trein maar ondertussen moest je toch een behoorlijk eind
lopen. Op het perron stond de trein naar Brussel klaar. Ze stapte in, en raakte
vervuld van trots: helemaal alleen naar Brussel en dat zonder in de verkeerde
trein te stappen of een ongeval te ondergaan. Een hele prestatie voor een
gewezen vorstin van vijfentachtig die voor het eerst in haar hele leven alleen
op stap was. Glimlachend liet ze zich in één van de stoelen zakken. Tegenover
haar zat een vrouw met een grote mand op schoot. Zodra de trein begon te
rijden, pakte ze een broodje uit de mand. “U ook één?” vroeg ze, terwijl ze de
mand geopend aan Beatrix toonde. Die schudde van nee. Het was allemaal veel te
spannend om honger te hebben. Alles zou zoveel eenvoudiger zijn geweest als
Alex naar Den Haag had willen komen, maar dat wilde hij niet, zei hij, zolang
hij zijn rechtmatige positie niet had. Nederland had voor hem afgedaan, tot die
tijd. “Het volk wil mij niet, nu, dan krijgt het volk mij ook niet,” had hij
gezegd. Ach, hij was een lieve jongen, aan wie ze veel plezier had beleefd,
maar af en toe leek het alsof hij niet helemaal het goede gevoel had voor de
juiste verhoudingen in de actuele wereld. Misschien kon ze dat zichzelf
aanrekenen. Per slot van rekening had zij hem altijd opgevoed, en zeg maar
rustig gedrild, in het idee dat hij koning zou worden. Helemaal niet vreemd
dus, dat hij zich nu wat opzij gezet voelde. Een man in uniform kwam de coupé binnen.
“Plaatsbewijs, alstublieft,” zei hij afgemeten. Beatrix begreep werkelijk niet
wat hij bedoelde. Plaatsbewijs? Ze zat er toch? Was niet voldoende bewijs?
“Gewoon, uw plasticje, mevrouw, niet moeilijk doen,” drong hij aan. Ze dacht
na. Mijn plasticje. Ineens ging haar een licht op. Dat zou het ding wel geweest
zijn dat zij in die gleuf had moeten stoppen. Maar dat ding had ze daar
gelaten. “Wat voor plasticje, beste man,” vroeg ze. “Ik heb de creditcard
keurig in de gleuf gelaten, zoals mijn assistente mij dat had verteld.” De man
keek haar meewarig aan. “Je had dat mee moeten nemen, mens! Je bent toch zeker
niet voor de eerste keer in de trein, op jouw leeftijd, of wel soms!” De
brutaliteit die het personeel zich tegenwoordig meende te kunnen veroorloven!
Nou ja, zij moest de wijste maar weer zijn. “Dat is dan helemaal niet
duidelijk. Er staat bij dat je het in de gleuf moet duwen, er staat niet bij
dat je het weer mee moet nemen.” De man schudde zijn hoofd. “Aan je kleren zou
je het niet zeggen, dame, maar je bent zo stom als het achterend van een
varken. Maar goed, dat je de boel zit te belazeren geloof ik ook niet, dus je
komt eraf met een nieuw kaartje.” Beatrix ontplofte bijna van verontwaardiging.
Nog niet zo lang geleden had ze deze man ogenblikkelijk de laan uitgestuurd.
Maar de tijden waren veranderd. En wat zo vervelend was, was dat ze niet
precies wist wat de juiste omgangsvormen waren in deze veranderde tijden. “Een
nieuw kaartje,” sprak ze afgemeten. “Nu goed, als dat het geschil oplost, doet
u mij dan maar een nieuw kaartje.” De man schreef iets uit op een klein
formuliertje. Hij was daar zeker vijf minuten mee bezig en ondertussen raasde
de trein voort en kwam hij almaar dichter bij Brussel. “Alsjeblieft,” zei hij
uiteindelijk. “Goed bewaren, want het geldt ook voor de terugreis. Dat is dan
tweehonderd euro.” Weer tastte ze naar haar portemonnee om er een briefje uit
te vissen. Gelukkig zaten er nogal wat briefjes van vijftig in. Wat dat betreft
had Anaxia haar verzorgd achtergelaten. Ze nam er vier en gaf ze de man. “Dank
je wel, meisje,” zei hij. “En in Brussel geen dingen doen die je niet aan je
moeder zou durven vertellen, hè?” Hij knipoogde naar haar en verdween uit de
coupé. Anaxia ging met een zwaar gemoed naar haar
werk. Het was de eerste keer in jaren dat ze Hare alleen moest laten. En nu
ging ze meteen naar Brussel met de trein. Hare had wel autorijden geleerd,
ergens in de jaren vijftig maar ze was bepaald geen natuurtalent. Ze zou bij
Roosendaal al stranden, omdat ze vergeten was hoe ze een rotonde om moest
rijden. Maar de trein was ook gevaarlijk. Wat wist de gewezen vorstin nou van
plaatsbewijzen en op tijd uitstappen? Ze hield haar hart vast. Aan de andere
kant was het allemaal een beetje Hares schuld: zij had Anaxia per slot van
rekening gedwongen de baan bij het Bureau Referenda aan te nemen. Eenmaal bij Paleis Noordeinde aangekomen,
schudde ze haar angst van zich af. Eigenlijk was het spannend. Nog nooit in
haar leven had ze een baan gehad, ze was altijd hofdame van Hare geweest. En nu
zou ze meemaken, waar ze andere mensen zoveel over hoorde praten: stress,
verveling, ruzie met collega’s en natuurlijk vergaderingen. Want dat laatste
hoorde er vast en zeker ook bij. Bij de receptie wisten ze al dat ze werd
verwacht. Ze werd meteen doorverwezen naar de kamer waar ze kwam te werken. In de kamer zat een vrouw van in de zestig
die opstond toen ze binnenkwam en een hand uitstak. Tecla Pathos, heette ze.
Noem me maar Tecla. ‘Zeg jij maar Anaxia, dan,”
zei Anaxia op haar beurt. “Fijn dat ik een baan kon vinden. Het valt
niet mee tegenwoordig met die afgeknotte AOW. Je moet wel als oudere. Ik ben
tenminste niet van plan om op een houtje te gaan zitten bijten.” “Zo is het, ik
zit hier ook nog wel een jaar of twintig. Goed, ik zal je uitleggen wat je moet
doen. Het is niet moeilijk, het is een kwestie van je fantasie gebruiken.” Na twee uur was Anaxia ingewerkt. Dat viel
haar erg mee. Ze zette zich aan haar eerste klus, een referendum over
schooltijden. De vraag was of het volk wilde dat de kinderen de hele dag op
school bleven, maar dan om twee uur vrij waren, of dat ze een lange lunchpauze
hadden en dan ’s middags later vrij waren. Wat een gedoe, dacht Anaxia. Laat ze
daar toch gewoon zitten tot een uur of zes, dan hebben de ouders de handen
tenminste ook vrij. Nu goed, een goede vraag formuleren, zo duidelijk dat
iedereen het kon begrijpen, ook mensen die wat minder goed konden lezen. Ze had
tal van illustraties ter beschikking. Uit de illustratiemap sleepte ze een paar
kinderfiguurtjes en twee klokfiguurtjes naar het werkblad. Uit een andere nog
een keuzehokje. Ze plaatste de figuurtjes in logische volgorde achter elkaar en
klikte op ‘Maak referendum’. Het referendum was klaar voor de stemlokalen.
Natuurlijk moest de afdeling Beoordeling ze eerst beoordelen, stel je voor dat
het ene referendum in tegenspraak was met het andere, hoewel dat toch moeilijk
te bewaken was als er honderden per week werden uitgeschreven. Anaxia deed er
nog een paar. Zo was er één over het al dan niet was ophangen op zondag in Urk,
over het verlengen van een fietspad rondom Utrecht, over het instellen van
sociale dienstplicht van ouderen (die ze even apart legde) en over de plaats
waar het achterlicht van een fiets moest zitten (aan het bagagerek of op het
achterspatbord). Ze kreeg er lol in. Ze had niet gedacht dat werken zo leuk
was. Heel anders dan twee stappen achter Hare lopen, al zou ze dat niet willen
missen, dat zeker niet. Ze moest niet vergeten waarom ze hier was. Op een zeker
moment zou ze het referendum over het buitenverblijf van Alex onder ogen moeten
zien te krijgen. Eerst eens afwachten wat er gebeurde op zo’n dag. Beatrix stapte uit op station Brussel-Zuid,
zoals op haar briefje stond. Nu moest ze naar rechts, waar een
stationsrestauratie was. Daar zou Alex op haar wachten. Veel tijd had hij niet,
want hij moest die middag nog op Safari met een vrind. Jammer, anders hadden ze
een leukere ambiance kunnen uitzoeken. Dat had Anaxia eigenlijk toch wel voor
haar kunnen doen. Maar goed, de tijden waren veranderd, moest ze maar denken.
Wel veel geregel, voor zo’n gesprekje. Toen ze de restauratie binnenkwam, zat Alex
al aan de leestafel. Hij las de sportbijlage van de Telegraaf. “Dag mijn zoon,”
sprak ze hem toe. Hij keek op en knikte. Het viel haar op dat hij er gespannen
uit zag. Ze ging tegenover hem zitten en zei: “Nou, zeg, dat was me het reisje
wel. Alles moest ik zelf uitzoeken! Nooit geweten dat het zo ingewikkeld was om
je te verplaatsen zonder personeel. Maar vertel eens, kind, wat heb je op je
lever. Ik kan je vast geruststellen, ik heb Anaxia naar het Bureau Referenda
gestuurd, om dat referendum zo te formuleren dat jij je huis kan houden. Het
zou toch wat! Alles willen ze van ons afnemen, alles! En dat terwijl ik ze
zoveel heb gegeven. Eerst mijn hele leven, toen mijn hele vermogen, dat
zogenaamd van het volk was. Maar ik moet me niet kwaad maken. Ik kwam hier om
jou aan te horen.” Alex knikte. Sinds de laatste keer dat ze hem had gezien was
hij alweer dikker geworden. Waarom lette hij daar nou niet een beetje op.
“Moeder, ik heb alles, en mijn huis zal ik wel houden, daar ben ik echt niet
bang voor, maar ik zit met wat anders. Je weet, je hebt me opgevoerd voor het
koningschap. Nu leid ik een aangenaam bestaan, met golf, braaipartijen, Max en
de kinderen gaan goed, daar niet van. Maar ik voel toch een leegte in mijn
bestaan. Het is anders dan ik me had voorgesteld. Ik wil koning worden.” Hij
keek haar afwachtend aan. Al was hij inmiddels in de vijftig, hij durfde nooit
helemaal op zijn eigen oordeel te vertrouwen, altijd had hij de steun van zijn
moeder nodig. “Maar dat kán niet!” riep ze uit. “De monarchie is afgeschaft
door het volk. En je weet hoe het ligt: het woord van het volk is heilig. Je
kunt die monarchie niet zomaar weer invoeren.” “Nee, snap ik, niet zomaar
natuurlijk. Dat moet goed voorbereid worden. Daarom heb ik een plan bedacht: ik
ga bij de Dordtse Synthese, en daar neem ik de leiding in de strijd voor de
godsdienstvrijheid. Als een echte Willem van Oranje zal ik het volk leiden naar
een nieuwe orde, waarvan ik dan koning word.” Beatrix viel stil. Dit had ze
niet verwacht. Ze had gedacht dat Alex wel tevreden was met zijn gemakkelijke
leventje in een land met zo’n mooi klimaat. Ze dacht dat hij niet taalde naar
het koningschap, dat hij dat nooit had gedaan, en dat hij blij was geweest toen
de monarchie werd afgeschaft, dat zijn bewering dat hij niet naar Nederland
wilde komen als het Volk hem niet wilde,
louter op trotse brallerigheid berustte. Maar nu dan dit. “Weet je wel wat je
zegt, jongen,” zei ze, toen ze over haar eerste verbazing heen was. “Er zitten
allemaal fundamentalisten daar, en ze komen nooit tot een vergelijk. Ze zijn al
tien jaar bezig en van een synthese is toch echt geen sprake. Geen stelletje
dat een revolutie ontketent.” “Juist wel, juist wel. Ze zijn radicaal, ze
willen verandering, al weten ze zelf misschien niet wat voor verandering. En
eigenlijk ben ik toch door God gezonden en…” “Wat zeg je me nu?” vroeg Beatrix
geschokt. “Door God gezonden? Jongen, je gaat me toch niet vertellen dat je
daar in gelooft? Dat is een heilloze weg, dat kan ik je wel vertellen.” “Maar
je hebt ons zelf hervormd opgevoed.” “Ja, natuurlijk, dat moest nou eenmaal,
maar het is niet de bedoeling dat je je laat meeslepen door die fabels, want
voor je het weet kunnen ze je wel van alles wijs maken! Je bent niet door God
gezonden, maar wel door iets in de Kosmos. Onze familie heeft een bepaalde
opdracht, dat is duidelijk. Maar om die opdracht nou via de Dordtse Synthese
weer tot je te nemen, ik weet het niet. Ze zijn weinig plooibaar, zeg maar.”
“Het is toch het proberen waard, moeder. Als ik me eerst nou eens aanmeld daar.
Bij Jan-Peter, die kent me nog van vroeger. Als ik zeg, dat ik de hervormde
gezindheid wil uitdragen en veiligstellen, dan heb ik een begin.” Beatrix knikte. “Nou ja, het moet dan maar.
Heel gevaarlijk, heel gevaarlijk, want we staan er niet goed voor bij het volk,
maar wie weet keren onze kansen inderdaad. Wees heel, heel voorzichtig. Voor je
het weet, zijn we voorgoed onmogelijk. En wat dan?” Alex pakte haar handen.
“Maak je niet bezorgd, moeder, natuurlijk ben ik voorzichtig, maar voorwaar, ik
zal zegevieren!” Na deze woorden stond hij op, zoende zijn moeder op de wang,
en verdween. Het was Beatrix vreemd te moede. Ergens was
ze blij met zijn initiatief, want al hield ze van haar zoon, eerlijk gezegd
vond ze hem erg gemakzuchtig. Aan de andere kant dreigde het grote gevaar van
teleurstelling en was hij daar wel tegen op gewassen. Dat wist ze niet, dat
wist ze werkelijk niet. Lori Breeweg schraapte haar keel. Ze had
haar staf bijeengeroepen om het eindrapport van LogischDenken te bespreken.
Vreemd, dacht Tecla, dat dat rapport nu ineens af is. Die man zag er toch niet
echt naar uit dat hij tot enige conclusie was gekomen. “Laat deze stapel
rondgaan,” zei Lori, en ze gaf een stapeltje papier aan Vis, die rechts van
haar zat. Die nam er een blad af en gaf het door. Het hele rapport bestond uit één
blad papier. Er stond één regel op: ‘De nullijn’. De aanwezigen keken elkaar
verbijsterd aan. Lori leidde in: “Het rapport is een wonder van abstractie.
Mijn complimenten aan Dirk Wijsgeer, die er helaas niet bij kon zijn vanmiddag.
Maar ik vind het heel duidelijk, wat vinden jullie. Hier kunnen we wel wat mee,
hè?” Niemand reageerde. Allemaal zaten ze ongemakkelijk naar de tafel te
staren. De nieuwe medewerker, Anaxia, doorbrak de stilte: “Nou, om eerlijk te
zijn, ik vind het wel wat summier. Ik werk hier natuurlijk nog niet zo lang,
dus ik weet niet precies wat de gewoonte is, maar dat is mijn eerste indruk.”
Lori keek haar gekweld aan. “Ik vind het juist wel goed, geen woord teveel. Je
voelt echt dat er lang aan geschaafd is.” Tecla sloeg haar hand voor haar mond.
Nog even, en ze zou de zaal moeten verlaten of ze zou zich voorgoed onmogelijk
maken. “De vraag is nu alleen, hoe implementeren we dit, deze nullijn.” “Laat
me denken,” kraste Tecla. “Zullen we een onderzoek laten doen? Naar hoe de
nullijn geïmplementeerd kan worden?” “Goed idee!” riep Lori uit. “Laten we dat
doen. Het moet natuurlijk zorgvuldig gebeuren en we moeten ervan uitgaan dat
het tijd zal kosten. Goed, ik zal met een paar bureaus gaan praten. Oh ja, nu we hier toch zijn: er ligt een nogal
gevoelig referendum op tafel. Die kwestie van het huis van de voormalige
kroonprins in Mozambique. Het triumviraat heeft gezegd dat we hier uiterst
voorzichtig mee om moeten gaan. Het zal de Oranjes niet gemakkelijk vallen de
uitkomsten te aanvaarden.” “Maar die uitkomsten weten we toch niet voordat het
referendum is uitgeschreven,” vroeg Tecla. “Nee, maar we kunnen wel raden welke
kant het uit gaat. En ik wil graag de formulering zien, dus als jij, Tecla, dit
samen met Anaxia zou willen gaan oppakken en de formulering dan aan mij willen
voorleggen, dan zou dat erg prettig zijn.” Die middag liep Tecla naar de kamer van
bureau LogischDenken op de bovenverdieping. De kamer was leeg. Beatrix liep vanaf het station naar haar
huis in de staatsliedenbuurt. Ze had natuurlijk een taxi kunnen nemen, maar in
de trein had ze bedacht dat ze het al een eind had geschopt door alleen naar
Brussel te gaan en dat ze een wandeling door de stad ook wel aan kon. Het was
een zonnige dag, en de stad zag er, met al haar bouwputten en
renovatieprojecten, prachtig uit. Ze genoot van haar nieuwe vrijheid. Maar
vreemd was het wel. Toen ze halverwege was, zag ze enkele mannen die een weg
aan het asfalteren waren, terwijl een andere groep het zojuist geasfalteerde
gedeelte weer weghaalden. De beide groepen leken onafhankelijk van elkaar te
werken, alsof ze voor elkaar niet bestonden. Alle mannen werkten rustig en
geconcentreerd door, alsof er niets vreemds aan de hand was. Even overwoog ze
een van hen te vragen wat zich daar plaatsvond, maar ze zag er vanaf. Als
voormalig vorstin, die altijd in een beschermde omgeving had verkeerd, had ze
nou eenmaal niet zoveel inzicht in de praktische zaken van het leven. Ze wilde niet graag voor schut staan door
domme vragen te stellen. Rustig wandelde ze door. Het leek wel
overal feest. Er waren allerlei mensen op straat die naar optredens van
muzikanten en theatermakers keken, er reden geluidswagens rond om mensen op te
roepen vanavond naar de referendumshow te kijken, waar weer mooie prijzen te verdienen
waren en iedereen hapte wel in iets, een ijsje, een zak patat. Eén grote
vakantie leek het. Beatrix had altijd aangenomen dat het hele volk hard aan het
werk was, aan het ploeteren was op kantoren en in fabrieken, maar op straat zag
je daar niet veel van. Het leek wel een gigantische kleuterklas. Was dit het
volk dat ze geregeerd had? Was dit het volk dat ze haar zoon moest laten
regeren? Twijfels bevingen haar. Op een niet nader te noemen bovenverdieping
in een niet nader aan te duiden gebouw, zat het presidium bijeen. In geen
organisatieschema stond dat presidium genoemd, niemand wist wie er deel van uit
maakte en nooit kwam er iets van wat zij besproken in de openbaarheid maar het
was er toch. De leden van het triumviraat hadden het over de Onuitsprekelijken.
Dat was gemakkelijker dan de mond vol te gebruiken: Zij, van wie de naam niet
genoemd noch gekend wordt. Het presidium was invloedrijk, maar zonder dat
iemand het wist. Het geheel bestond uit tien mannen en vrouwen, die elkaar heel
goed kenden, maar die dat naar buiten toe nooit zouden toegeven. Hun
directieven lieten ze discreet verder sijpelen tot het niveau, dat er wat mee
moest doen. Over hun beweegredenen vertelden ze nooit iets en tegenstand werd
genadeloos afgestraft. Zonder dat ooit duidelijk werd, wie voor de straf
verantwoordelijk was. Zelf noemden ze dat ‘het verwijderen van onproductieve
elementen uit de samenleving’. Dat verwijderen hield minstens de dood in, maar
vaak erger dan dat. Zij kwamen niet op reguliere tijdstippen bijeen, dat was
immers niet nodig, omdat ze nergens echt waren ingebed. Officieel bestond het
presidium niet. Wel wisten ze elkaar te vinden, als er een crisissituatie was.
En dat was nu het geval. “Het Bureau Referenda wil zich gaan buigen
over het referendum bezittingen voormalige kroonprins,” sprak het lid dat deze
keer het initiatief had genomen tot de bijeenkomst. “Het mag niet gebeuren, dat
de bezittingen worden afgenomen, dat spreekt voor zich. Wij moeten dit zien te
voorkomen. Het referendum moet worden teruggetrokken.” De overige aanwezigen
knikten. Natuurlijk moest dat gebeuren, daarover was iedereen het eens. Het
initiërende lid ging verder: “Het mag niet worden uitgevoerd, zo simpel is dat.
We moeten de medewerker die zich ermee bezig houdt elimineren.” “Gaat die
medewerker er dan over? Ik bedoel, iemand anders zal het dan toch normaal
gesproken overnemen?” vroeg een ander. “Normaal gesproken, ja, maar het bureau
referenda is niet normaal. Als de betreffende medewerker verdwijnt, zal de
interim-directeur het niet in haar hoofd halen om er mee verder te gaan.”
“Okay, maar hoe dan, ik geloof dat ik het even niet zie,” sprak één van de drie
vrouwelijke leden van het Presidium. “De interim-directeur begrijpt niet veel,
maar wel dat ze er af moet blijven als ze door krijgt dat dit een van haar
medewerkers de nek heeft gekost. Ze is plooibaar, die interim, dat heeft ze in
al die jaren wel bewezen.” De anderen knikten instemmend. Het laten verdwijnen
van een medewerker, hoeveel simpeler kon het. “Als jullie het ermee eens zijn,
zet ik de operatiegroep meteen in,” sprak het initiërende lid. De anderen
knikten slechts. Niet veel later gingen ze uit elkaar. Het was zaak de
besprekingen zo kort mogelijk te houden. Minister Rita stond voor haar kledingkast.
Vandaag zou het triumviraat, net als op andere dagen weer bijeenkomen, maar
toch was de dag anders dan andere. Ze zou Wouter confronteren met zijn verleden
als christenfundamentalist. Het was dus van groot belang dat ze krachtig over
zou komen. Ze twijfelde. Een broek zou haar wat mannelijker maken en misschien
bijdragen aan haar rechtdoorzee uitstraling die ze vandaag minder dan ooit kon
missen. Aan de andere kant was het felrode mantelpak meer iets dat bij haar
paste, dat gaf haar meer een authentieke Rita-uitstraling. Na lang wikken en
wegen hakte ze de knoop door en koos ze voor het mantelpak. Ze trok haar
joggingpak uit en keek even in de spiegel. De vetrollen hingen aan haar lichaam
als ontplofte kussentjes. Daar was ze ontevreden over, maar aan de andere kant
besefte ze dat zij het in haar leven niet moest hebben van haar uiterlijke
aantrekkelijkheid. Zeker, er waren genoeg mensen die vielen voor haar
verschijning, wat ook logisch was, want door elk uiterlijk heen werd echte
kwaliteit, echte uitmuntendheid herkend. Maar om nou te zeggen dat ze
onweerstaanbaar was, nee, dat niet. Voor de zoveelste keer in haar leven
vertelde ze zichzelf dat dat niet belangrijk was. Ze wurmde zich in het mantelpak. Het zat
behoorlijk strak. Dat gaf haar wel iets zakelijks, geen reepje stof teveel,
maar de band van de rok drukte in haar maag en dat zat niet lekker. Toch
besloot ze het pakje aan te houden. Voordat ze wegging, belde ze Karla om te
horen of er nog nieuws was. “Nee,” antwoordde die afgemeten. “Alles is als
altijd.” Zonder een groet af te wachten, hing Karla op. Eenmaal op straat begon Minister Rita te
rennen. Al na een paar stappen merkte ze dat dat niet ging op pumps. Er zat
niets anders op dan een taxi te nemen. Wouter Tak zat aan tafel een boterham te
eten en de krant door te nemen. Hij kon zich slecht concentreren. Vandaag moest
er schot in komen. Vandaag moest hij Berend en Rita elimineren. Hij had al lang
genoeg hun megalomane gezwets moeten aanhoren en het werd tijd dat in dit land
de ware leider de zaak ter hand nam. Als altijd was hij gekleed in een
donkerkleurig maatkostuum, met wit overhemd en een stropdas. Vroeger, toen hij
nog voor sociaal-democraat moest doorgaan, had hij de stropdas theatraal
geweigerd te dragen, maar dat was toen. Een man in zijn positie hoorde nu
eenmaal zo gekleed te zijn, anders kwam hij niet met voldoende gezag over. Dat
wist hij toen ook wel, maar ja, die mensen in zijn partij zongen zelfs in de
jaren nul de Internationale nog op het partijcongres en dan moest je als
partijleider niet met een stropdas aan komen zetten. Toen hij klaar was met
eten, legde hij zijn krant weg en zette zijn bord in de gootsteen. De werkster
zou het straks opruimen. In de parkeergarage, die bij de flat hoorde, liep hij
naar zijn Jaguar, streelde het koele staal even en reed weg, naar de
vergadering van het triumviraat. Na al die jaren had Berend de Giller er nog
steeds moeite mee als hij wakker werd in de loods. Even wist hij niet meer waar
hij was, alsof hij in zijn slaap verplaatst was en ergens was neergelegd waar
hij nog nooit was geweest. Al snel herkende hij zijn schamele geïmproviseerde
woonkamer en snel stond hij op. Hij ontbeet niet, naar had een man van het volk
geen tijd voor. Hij moest daadkracht tonen en daarom om te beginnen op tijd op
de vergadering van het triumviraat zijn. Hoewel hij wist, dat het verkeerd uit
kon pakken, kon hij de verleiding niet weerstaan even aan de lijm te snuiven.
Vandaag was een belangrijke dag. Eindelijk zou hij zijn rechtmatige plek
opeisen, namelijk die van leider van dit land. Een groot leider zou hij zijn,
geen dictator, daarvan was geen sprake, want hij wist wat het volk wilde en dat
zou hij gaan doen. Om te beginnen iedereen die hier niet thuishoorde, het land
uit te zetten. Goedschiks of kwaadschiks. Hij zou laten zien dat er met hem
niet te sollen viel. Misschien kon hij dat uitzetten wat uitstellen, en ze
eerst laten werken voor wat ze de Nederlandse staat hadden gekost. Tevreden
over deze gedachte glimlachte hij in zichzelf: zo was het, als je een groot man
was, dan vielen de geniale ideeën je vanzelf in. Uit de ruimte waar een aantal oude
koelkasten stond opgeslagen, pakte hij zijn fiets. Hij verliet de loods, die
was gelegen aan een afgelegen straat waar geen mensen woonden. Monter en
opgetogen ging hij op pad naar de vergadering van het triumviraat. Behalve het staatsbestel was ook de
arbeidsorganisatie ingrijpend veranderd in 2011. Het Triumviraat was tot de
conclusie gekomen dat loondienst, met al die verplichtingen van werkgevers,
contracten waar ze niet van af kwamen en voortdurende eisen van werknemers
ervoor zorgden dat de economie maar bleef stagneren. Dat moest anders. Mensen
moesten zich gaan instellen op voortdurende verandering en een flexibele
houding aannemen. Ze werden allemaal zelfstandigen zonder personeel, met het
verschil dat zij geen opdrachten konden weigeren. Iedereen moest zijn steentje
bijdragen, zo had het Triumviraat bepaald. In elke stad van enige betekenis
waren hallen gebouwd, waar iedereen die voor die dag nog geen taak toegewezen had
gekregen zich moest melden. Omdat het land in de grond zo democratisch was,
mocht iedereen wel zelf kiezen naar welke hal in welke stad hij ging. De
ID-kaart, die gekoppeld was aan de landelijke bevolkingsdatabase was niet te
vervalsen, zodat de Dienst Arbeidsbewaking zich ervan kon verzekeren dat
iedereen aan het werk was. Een ander verschijnsel dat was achterhaald, was een
aan het werk gekoppeld salaris. Ook het vaststellen daarvan zou de groei van de
economie in de weg staan. In plaats van een salaris kreeg iedereen een van
tevoren vastgestelde hoeveelheid bonnen, die konden worden ingewisseld tegen
voedsel. Eens per jaar werd bij elk huishouden een doos met kleding afgeleverd
en voor duurzame gebruiksgoederen, zoals wasmachines en koelkasten, konden de
mensen terecht bij een speciaal daarvoor ingericht bureau. Dit had tot gevolg
dat de huishoudens, en de mensen die er deel van uitmaakten, er nogal eenvormig
uit begonnen te zien. Nieuwe woningen werden allemaal gebouwd in dezelfde
stijl, en mensen droegen allemaal dezelfde kleding. De enige manier om in materieel opzicht af te steken bij de buren
was door een prijs te winnen in de referendumshow. De voedselrantsoenen
varieerden. Elk jaar werd opnieuw berekend wat de bevolking nodig had. Dit
gebeurde aan de hand van het gemiddelde gewicht en de te verwachten inspanning.
Het ene jaar was meer lichamelijke arbeid nodig, het andere zat bijna iedereen
op kantoor. Vrijgesteld van melding bij de Dienst Arbeidsbewaking waren
zesenzestigplussers. Zij kregen ook voedselbonnen en kleding, maar minder dan
de mensen die werkten. Wel konden zij zich vrijwillig melden voor arbeid, en
ook solliciteren op niet opgevulde plekken. Dat deden ze massaal, want de
voedselbonnen konden niet voorzien in voldoende energie om een dag op de bank
zitten maar vol te houden. Het leven had grimmig kunnen zijn door deze
maatregelen. Maar er werden voortdurend allerlei happenings en optredens
georganiseerd om de mensen bezig te houden en af te leiden. Er was een leger
van entertainers op de been en ook de entertainmentfuncties werden toegewezen
door de Dienst Arbeidsbewaking. Het kon dus zijn dat je de ene dag achter de
lopende band stond, en de volgende op een podium Oudhollandse liederen stond te
zingen. Gevarieerd was het wel. Het was echter de vraag of de mensen tevreden
waren. Het werd ze niet gevraagd. De organisatie van de arbeid was nooit
onderwerp van een referendum. Eén persoon was in ieder geval helemaal
niet tevreden, maar integendeel gefrustreerd en woedend om het lot dat haar getroffen
had. Haar naam was Aagte Jongejans en in de jaren Nul was zij voorzitter van de
vakfederatie geweest. Het hoeft geen betoog dat in een samenleving als deze
geen ruimte was voor vakverenigingen. Immers, er bestonden geen tegenstellingen
tussen werkgevers en werknemers, niet officieel tenminste. Iedereen werkte voor
hetzelfde, namelijk voor de vooruitgang van het land. En zolang de staat zijn
best deed om iedereen te vermaken, was er voor niemand reden om dat anders te
zien. Maar bij Aagte Jongejan knaagde het. In de
jaren nul was haar aanzien behoorlijk beschadigd geraakt omdat ze het op een
akkoordje had willen gooien met Berend de Giller. Dat was helemaal verkeerd
opgevat door de leden en ze had zich gehaast dat het helemaal niet zo was
bedoeld zoals het was overgekomen, maar iets was er de jaren erop blijven
hangen. In 2011 maakte zij dus geen kans op een plaats in het nieuwe
staatsbestel. Sterker nog, de vakverenigingen werden meteen afgeschaft en min
of meer verboden al haalde geen mens het in zijn hoofd om van een verbod te
reppen. Op de eerste dag dat de dienst bestond moest zij zich meteen melden. En
zo was het sindsdien gebleven. Want natuurlijk waren er ondanks alle bepalingen
heel veel mensen met een vaste baan, omdat het uiteindelijk toch ook wel weer
handig was als Pietje met ervaring morgen ook weer kwam, maar Aagte hopte van
de ene baan naar de andere. Zij moest zich soms meerdere malen per maand melden
in één van de hallen. Tot nog toe had ze het niet aangedurfd om een dag niet te
gaan. Nu was ze al voor de derde keer in het
ziekenhuis te werk gesteld als verpleegkundige. Dat ze daarvoor niet was
opgeleid deed er niet toe. Immers, in een ziekenhuis lagen zieke mensen en daar
moest je je maar niet al te druk meer om maken. Ook dat hoorde bij de oude
tijd. Oh zeker, de mensen werden wel behandeld, ze werden niet aan hun lot
overgelaten, maar al teveel moeite gaf men zich niet om hen. Aagte was van nature niet zorgzaam. Ze
haatte het om mensen in en uit bed te helpen, om ze te voeren, om ze gereed te
maken voor de een of andere behandeling. Ze kon de weerloze kopjes die boven de
kraakheldere lakens uitstaken niet uitstaan. Als ze zo’n wit gezicht zag, kon
ze zich maar ternauwernood beheersen, het liefst had ze er op los getimmerd. Ze
kon niet tegen die weerloosheid, dat vertoon van inactiviteit. Ze was iemand
voor op de podiums, voor op de barricaden, voor de onderhandelingstafel, niet
voor de zorg. Dus toen ze moest reageren op de bel vanuit één van de
patiëntenkamers had ze de pest in. Wat nu weer, gromde ze in zichzelf. Weer
iemand die op de pot wil, weer iemand die zijn nest heeft ondergekotst. Maar in
de kamer trof ze een magere, oude vrouw, die bedeesd glimlachte. “Wat is er?”
vroeg Aagte bars. Ze probeerde wel vriendelijk te zijn, maar dat lukte haar
eenvoudigweg niet. “Ik ken jou,” piepte de vrouw. “Jij bent toch Aagte? De
voorvrouw van destijds?” Aagte knikte, haars ondanks toch gevleid door de
herkenning. Dat gebeurde niet heel veel meer de laatste tijd. Vakbonden en hun
voorvrouwen waren iets van de préhistorie, niet iets waar mensen het nu, in
2020, wel eens over hadden. “Ik ga gauw dood,” ging de vrouw verder. Weer
knikte Aagte. Alsof dat niet voor iedereen duidelijk was. Het vrouwtje was al
gedeeltelijk de eeuwigheid ingetrokken, zo weinig was er van haar lichaam over.
“En ik wil je nog wat zeggen. Kom dichter bij.” Met tegenzin boog Aagte zich
naar de vrouw toe. Ouderdom en dood roken zurig, weerzinwekkend en het was
altijd alsof je er dagen over deed om de geur weer van je af te spoelen. “Je
moet de strijd weer oppakken,” fluisterde de vrouw, die zichtbaar moeite had
met spreken. “Je moet het niet pikken. Zie wat ze doen met de ouderen, zie wat
ze doen met de jongeren. Ze dwingen ze tot slavenarbeid, het zijn slaven,
anders niet. Je moet er wat aan doen. Je moet weer een vakbeweging oprichten.”
Aagtes hart lichtte op bij het idee. Strijd! Alles weer oppakken waar ze het
achter zich had gelaten! Nooit meer naar de Dienst Arbeidsbewaking! Maar hoewel
het idee heel aantrekkelijk was, had ze geen idee hoe ze het zou moeten
aanpakken. Niet alleen was het vormen van vakverenigingen min of meer verboden,
het was ook nog eens moeilijk om wie dan ook te porren tot verzet tegen de
omstandigheden. Om een gedachtepauze te kunnen hebben, streelde ze de vrouw
over het dunne, witte haar. Even later keek ze in haar ogen om haar te
bedanken. De vrouw was dood. Aagte gooide haar verpleegstersjas uit en verliet
het ziekenhuis. Ze wist wat haar te doen stond. Het eerst betrad Wouter de kamer van het
Triumviraat. Dat was meestal zo. Hij was een man van de klok. In de tijd dat
hij partijleider was, had hij zalen vol met mensen wel laten wachten, maar dat
was om de opwinding te laten stijgen. Dat kwam goed over op televisie, dat zou
hem tonen als de leider waar iedereen zo lang op had zitten wachten. Hij zag
het mes op tafel het eerst. Aanvankelijk dacht hij dat Rita weer eens zou
trakteren op iets lekkers bij de koffie, maar dat leek onwaarschijnlijk, want
ze was er nog niet. Hij bekeek het mes beter. Het was niet het type mes dat je
in een keuken gebruikte, niet een mes waar je taart mee zou snijden. Eerder
leek het een instrument om iemand mee neer te steken of om een groot dier mee
te villen. De punt van het mes was gericht op de stoel waar hij meestal zat.
Hij keek om zich heen. Het zou niemand opvallen als hij op een andere plaats
ging zitten. Niet dat hij bijgelovig was, maar je kon het zekere toch beter
voor het onzekere nemen. Nadat hij was gaan zitten, kuchte hij en probeerde
zich te verdiepen in zijn papieren. Dat lukte niet. Steeds weer gleed zijn blik
af naar het mes. Vijf minuten later kwam Berend de Giller
binnen. Ook hij zag het mes meteen en anders dan Wouter had hij direct door dat
het niet om een keukenmes ging. Het was een teken uit het Walhalla, dat moest
het haast wel zijn. Ook al omdat de punt was gericht op de plaats waar Wouter
altijd zat. Het kon niet anders of het was de bedoeling dat hij Wouter zou
elimineren. Hij begreep het: eerst Wouter, dan Rita. Hij nam plaats op de stoel
waar Rita meestal zat en waarnaar de punt niet was gericht. Hij schraapte zijn
keel en verdiepte zich in de stukken. Niet veel later betrad Rita hijgend en
zuchtend de kamer. “Wat ik nou weer heb meegemaakt,” riep ze uit. “Ik had een
taxichauffeur zonder rijbewijs! Ik moest hem uitleggen waar de versnellingspook
voor diende en waar het gaspedaal zat en waar de rem. Hij was zo langzaam van
begrip dat ik uiteindelijk zelf het stuur maar heb overgenomen. Als het goed
is, staat die taxi er nog, want volgens mij heeft die jongen er geen idee van
hoe hij weg zou moeten komen.” Ze keek uit het raam en wilde net gaan zitten,
toen haar blik op het mes viel. Ze zei er niets van. Ze hield niet van dit
soort wapens en vroeg zich af of Wouter of Berend dit had neergelegd. Ze wuifde
die gedachte weg: zo grof zouden ze het toch niet aanpakken. Voordat ze ging
zitten, gaf ze het mes een slinger, waardoor de punt in de richting van Berend
wees. Die deinsde achteruit, maar hij raakte het mes niet aan. Een stilte volgde. Eindelijk zei Wouter:
“Het mes was er al toen ik binnenkwam.” De twee anderen knikten. “Het wil iets
zeggen.” “Goh, Wouter, wat is dat nou weer scherpzinnig van je opgemerkt! Het
wil iets zeggen, ja, dat lijkt mij ook! Maar wát wil het zeggen, daar gaat het
nu om.” Weer zwegen ze. Tersluiks namen
ze elkaar op. Plotsklaps sloeg Rita met haar vuist op tafel: “De
onuitsprekelijken!” riep ze. “Daar moet het vandaan komen, dat kan niet
anders!” “Ssssssssst,” zei Wouter. “Je weet nooit hoe ze meeluisteren. Ze zijn
overal om ons heen. Maar ik vrees dat je gelijk hebt, Rita. De
onuitsprekelijken willen ons iets duidelijk maken. De vraag is alleen wát.”
“Nou, dat lijkt me simpel,” zei Berend. “Dat de moslims het land uit moeten,
dat willen ze zeggen. Gisteren zullen ze wel opgekeken hebben van die baklava,
daaraan kan je zien hoever de islamitisering al heeft doorgezet. Niks
mariakaakjes of Limburgse Vlaai. Baklava, dat is tegenwoordig wat je aantreft
bij de koffie.” “Hou toch eens op, Berend,” sprak Rita geïrriteerd. “Als het daarom
ging, hadden ze ons wel een referendum laten uitschrijven. Nee, het gaat om wat
anders.” Weer volgde een stilte. Wouter luisterde of hij geluiden op de gang
hoorde, maar er was niets. Toch werd er plotseling een brief onder de deur
doorgeschoven. Alsof die door de wind was bezorgd. Berend stond op om de brief
te pakken. “Hou het drietal bijeen,” las hij luidop. “Geen gesodemieter, dat
kunnen we ons niet veroorloven. En hou toezicht op het referendum bezittingen gewezen
kroonprins.” Hij keek de anderen verbaasd aan. “Hoezo het drietal bijeen
houden? Welk drietal?” “Ach sukkel, ze bedoelen ons natuurlijk!” zei Rita.
“Maar we zijn toch al bij elkaar? We wilden toch helemaal niet uit elkaar? Of
wel soms?” Wouter en Rita keken elkaar aan. Op dat moment wisten ze precies wat
de ander van plan was geweest maar wat die nu niet kon uitvoeren. “En toch
krijg ik je een keer, met die fundamentalistische achtergrond van je,” dacht
Rita. “Er komt een dag dat je gaat hangen met dat amateurisme van je,” dacht
Wouter. Berend ging weer zitten. “Oh, dan weten we dat ook weer. We moeten bij
elkaar blijven. En er moet iets met het referendum gewezen kroonprins, alleen,
wat.” “Nou, het lijkt me dat we dat moeten gaan beïnvloeden,” zei Wouter.
“Terugtrekken kan niet, want er is al een prijsvraag uitgeschreven.” “Alleen is
het referendum nog niet klaar. Lori Breeweg vertelde dat ze het diepgaand wilde
bespreken met haar afdeling.” “Dan moeten we de medewerkers die zich ermee
bezig houden hierheen roepen,” zei Berend. “Met beroep op hun vaderlandsliefde
lukt het ons wel, om dat referendum op de gunstige manier te laten formuleren.”
“Ach, waar maken ze zich druk om,” vroeg Minister Rita zich hardop af. “Net of
iemand ooit leest, wat er op dat beeldscherm staat. Ze kiezen wat en vervolgens
bellen ze om de prijs te winnen.” “Toch kan je daar niet van uit gaan,” wierp
Wouter tegen. “Het is mogelijk dat het de gemoederen wel bezig houdt. Laten we
die medewerkers hierheen roepen. Dan horen we wel wat ze te zeggen hebben.” Anaxia had plezier in haar werk. Als ze
gedwongen was geweest om dit te doen, zoals zoveel mensen overkwam, zou ze zich
hebben verzet, maar nu vond ze het heerlijk om elke ochtend na de koffie met
Tecla aan de slag te gaan. Ze produceerde het ene referendum na het andere. Wel
deed het elke morgen een beetje pijn om Hare achter te laten. Op haar oude dag
was ze zo kwetsbaar geworden, zo broos. Maar als ze eenmaal was vertrokken, had
ze geen tijd meer om daaraan te denken. Hare moest zichzelf maar helpen en
trouwens, voor het avondeten zou ze weer terug zijn. Af en toe praatte ze met
Tecla over de referenda die zij onder handen had, maar Tecla wilde er niet veel
over zeggen. “Het is niet interessant,” zei ze weleens, “De ene onbenulligheid
na de andere. Soms denk ik erover om me maar te melden in één van de hallen.”
“Dat mag toch niet, op jouw leeftijd?” “Klopt, ik ben verplicht hier te blijven
zolang het de werkgever goeddunkt. Dus laat ik er maar over ophouden.” En dan
zette ze zich weer aan het werk. Af en toe liep Anaxia de zaal met
telefonisten op. Daar zaten mensen de hele dag en ook ’s avonds telefoons te
beantwoorden van mensen die belden om de prijsvragen op te lossen. Opvallend
vaak hadden ze het goede antwoord gegeven. Dan ging hun ID in de loterijton.
Het was altijd druk op de prijsvraagzaal. Geen telefoniste zat met de armen
over elkaar, de telefoon ging voortdurend. Het viel haar op dat hier voor het
grootste deel dezelfde mensen zaten. Die werden dus niet dagelijks aangewezen
door de Dienst Arbeidsbewaking. Eigenlijk gold dat voor de meeste werknemers,
leek haar. In de bus zag ze tenminste ook vaak dezelfde buschauffeurs. En ook
in de winkels. Het leek erop dat de arbeidsmarkt helemaal niet zo flexibel was
als het triumviraat zich had voorgesteld. Of meer dat de flexibiliteit één kant
opging. Ze was blij dat ze de zesenzestig ruim was gepasseerd, dan kon ze
tenminste niet gedwongen worden om te gaan straten maken of iets anders waar ze
totaal geen zin in had. En als haar klus erop zat, kon ze gewoon stoppen met
werken. Vanuit de prijsvraagzaal liep ze de grote
hal in. Ze zag een ME-busje keihard de oprijlaan oprijden en piepend tot
stilstand komen voor het paleis. Wat moesten die nu hier. Ze haalde haar
schouders op en ging terug naar haar werkkamer. Nog geen minuut later stonden er zes tot de
tanden toe gewapende politiemensen in de werkkamer van Tecla en Anaxia. “Op de
grond! Op de grond!” schreeuwde één van hen. Allen wezen ze met hun wapens in
hun richting. Tecla en Anaxia gaven gehoor aan het bevel. Ze werden snel
gefouilleerd en vervolgens werden hun handen op de rug gelegd en geboeid.
Voordat ze konden beseffen wat er gebeurde, werden ze naar het ME-busje
gesleept. Dat reed, in dezelfde vliegende vaart als waarmee het was gekomen, in
de richting van het kantoor van het Triumviraat. Na een wilde rit over wegen vol met hobbels
werden ze in een gebouw gebracht. Dat ging niet zachtzinnig. Ze werden over de
grond gesleept en af en toe, als ze niet snel genoeg waren, werden ze geschopt
door één van de agenten. Ze werden van een trap af getrokken en in een
kelderachtige kamer gebracht. Daar werden ze keihard op een stoel geduwd. Ze wisten het niet, maar ze waren naar de
werkkamer van de Dienst Verhoren gebracht. Het personeelsbestand van die dienst
wisselde bijna dagelijks: elke dag werden er nieuwe verhoorders gerekruteerd in
de hallen. Het was namelijk werk waarover niet snel tevredenheid bestond.
Verdachten sloegen maar zelden door en soms weigerden de medewerkers ronduit de
goede methoden toe te passen om mensen aan het praten te krijgen. Zo iemand
werd natuurlijk onmiddellijk de laan uitgestuurd, met een aantekening in zijn
ID, die hem het verlies van een paar voedselbonnen kon kosten. Vandaag was er, naast de Dienst Verhoren
Generaal, die wel in vaste dienst was, hoewel het nog maar de vraag was of je
van een dienstverband kon spreken. De DVG was namelijk nogal gezet, wat deed
vermoeden dat hij meer voedsel tot zijn beschikking had dan anderen. Iedereen
wist wel dat er bevoorrechten waren, al sprak niemand daar openlijk over. De
gewezen koningin en haar hofhouding behoorden bijvoorbeeld tot die
bevoorrechten, de leden van het Triumviraat ook en hoogstwaarschijnlijk ook de
Onuitsprekelijken, al sprak helemaal niemand over die laatsten. Hun bestaan
werd vermoed, nooit geweten. Mensen voelden heel goed aan dat het zelfs
gevaarlijk was om daarvan te dromen. De gezette DVG was degene die de vragen
stelde. Hij werd geassisteerd door een man, die die ochtend gerekruteerd was en
die duidelijk helemaal geen zin had in zijn baantje van vandaag. Hij stond
onverschillig tegen de muur geleund, met zijn handen in zijn zakken. De DVG
negeerde hem vooralsnog. “Zo, dames,” sprak hij. “Vertel maar eens
op, wat zijn jullie van plan met het Referendum Voormalige Kroonprins?” Anaxia
schrok. Waren haar bedoelingen uitgekomen. Hadden ze uitgevonden wie zij
werkelijk was? Dat zij innige banden had met het voormalige koningshuis? Ze
boog het hoofd. Het beste was om te zwijgen. Tecla snapte er helemaal niets
van: “Nou, gewoon een referendum opstellen, en dat zouden we bespreken in het
teamoverleg, wat is daar mis mee?” vroeg ze. De DVG wenkte naar zijn assistent.
“Laat ze praten!” beval hij. De assistent haalde zijn schouders op: “Hoe dan?
Hoe moet ik dat stelletje ouwe wijven aan de praat krijgen? Ze kletsen meestal
de oren van je kop, daar niet van, maar op vragen weten ze geen antwoord te
geven, dat stelletje senielen. Ze moesten ze opsluiten, allemaal.” “Doe wat je
gezegd wordt, of je krijgt een hele vervelende aantekening in je ID!” brulde de
DVG. Onwillig deed de assistent een paar stappen in de richting van Anaxia. Hij
kneep haar voorzichtig in de bovenarm. Anaxia voelde het nauwelijks, maar ze
kneep toch terug. Ze liet niet met zich sollen en zeker niet door zo’n
snotneus. “Ze doet me zeer!” riep de assistent verontwaardigd uit, terwijl hij
naar zijn geknepen arm greep. De DVG sloot zijn ogen in opperste wanhoop. Wat
moest hij met zo’n assistent. Hij wilde een keiharde, die nergens voor
terugdeinsde, niet iedere dag opnieuw zo’n wattige idioot die totaal niet
gemotiveerd was. “Ik bedoel dus dit!” baste hij even later en hij gaf Anaxia
een keiharde stomp in haar gezicht. De tranen sprongen haar in de ogen.
Haatdragend keek ze de DVG aan. “Onhandelbaar kind,” siste ze. “Sla me maar
dood, ik heb ook mijn eer. Liever sterven in het harnas, dan toegeven aan die
dwingelanderij van de jeugd!” De DVG
zuchtte wanhopig en borg zijn hoofd in zijn handen. Op dat moment stormde een heer van
onbepaalde leeftijd de kamer binnen. “Sukkel!” beet hij de DVG toe. “Niet zo!
Dit is toch totaal nergens voor nodig! Laat die dames vrij en geef ze een kopje
koffie om van de schrik te bekomen. Ik zal wel vertellen wat de bedoeling
is.” Het ontging Anaxia en Tecla niet
dat de DVG van schrik lijkbleek was geworden. Anaxia weerstond de neiging om
haar tong naar hem uit te steken. De man die was binnengekomen, wees naar haar.
“Eerst jij, dan je collega,” zei hij. “Volg mij.” Even later zat Anaxia in een gerieflijke
stoel in een aangenaam verlichte en verwarmde kamer. De heer die haar gered
had, want zo zag zij dat inmiddels wel, ze had niet gemakkelijk nog zo’n klap
kunnen doorstaan, zat tegenover haar in een soortelijke stoel. Ze bekeek hem.
Het was niet gemakkelijk om hem te duiden. Hij droeg een donker pak en zijn
gezicht was zo vol groeven, dat het leek alsof hij uitgekrast was. Zijn haar
was blond, maar had ook bruine en grijze strengen. Zijn gestalte was normaal,
alles was gemiddeld aan hem. Maar het meest verontrustend aan hem was dat hij
elk moment leek te kunnen oplossen. Ook zijn stem leek in die richting te gaan.
Uit zijn keel kwam een laag, krassend geluid. Ze kon verstaan wat hij zei, maar
het was alsof wat ze had gehoord nooit was gezegd. “Ik weet wie je bent, Anaxia,” kraste ze.
Aanvankelijk schrok ze, maar ze bedacht dat ze hiervan niet moest opkijken.
Natuurlijk wist hij wie ze was. Ze had geen idee hoe het werkelijk zat, maar er
waren krachten in dit land die alles in de gaten hielden en overal achter
kwamen. “Daarom heb ik je geroepen. Sorry voor die idioot van daarnet. Morgen
stuur ik hem naar de hallen en ik zal er op toezien, dat hij ergens bij de
wegenbouw wordt ingezet. Ik weet ook waarom je bij Bureau Referenda bent en dat
is een goed ding. Maar je mag dat niet verknallen. En verknallen zou je doen als
je te opzichtig te werk ging. Je weet hoe het referendum moet aflopen. Het is
jouw taak om erop toe te zien, dat dat ook gebeurt. Hier heb je de codes van de
stemmachines. De controlekamer daarvan staat op zolder bij Noordeinde. Neem de
instructies ter harte en ga onmiddellijk aan de slag als het referendum live
is.” Anaxia knikte. Hier was een
medestander, hoewel ze dat niet zeker kon weten. Al wilde deze man kennelijk
hetzelfde, misschien, ja, waarschijnlijk zelfs, was zijn motivatie heel anders.
Maar ze zou doen wat haar werd verteld. Alles om Hare tevreden te stellen, nou
ja, bijna alles. Want intussen had ze bedacht dat ze niet meer al haar dagen
als hofdame wilde doorbrengen. Ze wilde af en toe echt uit werken gaan, want
dat beviel haar heel goed. Maar daar zou ze het nog wel over hebben met Hare,
als alles achter de rug was. Beatrix vermaakte zich uitstekend. Anaxia
had haar eens moeten zien, dan zou ze omvallen van verbazing. Eerst was alleen
het park in de buurt haar territorium geweest, maar sinds ze alleen met de
trein naar Brussel was gegaan, breidde ze dat uit tot de hele stad. Urenlang
wandelde ze door de straten, genietend van wat ze allemaal zag en even vaak
zich verbazend over wat er allemaal plaatsvond. Vandaag was ze langs de rand van de stad
gelopen. Er was daar een modderig voetpad, met een grote muur ernaast
waarachter het verkeer raasde. Op het braakland dat aan de andere kant van het
voetpad lag, was een grote hal die was opgetrokken uit metalen platen. Er stond
een grote rij mensen te wachten, de rij schuifelde langzaam voort. Ze had
weleens gehoord van de hallen van de Dienst Arbeidsbewaking, maar ze had zich
er nooit veel bij kunnen voorstellen. Zij was vrijgesteld van dagelijkse
melding, en dat gold ook voor haar oudste zoon en zijn vrouw. De rest van de
voormalige familie diende zich wel te melden en voor verreweg de meeste was dat
aanleiding geweest om het land te verlaten. Ze hoorde niet zoveel meer van hun.
De communicatielijnen met het buitenland waren slecht geworden, sinds al het
in- en uitgaande telefoon- en emailverkeer gefilterd diende te worden door de
Dienst Communicatiefilter. Een emailtje was daardoor wel weken onderweg, en dat
maakte het minder aantrekkelijk om elkaar een berichtje te sturen. Uit
nieuwsgierigheid sloot ze zich vandaag toch aan in de lijn, nadat ze in haar
jaszak had gevoeld of ze haar ID-kaart bij zich had. Eens kijken waar ze
terecht zou komen, als ze niets vertelde over haar vrijstelling. Op grond van
alleen haar leeftijd zou ze toch wel kunnen weigeren. In de rij stonden de mensen dichtbij
elkaar, alsof ze bang waren dat iemand anders hun plaats zou gaan bezetten.
Geen millimeter ruimte lieten ze over. Ze luisterde naar het gemompel van de
mensen, dat aanvankelijk tot haar kwam in de vorm van een zingend soort gezoem.
“Als ik in godsnaam maar niet weer naar de wegenbouw hoef vandaag,” gromde een
man van in de vijftig. “Mijn rug trekt dat niet, echt niet, maar ik kan zeggen
wat ik wil, niemand luistert ernaar. Je hebt het maar te doen.” “Vertel mij wat,”
beaamde een vrouw die in de buurt stond. “Je hebt geen reet in te brengen. Ja,
je mag je vingers rood kleuren met al die referenda elke week, maar het stelt
geen fuck voor. Gisteren heb ik de hele dag in een broodwinkel gestaan. Mijn
voeten zijn er nog opgezwollen van. Ik wilde me ziek melden vandaag, maar ze
zeiden dat ze me zouden oppakken als ik weigerde me in te komen schrijven. Nou,
dan weet je het wel. Krijg je dagenlang helemaal geen voedselbonnen meer.” En zo ging het maar door. Kennelijk was niemand
tevreden. Bedenkelijke zaak, dacht Beatrix, zoiets kon toch nooit goed gaan.
Haar werk als koningin was veeleisend en zwaar geweest, en ze had het nooit
kunnen volhouden als ze er niet ook veel plezier aan had beleefd. Dat moest
voor deze mensen toch ook in enige mate gelden. Aagte Jongejans stond in dezelfde rij. Zij
luisterde niet naar de omstanders, maar staarde voor zich uit. Sinds het was
gaan broeien, sinds de stervende vrouw in het ziekenhuis haar tot actie had
gemaand, had ze nog maar één doel voor ogen en dat was zich weer aan het hoofd
stellen van de werkende klasse. Dat er onvrede was, wist ze wel: ze stond
immers zelf bijna dagelijks in de rij. En hoe vaak moest ze niet werk doen dat
haar zwaar tegenstond en vaak ook ronduit te zwaar voor haar was. Nu ging het
erom dat de morrende massa het niet langer meer pikte. Ten eerste moesten ze
een redelijke beloning ontvangen, ten tweede moesten ze weer kunnen kiezen wat
ze gingen doen. Zodat de beste vrouw op de beste plaats kwam. Niet dat dat ooit
zo was geweest, maar in 2020 stond Nederland verder van die wenselijke situatie
af dan ooit. Langzaam kwam de rij dichterbij de
werkverdelingsloketten. Ze zette zich schrap. Het was nu of nooit. Er was
behoorlijk wat moed nodig voor wat zij ging doen, maar ze moest wel. Ongeacht
de consequenties. Haar blik dwaalde naar de vrouw die niet zo ver van haar
vandaan achter in de rij stond. Dat kapsel, dat keurige, stijf gelakte kapsel,
in een hardnekkig soort donkerblond dat zich maar met moeite wist te verzetten
tegen het oprukkende grijs. Ineens wist ze het zeker: het was de voormalige
Koningin der Nederlanden! Dat die daar zo maar stond, zonder herkend te worden,
zonder zichtbare lijfwachten in de buurt. Ze had al jaren niet aan de
voormalige vorstin gedacht, en zich ook nooit afgevraagd wat er van haar
geworden was na haar abdicatie, maar het verbaasde haar de oude dame van de
laatst overgebleven adellijke familie in Nederland hier te treffen. Zou zij nou
ook meldplicht hebben? Dat kon toch niet, op haar leeftijd? Aagte liep uit de
rij en begroette Beatrix: “Dag majesteit, ik ben verbaasd u hier te treffen.”
“Sssst,” deed Beatrix en legde een wijsvinger op haar lippen. “Ik geniet zo van
mijn vrijheid, ik heb liever niet dat iedereen weet wie ik ben, of liever, wie
ik was. Ik ben bepaald geen majesteit meer, overigens. En met wie heb ik het
genoegen?” “Aagte Jongejans, ook niet meer wie ik geweest ben. Maar nu is het
genoeg geweest, ze zullen eens wat beleven zo dadelijk.” “Aagte Jongejans,
Aagte Jongejans,” sprak mevrouw Van Oranje Nassau nadenkend. “Ach, ja, ik
herinner me het weer. U was in de jaren Nul zo vaak op televisie, iets met
werkgevers en werknemers, dat was altijd zo’n gedoe toen.” Aagte knikte. “Een
heel gedoe maar we hebben veel voor elkaar gekregen. Helaas is dat in 2011
allemaal weer met één klap afgebroken, maar we zijn terug. Het water staat ons
aan de lippen! Ik ga een verbond aan met de duvel en zijn ouwe moer als dat
nodig is, maar de werknemers in Nederland zullen weer een vuist maken! We laten
niet met ons sollen!” Aagte merkte niet
dat ze steeds luider ging praten en dat steeds meer mensen in haar richting
keken. (En hoe het verder
ging, dat vernemen we pas veel later, want voorlopig heb ik genoeg van dit verhaal. Dus het is tijd voor
een onderbreking. Het vervolg is een literaire thriller. Hoewel, echt literair
zal het niet zijn en veel thrillerachtige elementen zullen er ook niet in
zitten. Omdat in deze kosmos alles met alles samenhangt, zullen de
verhaallijnen later weer bijeen komen. Hoe, dat weet ik nu nog niet en ach, wat
doet het er ook toe). II.
De Politieagent. Lous Bakker was nu vierenveertig en werkte
sinds haar achttiende bij de politie. Zij was niet ambitieus, had nooit
gestreefd naar een hogere functie zoals inspecteur, rechercheur of zelfs maar
hoofdagent. Ze vond het heerlijk om in haar uniform op straat te wandelen, het
hield haar fit en haar lichaam bleef in goede vorm. Zij was één van de weinige
mensen bij politiebureau De Achtersteeg die vrijwillig opteerde voor de straatdienst. Ook vandaag, een zonnige dag in november,
liep ze er weer. Ze had haar schone uniform aangetrokken met een lekkere,
frisse bloes eronder. Haar damespet had ze stiekem verwisseld voor een herenpet
die haar veel beter stond. Dat damesdopje was zo tuttig, dat ze niet eens in de
spiegel durfde te kijken als ze hem op had. Dus nu droeg ze het ding alleen als
ze wist dat ze de hoofdagent zou tegenkomen. Dat was De Vries, een zeurpiet van
de eerste orde, een kommaneuker, en een volger van de kleine lettertjes van het
handboek “Agent op straat: gedrags- en gedachtevoorschriften”. Dat kende hij
uit zijn hoofd. Zo wist hij precies hoe een gewone agent als Lous hem moest
groeten: nederig en met respect, dus de pink aan de bolhoed en een ernstig
gezicht. En niet, zoals bij Lous regelmatig het geval was, met een cynische
glimlach rond haar lippen. Uiteraard stond hij ook op het dragen van de
bolhoed. Onder alle omstandigheden. Het liefst had hij ook nog gehad dat de
vrouwelijke politieagenten een rok droegen, maar dat was weer lastig als je
over schuttingen moest klimmen bij het achtervolgen van inbrekers en ander
gespuis, dat zag hij zelf ook wel in. Vandaag was er echter geen kans dat ze De
Vries tegenkwam, want die was met een groep bevriende politiemensen aan het
zeevissen. Moge de boot omslaan, dacht ze bij zichzelf, het is november, het
kan gaan stormen, nietwaar? Terwijl ze zo liep, achteloos zwaaiend met
haar knuppel, zag ze ineens iets groezeligs over een afvalbak hangen. Een dronkelap,
dacht ze eerst, hoewel het daar nog wel wat vroeg voor was. Immers, twee uur in
de middag was geen tijdstip waarop mensen normaal gesproken dronken pleegden te
zijn. Of je moest wel heel erg ongelukkig zijn. Ach, ze was in haar langdurige
carrière al zoveel tegengekomen, niets verbaasde haar meer. Een dronken man
midden op een doordeweekse dag nog het allerminst. Ze had vondelingen
aangetroffen op de snelweg, gestichte branden gezien in een school, een oude
vrouw op straat in alleen haar onderbroek, een hevig in elkaar verstrengeld
liefdespaar in een kamer zonder de gordijnen dicht. Je kon het zo gek niet
opnoemen, of ze had het wel meegemaakt. Haar kregen ze niet meer verbaasd. Dat
nam niet weg dat ze nu wel iets moest doen aan deze situatie. Want zo’n
voddenbaal over een prullenmand, dat was geen gezicht en ze hoefde niet eens in
het handboek “Agent op straat: gedrags- en gedachtevoorschriften” te kijken om
te weten dat hier de orde was verstoord en dat die onverwijld hersteld diende
te worden. Ze vatte de man bij de kraag. “Meneer,
loopt u eens gauw verder.” De man gaf geen sjoege. Dat kwam er ook nog bij, een
vent die niet wilde luisteren. Ze gaf hem een licht schopje tegen zijn been.
Dat verschoof wat op straat, maar nog steeds reageerde de man niet. Ze bekeek
hem eens beter. Toen viel haar pas het enorme mes op dat in zijn rug stak.
Vreemd, dat ze dat nu zag, aan de andere kant, mensen dosten zich zo vaak bizar
uit tegenwoordig, dat je ook weer niet zo snel raar opkeek van zoiets. Toch zag
ze in dat hier iets anders aan de hand was dan het nieuwste modesnufje. Dat
bleek uit het bloed dat om de plaats waar het mes in de rug stak uitgewaaierd
was. Donker bloed. Redelijk vers bloed. Ze legde twee vingers in de nek van de
man en trok haar conclusie: de man was dood. Het leek haar heel sterk dat er
sprake was van een natuurlijke doodsoorzaak, al kon je zoiets nooit met
zekerheid zeggen voordat er gedegen onderzoek was gedaan. Tenslotte was het
mogelijk dat het mes het resultaat was van een slordig uitgevoerde medische
ingreep en was de man overleden aan een hartaanval, of iets anders dat je
zomaar, midden op straat, kon overvallen. Zelfmoord leek al realistischer. Veel
zelfmoordenaars hadden behoefte aan een laatste, theatraal gebaar, een laatste
schreeuw om aandacht. Over een prullenbak liggen met een mes in je rug trok
zeker de aandacht. Ze overwoog de mogelijkheid. Natuurlijk was het lastig om
een mes in je eigen rug te steken en dan ook nog met zoveel kracht. Maar,
verstandig als ze was, ook dit sloot ze niet uit. Ze nam haar mobiele telefoon
en belde de centrale. Er moesten maar wat collega’s naar kijken. “Hallo Lous,”
zei de agent die opnam. Hij klonk slaperig. Het was dan ook het uur van het
middagdipje en zeker als er flink geluncht was op het bureau, wilde dat nog
weleens toeslaan. “Dag Bart,” zei ze. “Ik heb hier een lijk.” “Nee maar, hoe
komt dat zo?” “Weet ik niet. Dode hangend over een prullenbak, met een mes in
zijn rug. Het zou kunnen dat er een misdrijf in het spel is.” “Dat moet je niet
te snel zeggen, Lous. Ik zal er wel wat mensen op af sturen, maar
waarschijnlijk is er een volkomen logische verklaring.” “Waarschijnlijk wel,”
beaamde Lous. “Toch moet er even iemand naar komen kijken. Je weet maar nooit.” Een half uur later was de patrouillewagen
gearriveerd. Twee forensisch onderzoekers waren meteen maar mee gereden. Die
hadden die middag niets te doen gehad, en daardoor ging hun werkdag zo langzaam
voorbij. Daarom hadden ze erop aangedrongen dat ze mee mochten. De dode werd gefotografeerd en Jeanne, de
ene onderzoeker, bekeek het mes en de plaats waar het instak aandachtig. “Ik ga
mijn pak maar eens aantrekken,” zei hij uiteindelijk. “Ik vind dit toch
verdacht genoeg om een sporenonderzoek te doen.” Lous keek toe. Ze feliciteerde
zichzelf met haar inzicht om haar collega’s te bellen. Stel je voor dat het wel
een misdrijf was en de man zou maar gewoon begraven worden met het etiketje
natuurlijke doodsoorzaak erop. Niemand zou dan ooit te weten komen dat het
anders lag, maar het was dan wel zo dat een moordenaar op vrije voeten bleef.
En dat mocht nooit geaccepteerd worden. Al met al was het een heel gedoe. Jeanne
had zijn witte pak met witte muts aangetrokken en schraapte van alles van de
dode af. De sporen zouden in een mum van tijd verdwenen zijn, dus het was zaak
snel te handelen. “Het lijkt toch wel op een moord,” mompelde Jeanne. “De
kracht waarmee dat mes in de rug is gestoken, en het is ook niet een instrument
dat bij chirurgische ingrepen wordt gebruikt…Nee, ik denk toch echt dat iemand
dit op zijn geweten heeft..” Lous hart begon wild te kloppen. Zo ambitieloos
als ze was, zou ze deze moord toch wel willen oplossen. Zij had hem tenslotte
gevonden, dus het zou niet meer dan redelijk zijn. Ze wist wel hoe De Vries
over dat soort dingen dacht en zo stond het ook in het handboek “Agent op
straat: gedrags- en gedachtenvoorschriften”. Hij zou zeggen dat zulk onderzoek
niet de taak van de agent was, dat die zich moest bepalen tot het oplossen van
buurtruzies en fietsendiefstallen. Dit grote werk moest worden overgelaten aan
de mensen die ervoor getraind waren. Maar ze zou De Vries negeren en direct de
rechercheur benaderen die straks aan het moordonderzoek werd toegewezen. De ambulance arriveerde. Eén van de
verpleegkundigen stapte uit. Nadat hij een blik op de dode had geworpen, zei
hij: “Het is een dooie en zo te zien is hij ook al een tijdje dood. Die mogen
we niet meenemen.” “Ach toe,” pleitte Lous. “Voor deze ene keer kan het toch
wel? Je weet hoe lang de taxi van het mortuarium erover doet. En hij moet zo
snel mogelijk helemaal onderzocht worden. Wie weet blijkt nog wel dat hij niet
lekker was, en dat hij met zijn rug in het mes is gevallen.” De broeder schudde
zijn hoofd. “Nee,” zei hij. “Ik kan het niet doen. Het is tegen de
voorschriften en ik krijg er gedonder mee. Om van de smeerboel in mijn wagen
maar niet te spreken.” Hij stapte weer in en de ambulance reed met vliegende
vaart weg. Inderdaad duurde het erg lang voordat de
taxi van het mortuarium verscheen. Met de twee doodgravers, die er ook zo
uitzagen in hun zwarte pakken en met hun bleke gezichten, was de rechercheur
meegereden. Ze stapte moeizaam van de achterbank, want de vorige avond had ze
haar enkel verzwikt met tennissen. Kora de Laat was niet echt een fervent
sporter, maar af en toe ging ze wel eens in op een uitnodiging om mee te gaan
tennissen. Je kon tenslotte niet altijd in je eentje zitten. “Oh god!” riep ze
uit, toen ze de dode zag liggen. Lous was blij dat Kora aan het onderzoek was
toegewezen. Die had een bloedhekel aan De Vries en nu was het voor Lous een
koud kunstje om bij het onderzoek betrokken te raken. Meteen maakte ze van de
gelegenheid gebruik. “Zeg Kora, ik heb de dode gevonden. Het lijkt erop dat het
een moord is en ik vind het belangrijk dat de moordenaar wordt gevonden. De
Vries zal het vast niet goedvinden, maar ik zou kunnen helpen met….” Kora
reageerde als gestoken: “Hoezo vindt De Vries het niet goed? Wat heb ik met De
Vries te maken, met die droogstoppel van het korps, die ze allang op sterk
water hadden moeten zetten. Jij bent erbij betrokken. Of je nou wilt of niet,
Bakker. Vanavond om acht uur briefing. Al je verlof is bij dezen ingetrokken.”
Lous probeerde haar vreugde te verbergen maar kon toch niet vermijden dat er
een glimlach om haar mond verscheen. Die avond zou ze met Kora gaan
samenwerken. Ze had echt zin in dit klusje, het was weer eens wat anders. Een
soort puzzeltje zou het zijn. “Dan ga ik nu een hapje eten,” zei ze tegen Kora.
“Ik ben straks precies om acht uur bij je.” “Ja, tot straks,” sprak Kora
afwezig terwijl ze het lijk beklopte en betastte. Eenmaal thuis kleedde Lous zich zorgvuldig
om. Ze wist het niet zeker, maar ze dacht niet dat ze ’s avonds in uniform
hoefde te verschijnen. Dus nu trok ze een nette pantalon met dito overhemd aan,
kleding die ze normaal gesproken alleen droeg als ze een afspraak, of een date
zoals dat tegenwoordig heette, had. Poes Linda de Mol zat knorrend naast haar
en gaf haar been kopjes. Linda zou het niet leuk vinden dat ze vanavond alweer
wegging, maar zaken waren zaken. Vannacht zou ze het goed maken, dan mocht
Linda haar deel van het kussen er ook bij. Niet dat ze zich dat niet elke nacht
wist toe te eigenen, maar toch, het was een toegift als Lous haar het meteen al
liet. Lous had een gezellige flat, niet al te
groot, maar wel knus. Ze was niet erg vaak thuis, want ze bood regelmatig aan
extra diensten te draaien. Hoewel haar kamers leuk waren ingericht, zagen ze er
daarom toch een beetje hotelachtig uit. Te opgeruimd eigenlijk, zoals kamers
eruit zien waar niet veel wordt geleefd. Dat Lous zo vaak overwerkte, had nog
een reden, behalve haar liefde voor het vaak. Ondanks haar grote tevredenheid
over het leven voelde ze zich vaak alleen. Ze had leuke collega’s met wie ze na
de dienst soms een borrel dronk, maar dat was toch niet alles. Ze moest
zichzelf toegeven dat ze een geliefde miste. Soms maakte ze een afspraak met
iemand die ze op een datingsite had ontmoet, maar dat had tot nog toe nergens
toe geleid. Het was alweer even geleden dat ze dat had gedaan, want de laatste
keer was nogal een afknapper geweest. In de advertentie had de vrouw zich
omschreven als stevig, maar bepaald lichtvoetig, niet gespeend van humor en
zeker niet van karakter. Toen ze haar had herkend aan de gele tulp in de
bovenste knoop van haar jasje bij La Place in het centrum, was ze bijna
weggelopen, zo was ze geschrokken. De vrouw was enorm geweest. Heel groot,
zeker 1.90 m, en heel breed. Niet dik, maar echt dik, zoals een worstelaar. Ze
had gemillimeterd haar en kleine, waterige varkensoogjes. Ze had iets weggeslikt
en was toen op haar afgestapt. Nadat ze zich had voorgesteld, had de vrouw haar
zwijgend van top tot teen opgenomen. “Nee, dot, jij bent mijn type niet, ik val
echt op de vrouwtjes en zo eentje ben jij niet” had ze gezegd. Hoewel er
natuurlijk niet gerookt mocht worden in het restaurant, stak ze toch een dikke
sigaar op. Niemand haalde het in zijn hoofd om er iets van te zeggen. Daarna
stond ze op en zonder groeten was ze verdwenen. Lous had zich zowel opgelucht
als vernederd gevoeld. Ze had geen vijf minuten met de vrouw door kunnen
brengen, maar om nou zo koud afgewezen worden was toch ook weer het andere
uiterste. Sindsdien had ze geen afspraak meer durven maken. En met haar beroep
en op haar leeftijd ontmoette je niet zo snel spontaan iemand. Haar collega’s
waren allemaal bezet, en bovendien wilde ze eigenlijk geen collega als
geliefde. Al die politierelaties liepen altijd stuk, je kende elkaar veel te
goed. Het leven alleen was niet ondragelijk,
zelfs wel aangenaam, maar toch begon het gemis te knagen. Ze kreeg veel warmte
van Linda, maar een kat was toch anders dan een mens. De tijd vloog voorbij. Ze werkte snel een
half ontdooide diepvriespizza naar binnen en sprong op haar fiets. Haar moeder
moest haar zo eens zien, op weg naar haar eerste moordzaak! Op het bureau zat Kora al op haar te
wachten. “Neem koffie en ga zitten,” zei ze. Lous ging tegenover haar zitten en
bekeek haar gezicht. Best een mooie kop had die Kora. Zo had ze haar nooit
bekeken. De recherche was dan ook een dienst op zich, waar een gewone
straatagent normaal gesproken niet veel mee te maken had. Zo vaak kwam je geen
moord tegen op je ronde. “Ik heb hier het rapport van de forensen,” sprak Kora.
“Het is inderdaad een moord geweest. Het mes is met zoveel kracht in de rug
gestoken, dat zelfmoord uitgesloten mag worden geacht. Verder zijn er geen
meldingen binnengekomen van chirurgen die een instrument kwijt zijn. Trouwens,
wat we al dachten, het was geen medisch instrument dat in die rug stak, het is
een jachtwapen. Het wordt gebruikt om rendieren en beren mee te villen, geen
dieren die je veel tegenkomt in Nederland.” Kora pauzeerde en keek Lous aan.
“Dat zou kunnen betekenen dat het hier om een professional gaat, een afrekening
in het criminele circuit. Maar je kunt zoiets nooit zeggen voordat je alles tot
in de grond hebt uitgezocht.” Lous knikte. Zoiets had ze zelf ook al gedacht.
Je moest wel koelbloedig zijn om iemand op die manier op klaarlichte dag om
zeep te brengen. De meeste mensen deinsden toch terug voor zoiets, hoe een
grote hekel ze ook aan iemand mochten hebben. Kora ging verder. “Kortom, we
hebben wel aanwijzingen, maar alle mogelijkheden staan nog open. Laten we eerst
de weduwe een bezoek brengen. Een onaangename klus, ze weet nog van niks, maar
meestal levert zo’n bezoek veel informatie op, zeker als je het snel na de
moord doet. De man is trouwens Freek Bol, vierenvijftig jaar oud, en hij werkt
voor zichzelf, handelt in van alles en nog wat. Kom op.” Kora pakte haar leren
jack van de kapstop en maande Lous haar te volgen. In de discreet grijs gelakte mercedes reden
ze naar de buitenwijk waar de man gewoond had. Hij had een grote villa met
flink wat grond eromheen, een bewijs dat hij flink in de slappe was zat. Moeten
leuke handeltjes geweest zijn, dacht Lous. Kora belde aan. Even later verscheen
een vrouw die duidelijk veel jonger was dan Freek Bol. Ongetwijfeld zijn tweede
of derde vrouw. Zo ging dat als je rijk was. Je had dan geen rust genoeg om een
stabiel gezinsleven op te bouwen. De vrouw droeg een roodzijden kamerjas. Wel
wat koeltjes voor de tijd van het jaar. “Mogen we even binnenkomen, mevrouw,”
vroeg Kora met een grafklank, waaruit de vrouw meteen al zou kunnen opmaken wat
er aan de hand was. Dat was niet te zien. Opgewekt zei ze: “Ja hoor, de politie
is hier altijd welkom. Koffie luitjes? Of liever iets sterkers?” “We zijn in
diensttijd, mevrouw,” zei Lous, die wel vaker drank kreeg aangeboden tijdens
haar dienst. Die sloeg ze niet altijd af, soms was aannemen verstandiger,
voorkwam je ermee dat de gemoederen te hoog opliepen. “Koffie dan,” zei de
vrouw. “Doet u geen moeite, we zullen u niet te lang ophouden,” zei Kora.
Eenmaal in de kamer, waar de open haard wild vlamde en een bijna zomerse hitte
verspreidde, sprak Kora tot de weduwe: “U kunt beter even gaan zitten.” De
vrouw deed wat haar werd gevraagd en vroeg: “Wat is er gebeurd?” In
tegenstelling tot wat je zou verwachten, zei ze dat niet op een geschrokken
toon. Eerder was ze gretig, of ze bijna niet kon verwachten om het nieuws te
vernemen. “Uw man heeft een ongeluk gehad,” begon Kora. “Ja, ga door!” zei de
vrouw ongeduldig. “Dat is niet goed afgelopen. Hij is helaas overleden.” “Yes!!!” riep de vrouw uit. Ze stond op en
stak haar vuist in de lucht. “Yes, yes, eindelijk is de hufter dood! Wat voor
ongeluk trouwens? Heeft hij te hard gereden?”
“Nou, wat er precies is gebeurd, moeten we nog uitzoeken, maar hij is op
straat aangetroffen met een mes in zijn rug.” De vrouw schaterlachte. “Ik moet
zeggen, handig was hij niet echt, maar zo onhandig dat hij per ongeluk een mes
in zijn rug kreeg, was hij ook weer niet. Ik zou zeggen dat hij omgelegd is.”
Kora keek enigszins onzeker in de richting van Lous. Het kwam vaker voor dat
een nabestaande nou niet direct in de rouw schoot bij het horen van de dood van
de naaste, maar een zo uitzinnig vreugdebetoon was toch zeldzaam. “We weten dat
het moeilijk voor u is, maar u moet straks wel even met ons mee om hem te
identificeren.” “Oh best hoor, ik moet alleen even iets aantrekken. Ik ben wat
te luchtig gekleed. Maar vertel eens, heeft hij veel geleden?” vroeg ze gretig.
“Deed het erg pijn? Is hij langzaam doodgebloed terwijl hij naar zuurstof
snakte die hij steeds slechter naar binnen kreeg?” “Nee,” zei Lous. “Het lijkt
erop dat het heel snel is gegaan. Zijn aorta schijnt geraakte te zijn en dan is
het zo gebeurd.” “Oh, jammer. Nou ja, je kunt niet alles hebben. Het
belangrijkste is dat ik die klootzak nooit meer hoef te zien. Behalve zo meteen
dan, maar dan is hij al koud. Heerlijk, heerlijk, hij is koud en over een paar
dagen is er niet meer van hem over dan een wolkje as.” Voordat ze de deur uitgingen, stelde Kora
een vraag: “Mevrouw, waar was u vanochtend tussen acht en twaalf?” “Aan het
werk,” zei de vrouw. “Ik ben mondhygiëniste hier in de buurt. Ik ben de hele ochtend
bezig geweest.” Kora had niets meer te vragen. De vrouw had een ijzersterk
alibi. In het mortuarium trok de patholoog-anatoom
de lade met wijlen Freek Bol uit de koelkast. Ze trok het laken weg en keek
vragend naar de weduwe. “Ja hoor, dat is hem. Wat een heerlijkheid om hem zo te
zien liggen.” Ze legde even haar hand op de wang van de dode. “Ja, hij is echt
koud. Dat ik dit nog mag meemaken.” Tranen schoten in haar ogen. “We willen nog even met u spreken, om een
beeld van het leven van uw man te krijgen,” zei Kora. De vrouw knikte en volgde
de politiemensen naar de spreekkamer. “Waren er mensen die een hekel hadden aan
uw man?” vroeg Kora. “Iedereen die hem kende had een hekel aan hem,” zei de
vrouw. “Geen mens mocht hem, en dat was logisch, want er heeft zelden zo’n
ploert op aarde rondgelopen.” “Wat deed hij dan zoal?” vroeg Lous, inmiddels
heel nieuwsgierig geworden. “Hij treiterde. Hij liet niemand met rust. Het was
een stalen plank van degelijkheid, die man van mij. Hij gluurde bij de buren en
zodra ze aan de knop van de televisie zaten, ging hij aanbellen, om te vragen
of het geluid zachter kon. Mij hoorde hij elke dag uit over welke patiënten bij
me waren geweest, en hoe laat, en met welke klachten, en dat ging hij de
volgende dag controleren, op zondag zat hij uren voor het raam te kijken of niemand
zijn was op hing en als ze dat deden, ging hij ze wijzen op de rustdag die de
Here had voorgeschreven. Zo kan ik nog wel uren doorgaan. Hij was helemaal niet
gelovig, maar als hij ergens een regeltje kon vinden waar hij andere mensen op
kon aanspreken, liet hij dat niet na. Het was een gemene klootzak, en het is
nog een wonder dat hij niet veel eerder om zeep is geholpen.” “Maar hij was
handelaar,” ging Kora verder. “Dan zou je toch zeggen dat je enige beleefdheid
zou moeten kunnen opbrengen. Uit klantvriendelijkheid.” “Tja,” sprak de weduwe.
“Dat heb ik ook nooit begrepen. Met de handel zal hij ook wel gebruik hebben
gemaakt van zijn valsheid. Ik weet trouwens niet waar hij in handelde, alleen
dat hij er niet veel van huis voor was, jammer genoeg.” “U wordt bedankt.
Zullen we u naar huis laten brengen?” vroeg Kora. “Nee hoor, ik vind het zelf
wel. Trouwens, ik ga nog niet naar huis. Ik ga eerst eens een flinke borrel
nemen om mijn herwonnen vrijheid te vuren.” Neuriënd liep de vrouw weg. Een
hele tijd zaten Kora en Lous zwijgend tegenover elkaar. “Nou,” zei Lous
uiteindelijk. “Er valt nog heel wat uit te zoeken. Die vent deugde niet, maar
volgens mij op nog een andere manier dan zijn vrouw zegt.” “Dat denk ik ook.
Maar we gaan morgen verder. Eerst een nacht goed slapen. Wie weet wat voor
ideeën we dan nog opdoen. Morgen ben je weer hier, om half acht, ik hou van
vroeg beginnen.” “Ja maar, ik heb morgen straatdienst,” wierp Lous tegen. “Jij
hebt geen straatdienst voordat deze moord is opgelost.” “De Vries springt tegen
het plafond!” “Hij springt maar. In ieder geval hoef jij je daar geen zorgen om
te maken, ik neem De Vries wel voor mijn rekening.” Met een tevreden gevoel
rolde Lous die avond haar eenpersoonsbed in. De volgende dag was ze al om zeven uur op
het Bureau. Linda had luidkeels geprotesteerd. Zij vond dat ze recht had op
schootzitten tot een uur of acht. Lous had haar kopje gestreeld en gezegd:
“Stil maar, Linda, ik ben zo weer terug. Ik maak spannende dingen mee en
daarvoor moet ik weleens eerder weg.” Linda had er geen begrip voor. In de gang waar de kamer van Kora lag, liep
ze De Vries tegen het lijf. Zoals altijd zag hij er onberispelijk uit in zijn
hoofdagentenuniform. Zijn vrouw streek dat vast elke avond. Je zou maar de
vrouw van De Vries zijn, dacht ze. “Wat doe jij hier?” vroeg hij bars. “Je
hoort op straat! Ik heb je niet naar het bureau geroepen.” “Ik ben betrokken
bij een moordonderzoek,” antwoordde Lous. “Een moordonderzoek? Jij? Maar dat is
iets voor de recherche, daar ga ik mijn straatmensen niet aan opofferen.
Bovendien, dat kan jij niet eens, wat weet jij nou van moord en onderzoek!
Schoenmaker, blijf bij je leest!” “Kora de Laat heeft mij erbij betrokken, ze
zou het daar nog met jou over hebben.” Hij bond een beetje in. Zijn respect of
eerder zijn angst voor de recherche was groot, dat wist Lous maar al te goed.
Hij zou zeker niet tegen een besluit van Kora in durven te gaan. Even later zat ze in overleg met Kora. Die
zag er slecht uit. Ze zag bleek en had wallen onder haar ogen. Zo te zien had
ze slecht geslapen. Lous bedacht dat ze helemaal niets wist van het privé-leven
van Kora. Misschien was dat niet zo gemakkelijk, dat hoorde je tenslotte zo
vaak, dat politiemensen een moeilijk privé-leven hadden. Logisch natuurlijk,
politiemensen, en zeker de recherche, werden vaak in beslag genomen door hun
werk en het leven thuis schoot er dan vaak bij in. “Het is een vreemde zaak,” begon Kora. “Het
doet denken aan een afrekening in het criminele circuit, maar aan de andere
kant lijkt het erop dat onze dode zich daar niet mee ophield. We moeten snel
uit zien te vinden wat voor handeltjes hij eigenlijk dreef, misschien was dat
niet zo onschuldig als het leek. En allereerst gaan we een buurtonderzoek doen.
Jij kent de buurt en waarschijnlijk ook de mensen die er wonen. Ga jij eens
aanbellen bij de mensen die vlakbij die prullenmand wonen.” Lous knikte.
Inderdaad kende zij veel mensen uit de wijk, want ze maakte vaak een praatje
met de bewoners. Dat was ook zo heerlijk van haar baan, het contact met mensen.
Burenruzies over lawaai of over overhellende bomen over schuttingen kon ze vaak
op deze manier oplossen. Bij de prullenbak waar de dode was
gevonden, was een roodwit lint gespannen. Zolang het onderzoek niet was
afgerond, mocht niemand er aan komen. Het was nog altijd mogelijk dat er sporen
werden aangetroffen. Ze belde aan bij het huis dat het dichtste
bij de prullenbak stond. Een oude vrouw deed bijna direct open. Die had haar
kennelijk al aan zien komen. “Dag mevrouw De Wit,” zei Lous vriendelijk. Ze had
de vrouw al vaak gesproken over een vermeende gluurder die haar ’s avonds als
het donker was lastig viel. Lous had weleens gepost bij de woning, maar ze had
er nooit iets vreemds aangetroffen. “Ah, dag agent,” zei mevrouw De Wit. “U hebt
hem zeker gevonden, de viezerik! Nou, als ik hem toch in mijn klauwen krijg,
dan zal ik hem eens een lesje leren! Draagt u hem aan mij over? Even wat anders
aantrekken.” “Nee, mevrouw, ik heb niemand in uw tuin aangetroffen. Ik kom voor
iets anders. Hebt u gisteren wat ongebruikelijks op straat gezien?” “Iets
ongebruikelijks? Zoals wat? Volgens mij was alles hetzelfde, net als altijd.”
“Nou, bijvoorbeeld vreemde mensen op straat, die u nog nooit eerder heeft gezien,
geschreeuw, ruzie misschien.” Mevrouw de Wit dacht na. “Nee, nee,” zei ze.
“Nou, wacht even, er hing wel iemand over de prullenbak, met later allemaal
mensen eromheen, was daar misschien iets mee.” Lous zuchtte. Dat was de politie
geweest toen de moord al was ontdekt. “Hebt u ook nog gezien dat die man over
de bak heen hing voordat er iemand was?” “Jazeker, hij hing daar al een hele
tijd! Ik dacht nog, wat een vreemde manier van doen, om zo te gaan liggen. Maar
je weet hoe het is, tegenwoordig, je ziet mensen allerlei vreemde dingen doen,
dan gaan ze op een been staan terwijl ze het andere vasthouden, en soms rennen
ze heel hard. Dat is sport, heeft die van hiernaast me weleens verteld. Dus ik
dacht dat die man aan het sporten was. Alleen wel vreemd, al die mensen om hem
heen, dat zie je dan meestal weer niet. Het zijn loners, die sporters.” “Ik
dank u voor uw aandacht, mevrouw De Wit,” sprak Lous teleurgesteld. Je
verwachtte van zo’n mens dat ze de hele dag uit het raam zat te gluren en dan
bleek dat ze de helft niet snapte van wat ze zag. Het viel nog niet mee om recherchewerkzaamheden
te doen, dacht Lous bezorgd. Wat moest je toch doen om de juiste informatie uit
mensen te pompen. Ze was ervan overtuigd dat mevrouw De Wit alles had gezien,
ook wie het mes in de rug had gestoken, maar dat ze het niet goed kon duiden en
ook niet goed kon vertellen. Ze liep bedrukt verder. Bij de volgende deur belde
ze weer aan. Een man, slechts in hemd
gekleed en met een fles bier in zijn handen, deed de deur open. “Ah, politie,”
zei hij. “Wat heb ik gedaan, zus? Ik ben zo braaf als wat. Ik ben wel aan het
drinken, maar bij eigen huis en haard, dus dat is toch toegestaan, dacht ik
zo.” “Jazeker,” zei Lous, “En ik weet niet wat u hebt gedaan, maar daar kom ik
niet voor.” Ze stelde dezelfde vragen die ze mevrouw De Wit had gesteld. “Iets
bijzonders gezien? Nou, nee, ik dacht van niet, hoor. Het was een dag als alle
andere. Ik heb mijn kratje bier afgehaald bij Albert Heijn, en mijn flesje
jenever bij de slijter, want ja, je moet je dag doorkomen. Ik zal wel langs die
prullenmand zijn gekomen, maar het is me niet opgevallen dat daar iemand
overheen hing, nee. En jullie zijn gisteren die handel wezen ophalen? Nou, niks
van gemerkt, maar ik was al lam zeker. Zo gaat het elke dag, ja, een mens moet
wat, hè? En wie is de dooie als ik vragen mag? Freek Bol? Nee, die ken ik niet.
Hoe zag hij eruit?” Eindelijk kon Lous er een woord tussen krijgen. “Het is een
man van middelbare leeftijd. Hij ziet er heel gemiddeld uit, grijzend haar,
gemiddelde lengte, gemiddeld postuur. Niet iemand die direct opvalt. Hij droeg
een beige regenjas.” De man dacht na. “Beige regenjas? Kijk, dat vind ik nou
weer verdacht in november. Dan draag je toch wat warmers als je naar buiten
gaat, en dan denk ik dus, Henkie, zeg ik bij mezelf, zo’n beige regenjas, die
zou jij gezien hebben. Wat voor houten kop je ook zou hebben, daar zou je niet
aan voorbij lopen. Dus nee, ik heb niks gezien, niks gehoord, ik weet helemaal
nergens van.” “Ik dank u voor uw aandacht,” zei Lous. Ze groette en ging weer
verder. Dit buurtonderzoek leverde niets op. Toch
moest iemand iets gezien hebben. Weliswaar was de moord op een doordeweekse dag
gebeurd, maar er was altijd wel iemand op straat. Ze werd in haar
overpeinzingen gestoord door haar mobiele telefoon. Het was Kora die belde:
“Kom naar het bureau, want er is weer een moord gebeurd. Zelfde omstandigheden.
Lijkt dezelfde dader.” Lous hart begon wild te kloppen. Was dat door de melding
van de tweede moord. Of was het door de stem van Kora. Bij dat laatste fronste
ze. Die weg moest ze niet op. Geen kloppend hart voor een collega, dat had ze
zich zo voorgenomen. Aan de andere kant: Kora was wel erg aantrekkelijk. Ze
sprong op haar fiets en spoedde zich naar het bureau. Kora liep onrustig heen en weer door haar
kamer, met haar handen op de rug. “Ga alsjeblieft zitten,” zei ze tegen Lous
toen die binnenkwam. “Ik blijf lopen want dan kan ik goed nadenken, maar jij
moet gaan zitten, anders word ik nerveus. Godver, een tweede moord. Zoiets heb
ik nog nooit meegemaakt. Seriemoorden zijn heel zeldzaam, weet je? De meeste
moorden worden gepleegd in familiekring en meestal is dat in een opwelling die
zich niet sneller vaker dan één keer in het leven van iemand voordoet. Hoe is
het mogelijk. Het is trouwens weer een man, en weer zo’n vaag type in regenjas,
onberispelijk gekleed enzovoort. Laten we eerst maar eens gaan horen hoe de patholoog-anatoom
erover denkt.” In het mortuarium lag een man op de stalen
onderzoeksbank die een broer van het vorige slachtoffer kon zijn. Het was net
zo’n onbeduidend type. “Nou, er is in ieder geval een overeenkomst in het
type,” zei Lous. “Is hij ook op dezelfde manier vermoord?” De patholoog knikte.
“Weer met een mes, dat weer is achtergelaten in het lijk, en weer met zo’n
kracht dat een ongeluk of zelfmoord uitgesloten lijkt. Ze moeten er geen
gewoonte van gaan maken, want dit wordt dus de tweede avond dat ik moet
doorwerken. Je weet hoe het is: de eerste sporen zijn het beste, dus ik moet
het meteen doen. Ach, waarom heb ik toch geen vak geleerd.” “Denk jij dan dat
het om dezelfde dader gaat?” “Daar lijkt het wel op, de mes zit op bijna
dezelfde plaats als bij die andere en deze hing toch ook over een prullenbak?
Nou, dan ga je toch in een bepaalde richting denken.” “We komen later terug om
je slotrapport te bespreken,” zei Kora. Lous en Kora vertrokken. “Luister, Lous,” zei ze, toen ze buiten
liepen op weg naar de discreet grijs gespoten mercedes van Kora. “We moeten dit
allemaal eens rustig doorspreken, maar dan buiten het bureau. Laten we vanavond
een hapje gaan eten, dat is ook goed voor de onderlinge verstandhouding.” Lous’
hart sloeg een paar slagen over. Eten met Kora, ze had er niet over durven
denken, laat staan dat ze het zelf had voorgesteld. Het leek haar heel prettig
om Kora beter te leren kennen, en dan buiten het werk. Maar je principes,
knaagde haar geweten. Zij duwde dat hardhandig opzij. Je hebt tenslotte
principes en je hebt het hier en nu. Voordat ze gingen eten moest er echter weer
een weduwe worden geïnformeerd. Deze man, Bert Bals geheten, leefde in heel wat
bescheidener omstandigheden dan Freek Bol. Zijn woning lag in een gewone
straat. Hij had een standaard rijtjeshuis, met een woonkamer waar de keuken in
zat, en drie slaapkamers. Zijn vrouw was een afgeleefd mensje, dat vast in haar
veertiger jaren was, maar die net zo goed zestig of zeventig had kunnen zijn.
“Ja?” zei ze bedeesd toen ze de politiemensen voor de deur zag staan. Kora en
Lous identificeerden zich zelf en vroegen of ze even binnen mochten komen. Toen
ze zaten, zei de vrouw, terwijl ze met haar handen in haar schoot wrong: “Dan
is er zeker iets met Bert.” Haar stem was zo zacht dat ze bijna niet te
verstaan was. “Inderdaad,” zei Kora. “Helaas is uw man vandaag het slachtoffer geworden
van een misdrijf. Hij is door een krachtige messteek om het leven gekomen. We
hopen dat u straks even mee wilt gaan om hem te identificeren.” “Ach, wat
jammer nou,” reageerde de vrouw. “Hij leek net zo gelukkig en nu is hij er niet
meer.” Kora keek vanuit haar ogen naar Lous. Ook deze vrouw leek niet erg van
haar stuk door het plotselinge verscheiden van haar echtgenoot, ook al was ze
niet zo uitzinnig gelukkig als de vrouw van Freek Bol. ”Mevrouw,” vroeg Lous,
die het ondervragen al aardig onder de knie kreeg. “Had uw man problemen? Ruzie
met mensen? Was er iets dat hem dwars zat?” De vrouw dacht even na en zei toen:
“Ruzie, ach, wat je ruzie noemt. Hij was iemand die altijd conflicten had, dat
wel. Op zijn werk, hij werkte bij een bank, had hij regelmatig moeilijkheden.
Hij zat vaak thuis omdat hij de pest ergens over in had. Maar dat vond ik niet
zo prettig, hij was geen prettig mens om in de buurt te hebben, zonder dat ik
nu kan zeggen waarom dat zo was. Daar moet ik nog eens over nadenken. Nu hij
dood is….Weet u mevrouw, het klinkt misschien vreemd, maar ik voel een soort
van opluchting.” Ze zweeg en staarde naar de vloer. “Op zo’n moment overvallen
een mens vaak de vreemdste gevoelens, daar hoeft u zich niet voor te schamen,”
troostte Lous. De vrouw knikte en keek Lous aan. “Dat weet ik wel, maar het
hoort niet. Maar ach, als u eens wist, als u eens wist.” “Als we wat wisten,
mevrouw,” vroeg Kora door. Weer staarde de vrouw naar beneden. Eenmaal buiten overlegden Kora en Lous de
zaak. “Ze hebben iets gemeenschappelijks, namelijk dat ze vreselijk zijn,
allebei,” zei Lous. “Er viel niet met ze samen te leven, maar het is mij nog
niet duidelijk waarom dat zo was. Ik bedoel, er was zo te horen geen sprake van
mishandeling, het waren keurige huisvaders, geen dronkelappen. Het is iets
ongrijpbaars.” “Inderdaad. Of eigenlijk moeten we zeggen, het lijkt
ongrijpbaar, maar dat is het natuurlijk niet. Ergens zal de overduidelijke
verklaring liggen. En die verklaring is het motief voor de moorden, daar ben ik
van overtuigd.” Kora stapte aan de bestuurderskant van de auto. “Heb jij er wel
eens over gedacht om iemand te vermoorden?” vroeg ze Lous. “Ja,” antwoordde
die. “Dat zal iedereen toch wel eens hebben? Dat je zo verschrikkelijk kwaad
bent, op je tenen getrapt, dat je iemand wilt vermoorden? En dan het liefst op
een heel pijnlijke manier, zodat hij goed voelt, wat je bedoelt.” “Precies,”
zei Kora. “Wraak. Nou zullen de heren niet veel gemerkt hebben van dat mes in
hun rug, want de moordenaar kon goed mikken. Ze waren binnen enkele seconden
dood. Maar het is een moord uit wraak. Geen passionele wraak, maar berekende
wraak. Nou, we gaan maar eens verder. Een restaurant zoeken ofzo? Of wil je
eerst nog naar huis om je te verkleden.” “Nee, dat is niet nodig. Ik zit de
hele dag in de auto of op een stoel, mijn kleren zijn netjes, dus laten we maar
gaan.” Kora zette koers naar het centrum
van de stad. Kora had een tafel gereserveerd in één van
de duurste restaurants van de stad. Het zag er erg sjiek uit. Lous schrok er
een beetje van en vroeg zich af of ze wel goed genoeg gekleed was. Een
spijkerbroek en een overhemd, netjes allemaal, maar had ze geen jasje aan
moeten trekken? Aan de andere kant, ook Kora was niet bepaald in avondtenue. Ze
droeg een grijs-flanellen broek met een rode trui. Ze werden naar hun tafel
gebracht door een ober, die boog toen ze binnenkwamen en in een mum van tijd
stonden hun drankjes klaar. Het was wel wat intimiderend, vond Lous. Ze ging
niet zo heel vaak uit eten en als het er al eens van kwam, werd het al snel een
pizzeria of zo’n tent waar je onbeperkt steak kon eten, vers van de buffel zeg
maar. Kora leek nergens last van te hebben. Ze was ontspannen alsof ze aan haar
eigen tafel zat. Nadat ze in de kaart hadden gekeken, en
besloten hadden wat ze zouden bestellen, legden ze de menukaarten neer. Kora
toastte met haar whisky. “Op ons,” zei ze. “Op onze prima samenwerking.” Lous
voelde dat ze bloosde. Ze kreeg niet veel complimenten, en deze was erg welkom.
Ook al omdat ze zich toch wat onzeker voelde in haar nieuwe rechecheursrol. “We
vinden die moordenaar wel,” zei Kora. “Ik ben er tenminste van overtuigd dat
het er één is. Ik hoop niet dat er nog meer moorden plaatsvinden, maar ik ben
er niet helemaal gerust op. Wraak. Jaloezie, wat in dit geval eigenlijk op
hetzelfde neerkomt. Geen botte moordlust, daarvoor is het allemaal te netjes
uitgevoerd. Maar laten we het werk even laten zitten, we zijn hier tenslotte
voor de teambuilding. Wat doe jij als je niet werkt?” Lous haalde haar schouders
op. “Gewoon,” zei ze. “Er blijft niet zoveel tijd over buiten het werk. Ik ga
weleens naar mijn moeder, ik heb natuurlijk Linda..” “Linda?” onderbrak Kora haar. “Goh, ik wist
niet dat je een vriendin had? Vind ze het niet erg dat je vanavond uit bent?”
Lous lachte. “Linda de Mol is mijn kat. En ja, ze vindt het heel erg dat ik weg
ben, en ze is van mening dat ik daartoe het recht ook niet heb. Maar als het
aan Linda ligt, mag ik nooit de deur meer uit.”
Kora glimlachte. Verbeeldde Lous zich of zag ze een zweem van opluchting
in haar gezicht. “Een kat…Maar Linda heeft groot gelijk natuurlijk. Maar wat ik
zeggen wilde, eigenlijk moet je naast het werk ook een bezigheid hebben, een
hobby, een studie, noem maar op, maar dat is nodig om je zinnen te verzetten. Ik
verzamel bijvoorbeeld munten. Nee, niet lachen, dat is helemaal zo saai niet
als het klinkt. Dat ordenen, dat zoeken, dat markten afstropen. Ik kom er
altijd weer helemaal van bij. Die onderzoeken zijn soms lastig en bijna altijd
in emotionele zin zwaar. Natuurlijk doet het je wat als je zo’n
moordslachtoffer vindt, laat niemand maar zeggen dat het niet zo is. Alleen
stoppen wij dat weg, zodat we vaak lomperiken lijken. Nou, ik kan je wel
vertellen, dat is niet zo. Wat zou jij willen doen?” “Ik zou het echt niet weten,” antwoordde
Lous. “Ik hou van wandelen en dat doe ik genoeg tijdens het werk. Ook al die
praatjes onderweg bevallen me wel. Eerlijk, ik ben bekaf als ik thuiskom. Ik
moet er niet aan denken dat ik dan nog wat zou moeten doen.” “En toch denk ik
dat je wat moet doen, anders stomp je af. En dat zou jammer zijn,,” Kora keek
haar diep in de ogen. “Want je bent een waanzinnig aantrekkelijke vrouw. Zo,
dat heb ik ook weer gezegd, hoeven we het daar alvast niet meer over te
hebben.” Lous was met stomheid geslagen. Letterlijk. Ze wist niet wat ze terug
moest zeggen. Dat Kora ook erg leuk was om te zien? Dat zou zo stom overkomen. Gelukkig
kwam de ober weer om te vragen of de dames het al wisten. Nou, ze wisten het.
Lous nam uitgebreid de tijd om uit te leggen wat ze wilde bestellen, hoe het
zou worden klaargemaakt en wat de reacties van de overige gasten op hetzelfde
gerecht waren. Een paar seconden later werd de wijn gebracht, die door de ober
werd ingeschonken. “Weet je wat ik nou zo leuk vind bij de politie,” begon
Lous. “Dat je zoveel verschillende mensen tegenkomt. Er zijn niet twee agenten
gelijk. Behalve De Vries natuurlijk, die is gelijk aan zichzelf. En zichzelf. En zichzelf. Maar alle andere
zijn heel anders. En dan de mensen op straat. Ik lach me rot vaak, waar je niet
allemaal voor geroepen wordt. Laatst werd ik aangehouden door een vrouw die
haar man had betrapt op het drinken van precies één borrel teveel. Om dat te
kunnen controleren, zette ze namelijk elke avond een streepje op de fles en dit
keer zat de jenever er duidelijk onder.” Lous schudde haar hoofd. “Waar mensen
je niet allemaal voor willen gebruiken,” besloot ze. Het voorgerecht werd
gebracht. Het bestond uit een soort soep, die uit een theepot werd geschonken.
Kora scheen het heel normaal te vinden. Ze verblikte of verblooste tenminste
niet. In de immense soepkop zat een heel klein laagje soep. Lous wachtte tot de
ober doorging met opscheppen, maar hij verdween. Kora knikte haar toe en begon
te eten. “Verrukkelijk,” zei ze. Lous begon ook maar. De soep smaakte naar lauw
water met een beetje zout erin. “Hoe vind jij het?” vroeg Kora. “Ja, lekker,”
zei Lous. Al snel was het voorgerecht achter de kiezen. Kora pakte Lous’ hand.
“Ik vind je echt heel mooi,” lispelde ze. “Geweldig dat je met me samenwerkt.
Ik heb altijd al gedacht over hoe ik toch met je in contact kon komen.” Lous
trok haar hand langzaam terug. Ze wilde niet te bot overkomen, aan de andere
kant wist ze niet wat ze ermee aan moest, dit vertoon van aanbidding in een
openbare ruimte. Ze keek om zich heen, maar niemand leek het gezien te hebben.
Al snel werd het hoofdgerecht gebracht. De ober haalde het bolle deksel van het
grote bord. Daar lag één aardappelkroketje, een bolletje dat eruit zag als een
stukje salade en de bestelde biefstuk, die zo te zien nog geen 25 gram woog.
Als dit zo doorgaat, moet ik straks nog naar de snackbar, dacht Lous. Dapper
begon ze met heel kleine hapjes te eten. “Heerlijk,” zei Kora weer. “Wat hebben
ze hier toch een goede kok. Vreemd dat ze nog altijd geen michelin-ster
hebben.” Lous wist er niets op te zeggen. Ze had de prijzen gezien op de
menukaart, en eigenlijk voelde ze zich nogal beduveld. Voor die prijs had ze
wel tien grote biefstukken van de haas bij de slager kunnen kopen. Ze kon dan ook
niet voorkomen, dat ze haar bord snel leeg had en hetzelfde gold voor Kora. Die
veegde nadrukkelijk haar mond af, alsof ze zojuist een half varken had
verzwolgen. Het dessert, dat bestond uit een heel klein stukje chocolade met
een theelepeltje saus erover, hadden ze ook snel achter de kiezen. Kora wenkte
de ober en betaalde met een creditcard. Lous trok haar portemonnee om haar
aandeel te betalen, maar Kora wuifde dat gebaar weg. “Ik trakteer je,” zei ze.
“Omdat je zo’n geweldige collega bent.” “Dank je,” zei Lous opgelucht, want
financieel kwam zo’n rekening helemaal niet goed uit. Deze maand had ze een
nieuwe trui gekocht en daarmee was ze wel door haar reserves heen. Ze had een
prachtig beroep, maar veel schuiven deed het niet natuurlijk. “Ga je even mee
bij mij wat drinken?” vroeg Kora. Lous knikte. Kora was wel erg direct en
voortvarend. Moesten ze niet eerst praten over hun jeugd en de politie-akademie
en dergelijke zaken? Aan de andere kant was een beetje duidelijkheid wel
prettig. Ze begon verlangend naar het samenzijn in de woning van Kora uit te
zien. Maar helaas ging de telefoon. Kora nam op
met een spijtig gezicht. Van een amoreus treffen zou niets meer terecht komen
die avond, want er werd een derde moord gemeld. “Laat me raden,” sprak Kora door
de telefoon. “Hij had een beige regenjas, is in de vijftig, een gemiddeld,
tamelijk onbeduidend voorkomen, en hij lag over een prullenbak met een mes in
zijn rug.” Aan haar geknik kon Lous opmaken dat het bericht werd bevestigd.
Kora hing op. “Nou, meid, aan de bak. De vrije avond is over. Er hangt weer
zo’n type over de prullenbak. Het zou me niet verbazen als de kersverse weduwe,
die er ongetwijfeld ook zal zijn, blijdschap of opluchting laat zien. Laten we
daar maar beginnen. Dan zijn we daar vanaf. Inderdaad reageerde ook deze weduwe niet
met vertwijfelde rouw. Ze was meer onverschillig. “Nou, dan hebben we dat ook
maar weer gehad,” zei ze. Lous vroeg niet eens naar haar alibi, want het leek
erop dat geen van de weduwen de dader was. Het werd een steeds groter raadsel
en het werd ook steeds duidelijker dat er sprake was van dezelfde moordenaar. Tom
Buk, zoals het nieuwe slachtoffer heette, was net zo kundig als de andere twee
in zijn rug getroffen en er was gebruik gemaakt van hetzelfde type mes. Dat kon
geen toeval zijn. Hij had gewerkt op kantoor bij een verzekeringsmaatschappij.
Ook hij was een treiteraar, zo bleek uit wat zijn vrouw vertelde. “Laten we ons
morgen maar gaan richten op de zakelijke kant van de heren,” zei Kora. “Eens
horen wat ze op het werk zeggen. Ondertussen lopen dit soort types een verhoogd
gevaar, maar ja, hoe bescherm je ze, dat is de vraag. Ik kan moeilijk op
televisie gaan vertellen dat alle onbeduidend uitziende heren met een
gemiddelde baan niet op straat mogen. We zullen de moordenaar snel moeten
vinden, het gaat zo langzamerhand een beetje uit de hand lopen. En, liefste,
helaas betekent dat voor jou en mij dat we ieder in ons eigen bedje gaan
slapen, want we hebben slaap nodig, als je begrijpt wat ik bedoel.” Dat begreep
Lous en ze was enigszins opgelucht. Het was allemaal zo’n gedoe ineens. Toen ze
na de lange avond eindelijk thuis kwam, weigerde Linda haar te groeten. Kora en Lous zaten bij de directeur van de
afdeling Winterschade van verzekeringsmaatschappij De Lekke Plu. “Opwekkend,
zo’n naam,” zei Kora. “Is die eigenlijk wel wervend genoeg? Ik bedoel, zo’n
lekke plu, dat zou je wat onzeker kunnen maken” De directeur glimlachte: “Kijk,
dat is nu een staaltje van perfecte marketing. Zo’n naam valt op, bij zo’n naam
denken de mensen, wat zou dat zijn, wat zou er achter zitten, en dan ontdekken
ze snel onze prachtige polissen tegen vlijmscherpe prijzen. Dames, zo heb ik
een verzekering tegen de schade die je kan oplopen in gevaarlijke beroepen…”
Hij boog zich naar achteren om een folder te pakken. “Nee, dank u, laat u maar,
we zijn natuurlijk gekomen om wat inzicht te krijgen in wat Tom Buk voor een
man was.” “Ach ja, natuurlijk, ik was in mijn enthousiasme bijna vergeten dat
we een voortreffelijke werknemer zijn kwijtgeraakt. Droevig, heel droevig.”
“Een voortreffelijke werknemer?” vroeg Lous. “Dus hij beviel wel?” “Bevallen?
Dat is zwak uitgedrukt! Hij was de steunpilaar van dit bedrijf. Geen moeite was
hem teveel, altijd pakte hij extra werk aan. En dan dat sympathieke gebaar van
hem, door me elke ochtend een kopje koffie te brengen en te informeren of ik
goed geslapen had! Zo vind je er niet veel meer, die geïnteresseerd zijn in het
wel en wee van hun werkgever, toch hun broodheer, toch degene die ze aan de
trog houdt om het zo maar eens uit te drukken. Maar Tom Buk was er zo een. Een
geweldige vent. Ik zal hem missen, echt waar.” Lous en Kora keken elkaar aan.
Dit was de eerste keer dat ze iets positiefs hoorden over één van de
vermoorden. “Zouden we zo eens met zijn directe collega’s mogen praten?” vroeg
Kora. “Natuurlijk!” De directeur sprong overeind. “Ik ga meteen iemand halen!”
“Doet u geen moeite,” zei Lous. “Met de werkgever erbij praten de mensen
misschien wat minder gemakkelijk. Wij kunnen beter iemand onder vier ogen
spreken.” “Zoals u wilt, maar u zult alleen bevestigd krijgen wat ik u zojuist
heb verteld, wat een fijne vent het was. Ik kan me niet anders voorstellen dan
dat hij ook een geweldige collega was. Dames, ga uw gang. U moet zelf maar een
collega kiezen, iedereen op de afdeling kende de heer Buk.” Even later zaten Lous en Kora bij de unit
assisatant Moira Bongers. “Tom Buk?” antwoordde ze nadat haar was gevraagd of
ze goed met hem had kunnen opschieten. “Praat me er niet van. Een nagel aan
mijn doodskist, die man. Zat altijd mijn werk te controleren en het liefst
stiekem. Naar de baas toe was het een slijmbal. Kotsmisselijk werd ik ervan en
ik niet alleen. Elke ochtend met dat kopje koffie. Moet je zien met hoeveel
zorg hij dat uit de autmaat haalde, melk precies afgepast, voelen of het niet
te heet was, koekje uit een nieuw pak. Het leek wel of hij zijn stervende
moeder aan het verzorgen was. En op de rest altijd maar hakken: jullie moeten
je eens wat meer inzetten, ik zal tegen de baas zeggen dat niet iedereen zich
precies houdt aan de afgesproken werktijden, het is immoreel om dat blaadje
papier mee naar huis te nemen, want daar kan nog een kladnotitie voor de zaak
van worden gemaakt. En weet je wat hij ook doet? Bij de verjaardag van de vrouw
van de baas, hij weet ook nog wanneer dat is, neemt hij een bos bloemen mee.
Die gaat hij meteen als de baas er is glunderend aanbieden, nog voor het kopje
koffie. Wat hij uitvoerde, weet ik niet, maar veel kan het niet geweest zijn,
want hij was altijd druk met op iedereen letten. Ik zou het zelf niet kunnen,
maar ergens ben ik degene die hem van de wereld heeft gejaagd dankbaar.” De
vrouw zat strijdlustig met de armen over elkaar. Doe me maar eens wat, leek ze
te willen zeggen, als die klootzak nog leefde, maakte ik hem zelf koud. “Wist u
wat over zijn privéleven?” vroeg Kora. “Praatte hij daar wel eens over?”
“Jazeker, daar zat hij ook de halve dag over te zeveren. Dat zijn vrouw een
goede huisvrouw was, echt een vrouw, al moest je haar wel in toom houden. Al
die rare ideeën van tegenwoordig tenslotte, die brachten de vrouwtjes maar in
de war. Ze belde af en toe en volgens mij was dat mens doodongelukkig. Zo’n Tim
Buk kan je niet aan de kant zetten, natuurlijk, die blijft je eeuwig stalken.
Als ik opnam en haar even sprak, klonk ze kil. Zei ze bijvoorbeeld: zeg tegen
Buk dat we spinazie eten vanavond. En dan vroeg ik of ik hem even zou roepen,
dan kon ze het tegen hem zeggen, dan zei ze nee, alsjeblieft niet. Ik zie hem
vanavond wel weer, dat is vroeg genoeg, of liever gezegd, veel te vroeg
eigenlijk. Kijk, hoe zoiets voelt als er zo’n moord is gebeurd en die vent is
ineens morsdood dat weet je niet, je kunt niet in het hart van zo’n vrouw
kijken, maar ik kan me niet anders voorstellen dan dat het een zegen voor haar
is.” Toen ze weer buiten liepen, zei Lous:
“Iedereen kon Tom Buk schieten, behalve de baas. Het was een type van naar
beneden trappen en naar boven likken, net als De Vries eigenlijk.” “Daar zeg je
zo wat,” zei Kora. “Net als de Vries, dat is inderdaad precies zo’n type. Hij
loopt gevaar! Maar daar zitten we niet direct mee. Hij is politieman, dus hij
kan zich verdedigen. Maar waar ik aan dacht is of het zin zou hebben om hem in
te zetten als undercover. Die moorden zijn ook allemaal in dezelfde buurt gepleegd,
wie weet, loert de moordenaar op zulke types.” “Kom toch, Kora,” zei Lous. “Hij
zal toch niet in de bosjes verscholen zitten? Het zal vast een bekende zijn van
het drietal, niet een willekeurige gek.” “Dat weet je niet. Zou best eens
kunnen. Jaren geleden heb ik er een meegemaakt die alle vrouwen met rode
schoenen afmaakte die hij tegenkwam. Hij kende ze geen van allen en later kon
hij niet verklaren waarom hij het had gedaan. Zit nu levenslang, maar ik bedoel
maar, het is mogelijk. En omdat De Vries nou niet bepaald mijn vriend is, en
hij jou zo lang heeft gekweld, is het ook wel leuk om dit van hem te vragen.
Hij doet het vast in zijn broek. Ja, kom, we gaan dat regelen. Wij willen ook
wel eens een verzetje.” Kora liep schaterlachend naar haar auto. Zoals Kora al verwachtte, protesteerde De
Vries heftig toen hij zijn opdracht te horen kreeg. “Ik ben een veel te
opvallende man,” riep hij uit. “Met mijn markante kop gaat elke seriemoordenaar
mij uit de weg, want ik zou nooit onopvallend vermoord kunnen worden.” “Oh
jawel, De Vries, je bent precies het goede type, en je hebt het maar te doen,
want het is nodig voor de zaak. Of wil je soms op je geweten hebben dat er nog
meer onschuldige mannen worden vermoord terwijl jij het met een beetje
gemotiveerde inzet had kunnen voorkomen?” De Vries mompelde wat. Omdat Kora
hoger was in rang durfde hij niet langer tegen haar in te gaan. “Vanmiddag gaan
we het meteen doen,” zei Kora. “Om twee uur precies verwacht ik je in de
Saucijzenstraat, bij het pleintje. Je trekt een beige regenjas aan, verder hoef
je niets te doen. Ik loop je voorbij alsof ik je niet ken en op dat moment
begin je door de buurt te wandelen. Nooit dezelfde straat, steeds een andere.
Je houdt dat twee uur vol. Kijken wat er gebeurt.” Zoals van De Vries verwacht mocht worden,
stond hij om twee uur klaar. Hij droeg ook de voorgeschreven regenjas, maar hij
droeg een zonnebril van een zeer duur merk en onder zijn regenjas fladderden
een paar leren broekspijpen. Kora liep langs hem heen, zoals was afgesproken en
siste in het voorbijgaan: “Ga je verkleden, idioot, zonnebril af en zo’n
tuttige pantalon aan die je altijd draagt!” “Maar ik moet toch incognito zijn!”
protesteerde De Vries. “Straks word ik nog herkend door de maffia of wie die
moorden ook mag plegen. Ik bedoel, als ze erachter komen dat ik als undercover
werk, ben ik mijn leven niet meer zeker!” “Bek dicht en omkleden, sukkel, om
half drie ben je hier weer terug.” Met een pruillipje alsof hij elk moment in
huilen kon uitbarsten, lipe hij van het veldje weg. Kora ging terug naar haar
auto, waar Lous op haar wachtte. “De trut begreep het niet in één keer,” sprak
ze geërgerd. “Dat heb je er nou van, als je dat soort dwazen aanneemt. Om half
drie is hij terug. Maar vertel eens, Lous, heb je zin om vanavond bij me langs
te komen? Ik kan niet beloven dat we niet weer worden gebeld met zo’n
moordmelding, maar je weet maar nooit.” Lous knikte. “Dat lijkt me heel leuk,”
zei ze. Linda zou woest zijn. Maar dat moest dan maar een keer. De afgelopen
dagen betrapte ze zich er steeds vaker op dat ze aan Kora dacht. Er was geen
ontkennen mogelijk, ze was verliefd aan het worden. In feite was ze daar veel
te nuchter voor en als politievrouw moest je dat ook zijn. Geen moment kon je
je laten meeslepen door je emoties, stel je voor dat je echt wat voelde bij
zo’n lijk op de snijtafel of een geplette auto met een bejaard echtpaar erin,
maar ook een politievrouw was in de eerste plaats mens. Zo zag je maar weer,
hoe een mens kon veranderen. Verliefd, en dan ook nog op een collega, wat tegen
al haar regels was. Maar ach, dacht ze, je leeft maar één keer, en wie weet
wanneer ik nog eens de kans krijg de liefde te ervaren. Met die datingsites
werd het niks. De laatste tijd durfde ze niemand daar meer te benaderen. Achter
elk aantrekkelijk hoofd kon een gefrustreerd monster verscholen gaan. Nee, het
moest anders gaan. Dit was misschien uiteindelijk toch een betere weg. De Vries kwam weer terug bij het veldje.
“Nou, ik ga weer onopvallend langs hem lopen, kijken of het goed gaat. We
moeten hem wel volgen, want de sukkel is in staat om zich echt te laten
vermoorden. Hou je paraat. Revolver schietklaar, benen in de ren- en klimstand,
want wie weten moeten we tuinen door en schuttingen over.” “Je bent er nogal
zeker van dat we de moordenaar treffen?” “Nee, daar ben ik helemaal niet zeker
van, maar die man is zo slaapverwekkend, dat ik het er zelf bij verzin.” Voor een tweede keer liep Kora langs De
Vries, die zoals afgesproken meteen een wandeling in zette. Vanaf een veilige
afstand volgden Kora en Lous hem. Wel zorgden ze ervoor dat ze hem geen moment
uit het oog verloren. Er waren niet veel mensen op straat, wat niet ongewoon
was voor een doordeweekse middag. Toch hadden de drie moorden op een
doordeweekse dag plaatsgevonden, het was dus te verwachten dat de moordenaar
ook nu niet in het weekend zou toeslaan, maar nu. “Kijk, daar gaat hij de hoek
om,” fluisterde Kora. “Als ik nou de moordenaar was, pakte ik hem meteen. Een
perfect slachtoffer. Hij voldoet precies aan het profiel.” “Zeg Kora,” grapte
Lous. “Je bént de moordenaar toch niet? Je kan je zo goed voorstellen wat die
doet?” “Laat ik het maar bekennen, ik heb het gedaan. Ik word doodziek van die
De Vriezen, ik maak ze allemaal af. Nou zeg, stel je voor, dat we allemaal zo waren,
dan zouden er niet veel mensen over blijven in de wereld. Wat op zich misschien
helemaal niet zo slecht zou zijn, maar dat is weer een ander verhaal.” De Vries
sloeg een hoek om, en een ogenblik waren ze hem kwijt. Ze versnelden hun pas om
bij de hoek te komen. De Vries liep niet meer alleen in de straat. Achter hem
fietste een klein jongetje op een driewieler. “Daar zal je het hebben,” zei
Lous. “De moordenaar. Voldoet perfect aan het profiel. Onopvallend op een
dinsdagmiddag op straat, niemand die zich afvraagt wat doet die hier nou, en
voldoende kracht natuurlijk. Zullen we hem meteen arresteren? Of laten we hem
eerst De Vries vermoorden?” “Het laatste. Laten we het nuttig met het aangename
verenigen.” Ze lachten gedempt. Bewoners in de buurt moesten niet in de gaten
krijgen dat er iets bijzonders aan de hand was. Plotseling dook er nog iemand
op op straat. Hij was er zo snel dat Lous en Kora niet hadden gezien waar hij
vandaan kwam. Waarschijnlijk was hij uit één van de portieken gekomen, maar dat
konden ze niet met zekerheid zeggen. “Verdomme, laten we dichterbij gaan lopen,
die vent zit vlak achter De Vries, straks is het hem echt.” Ze wandelden snel
naar de man die achter De Vries liep. De Vries zelf wandelde gewoon door. Hij
keek niet op of om. De man stak zijn hand in zijn jaszak en voordat Lous kon
zien wat er gebeurde, viel Kora hem van achteren aan. “Politie!” riep ze,
terwijl ze de man onder schot hield. “Geen beweging, geen kik. Laat je hand
zien! Laat verdomme je hand zien!” De Vries keek geschrokken achterom. Hij kwam
naar ze toe en zei: “Is dat hem nu? Is hij nu eindelijk gegrepen? Dankzij mijn
inzet natuurlijk! Ik denk dat de commissaris hier heel blij mee zal zijn. Ik
denk dat hij mij wel zal belonen met een promotie. Misschien is de recherche
wel wat voor mij. Daar moet je geen tweederangs straatagenten voor nemen,
Kora.” Hij wees met zijn hoofd in de richting van Lous, die met stomheid
geslagen was. De Vries was vaker bot, maar zo vernederend als deze keer liet
zelfs hij zich zelden uit. “Hou toch je mond, slijmbal, we weten niet eens of
hij het wel is. Ik wilde alleen maar voorkomen dat hij een mes in je rug zou
steken. Waarom, vraag ik me af, De Vries, in godsnaam, waarom doe ik die moeite
eigenlijk.” De man die zojuist overmeesterd was, lag op de grond. Kora zat op
haar knieën bovenop hem en hield hem onder schot. “Zeg,” riep hij. “Zouden
jullie je collegiale gekibbel even willen laten voor wat het is, en je
arrestatie afmaken? Ik voor mij kan niet goed duiden waarom ik de eer heb om behandeld
te worden als de eerste de beste terrorist, maar dat hoor ik straks op het
bureau. Moeten jullie niet mijn rechten noemen? Dat ik het recht heb om te
zwijgen enzo? En dat ik dan zeg dat ik mijn advocaat wil bellen?” Kora keek
naar de man. Voor een ogenblik was zij hem totaal vergeten. Daar schrok ze van,
want ze had gemakkelijk onbewust de trekker kunnen overhalen. Ze boeide de man
en trok hem omhoog. “Mee naar het bureau,” zei ze. “En dat van die rechten, dat
doen ze alleen maar in tv-series en in literaire thrillers die speciaal in de
National Novel Writing Month worden geschreven. Die zijn dan niet zo literair,
weet je wel. Dan letten die schrijvers er niet op of hun verhaal een beetje
klopt, want ze moeten in dertig dagen vijftigduizend woorden schrijven. Maar u
gaat gewoon mee.” “Inderdaad,” zei Lous. “En jij, De Vries, jij kan weer naar
huis, bedankt, en je hoort wel weer wanneer we je nodig hebben.” De Vries
opende zijn mond om wat te zeggen. Hij was er niet de man naar om zich door
zijn ondergeschikten te laten vertellen wat hij moest doen. Maar hij bedacht
zich. Dat zou hij vast nooit gedaan hebben als Kora er niet bij was geweest.
Zonder te groeten draaide hij zich om en liep weg. In de verhoorkamer, die sober was ingericht
zodat niemand kon worden afgeleid, zat de verdachte tegenover Kora en Lous. Hij
was een jaar of vijfendertig en hij droeg een eenvoudige spijkerbroek met
overhemd. “Goed,” begon Kora. “Je liep achter De Vries en haalde wat uit je
zak. Wat was dat?” “Mijn pakje shag,” zei de man. “Ik weet dat er overal, of
bijna overal een rookverbod is, maar ik was me er niet van bewust dat het in
die straat verboden was. Er stond ook geen bordje ofzo.” “Daar ging het ook
niet om,” ging Lous verder. “Een pakje shag, zeg je.” Ze keek op een formulier
waarop de bezittingen van de man stonden genoteerd en vervolgde. “Inderdaad, er
is een pakje shag bij u aangetroffen. Maar de vraag is natuurlijk: wilde u niet
eigenlijk een mes pakken? En heeft u kans gezien om dat mes te laten verdwijnen
tijdens de arrestatie.” “Nou, dat lijkt me toch stug,” zei de man. “Uw collega
zat op mijn rug voordat ik het wist. En trouwens, wat had ik met een mes
gemoeten?” “Een moord plegen bijvoorbeeld,” zei Lous. “Een mes in de rug steken
van de man die voor u liep. Hem over een prullenbak leggen en hem dood laten
bloeden. Zoals u al drie keer eerder hebt gedaan.” “Laat me niet lachen,” zei
de man. “Ik iemand vermoorden? Nou, van mijn leven niet. Ik kan niet eens tegen
bloed. En waarom zou ik nou een wildvreemde kapot maken? Dat slaat toch nergens
op?” Lous en Kora keken elkaar aan. Lous kreeg het idee dat ze op het verkeerde
spoor zaten, dat er misschien wat te weinig aanleiding was geweest om de man
aan te houden. Maar ja, ze hadden nu eenmaal De Vries moeten verdedigen. “Dat
maken wij wel op, of dat niks uit maakt. Voorlopig bent u verdacht. U heeft
moeite met mannen zoals de man die daarstraks voor u liep, is het niet? Ze
werken u op de zenuwen, ze maken u razend, er komt een rood waas voor uw ogen
en u weet niet goed meer wat u doet.” “Ach mens, hou toch op! Mijn eigen vader
is zo’n type.” “En het was altijd een beetje moeilijk met papa, nietwaar? U had
altijd ruzie met hem. Hij begreep u leefwijze niet, altijd kritiek, nooit kon u
het goed doen.” De man begon te schaterlachen. Lous fluisterde: “Hij heeft wel
een klein beetje gelijk. Eigenlijk doen we niet meer dan speculeren en hopen
dat hij het is. Kunnen wij naar huis en de zaak verder vergeten.” Kora knikte. De
man stopte met lachen. “Ik moet zeggen, u maakt mijn dag weer goed. Ik kreeg
vandaag te horen dat ik ontslagen ben, over een paar weken zit ik zonder werk.
Ik was allang gestopt met roken maar van pure chagrijn heb ik een pakje shag
gekocht. U hebt mij behoed voor het vervallen in een oude, zeer schadelijke gewoonte.
Maar wat gaat er nu gebeuren? Gaat u de hele nacht door met verhoren? Of kan ik
zo gaan?” Kora sprak afgemeten: “Ik ben er inderdaad, na dit verhoor, van
overtuigd geraakt dat u onschuldig bent. Er zijn geen echte aanknopingspunten,
dat moet ik toegeven. U kunt met dit formulier uw bezittingen weer ophalen, en
dan bent u vrij.” De man stond op en gaf zowel Kora als Lous een hand. “Het was
me een genoegen, dames, dan wens ik u nog een prettige dag. Hij verdween door
de deur, Lous en Kora enigszins beschaamd achterlatend. Ze bleven een tijdje
zwijgend in de verhoorkamer zitten. Na lange tijd zei Lous: “We hadden dit niet
mogen doen.” Kora zei: “Nee, inderdaad niet. Het is allemaal heel erg. Maar ja,
de politie zit wel vaker op een verkeerd spoor. Het gaat erom dat we het tijdig
ingezien hebben. En gelukkig was de man niet echt kwaad, dus ik denk niet dat
hij een klacht gaat indienen.” Op dat moment stormde De Vries binnen. “En?”
vroeg hij. “Heeft hij al bekend? Moet ik hem identificeren als de man die mij
aanviel? Moet ik als getuige optreden in de rechtzaak?” “Ach man,” sprak Kora,
plotseling vermoeid. “Je bent helemaal niet aangevallen. Die vent liep
toevallig achter je. Nou, als undercover deug je ook al niet, dus donder nou
maar op. Ik kan dat ponum van jou niet meer zien vandaag.” Verontwaardigd
draaide De Vries zich om, klikte met zijn hakken en hij verliet de
verhoorkamer. Eindelijk was het moment daar dat Lous bij
Kora thuis was. Kora woonde in een penthouse, dat uitzicht had over de hele
stad. Vooral ’s avonds was dat prachtig: al die lichtjes die als sterren tot de
horizon te zien waren. Alsof je in een sterrenschip door het heelal waarde, de
starship enterprise als het ware, en dat in 2011. De aanstaande verkiezingen
waren daarbij vergeleken zo futiel. Niet dat Lous zich daarover bijzonder druk
maakte. Ze hield niet van politiek. De politiek, dat was iets voor mensen die
niets beters om handen hadden, voor mensen die een leven van gemak wilden, niet
voor de politievrouw, die in het ware leven stond. Ze dacht niet zo vaak na
over op welke partij ze zou gaan stemmen, maar een enkele keer wel en dan dacht
ze toch aan Berend de Giller, die de dingen tenminste onomwonden zei. En het
was toch ook wel zo, dat een steeds groter deel van Nederland niet paste bij
Nederland. Aanpassen, dat was wat de mensen moesten doen, en anders moesten ze
hun heil inderdaad maar ergens anders zoeken. Echt druk maakte ze zich er niet
over. Vaag in haar achterhoofd nam ze zich voor om op Berend de Giller te
stemmen. Maar op dit moment was ze in de penthouse
van Kora en ze keek haar ogen uit. De woonkamer leek wel een balzaal, zo groot
en ook zo leeg. Als zij zo’n kamer had, zou ze er toch wat meer gezellige
meubels in zetten. Zo was het wel erg leeg, met die strakke, glazen kasten
langs de muren en al even strakke, witte stoelen. Alles stond op zijn plaats,
nergens lag een krant of een boek. Het was heel mooi, maar niet echt gezellig. Lous ging op een van de witte stoelen
zitten. Erg lekker zat het niet. De rug was te recht, en ze gleed steeds bijna
van de zitting. Kora verscheen met een gifgroen drankje in een soort glazen
trechter. Het smaakte wat bitter, wat wrang, maar Lous zei maar dat het erg
heerlijk was. Ze was tenslotte de gast en je kon een gegeven paard niet in de bek
kijken. Kora nestelde zich tegen haar aan. “Eindelijk,” zuchtte ze. “Eindelijk
ben ik alleen met je. Ik heb daar zo naar verlangd. Oh, toen je op straat liep
al hoor, ik zinde op manieren om je bij me in de buurt te krijgen.” Lous trok
zich terug. “Dus het ging helemaal niet om mijn politiekwaliteiten.” Kora begon
te lachen. “Welnee, natuurlijk niet, wat weet ik nou van jouw
politiekwaliteiten, en waarom zouden die me ook maar iets interesseren? Welnee,
ik wilde je in mijn bed krijgen, en dat gaat binnen nu en een half uur lukken.”
Lous trok zich nog verder terug. Er sloeg een kilte om haar hart, waar ze zelf
angstig van werd. Ze overwoog meteen op te stappen. Maar ze kon geen vin
verroeren, want er bewoog van alles in haar binnenste. Woede, de spieren waarmee
ze Kora een flinke mep kon uitdelen stonden op springen, haar benen schoten in
de vluchtstand. “Niet zo beledigd, kleintje,” lispelde Kora. “Wat denk je, dat
het ooit ergens anders om gaat dan sex? Ben jij zo’n verdwaasde romantica die
denkt dat er zoiets bestaat als liefde? Echte liefde misschien zelfs? Welnee,
er bestaat lust. En verder niets. Alles draait om lust. En ga nu maar mee naar
de slaapkamer, want deze inleiding was wel voldoende.” Lous sprak Kora niet
tegen. Het was lust dus, nou, lust kon ze krijgen. Ze volgde Kora gewillig naar
de slaapkamer. (en daar ging de deur
dicht, lezers en lezeressen. Want wat daar gebeurde, kunnen wij ons allemaal
wel voorstellen. Dat hoef ik hier niet helemaal te gaan uitschrijven. Tenslotte
is dit een literaire thriller, tenminste, op dit punt van het verhaal, over
tienduizend woorden is het weer pure Sci Fi, en geen pornografisch geschrift.
Ik volsta dus met de opmerking dat Lous en Kora tot de volgende ochtend, toen
het tijd werd om te ontbijten, in de slaapkamer bleven.) De volgende ochtend zaten Kora en Lous
samen te ontbijten. De nacht was geweldig geweest, zoals gebruikelijk in
dergelijke situaties en daar hadden ze dan ook niks over te zeggen. Ze genoten
van het verse glas jus ‘d orange, de croissants die Kora door haar
huishoudelijke hulp had laten halen en de heerlijke koffie uit het design
expressoapparaat. “Dat je dit allemaal kan betalen, van je politiesalaris,” zei
Lous, want tja, na zo’n nacht word je wel eens wat vertrouwelijk met elkaar, of
tenminste zo’n idee kan ontstaan, dat je vertrouwelijk bent, en dan stel je al
snel dit soort persoonlijke vragen die je anders zou inslikken. “Natuurlijk kan
ik dat niet betalen van mijn politiesalaris,” zei Kora. “Mijn moeder geeft me
een toelage die vijf keer zo hoog is als mijn salaris. Ik hoef helemaal niet te
werken, niet voor het geld tenminste, maar ik doe het omdat ik het leuk vind,
om bezig te blijven.” Kora nam een hap van haar croissant. Ergens in de
badkamer spoelde water, werd gebonkt met de zwabber. De huishoudelijke hulp was
de badkamer een flinke beurt aan het geven. Geen spin zou het overleven. Maar
Kora en Lous trokken zich daar niets van aan. Ze hadden toch geen haast
vandaag. Het moordonderzoek was totaal vastgelopen en ze hadden geen idee waar
ze moesten beginnen, daarom konden ze rustig van het begin van hun dag
genieten, de wereld wakker laten worden en daar zelf even buiten blijven. Het
duurde dan ook tot een uur of elf voordat Kora en Lous op pad gingen. Hun
eerste taak was de weduwe van Freek Bol, het eerste slachtoffer, opzoeken. Mevrouw Marieke Bol, die nu haar eigen
naam, Kramer, weer gebruikte, was nog steeds in feeststemming. “Dag meiden!”
begroette ze de twee politievrouwen. “Kom erin, kom erin, dan ga ik iets
lekkers voor jullie inschenken. Heerlijke dag weer, nietwaar? Wanneer mag ik
Freek gaan begraven? Ik ga er een groot feest van maken. Iedereen die ooit met
hem te maken heeft, nodig ik uit. We zullen hem brullend van vreugde in zijn
graf laten vallen, we zullen de aarde aanstampen om er zeker van te zijn dat
hij er nooit meer uit komt, we zullen zingen tot onze kelen rauw zijn. En
daarna vergeten we hem!” Marieke Kramer leek bevangen te zijn door een soort
innerlijke dronkenschap. Lous rook geen alcohol, dus fysiek gesproken was ze zo
nuchter als een pasgeboren kalf. In de huiskamer was het één grote bende. “Zie
je dit?” vroeg de weduwe en ze spreidde haar armen wijd. “Niet opruimen. Geen
Freek die met een vies gezicht de pizzadozen oppakt en met gestrekte arm naar
de vuilnisbak draagt. Ik laat alles liggen, gewoon omdat ik geen zin heb om op
te ruimen. Freek zal me niet midden in de nacht wakker komen schudden en me
dwingen, met zijn gezeur, oh, die zeurstem die me nog elke nacht achtervolgt in
mijn nachtmerries, op te gaan ruimen, schoon te gaan maken. Weten jullie, hij
wilde kinderen, ik niet. Gelukkig is het nog altijd zo dat een vrouw daar het
laatste woord in heeft. Dus ze zijn er nooit gekomen. Ik had er niet aan moeten
denken. Als ik kinderen had gehad, was ik helemaal een gevangene geweest, want
reken maar, dat Freek zich met de opvoeding had bemoeid. Een vader moet dat ook
wel doen, maar toch, in beperkte mate uiteraard. Freek zou me geen centimeter
ruimte hebben gelaten, zou me hebben verteld wat ik moest zeggen tegen de
kinderen, wat ik ze moest aantrekken, wat ik tegen ze moest zeggen. Nee, dat
wilde ik niet en het is me ook gelukt. Weet je, ik voel me een vrijgelaten
gevangene. Ik was tot levenslang veroordeeld, maar ik heb gratie gekregen. Zó
voelt het.” Lous knikte, al maakte ze
zich zorgen om de geagiteerde stemming van Marieke Kramer. “Mevrouw,” begon ze.
“Ach, zeg toch Marieke!” zei Marieke. “Ik ben weer jong! Ik heb mijn jeugd weer
terug! Begrijp dat dan.” “Marieke,” ging Lous verder. Kora legde een hand op
haar linkerarm. “Je weet, dat er nog twee moorden zijn gepleegd na die op je
man. Wij denken dat het dezelfde dader is geweest, maar dat weten we niet
zeker. Alles wijst in die richting, maar, zo is dat nu eenmaal in ons vak, je
moet alle mogelijkheden openhouden. We zoeken nu een aanknopingspunt. Ergens
moeten de mannen iets gemeenschappelijks hebben gehad. We zijn er nog niet
achter wat dat geweest kan zijn, maar we zullen er wel achter komen. Dus nu komen
we weer bij jou uit. Het moet iets zakelijks geweest zijn. Wat voor zaken deed
je man.” Marieke Kramer zweeg ineens en haar gezicht verloor de extatische
vrolijkheid. “Zaken,” zei ze. “Zaken, ja, daar was hij altijd wel mee bezig,
ook al was hij dan helaas veel thuis. Met zo’n man hoop je dat hij wat met zijn
secretaresse begint, met wie hij dan stiekem twee weken naar Tenerife gaat, of
ergens anders heen, waar toch ook een vliegtuig kan neerstorten, maar nee, hij
zat meestal thuis, achter zijn computer. En daar heb ik wel eens in gekeken,
ja. Vind je het gek? Van zo iemand wil je op een gegeven moment weten wat hij
eigenlijk uitvoert. Zo’n vraag ga je je stellen, ook al weet je van tevoren dat
het antwoord je niet zal bevallen. Dus ik in die computer van hem kijken. Van
hem mocht ik er niet eens bij in de buurt komen, dus dan weet je wel dat er
iets niet deugt. Op een dag had hij hem per ongeluk aan laten staan. Niks voor
hem, zo’n fout, maar zo zie je maar, overal gaat wel eens iets mis. Zelfs bij
de heer Bol. Nou, toen ben ik erachter gekomen wat voor zaken het waren, waar
hij zich mee bezig hield. Allemaal e-mails van jonge vrouwen, vaak met foto
erbij. Ze schreven dat ze hier wel graag wilden komen werken. Of ze het zelf al
wisten voordat ze kwamen, weet ik niet, maar ik wist meteen al waar het om
ging. Ik las door, zag ook nog een paar mailtjes met zijn zakenpartners. Wie
wanneer de volgende groep ging halen, hoe ze het geld zouden verdelen, waar ze
ze heen zouden brengen, waar was de vraag op dat moment het hoogst. Dat soort
dingen. Die meisjes zijn allemaal achter de ramen terecht gekomen. De vuilak.
Hij handelde ook nog in vulpennen, ontdekte ik. Daar verdiende hij ook op, maar
ja, dat was heel weinig in vergelijking met wat hij met die vrouwenhandel
verdiende. Waar het geld gebleven is, weet ik niet. Er zit veel in het huis,
dat is niet goedkoop, maar er moet nog veel meer zijn geweest. Hoe het met die
meisjes is afgelopen, weet ik nog steeds niet. Waarschijnlijk zitten die
schapen nog altijd achter de ramen, want kom daar maar eens vandaan, met van
die ratten achter je aan als wijlen mijn man. Die ik dus keihard die laatste
kuil in laat donderen.” “U heeft dat ontdekt, een tijdje geleden
al, waarom heeft u de politie niet gebeld?” vroeg Kora. “Ach, dat durfde ik
toch niet? Weet je wel wat voor jongens het zijn die zich bezighouden met dat
soort handel? Dat zijn zware jongens en voordat je het weet, ben je er zelf
geweest. Of erger. Het liefst laten ze je in leven nadat ze je alles hebben
afgenomen. Mijn keurige man was dus niet zo keurig en dat zou hij zeker niet
zijn geweest als ik uit de school had geklapt. Ik durfde niet. Het is fout van
mij geweest, maar ik durfde het echt niet. Nog steeds niet trouwens. Hij is dan
wel dood, maar hoe zit het met zijn collegaatjes? Die heeft hij wel. Ik heb
nooit uitgevonden wie het waren, maar dat ze er waren wist ik wel zeker. Hij
voerde veel telefoontjes. Op fluistertoon, of ergens waar ik hem niet kon
horen, zoveel weet ik wel. God, wat een opluchting, dat het er uit is.” Als
dodelijk vermoeid zakte de vrouw in een stoel. Kora en Lous keken elkaar aan.
Het echte aanknopingspunt was er. En het motief ook. Marieke Kramer had een
misdrijf begaan door er één te verzwijgen maar ze zouden haar laten gaan.
Daarvoor hoefde het rapport maar een klein beetje, op ondergeschikte onderdelen,
te worden vervalst. Lous stond op en zei: “Dank je wel, Marieke, we komen hier
echt verder mee. We gaan snel aan de slag. Bel ons als je nog meer te binnen
schiet.” Lous en Kora snelden naar de auto. “Mijn
kop eraf als die andere twee niet bij hetzelfde zaakje betrokken zijn!” zei
Kora. “Natuurlijk zijn ze dat,” zei Lous. “We gaan hun werkcomputers in beslag
nemen. Dan komen we er wel achter. Eindelijk zit er een beetje schot in de
zaak!” Kora gaf gas en reed, veel te hard, maar goed, ze was tenslotte
politievrouw, in functie nog wel en op weg naar een dringende actie, in de
richting van de Lekke Plu, het verzekeringskantoor waar Bert Bals had gewerkt. Bij de portier van De Lekke Plu toonden
Kora en Lous hun ID: “Politie!” riepen ze er geheel overbodig bij en “Inval! We
komen de computer van Bert Bals in beslag nemen!” De portier haalde zijn
schouders op. “Okay, als u dat zegt, zal het wel nodig zijn.” Ze zetten koers
naar het bureau van Bals, dat nog altijd niet was leeggeruimd, alsof hij er elk
moment weer plaats kon nemen. Kora rukte de snoeren uit de muur en Lous nam het
systeem onder haar arm. “Hopelijk hebben ze er nog niks aan veranderd,” zei ze.
“Je moet niet uitsluiten dat meerdere mensen in dit bedrijf betrokken waren bij
dat vieze handeltje.” “Eén ding tegelijk,” zei Kora. “Laten we eerst eens
kijken wat er op staat.” Op het bureau boog de computerspecialist
zich over de machine. Natuurlijk kon zij ook alle bestanden terughalen die de
gebruiker beoogt had te wissen. Als iets eenmaal digitaal beschikbaar is, is
het er voor eeuwig. De meeste mensen realiseerden zich dat niet, daarom liepen
de meeste misdadigers die pc’s als hulpmiddel gebruikten, dan ook tegen de
lamp. Alles kon je op de harddisc van de gemiddelde gebruiker vinden, van de
lulligste boodschappenbriefjes tot gecodeerde opdrachten tot huurmoord. De
computerspecialist, Tecla Pathos, was dan ook dol op haar werk. In de eerste
plaats was het nuttig, want zij hielp misdadigers opsporen en in de tweede
plaats kwam ze van alles over mensen te weten die bepaalde aspecten van hun
leven liever verborgen wilde houden. Zo wist ze dat De Vries op sommige
zaterdagavonden, als het hele land sliep om te beginnen bij zijn echtgenote,
leatherparties bezocht waar dingen gebeurden die hij vast niet aan zijn moeder
zou hebben verteld. Ze had er ook foto’s van gezien, met De Vries in passende
outfit. Een leren broek, een leren hesje, een leren pet en overal kettingen.
Maar zelfs op die foto’s bleef hij de keurige, saaie heer die je maar een bevel
hoefde te geven en hij voerde dat zonder protest of vragen uit. Ze had de foto
gedownload en op haar eigen computer gezet. Je wist maar nooit hoe die eens van
pas kwam. Op de pc van Bert Bals trof ze van alles
aan. Hij schreef veel emails aan zijn chef, vaak om zich te beklagen over de
betreurenswaardige werkhouding van zijn collega’s. Zo waren er, die twintig
minuten over hun koffiepauze deden, terwijl ze recht hadden op vijftien
minuten. Ook kwam het veelvuldig voor dat mensen op internet surfden naar hele
andere zaken dan die verband hielden met het verzekeringswezen. Het ergste was,
volgens Bert Bals, dat sommige mensen zich negatief uitlieten over de
directeur. Die werd wel een vette uitvreter die van voren niet wist dat hij van
achteren leefde genoemd. Dat allemaal had hij aan de baas doorgegeven. Tecla
vroeg zich af of die daar blij mee was geweest. In het algemeen kan een mens
maar beter niet weten hoe anderen echt over hem denken. Daarvan wel kennis
nemen, was in verreweg de meeste gevallen niet goed voor het zelfrespect. De
vakantiefoto’s van Bert Bals stonden ook op zijn pc van het werk. Daar keek hij
zeker naar als hij niks te doen had. Het waren erg saaie foto’s, van zwembaden
bij witte hotels en soms Bert Bals er zelf voor in zwembroek. Hij was een schrale,
ielige man geweest en hij had er beter aan gedaan zich alleen volledig gekleed
te laten fotograferen. Uiteindelijk vond ze iets wat van belang kon zijn voor
de zaak. In een gewiste map, die zij met behulp van door haarzelf geschreven
programmatuur weer naar boven had gehaald, trof ze foto’s aan van oosteuropese
vrouwen. Het waren zowel portretten als foto’s in bikini. In dezelfde map waren
documenten gevoegd met kenmerken van de vrouwen. Eén vrouw, Natasha geheten,
tenminste, zo heette ze in de directory, werd beschreven als een paard in volle
bloei, rijpend maar nog niet te rijp, kan zeker nog drie jaar mee, zal winst
opleveren. Alle beschrijvingen waren in die trant. Er werd beschreven hoe lang
de vrouwen nog mee konden, waarvoor stond er niet bij, maar Tecla kon dat wel
raden, en of ze al dan niet winst zouden opbrengen. Tecla printte foto’s en
documenten uit en bracht ze naar de kamer waar Kora en Lous samen werkten aan
de zaak. Ze liep zonder kloppen binnen en dat had ze
beter niet kunnen doen. Ze trof Lous en Kora innig verstrengeld aan in het
zitje, en hun kleding zat niet zoals die gedurende werktijd behoorde te zitten.
Maar het kwaad was al geschied, ze kon niet meer weglopen en net doen alsof ze
niets had gezien. Ze kuchte. Lous en Kora lieten elkaar los en brachten snel in
kleren in orde. Tecla zei er niets van, maar gaf de prints aan het kersverse
liefdespaar. “Ik heb gevonden wat jullie zochten,” zei ze. “Het lijkt erop dat
jullie beet hebben. Vrouwenhandel, inderdaad. Vreselijk, wat die kerels met hun
uitgestreken smoelen doen. Ik moet eerlijk zeggen, ik vind dat ze hun lot
hebben verdiend. Jammer dat ze er niet meer van hebben gevoeld.” Plotseling
zweeg ze. Ik moet niet te ver gaan, dacht ze. Ik heb me op glad ijs begeven. Kora en Lous bekeken het pakketje foto’s en
documenten. “Nou, dat lijkt me duidelijk, en je hebt vanaf het begin gelijk
gehad. Het is wraak. Ik vermoed dat we de dader in de kringen van die
prostituees moeten zoeken,” zei Lous. Kora knikte. “Ja, dat denk ik ook. Eén
kan er zo kwaad geworden zijn, dat ze ze afgemaakt heeft. Hoewel ik me afvraag
of een vrouw zo’n treffende stoot zou kunnen uitdelen. Het is niet echt het
type moord dat je bij een vrouw zou verwachten. Die gebruiken gif of een
kussen. Meestal tenminste. Er zijn uitzonderingen, natuurlijk. Goed, we weten
wat ons te doen staat. We gaan eens kijken op de wallen. Neem de foto’s mee,
misschien treffen we daar één van de dames.” Het was een zonnige dag en Amsterdam zag er
prachtig uit. Helaas was het bij het Centraal Station nog altijd een puinhoop
omdat de aanleg van de metro was stilgelegd terwijl niemand ooit een beslissing
had genomen of die wel of niet zou worden voortgezet. Op de wallen daarentegen
zag alles er net zo uit als altijd. Verlichte ramen, wandelende mannen alleen
en bosjes toeristen. Lous en Kora hadden zich verkleed als toeristen. Zij
droegen een driekwart broek met daaronder pumps en een kleurige,
laaguitgesneden blous erop. Om hun nek hing een digitale camera en ze droegen
een petje met I love Amsterdam erop. Op hun buik hing het tasje waar zogenaamd
al hun bezittingen in zat, handig voor de zakkenrollers. Ze hadden de foto’s
goed ingeprent zodat ze de vrouwen meteen zouden herkennen achter één van de
ramen. Maar het waren er veel. Deze bedrijfstak voorzag in een duidelijke
behoefte en leed kennelijk niet onder de in 2008 ingetreden crisis. Geen gebrek
aan klandizie hier en het aanbod was gevarieerd en ruim. Er zaten veel
Aziatische en Afrikaanse vrouwen achter de ramen, ongetwijfeld ook niet allemaal
vrijwillig. Daar zouden ze later nog iets aan doen. Eerst de moordenaar van de
drie heren vinden. Toen ze de dijk al drie keer op en neer waren gelopen,
steeds zonder iemand te herkennen, werden ze aangehouden door een grote, blonde
vrouw. “Pssst,” zei ze. “U bent toch van de politie?” Kora en Lous knikten
verbouwereerd. Hoe kon die vrouw dat weten? “Er gebeuren hier dingen die niet
pluis zijn,” ging de vrouw verder. “Al die meiden hier, die worden gedwongen.
Ze houden zelf niks over, alles moeten ze afdragen aan hun pooiers. Ik probeer
ze bij onze vakbond te krijgen. Maar dat lukt niet, ze zijn bang. En nu laat de
politie alles rustig zijn gang gaan, net alsof je er niets aan kunt veranderen.
Ze zeggen dat zelfs: hoeren zijn er altijd geweest en hoeren zullen er altijd
blijven. Nou, dat zal wel, maar het wordt wel tijd dat de hoeren dan zelf beter
worden van hun werk, en dat dat geld niet gaat naar allerlei vage heren die
zelf te beroerd zijn om een poot uit te steken. Maar veel willen er tegenwoordig helemaal
niet in het vak. Die zijn gedwongen. Die zijn binnengehaald met valse beloften,
zoals een goede baan op kantoor. En daar moet ik echt niks van hebben, van dat
soort praktijken. Ik ben geen verrader, maar in dit geval ga ik een stelletje
mannen verraden. Er zijn er tientallen die zich met deze tak van sport
bezighouden, en reken maar dat ze er veel mee verdienen. Maar vijf van die
kerels zie ik het liefst vandaag nog op de bodem van de gracht, sorry dat ik
het zeg. Dat zijn van die kerels die vast elke zondag op de voorste bank in de
kerk zitten, zo zien ze er uit tenminste, van die schijnheilige, uitgestreken
smoelen. Nou, die komen hier ook zat als klant hoor, dat kan ik je wel
vertellen. Ze brengen hier oosteuropese meiden. Het is te triest voor woorden.
Die meiden denken echt dat ze hier een goed leven tegemoet gaan, maar voordat
ze het weten, zitten ze achter het raam. En ze kunnen niet weg, want alles
wordt ze afgepikt. Paspoort, geld, kleren. Alles. Ze zijn een soort slaven. Wat
zeg ik? Het zíjn slaven.” Beet, dacht Lous. Daar hoort ons vermoorde
drietal vast bij. En dat betekent ook dat er nog twee te gaan zijn. Twee levens
die we misschien kunnen redden. Maar willen we die levens wel redden. “Kom even
mee naar dat café,” zei Kora. Lous en de vrouw volgden haar naar het beroemde
café Bet van Beeren in de Warmoesstraat. Het werd nu gedreven door de achternicht
van Bet. Net als Bet was zij een grote, zware vrouw met kortgeschoren haar, aan
wier seksuele geaardheid geen moment hoefde te worden getwijfeld. Zo was het
leven wel overzichtelijker, vond Lous. Tegenwoordig kon je je zo snel
vergissen. Bleek de prachtvrouw die je wilde versieren een huismoeder met twee
kleine kinderen te zijn. In de tijd van Bet van Beeren was dat niet goed
denkbaar. Huismoeders zagen eruit als huismoeders, dus compleet met rok,
hoofddoek voor buiten, een gepermanent kapsel en een boodschappentas of een
handtas. Een beetje gay lady bleef daarbij uit de buurt. De potten waren ook
direct te herkennen. Lous had vaak foto’s bekeken uit die tijd en kon de dames
van de goede kant zo aanwijzen, maar kon niet precies zeggen hoe het kwam dat
ze onmiddellijk wist tot welke familie ze behoorden. In ieder geval: ook bij de
achternicht van Bet van Beeren was er geen twijfel mogelijk. Kora en Lous
gingen met de vrouw die ze had aangesproken om een tafeltje zitten. Ze
bestelden oude jenever, die direct werd gebracht door de caféhoudster zelf.
“Zo, dames, dat ie er maar lekker in mag glijden,” zei ze met een krassende
bootwerkersstem. Kora nam het glas op en maakte een toastend gebaar. “Ik heb me
nog niet voorgesteld,” zei de vrouw van de hoerenvakbond. “Ik ben Lies van
Dongen. Ik zit al jaren in het vak en ik heb het altijd met hart en ziel
uitgeoefend. Ik ben één van de weinigen die voor deze richting gekozen hebben.
Meestal komen ze erin door ellende. Een meppende kerel, op straat geschopt door
hun ouders, altijd opgegroeid in een weeshuis of in pleeggezinnen waar ze ook
nog een keer werden misbruikt. Maar voor mij geldt dat niet. Ik dacht op mijn
achttiende, beter twee uur per dag op mijn rug dan acht uur aan een bureau of
aan de lopende band. En het is me goed bevallen, dat parttime werk. Toen ik pas
begon, had ik leuke collega’s. We waren echt een team, hielden elkaar in de
gaten, losten elkaar af. Maar zo is het allang niet meer. De meiden die er nu
zitten, durven hun mond niet open te doen. Die krijg je zelfs zelden te
spreken. Voor de klanten lijkt het niks uit te maken. Die komen toch wel.” Lous liet de foto’s van de vrouwen één voor
één aan Lies zien. Die bekeek ze aandachtig. Bij één keek ze langer. “Die komt
me bekend voor,” zei ze. “Vaag bekend, maar ze zien er anders uit als ze
eenmaal hier zijn. Om te beginnen, vallen ze van ellende tientallen kilo’s af.
Ze zijn allemaal vel over been, alsof ze niks te eten krijgen. En het zou me
niks verbazen als dat nog zo was ook. Verder zitten ze altijd opgetut voor het
raam. Schmink, want niemand gaat naar binnen bij een hoer met een lijkbleek
gezicht. Geschminkt zien ze er al ellendig genoeg uit, maar de heren laten zich
de illusie kennelijk met gemak aanleunen. Maar deze heb ik wel eens gezien, dat
weet ik zeker.” Ze keek verder en haalde nog een foto uit de stapel. “Deze
twee,” zei ze. “De andere niet. Het kan zijn dat die in een andere straat
zitten, of zelfs in een andere stad. Dat weet je niet. Die hufters spreiden hun
risico natuurlijk.” De vrouwen dronken hun borrel. Kora rekende af. De
achternicht van Bet van Beeren groette ze met een hoofdknik toen ze het café
verlieten. Een kwartier later stonden ze voor de deur
van de werkkamer van de vrouw die Lies het eerst had herkend. Zij was blond van
de waterstofperoxide: heel licht, dat blonde dat na de leeftijd van twaalf jaar
niet meer van nature komt. Toen ze het drietal voor het raam zag, schudde ze
nee. Kora toonde haar ID-kaart, maar ze begreep het kennelijk niet. Ze opende
het venster en riep: “Ik doe geen vrouwen, dat kan ik niet, ga maar twee deuren
verder op, naar de Chinese, die doet het wel!” Ze wilde het raam weer sluiten
omdat de zaak voor haar was afgedaan, maar Lous riep: “Wacht even, wij zijn
geen klanten, maar politie. We willen even met u praten.” De vrouw werd
knalrood en keek om zich heen, alsof ze wilde ontsnappen. Ze zag kennelijk snel
in dat er geen uitweg was, en opende de deur. Terwijl Lous, Kora en Lies gingen
zitten, sloot ze de gordijnen. “Dat is gemakkelijker zo,” zei ze. “Dan ziet de
baas het niet.” “Mogen wij weten wie die baas is?” vroeg Kora. De vrouw schudde
heftig van nee. “Waarom niet? We zijn eigenlijk naar hem op zoek. We moeten hem
vinden.” “Ik kan dat niet doen,” zei de vrouw. “Hij heeft mij dat verboden. Ik
mag met niemand praten, en zeker niet met de politie. Als hij erachter komt…”
En ze maakte een gebaar met haar hand over haar keel alsof zij die doorsneed.
“Wordt u gedwongen om dit werk te doen?” vroeg Lous plompverloren. Lies vulde
aan: “Vertel het ze maar, ze komen er toch achter. En misschien kunnen ze wat
voor je doen. Je uit deze ellende halen bijvoorbeeld.” De vrouw keek angstig
van de één naar de ander. “Ik ben Loebjka,” begon ze. “Een paar jaar geleden
dook er een man op in mijn dorp in de Oekraïne. Hij was een keurige man, echt
betrouwbaar, zo’n man als mijn oude schoolmeester. In het dorp was werkloosheid
en armoede. Ik had vijf broers en zusters en geen van allen hadden we werk. We
leefden van wat de moestuin opbracht, verder was er niets. Die man vertelde
over Nederland. Dat daar werk zat was voor vrouwen zoals ik, die van aanpakken
wisten, dat je binnen de kortste keren rijk was, en dat je meteen al kon
beginnen met geld naar huis te sturen, want je verdiende in Nederland veel meer
dan je zelf nodig had. Het leek te mooi om waar te zijn, en dat was het ook.
Maar ik wilde hem graag geloven. Een paar weken later kwam een grote
vrachtwagen mij halen. Toen ik in de laadbak stapte, zag ik daar nog meer
vrouwen, allemaal van mijn leeftijd. De chauffeur nam onze paspoorten in en zei
dat we ons heel stil moesten houden. Alle papieren waren in orde, zei hij, maar
toch kon er oponthoud ontstaan aan de grenzen en daar had hij geen tijd voor.
Voor de reis moesten wij vijfduizend euro betalen, en die hadden we niet. Dat
was geen probleem, die konden we later terugbetalen. Als we eenmaal werkten in
Nederland. Na dagen in die vrachtwagen, die helemaal niet direct doorreed naar
Nederland, maar die af en toe nachtenlang stopte op stille plekken, kwamen we
aan in Nederland. Sommige vrouwen moesten vlak over de grens uitstappen,
anderen gingen verder. Uiteindelijk kwam ik hier in Amsterdam terecht. Ik moest
meteen dezelfde avond dit werk doen. Die vent die me had overgehaald, kwam elke
dag langs. Ik moest tienduizenden euro’s betalen en ik kreeg niks. Hij hield
alles in, zei hij. Ik heb hem trouwens al een paar weken niet gezien. Hij ligt
ergens op de loer, dat weet ik zeker, want hij zou me nooit laten gaan, maar ik
weet niet waar hij is.” Lous haalde de foto’s van de drie vermoorde mannen uit
haar tas. “Is je baas hierbij?” zei ze. Loebjka haalde de foto van Freek Bol
uit het stapeltje. “Deze is het,” zei ze. “Dit is mijn baas.” Kora zei: “Je
zult hem nooit meer zien, want hij is dood. Ik moet je nu wel vragen mee te
gaan naar het bureau. Hij is vermoord, en we willen uitsluiten dat jij hem hebt
vermoord.” Tijdens het verhoor op het bureau bleek al
snel dat Loebjka niets met de moorden te maken had. Ze was altijd aan het werk
en hoewel de klanten ongetwijfeld weinig genegen waren om datum en tijdstip van
hun bezoek te bevestigen, was er geen reden om aan de robuustheid van Loebjka’s
alibi te twijfelen. “De vraag is alleen wel,” vroeg Kora zich hardop af. “Wat
moeten we nu met je, Loebjka. Je bent illegaal, eigenlijk zou je het land
uitgezet moeten worden. Maar dat zou wat erg bitter zijn, na zo’n ervaring. Ik
denk dat we je niet gaan uitleveren aan de IND. Ik denk dat Tecla Pathos wel in
staat is om je legalisatie te regelen. En ook een goede baan en een huis.”
Loebjka kreeg tranen in haar ogen. Een ogenblik lang wist ze niks te zeggen.
“Oh, als dat zou kunnen. Ik heb mijn familie nog helemaal niks kunnen sturen,
ik heb al die tijd niks van me laten horen. En nu krijg ik de kans alles goed
te maken.” Lous liep naar Tecla, die zoals altijd druk bezig was achter haar
computer. Ze legde uit wat de bedoeling was. Tecla zei alleen: “Okay” en ging
aan de slag. Een uur later was Loebjka in het bezit van een legaal paspoort,
een verblijfsvergunning die vijf jaar geldig was en die na die periode
waarschijnlijk gemakkelijk verlengd kon worden, een leuk appartement aan de
rand van de stad en een baan bij een overheidsinstelling. Ze kon haar geluk
niet op en ze kon geen woorden vinden om de politie te bedanken. Toen ze was vertrokken, zei Lous: “We
hebben nog wel een klein probleempje. Er lopen nog twee van die misbaksels
levend rond en we zouden ze natuurlijk gewoon kunnen laten afmaken, maar ergens
strookt dat niet met onze politie-opdracht.” “Maar we hoeven ons ook niet uit
de naad te werken,” zei Kora. “We hebben een spoor, we gaan proberen die andere
twee moorden te voorkomen, maar ondertussen gaan we eerst iets anders doen. Jij
gaat mee naar mijn moeder, het wordt tijd dat ik je voorstel?” Lous raakte
hiervan in verwarring. Hun eerste amoureuze treffen was pas een paar dagen
geleden geweest en Kora had bij die gelegenheid toch heel duidelijk gemaakt,
dat ze niet van plan was om een serieuze relatie te beginnen. Wat een warrig
mens was het toch. Lous begon te twijfelen of ze eigenlijk wel geschikt was als
goede levenspartner. In een langdurige relatie stond stabiliteit toch voorop en
dat was bepaald niet iets waar Kora erg hoog op scoorde. Maar omdat ze
nieuwsgierig was naar uit wat voor nest Kora eigenlijk kwam, stemde ze in met
het verzoek. Kora’s moeder woonde in een grote villa in
de buurt van Zeist. Vroeger moest het huis in een landelijke, rustige omgeving
hebben gestaan, maar dat was allang heel anders. Over de provinciale weg raasde
verkeer, de paden in het bos dat vroeger in bezit was geweest van de familie
werden gebruikt door talloze fietsers en overal rondom het huis hoorde je
geschreeuw en gepraat van mensen. Er was geen ontkomen meer aan: hoe rijk je
ook was, altijd had je andere mensen vlak in je buurt. Je mocht al blij zijn
als ze niet in je persoonlijke territorium, de onzichtbare ruimte van zo’n twee
meter om je heen, kwamen. Een medewerker van de huishouding, een dienstbode
eigenlijk maar het was 2011 dus met die functieomschrijving kon je niet meer
aankomen het mens zou meteen vertrekken, deed open. “Dag mevrouw Kora,” groette
ze. Ze keek naar Lous, trok haar wenkbrauwen op, maar zei niets. In een grote kamer, die meer deed denken
aan een ingerichte balzaal dan aan een huiskamer, zat een oude vrouw bij de
open haard. Kora liep op haar af en probeerde haar te zoenen. De oude vrouw
wuifde haar geïrriteerd weg. “Toe, niet zo sentimenteel, kindje. Wij zoenen
niet. Niet in het openbaar tenminste. Wij nemen die platte gewoonten van het
plebs niet over. Een zekere distantie, kind, in het uiten van allerlei zaken.
Hoe vaak heb ik je dat niet proberen te leren?” Kora trok zich terug. “Moeder,
ik ben gekomen om je mijn nieuwe levenspartner voor te stellen.” Ze wenkte Lous dichterbij. De oude vrouw
bekeek Lous van top tot teen. “Een nieuwe levenspartner,” zei ze krassend. “Het
is me wat. Hoeveel levenspartners heb je eigenlijk al gehad, Kora? En hoeveel
levens heb je eigenlijk, volgens jou? Ik ben hier altijd heel duidelijk in
geweest. Het is al erg dat je niet voor een man kiest als levenspartner, maar
als het dan een vrouw is, laat het dan iemand zijn voor je hele leven, voor dat
ene hele leven dat je maar hebt. Nou, kind,” zei ze terwijl ze zich tot Lous
richtte. “Je bent dus niet de enige voor Kora en de laatste zal je ook wel niet
zijn. Uit welke familie kom je?” “Ze komt niet uit een familie,” onderbrak Kora
haar. “Ze had een vader die ook bij de politie was en haar moeder was
huisvrouw. Zij is een gewoon mens, moeder.” “Zo,zo, een gewoon mens. Ook dat
nog. Ook nog niet eens van goede familie. Laat ik je dit vertellen: vroeger
kwam het sapphisme in onze kringen veelvuldig voor. Iedereen wist van zo’n
relatie als die er was, en de twee vrouwen verschenen ook gewoon samen op
familie-bijeenkomsten. Maar nooit, nooit mengden wij buiten de kringen. Weet je
wel hoe gevaarlijk dat was. Het was al erg genoeg dat de bedienden er van
wisten, maar die kon je nog wel in toom houden. Die konden toch geen kant op.
Als je buiten de kringen ging, was de kans groot dat je gechanteerd werd. Ja,
gechanteerd! Want wat jij nu zo achteloos doet, was toen verboden. Ach, dat
waren nog eens duidelijke tijden, waarin een mens wist waar ze aan toe was. Kind
oh kind, wat verlang ik soms terug naar die tijd.” Kora keek Lous aan en haalde
met een spijtig gezicht haar schouders op. Tegen haar moeder zei ze: “We gaan
maar weer eens, moeder. Prettig u weer even te hebben gezien. Voorlopig heb ik
geen tijd, want het is heel druk op het werk.” “Een capabele vrouw heeft het
nooit druk,” stelde de moeder. “Maar ik begrijp het wel hoor, je vindt me
lastig omdat ik je onverbloemd de waarheid zeg, daarom ga je zo snel al weer
weg. Jouw pleziertjes gaan boven de familietraditie en dat neem ik je kwalijk.
Maar ga maar snel. Ik begin een beetje genoeg te krijgen van jouw
egocentrisme.” “Sorry,” zei Kora toen ze in de auto zaten
en de oprijlaan afreden. “Mijn moeder is van de oude stempel. Hoe we overkomen
houdt haar meer bezig dan hoe wij ons voelen. Dat is nu eenmaal zo. Ze heeft je
gekwetst en dat neem ik haar kwalijk, maar aan de andere kant is ze een oude
vrouw die gewoon niet beter weet.” “Het kan me allemaal niet zoveel schelen,”
zei Lous. “Ik ben jouw levenspartner ook niet, hoe kom je er eigenlijk bij.
Laatst, in bed, zei je toch iets heel anders. Ik vond het wel leuk om te zien
uit wat voor nest jij komt. Ik dacht dat zulke mensen niet eens meer
bestonden.” Kora trapte keihard op de rem, zette de motor af en vroeg op
verbolgen toon: “Hoezo ben jij mijn levenspartner niet? Misschien niet
letterlijk voor het hele leven, maar ik dacht toch wel dat er iets heel serieus
tussen ons was. Dat heb ik dan zeker verkeerd begrepen.!” Kora ging steeds
luider spreken, tot een niveau waarop ze schreeuwde. “Ik heb heel veel in jou
geïnvesteerd! En nu word ik zo behandeld! Dit kan echt niet! En wie betaalt,
die bepaalt, zo is het ook nog een keer. Weet je wel wat dat etentje laatst mij
heeft gekost? Ik ben nog nooit zo behandeld, nog nooit!” Lous opende het
portier en stapte uit. “Als je het zo ziet, heb ik je niks meer te zeggen.
Donder toch op met je mooie maniertjes. Ga je moeder maar vertellen dat je je
vergist hebt en dat je dat meisje uit het volk alweer kwijt bent.” “Doe niet zo
idioot! Stap ogenblikkelijk in!” Lous reageerde niet op het bevel en liep naar
de provinciale weg. Daar zou ze de bus wel nemen en vervolgens de trein. Met
Kora zou ze het liefst nooit meer wat te maken hebben, maar ze moesten de
moorden nog zien te voorkomen. Als Lous wat begon, wilde ze het ook afmaken, al
zou ze dat nu met de nodige tegenzin doen. De volgende dag verscheen Kora pas laat op
het bureau. Lous zat al in de werkkamer. Ze probeerde een plan te maken om de
twee mannen, die ongetwijfeld ook op de lijst stonden van de seriemoordenaar,
te redden. Onbegonnen werk, want ze wist niet wie het waren, laat staan dat ze
wist waar ze waren. Kora droeg een zonnebril. Haar gezicht was knalrood. Ze
groette Lous afgemeten en startte haar pc op. De samenwerking zou erg moeilijk
gaan. Lous zou blij zijn als ze weer gewoon op straat liep. De Vries was
uiteindelijk minder erg dan Kora met haar waanideeën. Lous zuchtte. Waarom kwam
ze nou nooit eens iemand tegen waaraan geen steekje los was. Waarschijnlijk was
het haar lot om alleen te blijven. Ze moest daar maar niet te lang bij stil
staan. Anders zou ze nog weerzin krijgen tegen het leven zelf. “We moeten er achter zien te komen wie die
pooiers zijn die vermoord gaan worden,” begon Kora. Ze keek Lous niet aan tijdens
het praten, maar bleef naar haar computerscherm staren. “Wat mij betreft mogen
ze een mes in hun donder die ze naar de eeuwigheid helpt, maar we kunnen het
nou eenmaal niet maken om de signalen te negeren. We moeten op zijn minst
kunnen rapporteren dat we serieus hebben gezocht. Daarna wil ik al die vrouwen
gaan bevrijden. Ik weet niet of Tecla het voor elkaar krijgt om ze allemaal te
legaliseren, maar dat zal ik haar vragen. Ik vertrouw erop dat ze een heel eind
komt. Wat een ellende allemaal, wat een rotleven is dit toch, ik wou dat ik
nooit geboren was, en ik wou dat ik alvast doodging.” “Gaat het wel goed met je, Kora?” vroeg Lous.
“Nee!” riep Kora uit. Ze deed haar zonnebril af, waardoor Lous een vol zicht had
op haar bloeddoorlopen ogen. “Ik heb twee flessen whisky gedronken toen ik
gisterenavond thuiskwam. En waarom? Uit pijn, Lous, uit pure, wanhopige pijn
omdat jij mij zo bot hebt laten zitten. Omdat jij mij hoop hebt gegeven en die
hoop maar zo te pletter slaat! Dus het gaat niet goed met me, want ik heb een
kater van hier tot Tokyo! Maar dat kan jou zeker niks schelen, hè, wat dit
allemaal met mij doet, jij komt en jij gaat naar het je uitkomt, het kan je
niet schelen wie je onderweg allemaal kapot maakt!” “Er is iets mis met je
beeldvorming, Kora, maar misschien ga je dat nog begrijpen als je kater een
beetje genezen is. In ieder geval: ik ben hier weg als we klaar zijn met die
moorden, want hier heb ik verder niets meer te zoeken. We kunnen beter hard aan
de slag gaan, des te beter schieten we op.” Op dat moment kwam een agent de kamer
binnen. “Er is weer een moord gepleegd,” zei hij. “Op dezelfde manier: een man
met een mes in zijn rug boven een gele prullenbak.” “Erop af!” zei Kora,
terwijl ze haar jas aantrok. Ineens leek ze al haar pijn en haar kater te zijn
vergeten. Op de plaats delict zag het er hetzelfde
uit als bij de vorige drie moorden. De man hing dood over de prullenbak en ook
dit keer was het mes zeer vakkundig in zijn rug gestoken. Er stond een menige
op straat te kijken. De ‘oh’s’ en ah’s waren niet van de lucht. “Achteruit,”
riep Lous. “Maak ruimte voor politie en ambulance.” De mensen deden vertwijfeld
een paar stappen naar achteren. Ook dit keer had de man een beige regenjas
gedragen. Kora haalde zijn portemonnee uit zijn achterzak. Hij heette Frits
Bik. “Het lijken wel allemaal tweelingbroers,” zei ze. “Of klonen. Ze lijken
allemaal op elkaar. Hoe zou dat tuig elkaar gevonden hebben, vraag je je af.
Nou ja, een verlies voor de samenleving is het niet, deze dooien. We gaan de weduwe
maar weer blij maken, want ook dat zal vast niet anders zijn deze keer.” De lijkwagen arriveerde en het stoffelijk
overschot van Frits Bik werd vakkundig in de metalen kist gelegd, die
vervolgens de lijkwagen werd ingeschoven. Veel woorden hoefden niet meer aan de
moord te worden vuilgemaakt. Het motief was bekend, Kora en Lous wisten dat de
moordenaar er nog één te gaan had en ze hoopten allebei dat hij die snel zou
plegen. Ze hadden genoeg van deze kwestie. Hun persoonlijke vete droeg ook al
niet bij tot een prettig werkklimaat. Enigszins bedrukt reden ze terug naar het
bureau. Ze stuurden de agent die de moord had gemeld naar de weduwe. Die kon
zijn vreugde over dat hem zo’n belangrijke taak werd toebedeeld nauwelijks
verbergen. Ondertussen werkte Tecla Pathos koortsachtig aan haar computer.
Altijd als ze een duidelijke missie had, raakte ze in een flow. Dat was deze
keer niet anders. De volgende dag patrouilleerde Kora en Lous
op straat, in de hoop de moordenaar op heterdaad te betrappen. Die kans was erg
klein, want ze wisten niet wanneer de moord zou worden gepleegd, waar dat zo
zou zijn en of ze de moordenaar zouden herkennen. Ze hadden zelfs geen flauw
idee van het profiel. Diverse deskundigen hadden daar namelijk steeds iets
anders over gezegd. Het zou een man van ongeveer vijfendertig zijn met
moeilijkheden in zijn jeugd, waarschijnlijk een prostituee als moeder, die de
toevoeging Hoerenjong heel vaak te horen had gekregen. Zijn motief was dan een
diepgewortelde afkeer van alles wat met prostitutie te maken had. Een ander
beweerde met hetzelfde gezag dat het hoogstwaarschijnlijk ging om een
afrekening in het criminele circuit. Alles wees daar namelijk op: de moordenaar
had het steeds voorzien op criminelen in dezelfde branche. Waarschijnlijk hadden
de moordenaars de moordenaar op de een of andere manier belazerd, misschien
zelfs wel verraden. Een andere deskundige, een zieneres die op het platteland
in Friesland woonde en daar geneeskrachtige kruiden kweekte, was van mening dat
de moorden alleen maar door een vrouw gepleegd konden worden. Het was uit
afkeer tegen de vrouwenhaat, die tot uiting kwam in vrouwenhandel en
prostitutie. Deze zieneres werd onbarmhartig weggelachen. Hoe kon een vrouw
zo’n mes hanteren? Vrouwen hadden in het algemeen geen jachtmessen in hun tasje
en bovendien hadden ze er toch moeite mee om mannen lichamelijk te
overmeesteren. Dan zien jullie het maar niet, zei de zieneres. Dan zit er niks
anders op dan de moordenares te laten lopen. Niet dat ik daar problemen mee
heb, maar dat rancuneuze Nederlandse volk zou daar wel eens heel anders over
kunnen denken. Jullie zoeken het maar uit verder. En ze ging door met het
wieden van haar kruidentuintje. Kortom, al die deskundigen hadden zich over
de kwestie gebogen, maar ze kwamen er geen van allen uit. Kora en Lous hadden
er niets aan. Toeval bestaat niet, wordt weleens gezegd. Dat is misschien niet
helemaal waar voor het echte leven, dat van toevallige gebeurtenissen aan
elkaar hangt waar dan achteraf een samenhang in wordt gezien, maar in fictie
bestaat toeval wel degelijk. Dit verhaal is maar vijftigduizend woorden lang en
over enkele duizenden woorden neemt het weer een hele andere wending in een
hele andere tijd. Dat betekent dat de moorden moeten worden opgelost in een
woord of tweeduizend. Daarom kon het gebeuren dat Kora en Lous, die al uren
zwijgend naast elkaar liepen, zou dat ooit nog wel goed komen, maar dat is weer
een andere kwestie, en plotseling, allebei tegelijk een man, gekleed in een
beige regenjas, in de buurt van een gele prullenbak zagen lopen. Vlak achter
hem liep een vrouw. Ze snelden zich naar voren. Lous was wel zo wijs om niet
meteen achter op de rug van de vrouw te springen, want ze herinnerde zich nog
maar al te goed de schaamtevolle arrestatie van een paar dagen geleden. De
arrestant, die al snel weer moest worden vrijgelaten, had er nog een smakelijk
stukje over geschreven in het plaatselijke sufferdje. De commissaris was daar
niet blij mee geweest. Integendeel, ze had briesend van woede gebeld en door de
hoorn geschreeuwd dat ze meteen op konden flikkeren als ze nog eens zo iets in
hun hoofd haalden. Daarom was Lous voorzichtiger en Kora ook. Maar misschien
waren ze nu wel wat té voorzichtig, hoewel het potentiële slachtoffer geen
bloem van de natie was, integendeel, het was zo iemand die men maar liever
kwijt dan rijk was, en dat gold dan voor zijn hele omgeving, want de vrouw die
achter hem liep, haalde plotseling een groot mes uit haar binnenzak, een
jachtmes, zo één waar je normaal gesproken rendieren en andere grote dieren mee
vilt. Maar dit type mes had zijn bruikbaarheid voor het doel dat de vrouw had
de afgelopen dagen al bewezen. De vrouw stak, het mes verdween in de rug van de
man, die verder geen geluid maakte, maar ineenstortte over de prullenbak heen.
Kora en Lous herkenden op hetzelfde moment Tecla Pathos, die twee vingers in de
nek van de man legde om te kijken of hij echt dood was. Nou, dat was hij. Ze
had haar moord weer voortreffelijk uitgevoerd, zij het dat het een minpuntje
was dat ze op heterdaad was betrapt door de politie. Eerst waren Kora en Lous
met stomheid geslagen. Een zo brute en openlijke moord, met een mes, verwachtte
je niet van iemand die bij de politie werkte. Het kon best eens voorkomen dat
je per ongeluk iemand doodschoot en ook wel, dat het iets minder per ongeluk
was dan de desbetreffende schietende agent het later wilde doen voorkomen, maar
een serie moorden met een jachtmes, dat was toch wel iets heel aparts voor
iemand van de sterke arm. Tecla keek Kora en Lous zonder uitdrukking
van spijt of schuld op haar gezicht aan. “Nou ben ik de lul, zeker,” vroeg ze,
hoewel het niet als een vraag klonk, meer als een constatering. Kora knikte.
“Dat lijkt me van wel,” zei ze. “Een heterdaadje. Je zit goed in de penarie. Je
gaat zeker zo wel mee? Ik heb geen zin om je in de boeien te slaan.” “Ach, laat
ik dat maar doen. Ik beken schuld. Ik heb ze alle vijf om zeep gebracht. En als
het er tien waren geweest, had ik er tien omgelegd. Wil je weten waarom? Geef
maar geen antwoord want dit is een retorische vraag. Ik zal je het vertellen.
Een hele tijd geleden is er al een aanklacht geweest tegen deze heren. Ze
werden al eerder verdacht van mensenhandel en het dwingen van vrouwen zich te
prostitueren. Er is een rechtzaak geweest en de hufters werden vrijgesproken.
Ik heb de hele zaak gevolgd, alle dossiers en rapporten bekeken en het lag er
heel duidelijk bovenop dat ze zo schuldig waren als wat. Ik kon het niet
geloven, aanvankelijk, dat ze werden vrijgesproken. Het was gewoonweg
schandalig. Later moest ik het wel geloven. Ik kwam ze af en toe tegen op
straat. Dus ik dacht, hier moet ik wat aan doen, koste wat het kost. En zo is
het idee ontstaan om ze koud te maken. Ik ben er klaar mee. Ik zal de rest van
mijn leven de bak wel indraaien, want reken er maar niet op dat ik word
vrijgesproken. Zoiets is alleen weggelegd voor de heren der schepping, de
keurige huisvaders, die geen strobreed in de weg wordt gelegd. Nou, het kan me
niks verdommen. Ik ga wel zitten, ik zal een voorbeeldige gevangene zijn, want
ik heb niks meer te wensen. Ik kan mezelf tenminste recht aankijken in de
spiegel. Dat kunnen jullie niet zeggen, denk ik. Jullie voeren elke opdracht
uit. Anders zou je niet achter mij aan zitten.” “Dat zie je verkeerd,” zei Lous. “We hebben
de laatste dagen helemaal niet zo ons best gedaan om de moordenaar te vinden.
We vonden het niet zo erg als de overblijvende twee er ook nog aangingen. Maar
we kunnen je niet laten gaan. Je wordt toch wel gepakt, dus we kunnen het beter
nu meteen doen. Je zult inderdaad nooit meer vrijkomen, maar de dames achter de
ramen heb je wel bevrijd. Grote klasse, en ik neem mijn petje voor je af. Kom
nu maar mee.” Tecla ging gewillig mee naar het bureau.
Lang duurde het verhoor niet, want ze bekende alles en liet geen detail
achterwege. Daarna werd ze naar het huis van bewaring gebracht. Het proces liet
niet heel lang op zich wachten. Voor de rechter was het ook weleens prettig om
zo’n duidelijke zaak te hebben. Die kreeg soms hoofdpijn van al dat gepuzzel.
Was de verdacht nou schuldig of had hij niets met de zaak te maken. Vaak genoeg
was het onmogelijk om daar een goede uitspraak over te doen. Maar als rechter
moest je nou eenmaal de knoop doorhakken. Daarom had hij de zaak snel laten
voorkomen. De officier van justitie had een hele tirade: “Mensen die voor eigen
rechter spelen,” zei hij. “Erger nog, vrouwen die voor eigen rechter
spelen..Als we dat zouden toelaten, waar zullen we dan uiteindelijk uitkomen.
Deze vrouw, mevrouw Pathos, heeft gruwelijke misdrijven gepleegd. Eén voor één
heeft ze een soort executies voltrokken. Oh ja, de slachtoffers waren zeker
niet onschuldig, en ze zouden zich ooit hebben moeten verantwoorden op deze
zelfde plaats, maar mevrouw Pathos had geen enkel recht om het recht in eigen
handen te nemen. Dat kan haar nog meer kwalijk worden genomen omdat ze bij de
politie werkte. Weliswaar was ze geen politievrouw maar ze genoot daar toch het
vertrouwen van de wetshandhavers. Daarom eis ik levenslang. Mevrouw Pathos mag
nooit meer in de maatschappij terugkeren. TBS is niet nodig, want ze heeft haar
daden volledig bewust en bij volle zinnen gepleegd.” De rechter knikte en
schreef iets op. “Heeft u nog iets te zeggen ter verdediging, mevrouw?” vroeg
hij. Tecla schudde van nee. “Alles wat ik erover te zeggen heb, staat in mijn
verklaring. De feiten die de officier noemt zijn juist, al zou ik ze iets
anders duiden. Maar we leven in een vrij land, ieder zijn mening.” “Dan
honoreer ik de eis van de officier van justitie,” zei de rechter. “Tecla
Pathos, u wordt veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en zoals u wel
weet, is levenslang ook echt levenslang in Nederland. Uw gedrag heeft op geen
enkele wijze invloed op de lengte van uw gevangenisstraf. Hooguit zou er ooit
sprake van gratie door de koningin kunnen zijn, maar daar zou ik maar niet op
rekenen. Ik denk dat ook de majesteit het bericht over de moorden in afgrijzen
heeft ontvangen.” En daarmee was het gedaan. Helaas werd
Tecla nu ook de mogelijkheid ontnomen om voor paspoorten en verblijfsvergunningen
voor de bevrijde vrouwen te zorgen, maar ze had Lous verteld wat je daarvoor
moest doen, dus die nam het van haar over. Daarna ging Lous weer straatdiensten
doen. Ze verbrak elk contact met Kora, die haar elke avond belde en vaak
zogenaamd toevallig in haar wijk liep. Maar Lous was niet van zins ooit nog een
woord met haar te spreken. Ineens was het mei 2011, en de verkiezingen
voor de Tweede Kamer werden gehouden. Uit de opiniepeilingen was al gebleken
dat geen enkele partij een meerderheid van betekenis zou halen. Behalve de
bewegingen van Berend de Giller en Minister Rita waren er nog vele
splinterpartijtjes bijgekomen. Allemaal, one-issue partijen, zoals de Partij
tegen de Belastingen, die alle belastingen wilde afschaffen, en de partij van
spijkerbroekdragers die protesteerden tegen het faillissement van Levi’s. Het
was geen doen meer. De dag na de verkiezingen bleek dat er geen enkele zinvolle
coalitie gevormd kon worden. Bovendien zou de Tweede Kamer voor negentig
procent uit nieuwe leden gaan bestaan. Zo kon het niet, natuurlijk. Het roer
moest radicaal om. Een gezelschap, waarvan de leden onbekend bleven, stelde het
triumviraat in waar Wouter Tak, Minister Rita en Berend de Giller in moesten
zitten. Die hadden nog de meeste aanhang. Het drietal vormde direct het
triumviraat en ging direct aan de slag met het uitschrijven van referenda.
Allerijl werd het Bureau Referenda opgericht, waar Lori Breeweg
interim-directeur werd. De monarchie werd afgeschaft. En dat bleek nu juist
heel gunstig voor Tecla. Want die had de zaak van de moorden op de
mensenhandelaren op de voet gevolgd, wat mogelijk was geweest dankzij de
informanten binnen haar hofhouding, en was verontwaardigd geweest over de
levenslange gevangenisstraf voor Tecla Pathos. Dus in de week waarin ze nog
koningin was, tekende ze snel een gratiebevel. Tecla werd direct vrijgelaten.
Door de ook snel opgerichte Dienst Arbeidsbewaking werd ze toegewezen aan het
Bureau Referenda. En daar zat ze in 2020 nog. III
De hofdame en de politieagent. Maar Tecla zat niet op haar werk op de dag
dat Aagte Jongejans in de rij bij de arbeidsverdelingsloods stond te roepen dat
we het niet meer moeten pikken om als slaven behandeld te worden. Uit dezelfde
nieuwsgierigheid, als waarmee Beatrix, de ex-regina, zich in de rij had
aangesloten, had Tecla dat ook gedaan. Zij had al die jaren gewerkt bij het
Bureau Referenda en daarom had ze nooit in zo’n rij hoeven te staan. Pas nu, na
haar brute aanhouding door het triumviraat, besefte ze in welke onvrijheid de
mensen leefde. Al die jaren was ze in zichzelf gekeerd geweest. Ze had het
programma om referenda mee uit te vaardigen zelf geschreven, en ook verder
ontwikkeld, maar waar het allemaal om ging, interesseerde haar in feite geen
barst. Dat zou ze nooit laten merken in het managementteam, want wat had je aan
dat soort openheid. Dat enthousiasme van Lori Breeweg was ongetwijfeld ook
gespeeld. Hoe kon het bestaan dat je al negen jaar interim-directeur van zo’n
bureau was en nog altijd dacht dat dat iets voorstelde, dat het ook maar enig
belang had wat je deed. Tecla kon ook de schijn maar met heel veel moeite
opbrengen en haar collega’s waren helemaal lamgeslagen. Die hoorde je nooit
meer. Omdat ze er negen jaar vanuit ging dat ze voor de rest van haar leven in
de gevangenis zou doorbrengen, was de gratie als een grote bevrijding gekomen.
Pas nu, sinds haar ervaring met het triumviraat, kwam ze er achter dat ze
helemaal niet vrij was geweest. Integendeel, ze was een slaaf geweest. Een
slaaf in luxe omstandigheden weliswaar, maar toch een slaaf. Ontkennen was niet
langer mogelijk. Ze keek naar het oponthoud verder in de rij en zag daar
ex-regina Beatrix staan met Aagte Jongejans, de zeer militante vakbondleider
van vroeger. Ze aarzelde geen moment en sloot zich bij het groepje aan. “Hare
Majesteit,” zei ze, vol respect en ze maakte zelfs een kleine buiging. “Ik wil
u bedanken voor de gratie die ik negen jaar geleden heb gekregen van u. Ik heb
er geen woorden voor, hoe dankbaar ik ben!” Beatrix keek haar aan. “Wie bent u
eigenlijk? In die laatste week heb ik een aantal malen gratie geschonken. Dat
was het laatste wat ik nog kon doen.” “Ik heb destijds de drie souteneurs en
vrouwenhandelaren om het leven gebracht. Of drie, nee, als ik me goed herinner
waren het er vijf.” “Oh ja, ik weet het weer. Tja, ik kon dat toen in mijn
hoedanigheid van vorstin natuurlijk niet hardop zeggen, maar ik vond dat u
geweldig werk had verricht. Wat een enge klootzakken waren dat toch. Vooral
omdat ze vermomd door het leven gingen, als keurige onderdanen, waar niemand
wat op aan te merken had. Als het nou van die engerds waren geweest, met
tatouages, u weet wel, van die types die destijds op motors rondreden, dan had
ik er misschien nog anders over gedacht, want wees nu wel, dan had ik het
ergens verwacht, maar van deze heren verwachtte ik dergelijke misdrijven niet.
Nou ja, zoals u weet, was ik toen al snel koningin af. Ik heb mijn leven nog
leuk weten voort te zetten in de Staatsliedenbuurt, maar nu is mijn hofdame er
vandoor. Of er vandoor, nee, dat kan ik niet zeggen, daarmee zou ik mijn eigen
verantwoordelijkheid ontkennen. Ik heb haar aan het werk gestuurd. Bij het
Bureau Referenda. En dat bevalt haar zo goed, dat ze daar wil blijven werken.
Daar kan ik lang over treuren, maar ja, ik ga met mijn tijd mee, dus ik loop
wat rond om mijn land opnieuw te leren kennen. En nu en daarom sta ik dus
hier.” “Majesteit,” begon Aagte Jongejans. “We moeten in actie komen tegen de
slavernij van deze tijd. Zie hoe die mensen hier staan. Ze kunnen er niet voor
kiezen om weg te gaan, en dat is een grote schande. Daar moet iets aan gedaan
worden.” Beatrix keek Aagte bevreemd aan, alsof die een vreemde taal die zij
niet beheerste tegen haar had gesproken. “Slavernij, daar ben ik tegen, maar of
daar in dit geval sprake van is, dat betwijfel ik ten zeerste. Maar u komt zo
aan de beurt. Ik ben net zo leuk in gesprek met mevrouw Pathos. We kennen
elkaar nog van vroeger. Of ik moet het zo zeggen: iets wat ik vroeger heb
gedaan, heeft grote invloed gehad op haar leven van vandaag.” Ondertussen was het gesprek van de drie
dames niet onopgemerkt gebleven. Er ontstond een rumoer in de rij. Er werd
gewezen naar Aagte en ook naar Beatrix, die her en der toch werd herkend. De
rij schoof niet meer op. Niemand had nog zin zich naar werk te laten sturen
terwijl het net zo spannend werd allemaal. Er verscheen een agent van de Dienst
Arbeidsbewaking. Gedoe konden ze niet hebben daar. Dat hoorde bij de oude tijd,
toen er nog geneuzeld werd over rechten van werknemers en dat soort inproductieve
zaken. De agent zwaaide met haar knuppel. Meestal was dat dreigend genoeg.
Slechts zelden hoefde zij over te gaan tot het neerschieten van mensen, al kwam
dat een enkele keer voor. Bij Beatrix, Aagte en Tecla bleef zij staan. “Wel heb
ik ooit,” zei ze. “Tecla Pathos! Ik wist dat je gratie had gekregen, maar ik
had niet gedacht dat ik je ooit nog zou zien. Want meestal weten ze wel raad
met mensen als jij. Gratie of geen gratie, ze gaan er aan, zo liggen de
verhoudingen nu eenmaal.” “Lous Bakker!” riep Tecla uit. “Hoe is het jou
vergaan in de afgelopen jaren? Nog altijd straatagent zo te zien, nog steeds
niet veilig achter een bureau?” Lous schudde van nee. “Ik ben de oudste
straatagent van het land,” zei ze. “Daar ben ik laatst nog voor gehuldigd. Maar
het bevalt me uitstekend. Dat wandelen, en je blijft in vorm, en wat wil een
mens nog meer. Ik heb niet veel meer nodig, tenminste. Ik hoor mensen altijd
maar klagen over de voedselbonnen, dat dat te weinig is, dat ze meer nodig
hebben, en nooit, nooit zijn ze ergens blij mee. Nou, ik ben dat wel, en ik
schaam me er ook niet voor, zoals de meeste mensen wel schijnen te doen. Ik heb
een geweldig leven en ik heb altijd een geweldig leven gehad.” Beatrix stond
het tafereel geïnteresseerd gade te slaan. “Uitstekend,” zei ze. “In zo’n rij
ontmoet je nog eens mensen. Als ik dat geweten had, was ik veel eerder in de
rij gaan staan. Ik heb me verschrikkelijk geïsoleerd gevoeld de laatste jaren.
Al mijn kinderen in het buitenland, nooit meer eens de premier op de thee, laat
staan iemand van het volk. En ik moet zeggen, dat ik langzaam in de
vergetelheid raakte, viel me helemaal niet mee. Hoe moet ik het uitleggen: je
raakt gewend aan een zekere mate van bekendheid, van waardering ook. Als dat
wegvalt, is het heel, heel lastig om puur op eigen kracht verder te gaan. Ik ga
het van nu af heel anders aanpakken. Ik wil weer onder de mensen komen.
Koningin zal ik nooit worden en trouwens als de monarchie nog steeds in stand
was geweest, was mijn zoon inmiddels koningin geweest. Maar dat dondert niet,
zoals mijn goede, onvergetelijke vader zou zeggen. Ik wil weer wat betekenen
voor de mensen, ik wil er weer zijn. Misschien leef ik niet zo heel lang meer,
nou, dan wil ik mijn laatste jaren wel zo nuttig mogelijk doorbrengen.” “Loopt
u nu niet wat te hard van stapel, Majesteit,” vroeg Aagte Jongejans. “Moeten we
niet eerst de actiebereidheid peilen van de mensen die hier in de rij staan? Of
u een rol kunt spelen in de revolutie moeten we nog maar eens zien.” “Mevrouw
Jongejans, u bent geen steek veranderd! Dat valt me van u tegen. Ik ben
natuurlijk wel een heel ander mens dan ik destijds was, al heb ik het
majesteitelijke nog altijd over me. Zoiets leg je nu eenmaal nooit meer af.
Maar u zou toch moeten beseffen dat een andere tijd vraagt, nee schreeuwt, om
een heel andere aanpak. Om te beginnen, wat is er mis met het in de rij staan
hier. Iedereen heeft altijd werk, en altijd voldoende te eten. Dat was in 2011
wel anders, dat kan ik u wel vertellen. Dus waarom zou ik geloven dat de mensen
er helemaal niet op vooruit zijn gegaan, maar juist achteruit, zoals u lijkt te
suggereren.” Aagte Jongejans draaide verlegen op één been. Bijna verloor ze
haar evenwicht, maar alleen de echte kenner of de goede waarnemer kon dat zien.
“Nou, dat wil ik dan even horen,” zei ze. Ze maakte een megafoon van haar
handen en riep: “Mensen! Lieve, lieve mensen! Het is genoeg geweest! We maken
een vuist! We pikken het niet langer! Vast werk en vaste werktijden! Een gewoon
salaris dat je naar eigen inzicht mag uitgeven! Dood aan het
voedselbonnensysteem! Dood aan de kledinguitreiking! Vrijheid voor allen! Allen
voor de vrijheid!” Mensen in de rij keken elkaar aan, en keken naar Aagte.
“Kijk, de oude koningin,” hoorde Tecla iemand zeggen. “Ja, verdomd,” zei een ander.
“De oude koningin. Ik dacht dat die wel vermoord zou zijn. Ik dacht dat ze
ergens waren afgeschoten, op de heide, net als destijds die tsarenfamilie.” In
de rij ontstond een zacht gezoem, dat steeds luider werd. Na enige tijd was er
van een rij zelfs geen sprake meer. Lous begon met haar knuppel te zwaaien:
“Vooruit mensen, dwing me nou niet tot ergere maatregelen. Ga in de rij staan.
We moeten allemaal zo snel mogelijk aan het werk, vandaag. Wat moet er anders
worden van dit land!” Niemand luisterde naar haar. Dat was vreemd en
verontrustend. Zo vreemd, en zo verontrustend dat het
triumviraat onmiddellijk bijeenkwam, ook al hadden ze elkaar die ochtend nog
gesproken. “Het volk mort,” zei Minister Rita. Vandaag was ze gekleed in een
rood trainingspak. Ze was tot de conclusie gekomen dat het rood haar karakter
het beste tot uitdrukking liet komen: fel, maar toch rationeel en rechtdoorzee.
Rood was een eerlijke kleur, niemand kon om rood heen. Ondanks Karla’s protest
had ze haar trainingsgewoonten weer opgepakt. Ze moest en ze zou een flink
aantal kilo’s kwijtraken. “Het volk mort, en ik kan me dat wel een beetje
voorstellen. Ze hebben ook wel erg weinig in te brengen, als het er op neer
komt. “Hoezo, weinig in te brengen?” vroeg Wouter Tak verontwaardigd. “Elke dag
kunnen ze iets inbrengen, elke dag is er wel een referendum. Overal kunnen ze
zich over uitspreken. Dat ze dat niet doen, is hun eigen nalatigheid. Maar kom
me niet aan met het verhaal dat ze zielig zijn, want dat zijn ze niet! Ze
moeten weer aan het werk! Ogenblikkelijk! En als ze het niet doen, zetten we de
ME in!” Berend de Giller nam nog een stukje baklava. Sinds Minister Rita die
voor de eerste keer had meegebracht, ging hij zelf vaak naar een Turkse winkel
om Baklava te kopen. Als hij het zakje in zijn handen had, liep het water hem
uit de mond. “Ik ben geïnfiltreerd door de Islam,” mompelde hij weleens. “Het is baklava voor en
het is baklava na. Het is gewoon een verslaving, dus zo doen ze dat, die moslims.” Nu maakte hij zich echter niet zozeer druk
over de baklava, als wel over het dreigende oproer. Een enorme kracht welde op
in het volk. En hij moest die kracht achter zich zien te krijgen. Wat de
Onuitsprekelijken er ook van zouden vinden. Want wie waren tenslotte die
onuitsprekelijken, niemand die het wist. Ook Wouter Tak voelde de opwinding in het
land. Hij prees zichzelf gelukkig dat hij juist nu voorzitter was. Stel je voor
dat Rita of Berend het was geweest, die zouden onmiddellijk de situatie naar
hun hand hebben gezet. En dat kon niet, dat mocht niet. Hij opende de
vergadering door, harder dan anders, met zijn zilveren hamertje op tafel te
slaan. “Dames en heren,” zei hij. “Hierbij open ik de vergadering. Zijn er nog
aanmerkingen over de agenda?” “Stel je niet aan, Wouter,” zei Minister Rita,
terwijl ze het jasje van haar trainingspak uitdeed. Nu zat ze in haar topje,
waarin haar lichaamsvormen wel heel duidelijk te zien waren. “Hou toch op met
je opening en vaststelling van de agenda! We hebben een crisis. Het volk mort.
Nou, ik wil jullie één ding vertellen: er is maar één persoon die het volk kan
laten stoppen met morren en dat ben ik. Ik zeg het nu maar eens recht voor zijn
raap. Het wordt tijd dat ik het roer overneem. Ik weet precies wat er leeft en
hoe ik die gevoelens, die onderbuikgevoelens zullen ze wel weer worden genoemd,
kan kanaliseren tot iets constructiefs! Dus ik roep nu het einde van het
triumviraat uit! Geef hier dat hamertje, voortaan tik alleen ik nog maar op
tafel!” “Dat had je gedacht,” riep Berend de Giller uit, terwijl hij in zijn
verontwaardiging opstond. “Er is maar één natuurlijk leider van het volk en dat
ben ik! Dat is toch altijd duidelijk geweest? Wie heeft dit land nu geregeerd
de laatste jaren. Ik toch zeker? Ik heb gedaan wat het volk wilde. En ik ga nog
meer doen wat het volk wil. Om te beginnen vaardig ik een verbod op baklava
uit, en dan gaan alle moslims terug naar hun eigen land, waar dat ook moge
zijn. Het is genoeg geweest, die tsunami van baklava, al dat knettergekke
gelul. En dan nog wat: vanaf vandaag beginnen alle kentekenplaten met de
letters PVV! Zo! Daar hebben jullie niet van terug, wed ik!” Wouter keek van de
een naar de ander. Toen zijn partij nog bestond, was het niet zo heel moeilijk
om mensen te wippen die hem in de weg stonden. Dat had hij gedaan met Ellen
Vogelaar en met nog een stel mensen die de pers niet hadden weten te bereiken.
Dat zij een boek had geschreven met allemaal vertrouwelijkheden erin, die nooit
naar buiten hadden mogen komen, zou hij haar nooit vergeven. Eigenlijk was het
haar schuld dat hij nog altijd met dit tweetal zat opgescheept. Het was
duidelijk dat hij, met zijn bestuurservaring en met zijn gevoel voor wat er
echt leefde in het volk, de leider moest zijn. Hij moest die twee meteen naar
huis sturen. Geen dag nog kon hij tolereren dat er aan zijn stoelpoten werd
gezaagd. Want ze dachten dan misschien dat hij het niet door had, maar het
enige waar ze al die jaren mee bezig waren geweest, was het overnemen van de
macht. Nou, dat zou hij niet laten gebeuren. Sterker nog, hij zou de macht
overnemen. En het bureau referenda opheffen. Democratie was een mooi ding, maar
ze moesten het niet te dol maken! Op dat moment zwaaide de deur open. Een
heel oude vrouw stapte krakend binnen. Ze leunde op een stok en droeg zwarte kleding.
Haar gezicht bestond geheel en al uit rimpels en het was onmogelijk om er uit
op te maken hoe ze er vroeger had uitgezien. Met trillende vingers wees ze naar
het drietal: “Jullie!” zei ze, met een stem die uit een graf vol mottenballen
leek te komen. “Jullie doen wat je altijd hebt gedaan, namelijk naar ons luisteren. Jullie sturen de
ME op die rij af, en jullie laten al die mensen insluiten. Daarna gaat alles
weer gewoon verder zoals het al negen jaar gaat. En wee, wee, wee je gebeente
en al het andere wat op en aan je zit als je hier tegenin zit. Jullie zijn
niets! Jullie zijn onze marionetten!” Met veel meer kracht dan zo’n oude vrouw
hoorde te hebben sloeg ze de deur achter zich dicht toen ze vertrok. Een tijdje zat het drietal zwijgend bij elkaar.
Ze durfden elkaar niet aan te kijken. Uiteindelijk zei Wouter: “Dat is dus
duidelijk. Ze houden ons continu in de gaten. We kunnen geen stap zetten of ze
weten ervan.” “Maar wat kunnen ze ons maken,” zei Berend de Giller. “Ze hebben
ons nog nooit iets gedaan, wat zouden ze ook kunnen doen. Ons vermoorden? Daar
zijn we toch veel te waardevol voor?” “Daar zou ik maar niet al te zeker van
zijn, Berend,” sprak Minister Rita. “Ik denk dat je nog geluk hebt, als ze je
vermoorden. Waarschijnlijk hebben ze iets veel ergers voor je in petto dan de
dood.” “Jij ziet het altijd van de zwarte zijde, Rita. Maar goed, misschien heb
je gelijk. Het zou wel een verlies zijn als een talent als ik verloren ging
door een onnadenkende stap, dat is ook wel weer waar. Maar wat doen we
nu?” Berend de Giller nam nog een stukje
Baklava. Hij zou het gaan missen, als het verboden werd. Maar dat was een zorg
van later. Eerst maar eens zien of hij het volk achter zich kon krijgen, zonder
dat de Onuitsprekelijken er van wisten. Als hij dan de macht overnam, met
behulp van een leger dat hij onmiddellijk zou oprichten, hadden ze toch niks
meer te vertellen. Hij zou ze gewoon opsluiten. Wat dachten ze eigenlijk wel?
Dat ze hem iets konden vertellen? Nou, dan hadden ze het mooi mis! “Zullen we
de ME dan maar inschakelen?” vroeg Wouter. Hij was plotseling vermoeid. Even
kon het hem allemaal niks meer schelen. Laat de Onuitsprekelijken maar zeggen
wat ze willen dat er gedaan wordt. Wat maakt het allemaal uit. “Laat ze die
mensen maar insluiten. Dat zal ze leren.” Aldus werd besloten. De vergadering
was ten einde en het drietal ging ieder zijns weegs. Maar zo gemakkelijk ging dat insluiten van
de opstandigen nog niet. De rij was nu helemaal geen rij meer. De mensen hadden
zich verzameld op het grasveld buiten de hal, waar helemaal niemand zich kwam
melden voor werk. Aagte Jongejans had snel een soort podium laten bouwen door
enkele handige mensen uit de rij en daar stond ze nu: “We pikken het niet
langer!” riep ze. “En al moet ik het via Berend de Giller gedaan krijgen, het
zal me lukken om deze middeleeuwse praktijken te stoppen! En denk niet dat ik
niet weet waar ik het over heb! Ik ben zelf jarenlang slachtoffer geweest van
dit systeem. Al die jaren moest ik me bijna elke dag melden hier en ik werd van
hot naar her gestuurd. Zoals jullie weten, was ik vroeger nogal gevuld, en moet
je zien wat er van over is. Die voedselbonnen zijn totaal ontoereikend, die
zijn toegesneden op mensen die voortdurend op dieet zijn, niet op de gewone,
hardwerkende vrouw of man!” Een gejuich steeg op. Iedereen wilde wel eens een
hapje meer eten. Het aanbod was inderdaad wat schraal. Dat de Onuitsprekelijken
daar bewust voor hadden gekozen, wist niemand. Zolang mensen vochten om een
stuk brood, zouden ze niet heel snel om wat anders vechten, zo was de
redenering. De blauwe busjes van de ME arriveerden. Mannen en vrouwen in
volledig gevechtstenue sprongen uit de busjes en renden op de menigte toe. Die
week geen meter. Iedereen bleef staan waar zij stond. Twee meter voor de rij,
of liever de menigte mensen die nog niet heel lang daarvoor een rij was
geweest, maar dat nu niet meer was, bleven de ME’s ook staan, alsof ze niet goed
wisten wat ze ermee aan moesten. Sommigen rukten hun helm af, anderen hielden
hem gewoon op, maar allemaal lieten ze hun wapenstok vallen. Een moment was er
grote stilte in de menigte, daarna steeg gejuich op. De ME’s sloten zich aan
bij de groep. Aagte Jongejans keek het allemaal aan vanaf het podium en de
tranen schoten haar in de ogen. Maar een vakbondsvrouw huilt niet, zeker niet
in het openbaar. Ze moest de mensen nu mobiliseren. “Het is geweldig wat hier
gebeurt!” riep ze. “We moeten dit vasthouden! Voor altijd! Dat wij degenen zijn
die het bepalen, en niet het triumviraat. Kom op, we gaan er naar toe, we gaan
ze uit hun ivoren torentje halen!” Beatrix had dit alles met stijgende
belangstelling gadegeslagen. “God, wat enig,” zei ze tegen Tecla, die nog
steeds naast haar stond. “We maken een heuse revolutie mee. Ik heb daar wel
veel over gehoord, maar ik ben er nog nooit zelf bij geweest. Ik vind het
geweldig om dit nog mee te mogen maken op mijn oude dag. Ach, als mijn
grootmoeder dit toch eens had mogen zien…Hoewel, die was ergens wel
gezagsgetrouw, behalve als het om de moffen ging natuurlijk. Maar het sleept me
mee, dit gebeuren, mevrouw Pathos, het sleept me mee. Ik kan me nu veel beter
voorstellen hoe dit soort dingen in zijn werk gaat.” Onder aanvoering van Aagte Jongejans zette
de stoet zich in beweging. Ze liepen in de richting van het kantoor van het
triumviraat. Ondertussen waren de Onuitsprekelijken in
het geheim bijeengekomen. Het was jaren geleden dat ze zo vaak bijeen waren,
maar het was dan ook echt crisis. Het hele bestel werd bedreigd, de bestaande
orde was ernstig verstoord en er leek niks aan te doen. Eén van de meest
prominente leden begon: “Dames en heren, er gebeurt iets wat wij geen van allen
voor mogelijk hadden gehouden. Het volk mort, het volk neemt geen genoegen meer
met het brood en de spelen die wij ze voorhouden. Het triumviraat faalt waar
het maar kan, maar daar kijken we niet van op. In zekere zin was hun enige taak
altijd al om te falen waar het maar kon. Wat dat betreft hebben ze hun taak
uitgevoerd. Maar nu is het afgelopen. We moeten het heel anders gaan aanpakken.
Het referendumsysteem werkt niet meer, en het voedselprogramma kennelijk ook
niet. Heeft iemand een suggestie?” Een ander lid stond op en zei: “Het
triumviraat moet weg, dat is duidelijk, en het Bureau Referenda ook. We moeten
ze het brood en de spelen niet ontnemen, we moeten die aantrekkelijker maken.
Tegelijkertijd is het duidelijk dat het volk de medezeggenschap niet waardeert.
Dat wisten we negen jaar geleden ook al maar toen wisten wij dat niet. We
zullen dat bureau moeten opheffen. In plaats daarvan zullen we moeten regeren
bij decreet. Maar allereerst moeten de rantsoenen omhoog en de mensen moeten
weer een soort geld krijgen, zodat ze het idee krijgen dat ze zelf kunnen
kiezen wat ze kopen.” “Maar dat kunnen ze niet, echt kiezen, mag ik hopen,”
sprak een ander lid. “Nee, natuurlijk niet, door middel van manipulerende
reclame en andere dwangmiddelen zorgen wij wel voor wat ze kiezen. Maar het
lijkt mij wel dat we de maatregelen zo snel mogelijk weer in moeten zetten. Ik
vernam dat ex-regina Beatrix zich ook onder de opstandelingen heeft geschaard.
Straks maken ze haar nog koningin. En met die Oranjes bevinden we ons meteen in
een heel lastige situatie. Dat was zo’n vierhonderd jaar geleden ook het geval.
Slim zijn ze niet maar ze zijn wel erg vasthoudend.” “Akkoord,’ zei het lid dat
het eerste had gesproken. “Laten we de maatregelen zo snel mogelijk inzetten.
We moeten dit indammen, en wel nu.” De Onuitsprekelijken gingen uit elkaar. Eén
voor één verlieten ze de zolder waar ze hadden vergaderd. Nooit zou iemand
vernemen wat hier was gezegd. Of door wie het was gezegd. Ondertussen was de Dordtse Synthese nog
altijd aan het vergaderen. De meeste vertegenwoordigers logeerden al jaren in
de buurt van de stadsschouwburg. Het had geen zin om naar huis te gaan, en de
Synthese duurde nu al zo lang, dat sommigen niet eens een huis meer hadden. Ze
waren vasthoudend. Ze vergaderden elke dag van zeven tot zeven, alleen op
zondag niet. Over dat laatste was vanzelfsprekend een uitvoerige discussie
geweest. Iedereen was het erover eens dat de Synthese een wekelijkse rustdag
nodig had, maar de christenen vonden dat die op zondag moest zijn, en de joden
wilden de zaterdag en de moslims de vrijdag. Na langdurige verwijten van
respectloosheid was de vergadering uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat
het de zondag kon zijn. Nederland was voor het grootste deel christelijk,
vandaar. Na deze stap vergaderden ze naar hartelust verder. “De mens moet de door God gegeven overheid
trouw zijn!” riep Abraham Kuijper (geen familie, Kuiper is een veel voorkomende
naam en Abraham iets minder, maar nog altijd geen naam om te denken aan
verwantschap met iemand die toevallig ook zo had geheten). “Verzet is
goddeloos, verzet is ketters. God heeft het triumviraat geplaatst, God zal hun
hebben ingefluisterd hoe ze moeten reageren. Dus God heeft het voor het
zeggen!” “Ja, ja,” interrumpeerde Mohammed Jahidja. “Dat God het voor het
zeggen heeft, daarover zijn we het wel eens. Alleen is het maar de vraag of hij
het triumviraat echt heeft neergezet of dat dat meer mensenwerk is. Zou het
geen tijd worden om een Jihad te beginnen tegen het triumviraat? Ik bedoel,
ergens is het toch ook wel bezwaarlijk voor de mensen, die plicht om zich te
melden bij dat werkverdelingsbureau. En dan de voedselbonnen, zelfs tijdens de
ramadan zou dat te weinig zijn. Dus ik zie wel een goed punt in dat verslag.”
“Goddeloze!” riep Abraham Kuijper verontwaardigd. “Jij koestert Satan aan je
borst en je bent ontwetend! Je ziet niet hoe Satan je van het smalle pad afleidt.
En je trekt ons allemaal mee! God de Here zal niet één rechtvaardige meer
vinden op deze aarde. Hij zal ons allemaal vermorzelen met één trap van zijn
laarzen! Gelijk destijds in Sodom en Gomorra!” “Nou, nou,” suste de bisschop
Titus Maria Brandsma (ook geen familie). “Onze lieve Heer bedoelt het zo kwaad
niet, hoor. Als we een beetje spijt tonen van onze zonden, vergeeft Hij je. Dus
zo’n vaart zal het niet lopen. Dat met Sodom en Gomorra was een misverstand.
Zelfs God is niet onfeilbaar, zo zie je maar weer. Nee, ik denk dat de heer
Jahidja wel een beetje gelijk heeft. We moeten luisteren naar de protesten en
niet meteen onze oren afwenden. Als gelovigen, van welke religie dan ook,
moeten we een open oor hebben voor de mensen, en met de golven mee gaan. Anders
raken we ze kwijt.” “Ik geloof in het loslaten van lijden,” zei Freek Hangoor,
de Boeddhist. “En dat is precies wat de mensen aan het doen zijn. Zij zijn hun
lijden aan het loslaten. Dat moeten ze doen, om uiteindelijk verlicht te
raken.” “Jij bent een Goddeloze!” wierp Abraham Kuijper hem voor de voeten. “Ik
snap niet eens wat jij hier doet! Met je mensenverering en je loslaten! De Here
volgen in alles, dat is alles wat we moeten!” Freek Hangoor schudde zijn hoofd
en zweeg verder. Hij ging in de lotushouding zitten en sloot zijn ogen. Ook
vandaag kwam de Dordtse Synthese er niet uit. Over alles hadden ze na al die
jaren nog meningsverschillen. De meeste leden vonden dat niet zo ongewoon. Ze
dachten wel enkele honderden jaren nodig te hebben, om tot een Synthese te
komen die alle mensen onder één God (of drie, of twee) zou samenbrengen. En zo
slecht was het niet, om elke dag wat de discussiëren in de stadsschouwburg.
Ineens kwam er uit de schaduw een nieuwe man naar voren, die voor iedereen
meteen wel wat bekends had, al herkende niemand hem direct. Hij drong zich naar
de microfoon en zei: “Dag mensen, ik ben Willem van Oranje. Mijn naam is veel
te lang om voluit te noemen, maar u kent mij nog wel. Ik ben de voormalige
kroonprins. In 2011 is mijn familie op schandalige wijze aan de kant gezet.
Mijn moeder, een voortreffelijk koningin en een nog voorbeeldiger moeder,
kwijnt weg in de Staatsliedenbuurt. Ik heb haar vaak gevraagd bij ons in te
trekken in Mozambique, maar helaas, voor mij, mijn vrouw en de kinderen, is
haar trouw aan het land zo groot dat ze het niet wil verlaten. Ik vind dat het
tij moet keren. En u kunt het alleen maar met mij eens zijn. Natuurlijk is het
zo, dat God de familie van Oranje aan het hoofd van deze natie heeft geplaatst.
Daar kan geen twijfel aan mogelijk zijn. Al in de zestiende eeuw werd dat
duidelijk. Wij moeten onze rechtmatige plaats weer innemen. De tijd van
experimenten is voorbij. Het heeft Nederland geen goed gedaan. In het
buitenland weet niemand meer dat Nederland bestaat, laat staan dat ze weten
waar het ligt.” Hij balde zijn vuist en stak die de lucht in: “Voorwaar,
Hollanders, laten wij den Spanjaard naar zijn kale bergen terugjagen!” “U bent
wellicht wat uit de richting, met die opmerking,” sprak Titus Maria Brandsma. “Van
Spanjaarden is immers geen sprake op dit moment? En bovendien wil ik nog wel
een kanttekening maken bij uw opmerking over het leiderschap in de zestiende
eeuw. Want zo vanzelfsprekend was dat niet, die afkeer van het ware geloof. De
Spanjaarden hadden wel gelijk dat ze ingrepen in de goddeloosheid die toen aan
de gang was.” “Nou istie mooi!” schreeuwde Abraham Kuijper. “Goddeloosheid
verwijt jij de protestanten? We moesten wat doen toen aan de goddeloosheid die
toen de praktijk van alledag was geworden. Je kon je zonden gewoon afkopen en
je zieltje was gewoon weer wit. En dan nog al dat heidense bijgeloof dat jullie
de wereld in brachten: vagevuur, Maria, de heilige drie-eenheid en ga zo maar
door! Eigenlijk zouden we jullie moeten teruggooien op de brandstapel.” “Laat
het lijden los!” riep Freek Hangoor, nog altijd met zijn ogen dicht en nog
altijd in de lotushouding. Willem van Oranje nam het woord weer over: “Ik heb
niks tegen katholieken,” zei hij. “Mijn eigen vrouw is katholiek en in de
zestiende eeuw zal er heus wel wat onbegrip zijn geweest, zo over en weer, maar
dat hoeven we elkaar niet meer naar het hoofd te gooien. Dat brengt ons
nergens. Het eerste wat me moeten doen is de orde herstellen. Dus we zetten het
triumviraat af en herstellen de monarchie. Van daaruit werken we verder. We
moeten de Synthese daarna voortzetten, want u doet heel waardevol werk!
Voorwaar, volg mij!” riep hij en even was hij onzeker. Was dat zijn voorvader
en naamgenoot Willem van Oranje wel geweest die dat had gezegd? Hij wist het
niet zeker en hij hoopte dat de anderen het ook niet wisten. Hij keek achterom.
Een enkeling uit de Synthese stond op en volgde hem. Nou ja, de rest kwam later
wel, als hij eerst maar eenmaal koning was. Het groepje, bestaande uit leden van
verschillende gezindten, volgde de voormalige kroonprins naar het kantoor van
het triumviraat. De grote groep oproerlingen was al een eind
op weg. Onderweg sloten zich steeds meer mensen bij de groep aan. Er waren maar
weinig mensen die werkten vandaag en de Dienst Arbeidsbewaking kon daar niets
tegen doen, want ook de dienaren van het rijk liepen mee in de stoet. Lous had haar uniformknopen geopend en haar
wapenstok weggeborgen. Vandaag viel er niks te slaan. Ze had haar werk al die
jaren met plezier uitgevoerd. Haar kortstondige uitstapje naar de recherche was
haar goed bevallen, maar ze was toch blij geweest dat het afgelopen was. Af en
toe dacht ze nog wel eens aan die woelige dagen, waarin ze met haar collega
Kora vijf moorden had opgelost. En alsof ze duvel op de staart trapte, ineens
stond Kora naast haar. Sinds 2011 had ze haar nooit meer gezien, zelfs niet in
de verte op een personeelsfeest of zo. “Dag Lous,” zei Kora, die gekleed was in
een ME-uniform. “Ik herkende je al van verre en ik was zo bang dat ik op je in
moest slaan, maar gelukkig was dat niet nodig. Hoe gaat het met je? Ik denk nog
heel vaak aan je.” “Het is vreemd,” zei Lous. “Maar ik denk helemaal niet vaak
aan jou. Alleen daarnet, wel. Hoe is het jou vergaan? Ben je niet wat te oud voor
de ME-dienst? Daar wordt toch behoorlijk gemept af en toe?” “Het is allemaal
veranderd,” sprak Kora dof. “Iedereen tot de leeftijd van zeventig kan worden
opgeroepen voor ME-dienst. Vroeger waren rechercheurs vrijgesteld maar dat is
allang niet meer zo. Ik probeer me altijd te drukken, want ik hou niet van
vechten. Geef mij maar een lekkere puzzel met moord of zo. Maar vandaag was ik
erbij, ik zat in het busje voordat ik het wist. En toen kwamen wij hier aan
rijden en zag ik jou staan. Je bent helemaal niet veranderd. Je bent nog net zo
mooi als toen…” Kora probeerde Lous over haar haren te strijken, maar Lous
sloeg haar hand weg. “Nou ja, dan niet,” ging Kora verder. “Jammer dat het niks
is geworden tussen ons. Ik zag dat wel zitten. Maar ik ging misschien iets te
snel voor jou, dat zag ik achteraf ook wel in. Heel jammer. Kunnen we het niet
nog eens proberen?” “Nee,” antwoordde Lous. “Ik ben gelukkig in mijn eentje en
met Linda de Mol. Zij is nu een oude kat en ik wil haar geen onrust bezorgen in
haar laatste dagen.” “Okay, dan niet,” zei Kora. Zonder te groeten liep ze bij
Lous vandaan. Tecla had het allemaal aangezien. “Ze is niet echt veranderd,
hè?” zei ze. Lous schudde haar hoofd. Ze had er destijds heel goed aan gedaan
om hard weg te lopen. “Is dat nou waar, dat je gelukkig bent met die kat. Ik
bedoel, een beetje mens in je omgeving is toch ook wel leuk?” “Ach ja, dat is
misschien wel zo, maar alles wat ik heb geprobeerd is altijd op een
teleurstelling uitgelopen. Ik heb vroeger heel wat afspraken gehad, en nooit
was het leuk, eigenlijk. Dus ik ben op een gegeven moment gewoon gestopt met
zoeken en dat is wel zo rustig.” “Dat kan nou wel zo zijn, maar wat als je
iemand als het ware tegen het lijf liep? Zou je er dan toch nog eens over
denken?” Lous keek Tecla aan en zag de pretkraaienpootjes om haar ogen. “Ik
vind jou ook wel leuk,” zei ze tegen Tecla. “Eigenlijk meteen al, in 2011, toen
jij almaar achter die computer zat, maar toen had ik net wat met Kora en zoiets
wil je dan niet verpesten, natuurlijk.” “Nee, natuurlijk niet, maar dat is dan
geregeld? Ik bedoel, na afloop van deze revolutiedag ga jij met mij mee naar
huis om over vroeger te praten?” Lous knikte. Tecla sloeg een arm om haar heen
en samen liepen ze verder. In het kantoor van het Triumviraat was
grote onrust ontstaan. Het is merkwaardig hoeveel kabaal drie mensen kunnen
maken als het water ze aan de lippen staat. Vanaf grote afstand hadden ze de
menigte op zich af zien komen, en die kwam steeds dichterbij. “Ach en wee,”
jammerde Berend de Giller. “Ze gaan ons lynchen. Ons, terwijl we altijd alles voor
ze hebben gedaan!” “Hou toch je mond, watje!” zei Minister Rita, terwijl ze
geen enkele moeite deed om haar minachting te verbergen. “Ik heb wel voor
hetere vuren gestaan. Een vrouw als ik, die rechtdoorzee is, krijgt het vaak te
verduren, omdat niet iedereen iemand van mijn kaliber meteen begrijpt. En dan
krijg je wel eens een menigte tegenover je, ja, zo is dat nu eenmaal! Maar zo’n
lulletje rozewater als jij kan daar niet tegen natuurlijk. Jij bent altijd
omringd geweest door al die lijfwachten, zodra iemand ook maar iets lelijks
over je riep, kreeg je er meteen één bij. Jij schuilt al jaren in die loods,
terwijl niemand ook maar op het idee komt om je te vermoorden. Iedereen weet
trouwens waar die loods is en ook waar je jezelf een gerieflijk huiskamertje
hebt gemaakt.” “Ik word gedemoniseerd!” riep Berend de Giller uit. “Ik word
heel erg gedemoniseerd en daarom moet ik beschermd worden! En baklava moet
verboden, de moslims terug naar hun eigen land en verder moet PVV gewoon op de
kentekenplaten gezet kunnen worden!” “Mensen, hou toch eens op,” probeerde
Wouter Tak te sussen. “We bevinden ons in gevaar en daar moeten we weerstand
aan bieden. Op een slimme manier, maar jullie zijn nu eenmaal niet slim. Nooit
geweest ook, ik heb nooit begrepen wat al die mensen in jullie zagen. Maar ik
ben dat wel en ik ga maatregelen nemen. Ik zal laten zien dat ik op hun hand
ben.” Hij liep naar het raam, opende dat, en begon uit volle borst de
internationale te zingen. Het groepje dat werd aangevoerd door de
voormalige kroonprins Willem van Oranje naderde het kantoor het eerst. In de
verte zagen ze de menigte wel komen, maar ze schonken er geen aandacht aan.
“Voorwaarts!” riep Willem Alexander. Als overgrootmoeder dit eens kon meemaken,
dacht hij, wat zou ze trots zijn dat ik in de voetsporen treedt van mijn
voorvader, dat ik mijn door God gegeven opdracht ga uitvoeren. Toen de groep
onder het raam stond waarin Wouter Tak stond te zingen, gaf Willem Alexander
een stopteken. Hij keek naar boven. Achter de rug van Wouter Tak hielden Berend
de Giller en Minister Rita zich verscholen, als kinderen die zich verstoppen
achter de rug van hun vader. “Wouter Tak!” riep hij naar boven. “Hou op met die
onzin! Het communisme is al veertig jaar verdwenen dus dat lied doet nogal
oubollig aan! Ik neem het roer over, samen met deze mensen van de Synthese. We
zullen een theocratische monarchie instellen. Orde moet er zijn in dit land,
want dit is helemaal uit de hand gelopen. God voor allen, allen voor God!” De
leden van zijn groepje riepen luidkeels: “God voor allen, allen voor God!” Ze
hadden hun strijdkreet gevonden. Die zouden ze niet meer loslaten. De leden
waren afkomstig van verschillende religies en nooit eerder in de geschiedenis
had er zo’n saamhorigheid bestaan tussen de geloven. Vanuit de verte zwol het rumoer van
pratende en lachende stemmen op. De oproerlingen waren ook gearriveerd. Willem
Alexander keek vertwijfeld naar de menigte. Zou hij zoveel mensen tegelijk wel
aan kunnen? Op hetzelfde moment zag hij tot zijn stomme verbazing zijn moeder.
Die praatte en lachte net zo hard mee, die stelde zich helemaal niet op als
koningin-moeder. Als alles achter de rug was, zou hij een hartig woordje met
haar spreken, want dit kon natuurlijk niet. Zij hoorde zich waardig en
afstandelijk te gedragen, zoals ze vroeger altijd deed. Beatrix zag hem ook.
Meteen had ze door wat hij van plan was. Ze stoof op hem af en gaf hem een
draai om zijn oren. “Ben je nu helemaal betoeterd, Alex! Een man van jouw
leeftijd, met zo’n jongensclubje op pad. En allemaal van de Synthese zo te
zien. Je wilt op de troon, dat heb je al eens gezegd, maar ik denk niet dat dat
zal gaan gebeuren. Niet zolang ik er een stokje voor kan steken. Ik ben tot
inkeer gekomen, dankzij al deze lieve, lieve mensen. Ik wil geen koningin meer
zijn, en ook geen koningin-moeder. Ik wil ook niet de moeder van welke koning
dan ook zijn. Dus je gaat maar terug naar Mozambique en daar lekker genieten
van je sport en alle andere onbenullige zaken waar jij je mee bezig houdt. Dit
volk heeft nu genoeg geleden, en jij laat het met rust, heb je dat goed
begrepen!” “Het is een vrouw!” zei Ibrahim Nahled, één van de volgers van
Willem-Alexander. “Je laat je toch niks zeggen door een vrouw? Zij heeft jouw
bevelen maar op te volgen.” “Maar zij is wel mijn moeder,” pruilde Willem
Alexander. Het optreden van zijn moeder had hem onzeker gemaakt. “Moeder of
niet, ze heeft naar je te luisteren. Wat wil je anders beginnen.” “Daar heeft
Ibrahim wel gelijk in, jongen,” sprak Abraham Kuijper. “In de Schrift staat
toch duidelijk genoeg dat de eerste vrouw werd gemaakt uit de rib van de eerste
man en dat God dat deed om hem een hulp te geven. Dan moet jij niet net gaan
doen alsof het andersom is.” Willem Alexander raakte steeds vertwijfelder.
Nooit, nooit zou hij zijn hand opheffen tegen zijn moeder, maar als hij dat
niet deed, zou hij het respect van zijn schamele groepje volgelingen
kwijtraken. Zijn moeder bleef met haar handen in haar zij voor hem staan: “Nou,
Alex? Wat zeg je daarvan? Deze heren waarmee jij je hebt omringd zijn heren uit
een andere eeuw. Ze hebben ideeën die zwaar achterhaald zijn en denk maar niet
dat ze het winnen. Nooit, nooit, nooit zullen de vrouwen zich op de achtergrond
laten dwingen. Dus stop er nou maar mee!” Willem Alexander zweeg nog steeds. De
groep oproerlingen drong zich dichter bij het kantoor van het triumviraat, waar
Wouter Tak nog altijd uit volle borst de Internationale stond te zingen. Aagte Jongejans, die de stoet uiteraard had
aangevoerd, schreeuwde naar Wouter Tak: “Hou daar maar mee op, huichelaar! Mede
dankzij hou hebben al die mensen hier jarenlang in slavernij doorgebracht! Wij
pikken dit niet langer en we gaan er wat tegen doen!” Op het Bureau Referenda zat Lori Wegbree
samen met Anaxia van Bunnik naar Zeist via Soest in de vergaderzaal. Verder was
er niemand. Zelfs de telefoons waren onbemand en dat was maar goed ook, want er
was die ochtend geen prijsvraag uitgeschreven. De telefonisten hadden dus weinig
prijzen te vergeven. “Ze zijn niet gekomen,” sprak Lori Breeweg
melancholiek. “Al die jaren liep het op rolletjes en nu zijn ze niet gekomen.”
Anaxia vond het allemaal erg jammer. Op de radio waren voortdurend berichten
over de revolutie, maar het waren elkaar tegensprekende berichten. De ene
journalist zei dat de opstand was neergeslagen door de ME, de andere dat de
oproerlingen waren doorgedrongen tot in de burelen van het triumviraat, dat ter
plekke gelyncht was. Anaxia maakte zich vooral zorgen over Hare. Die kwam uit
zo’n beschermde omgeving, dat ze slecht overweg kon met zaken als oproer en
revolutie. Het was waar dat haar grootmoeder Wilhelmina daar wel mee te maken
had gehad, in die woelige tijden rondom de eerste wereldoorlog, toen Troelstra
de revolutie had uitgeroepen in het parlement, maar tijdens de regeerperiode
van Beatrix was alles heel rustig geweest. Op een paar relletjes na dan, zoals
bij het huwelijk van Beatrix en Claus en bij de kroning. Maar niets wat te
vergelijken was met wat er vandaag gebeurde. Een heel systeem dreigde om te
vallen. De laatste dagen had Anaxia vaak nagedacht over haar positie als
hofdame. Ze was nu vijfentachtig en ze had het gevoel dat ze zojuist een nieuw
leven was begonnen. Als ze diep in haar hart keek, had ze geen zin meer om op
te treden als de persoonlijke bediende van Beatrix of van wie dan ook. Ze hield
nog altijd heel veel van Beatrix maar na al die jaren moest ze erkennen dat ze
nooit dichterbij zou komen, dat de nabijheid altijd zou bestaan uit haar dienstbaarheid.
En daar had ze genoeg van. Dan moest ze Hare maar loslaten. Er zat niets anders
op. Omdat ze zoveel hield van haar werk, was ze vanochtend ondanks de grote
onrust toch naar het afdelingsoverleg gegaan. Daar bleek verder niemand
aanwezig. “Ach, Lori, ze komen wel weer terug,”
probeerde ze de interimdirecteur te sussen. “De opwinding is groot maar
misschien valt het resultaat wel mee en is morgen alles weer bij het oude.” “Ik
geloof het niet,” zei Lori. “Ik weet niet wat er allemaal gebeurt, maar één
ding weet ik wel en dat is dat er echt iets verandert. Ik vraag me ook af of we
er wel goed aan hebben gedaan om steeds maar al die referenda uit te schrijven.
Ach, wat zit ik ook te bazelen. We konden niet anders, het was ons immers
opgedragen door het triumviraat? Al die onderzoeken naar onze toekomst, volgens
mij zijn er nog steeds een stelletje bezig op de bovenverdieping, het is
allemaal voor niks geweest want morgen bestaat het Bureau niet meer.” “Of we krijgen een heel andere taak,” sprak
Anaxia optimistisch. “Dat zou toch ook kunnen? Ik weet niet wat er nu in de
plaats komt, maar stel dat de parlementaire democratie weer wordt ingevoerd?
Dan zijn er toch ook weer verkiezingen nodig en er moeten allerlei andere zaken
worden uitgevoerd. Dat kunnen wij misschien doen.” Er gloorde weer hoop in de
blik van Lori. “Ja,” zei ze. “Dat is een goed idee. We beginnen een nieuwe
missie. Helemaal fris van voren af.” Ze sprong energiek op en liep naar de
bovenverdieping. Daar zaten nog altijd mannen in witte overhemden
gebogen over laptops en papieren. Ineens had Lori er genoeg van. Dat ze ooit
akkoord was gegaan met al die belachelijke onderzoeksvoorstellen die het
triumviraat uitvaardigde, kon ze zich al niet meer goed voorstellen. Ze ging in
het midden van de gang staan en riep: “Heren onderzoekers! Alle onderzoeken
naar het Bureau Referenda zijn bij deze geannuleerd! Ik wil dat jullie nu
meteen vertrekken! Meld je maar bij de Dienst Arbeidsbewaking of zo, of anders
verzin je zelf maar iets. In ieder geval wil ik jullie hier niet meer zien!”
Langzamerhand druppelde de gang vol met onderzoekers van adviesbureaus. Het
viel Lori op hoezeer ze op elkaar leken. Allemaal droegen ze een pak met
daaronder een wit overhemd. Allemaal hadden ze een laptoptas. Geen van allen
droeg een bril. Waarschijnlijk hadden ze allemaal contactlenzen want de hele
dag zo gebogen over je laptop zitten, dat kon toch niet goed zijn voor een
mens. Ze stonden haar zwijgend aan te kijken, alsof ze verloren waren, zo
ineens zonder opdracht. Lori klapte in haar handen. “Kom, kom, jongens, ga maar
ergens anders spelen. Buiten of zo. Maar verveel mij niet langer. De
conceptrapportages hoef ik ook niet, want ik kan me niet voorstellen dat daar
iets in staat, wat ik nog niet wist. Ik heb nog nooit iemand van een
adviesbureau op een creatieve gedachte kunnen betrappen.” Eén voor één dropen
ze af. Een kwartier later heerste er een geweldige rust op de bovenverdieping. In de vergaderzaal had Anaxia de televisie
aangezet. Ze was heel nieuwsgierig naar de ontwikkelingen. Het beeld gaf een
tierende Hare te zien onder een raam waar Wouter Tak stond te zingen. Op
televisie was niet goed te zien of te volgen tegen wie Hare zo tekeer ging. Het
was nogal een schokkerig en warrig beeld. Maar Anaxia wist wat haar te doen
stond. Ze trok haar jas aan en rende de trap af. Tegen Lori, die ze tegenkwam,
riep ze: “Ik moet weg. Ik ben er morgen
weer, maar ik moet Hare redden.” Lori begreep er niets van, maar legde zich
erbij neer dat ze de grip op haar medewerkers vandaag volledig kwijt was. Bij het triumviraat werd het steeds
drukker. Beatrix stond nog altijd tegen Willem Alexander tekeer te gaan: “Ik
heb je zelf opgevoed, jongen. Je voorgehouden wat rechtvaardig is en wat niet,
je voorgehouden wat je moet doen met geloofszaken, en nog slaag jij er in je
vijftiger jaren in om je te omringen met een stel fanatici dat terug wil naar
de Middeleeuwen. Nou, laat ik je dit zeggen, jongen. Over mijn lijk! En dat
meen ik letterlijk!” Weer gaf ze hem een mep. Ze had Alex als kind nooit
geslagen, want daar was ze tegen en ze had voldoende overwicht gehad om haar
kinderen niet te hoeven slaan. Nu was het anders. De toekomst van haar
moederland stond op het spel. En haar zoon was bezig die toekomst te
vertrappen. Willem Alexander stond er steeds lulliger
bij. De leden van de Dordtse Synthese hadden zich al een paar stappen van hem
verwijderd. Hij was zijn gezag al aan het kwijtraken. De Dordtse Synthese
ondertussen kon ook niet veel beginnen tegen de menigte. Abraham Kuijper zei
tot zijn companen; “Laten we weer teruggaan naar de schouwburg, de tijd is niet
rijp voor onze ideeën.” Ineens stond Willem Alexander alleen tegenover zijn
moeder. Hij leek een beetje op het jongetje op het bordes op de verjaardag van
zijn grootmoeder, dat hij ooit was geweest. Anaxia kwam de hoek om rennen. Voor haar
vijfentachtig jaren was ze nog opmerkelijk kwiek, maar dat kwam ervan als je je
hele leven deed wat je het liefste deed. Ouderdom is vooral een teken van
verveling, tenminste, zo dacht Anaxia erover. “Hare Majesteit!” riep ze uit.
“Kom met me mee naar huis! Het is hier veel te gevaarlijk! Een revolutie, een
oproer, wie weet gaan ze zo wel iedereen lynchen, dat gebeurt maar al te vaak
tijdens dit soort gebeurtenissen.” “Ach,
Anaxia, wat ben ik blij je te zien,” sprak de voormalige vorstin der
Nederlanden. “Ik heb je gemist de laatste dagen, maar ik heb ook dingen
meegemaakt, die ik nooit zou hebben meegemaakt als je wel in de buurt was
gebleven. Het begon al met mijn zelfstandige reis naar Brussel. Wat een
belevenis! Ik heb nooit geweten dat het zo ingewikkeld was om alles zelf te
doen. Maar daarna gingen mij de schellen van de ogen. Onze familie heeft zich
te zeer afgekeerd van het volk en van het leven zelf. Waarom eigenlijk? Wat is
het allemaal waard geweest? We zijn nu afgezet en daar heeft het volk tenminste
goed aan gedaan. En nu probeer ik die druiloor van een zoon van mij ervan te
overtuigen dat hij zijn aanspraken op het koningsschap, dat nota bene volgens
hem een opdracht van God is, op te geven.” Anaxia keerde zich tot Willem
Alexander. “Laat toch gaan, Alex, ga terug naar Mozambique, naar je vrouw en je
kinderen. Jullie tijd hier is voorbij, tenminste jullie tijd als monarchen.
Nergens op de wereld zijn nog koningen, dus maak jezelf niet belachelijk met
zulke ouderwetse ideeën.” Willem Alexander knikte. Het was hem aan te zien dat
hij het er nog altijd niet mee eens was. Inmiddels waren de berichten over het
oproer ook in het buitenland doorgedrongen. Daar was men de laatste jaren
vergeten dat Nederland bestond, wat vooral te wijten was in de houding van
Nederland zelf. Maar in het journaal op
Mozambique Television waren vage beelden te zien van het oproer. Maxima
bekeek de beelden in haar riante woning. Ze was het helemaal niet eens met het
idee van Willem Alexander om het koningschap te gaan opeisen. De laatste jaren
had ze een vrij bestaan gehad, en dat beviel haar heel goed. Ze had geen zin om
zich altijd glimlachend op straat te moeten begeven en dan ook nog al die
commissies met goede doelen waar ze in moest zitten. Nee, dat wilde ze niet
meer. Stiekem hoopte ze dat Alex er niet in zou slagen. Het beeld toonde haar
schoonmoeder die iets riep tegen haar echtgenoot. Het was niet te volgen wat
dat was, maar het stemde Maxima hoopvol. Misschien zou Alex straks weer
terugkomen en zijn waanidee voor altijd loslaten. Er was nog wel een
probleempje met het huis en de andere bezittingen hier in Mozambique. Het volk
morde en wilde het afpakken. Omdat het zogenaamd was betaald van geld van het
volk. Nou, dat was niet zo, het geld kwam van grootpapa. Maxima had niets te
maken met de manier waarop grootpapa aan het geld was gekomen, dat wilde ze
niet weten. Net zoals ze ook niets wilde weten over de praktijken van haar
vader tijdens het Junta-regime. Er waren zaken waar je maar beter niets van kon
weten, dan kon je veel gemakkelijker met de mensen om blijven gaan. Haar oudste
dochter kwam binnen. “Zit je nu weer te peinzen, moeder,” vroeg ze. “Het komt
toch allemaal wel goed uiteindelijk. Ze willen vader toch niet meer als koning.
Uiteindelijk zal hij dat ook wel inzien.” Maxima zei: “En jij, Amalia, wat zou
jij ervan vinden om koningin te worden.” “No way, dat ik dat word. Als dat weer
dreigt, treed ik onmiddellijk in het huwelijk met een vijandig staatshoofd,
zodat ik uit de erfopvolging wordt verstoten. Ik wil dat gedoe niet. Ik snap
niet dat grootmoeder het zo lang heeft volgehouden.” Amalia verdween naar de
tennisbaan. Maxima wist het nu zeker: Willem Alexander mocht geen koning
worden. Als dat wel gebeurde, zou alle ellende voor de familie opnieuw
beginnen. Altijd met lijfwachten op straat, nooit eens lekker zomaar winkelen,
nooit het werk aannemen wat je graag zou willen doen en je hele privéleven
breed uitgemeten in die bladen die werden gemaakt voor mensen die niks beters
aan hun hoofd hadden. Het mocht niet gebeuren. Maar ze vertrouwde op het
overwicht van haar schoonmoeder op haar echtgenoot. Tecla en Lous hadden zich wat afgezonderd
van het revolutionaire gebeuren. Ze zaten op een bankje in een park vlakbij het
kantoor van het triumviraat. Daar konden ze het gekrakeel heel goed horen, maar
ze hadden er even genoeg van en wilden genieten van hun nieuwe liefde. Zo vaak
kwam het niet voor dat je die vond en zeker niet als je de zestig al gepasseerd
was. Ze vertelden elkaar wat verse geliefden elkaar altijd vertellen, dus hoe
hun jeugd was geweest, wat voor school ze hadden gedaan, hoe ze dat gevonden
hadden en hoe hun werkende leven was geweest. Uiteindelijk kwamen ze op de vijf
moorden die Tecla negen jaar geleden had gepleegd. “Ik vond het heel moedig van je,” zei Lous.
“Toen ik eenmaal wist, wat die kerels gedaan hadden, had ik helemaal geen zin
meer om de moordenaar echt te pakken. Het was zo jammer dat we je op heterdaad
moesten betrappen. Toen konden we niet anders dan je arresteren. Zo werken die
dingen nu eenmaal.” Tecla knikte: “Ach, ik had daar wel begrip voor. Het was
een woelige tijd en ik was razend. Steeds vaker kwamen mannen weg met de meest
vreselijke misdrijven. Als slachtoffers vrouwen waren, werden die misdrijven
niet zo heel erg gevonden. Dat maakte me woedend. En het was heel handig dat ik
bij de politie toegang had tot alle bestanden. Ik kon die rechtzaken precies
volgen. Weet je trouwens dat de vijf weduwen elk jaar bij elkaar komen om te
vieren dat ze van die klootzakken af zijn? Echt waar. Ze huren voor een weekend
een huisje, en slaan veel eten en drinken in. Dan gaan ze praten over wat ze
allemaal hebben kunnen doen, dankzij het feit dat hun etters van echtgenoten
onder de groene zoden liggen. Ik ben er één keer uitgenodigd. Ze nodigen elk
jaar iemand uit om een lezing te geven en die ene keer was ik het. Ik heb nog
maar zelden in mijn leven zo’n vrolijkheid beleefd.” “Je hebt veel voor die vrouwen gedaan, dat is
een ding wat zeker is,” zei Lous. “Achteraf vond ik dat wij ons ook wel wat
actiever hadden kunnen opstellen. Door net te doen of we het niet gezien
hadden, dat heterdaadje bijvoorbeeld.” Op dat moment kwam er een bladenblazer
het park in. Ze konden elkaar niet meer verstaan. Wat was er toch mis met de
ouderwetse bezem? Waarom moest de gemeente van die mensen op pad sturen met die
verschrikkelijke apparaten? Daar zou ook eens iets tegen gedaan moeten worden,
vond Tecla. “Kom,” zei ze tegen Lous. “Laten we ons bij de groep voegen, kijken
hoe het allemaal afloopt vanmiddag.” Berend de Giller duwde Wouter Tak opzij.
Buiten stonden zijn aanhangers, de mensen waarvoor hij al die jaren dreigingen
had getrotseerd, waarvoor hij al die jaren zijn nek had uitgestoken. Niemand
had meer geleden onder het bewind dan hij, ook al was hij dan opgenomen geweest
in het triumviraat. Pure onderdrukking en demonisering, dat was het wat Wouter
en Rita hadden gedaan. Daar moest nu meteen een einde aan komen. Hij keek naar
de menigte. Wat waren het er veel! Als hij eenmaal staatshoofd was, moest hij
dit soort vergaderingen maar niet meer toestaan. Dan was het ook niet meer
nodig natuurlijk, want hij voerde alleen maar de wil van het volk uit. En als
het volk niet wist wat hij wilde, dan zou hij er wel voor zorgen dat ze dat
heel snel wel te weten kwamen. Met harde hand desnoods. Het moest afgelopen
zijn met dat slappe gedoe in dit land. Medezeggenschap, wat een onzin, net
alsof al die mensen konden nadenken, voor zichzelf konden zorgen. Ze hadden een
goede, sterke leider nodig, ze hadden iemand nodig zoals hij! “Mensen!”
schreeuwde hij uit het raam. “De redding is nabij, we staan voor een nieuwe
orde. We gaan voor een samenleving van puur, blank bloed, waarbij geen plaats
meer is voor het immorele van andere rassen en andere geloven! Weg, moeten ze
en liever vandaag als morgen. Maar we kunnen maar één ding tegelijk en daarom
zeg ik: weg met de Baklava!” De groep mensen keek naar hem, en het geroezemoes
verstomde. Ineens zag Berend het: meer dan de helft van de mensen was niet
blank. Hij slikte. Daar had hij niet op gerekend en dit kon hij niet
gemakkelijk goedpraten. Het was natuurlijk een grof schandaal dat het zover was
gekomen met dit land, maar hij had er nu eenmaal mee te leven. Het zou weleens heel
veel tijd kunnen gaan kosten om Nederland weer blank te krijgen. Ook Beatrix stond te kijken. Naast haar
stond Anaxia, die blij was dat ze Hare weer had gevonden, en dan ook nog
helemaal ongeschonden en vol optimisme over de rest van haar leven. “Wat een
merkwaardige man,” zei Beatrix. “Dat is toch die jongen over wie al jaren zo’n
ophef is? Er is zelfs een tijdje sprake van geweest dat hij Minister-President
zou worden en dan had ik hem wekelijks moeten ontvangen. Gelukkig is dat niet
doorgegaan. Wat een griezel, met dat rare haar.” Ze keek om zich heen. “Had hij
destijds niet heel veel aanhang van al die ontevreden mensen? Daar is niet zo
heel veel meer van over zo te zien.” En dat klopte ook wel. De menigte
beantwoordde de speech van Berend de Giller met het gooien van stukken klei die
tussen de stoeptegels vandaan werd getrokken. Snel dook hij weg. Minister Rita
zag haar kans schoon. Natuurlijk wilden de mensen niet Wouter of Berend, ze
wilden een vrouw van haar kaliber, een vrouw die rechtdoorzee was en van
aanpakken wist, een sterke vrouw, een vrouw om trots op te zijn. “Weest trots
op Rita!” gilde ze. “Het kan weer, trots zijn op mij! Ik zal het land redden,
zoals ik altijd van plan ben geweest. Ik ben uw nieuwe staatshoofd. De heren
Tak en De Giller zullen terugtreden omdat zij eindelijk, eindelijk inzien dat
zij de taal van het volk niet spreken! Eindelijk gerechtigheid, eindelijk weer
vooruitgang.” Weer viel er even een stilte in de menigte. Toen barstten veel
mensen uit in lachen. Het gelach werkte aanstekelijk en nam in volume enorm
toe. “Te laat, Rita!” riep Aagte Jongejans. “De mensen hoeven je niet meer, en
je hebt het zelf verknald in dat triumviraat natuurlijk. Democratie en
medezeggenschap! Ook op de werkvloer! En pensioen op vijfenzestigjarige
leeftijd van alle beroepen zijn zwaar, zeg nou zelf!” De mensen namen haar
kreten over. Pensioen met vijfenzestig, klonk het, en Medezeggenschap op de
werkvloer. Zelfs werd hier en daar de kreet Leve het poldermodel, terug met het
poldermodel geschreeuwd. Enkele zelfstandige handelaren, die er
ondanks de Dienst Arbeidsbewaking altijd waren geweest, want waar handel is zal
gehandeld worden of er nou betaald wordt met voedselbonnen of met iets anders,
hadden snel kraampjes opgezet, waar eten en drinken werd verkocht. De revolutie
deed sterk denken aan de koninginnedagen van weleer. Mensen begonnen te zingen
en te dansen en het drietal van het triumviraat liet zich niet meer zien. Wat slechts een enkeling opviel, waren de
schaduwachtige gestalten die zich losmaakten uit de menigten. Het waren kromme
gestalten, die een beetje doorzichtig leken, maar toch ook iets massiefs waren.
Later hadden mensen het er veel over, maar niemand kon precies uitleggen wat
zij had gezien. “Het waren net spoken,” zei de een. “Nee,” wierp een ander dan
weer tegen. “Geen spoken. Iets ergers nog, levende doden. Het leek of ze konden
vliegen, en of ze er tegelijkertijd wel en niet waren. Doodeng, je kon ze niet
in de groep mensen zien staan, maar ze waren er al die tijd.” In die trant ging
het nog jaren verder. Niemand kwam er ooit achter wie die schaduwen waren
geweest. Men snapte wel dat ze iets te maken hadden gehad met het handhaven van
de heersende orde gedurende de periode dat het referendumsysteem had geduurd,
maar nooit kon iemand achterhalen hoe het in elkaar stak. De Dordtse Synthese vergaderde gewoon door,
alsof er helemaal niets was veranderd. Ze gingen zo op in hun geschilpunten,
dat ze nauwelijks merkten dat er een revolutie was geweest en dat de
parlementaire democratie weer was hersteld, inclusief het poldermodel. Ze
publiceerden wel eens voortgangsrapportages, maar niemand las die ooit.
Verreweg de meeste mensen waren atheïst, en dat hadden de leden van de Dordtse
Synthese niet gemerkt. Omdat ze verder niemand kwaad deden met hun discussies,
liet men ze maar begaan. Lous en Tecla leefden nog lang en gelukkig.
Omdat ze allebei zwaar werk hadden gedaan, mochten ze met pensioen. Lous miste
de dagelijkse wandeling wel, en daarom kocht Tecla een hond voor haar.
Dagelijks ging ze daarmee op stap. Een enkele keer had ze er wel moeite mee om
geen bekeuring uit te delen. Als iemand op de stoep fietste bijvoorbeeld, of
haar auto dwars over straat parkeerde. Over het algemeen kon ze haar werk
echter goed loslaten en het had ook wel iets ontspannends om zo te wandelen
terwijl je nergens op hoefde te letten. Tecla vermaakte zich met het maken van
computerspellen. Daar verdiende ze nog een aardige stuiver mee, want ze was er
erg goed in. Ze speelde die spellen ook graag. Aan het Bureau Referenda dacht
ze nooit meer. Na de revolutie was ze er nooit meer terug geweest en geen van
haar collega’s had ze ooit nog gesproken. Niet omdat ze ze niet mocht, maar
omdat voor haar eenvoudigweg gold dat ze niet meer aan mensen dacht, met wie ze
op de een of andere manier niet iets samen deed. Het Bureau Referenda werd opgeheven en er
kwam een wet die het houden van referenda verbood. Als reden werd aangegeven
dat zo’n referendum de zaak versimpelde en dat het daarom nooit een goed
democratisch instrument kon zijn. Niemand protesteerde tegen het opheffen van
het systeem. Lori Breeweg werd interim-manager bij een onderzoeksinstituut, dat
langdurig betrokken was geweest bij onderzoeken naar de toekomst van het Bureau
Referenda. Zij was daar heel gelukkig. Beatrix en Anaxia bleven samenwonen in de
Staatsliedenbuurt. De dag na de revolutie had Anaxia haar liefde voor de oude
gewezen vorstin erkend. “Majesteit,” was ze begonnen, terwijl haar hart in haar
borstkas bonkte. “Ik hou van u en ik heb altijd van u gehouden. Vanaf het
moment dat u die trap van dat vliegtuig uit Canada afliep. Nooit, nee, nooit,
heb ik iemand anders toe kunnen laten in mijn leven. Daarvoor was mijn liefde
te groot.” Beatrix had geknikt en gezegd: “Dat is heel jammer, Anaxia, dat je
niemand anders hebt toegelaten, want het was voor een deel weggegooide liefde.
Ik heb maar van één iemand echt gehouden en dat was mijn man. Maar jij hebt me
wel heel trouw gediend, wat daarvoor de reden ook geweest mag zijn, welke
motivatie je ook gehad mag hebben. Ik wil echter geen bedienden meer. Ik heb
eindelijk ingezien hoezeer ik van het echte leven verwijderd was. Maar ik wil
wel graag dat wij samen blijven wonen. We zijn beiden oud geworden, en we
kunnen elkaar tot steun zijn.” Anaxia had daar dankbaar mee ingestemd. En zo kwam het dat Nederland, na een
periode dat de land toch wel behoorlijk uit de bocht was gevlogen, weer het
oude, vertrouwde land werd. De verkiezingen werden drie maanden na de revolutie
gehouden en de uitslag leverde veel moeilijkheden op voor de te vormen
coalitie. Uiteindelijk kwam die er wel, maar alle betrokken partijen moesten
veel water bij de wijn doen. Dat leidde tot heftige discussies tijdens het
kabinetsberaad van vrijdag, maar, met de herinnering aan wat er kon gebeuren,
vond niemand dat nog erg. Aagte Jongejans was leider van de grote
Federatie van vakbonden. Als vanouds riep zij regelmatig dat het schandalig was
dat er zo werd gesold met de rechten van de werknemers en even regelmatig sloot
zij compromissen met de werkgeversorganisaties. Het duurde nog eeuwen voordat het land werd
overspoeld door de zee, die het altijd al op het landje had voorzien. Tot die
tijd leefde men er kibbelend en klagend, maar door de bank genomen wel heel
gelukkig.