|| adressen
antiek (e.d.) winkels | diagnostische toetsen economie
| digitale verzamelpunt |
| economische begrippenlijst | links
| vlooienmarkt kalender | organisatiebureau's
|
| uit in eigen land |
zoekmachines en startpagina's |
.![]()
...................................................
is een situatie dat men nauwelijks meer in staat is om te leven. Men bevindt zich rondom het fysieke bestaansminimum.
is een leefsituatie die niet veel beter is dan het fysieke bestaansminimum.
is een bepaald inkomen dat men in een land op een bepaald moment als laagst aanvaarbaar beschouwd.
geheel van wensen die men vervult zou willen zien. De behoeften (het behoeftenschema) is voor de economische wetenschap een datum. Factoren die dit streven beperken zijn het inkomen en de prijzen.
is de manier waarop de consument zijn inkomen besteed. Doordat het reële inkomen door de jaren heen stijgt, en door de komst van nieuwe producten etc., verandert het bestedingspatroon. Daarom wordt door het CBS regelmatig budgetonderzoeken gedaan.
onderzoek naar het bestedingspatroon van de consumenten (gezinnen), uitgevooerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Op grond van dit onderzoek worden de wegingsfactoren bepaald. Wanneer de wegingsfactoren te veel gaan afwijken wordt voor een nieuw basisjaar gekozen (= verlegging van het basisjaar). Oorzaken voor verandering van het bestedingspatroon zijn meestal de reële inkomensstijging en de introductie van nieuwe producten.
zie inkomenselasticiteit .
alle andere omstandigheden worden constant verondersteld
zijn : de behoeften, het inkomen, de prijzen van de overige goederen, en het aantal vragers.
geeft het verband tussen de prijs van een goed en de daarbij gevraagde hoeveelheid door alle consumenten. (Het is de optelling van alle individuele vraagfuncties voor een bepaald goed)
goederen die elkaar aanvullen. De kruiselingse prijselasticiteit van de goederen is negatief.
iemand uit de gezinshuishouding die aankopen doet om in behoeften te voorzien. De consument is eindverbruiker van de goederen en diensten.
is het overheidsbeleid om de consument te beschermen (tegen machtsmisbruik of al te opdringerige ondernemers). Enkele wetten waarmee de overheid de consumenten tracht te beschermen zijn bijvoorbeeld: de Warenwet, de Colportagewet en de Wet Misleidende Reclame.
zijn voor de economische wetenschap in principe een datum. Factoren die de voorkeuren kunnen doen veranderen zijn bijvoorbeeld de reclame, de maatschappelijke positie van de consument, de introductie van nieuwe producten en dat men zich laat beinvloeden door de consumptie van anderen. Wanneer vanuit de economische wetenschap iets gezegd kan worden over deze voorbeelden, dan kan dus ook iets gezegd worden over de verandering van de consumentenvoorkeuren. In dat geval zijn de consumentenvoorkeuren niet volledig een datum voor de economische wetenschap.
is het streven van consumenten doormiddel van zich te organiseren (in consumenten organisaties) sterker te staan tegenover de producenten en hierme hun belangen gezamelijk te verdedigen.
belangenorganisaties voor de consumenten zoals bijvoorbeeld de Consumentenbond, Konsumenten Kontakt, Vereniging Eigenhuis, etc. Enkele belangrijke activiteiten van deze organisaties zijn: het doen van vergelijkend warenonderzoek, voorlichting, advies geven bij conflicten met leveranciers.
houdt in dat de consument invloed heeft op het aanbod van goederen. Immers door als consument de bereidheid te tonen voor goederen een prijs te betalen, lokt dat aanbod uit. Doormiddel van de koopkrachtige vraag heeft de consument dus invloed op de aanwending van de productiefactoren.
zijn alle leningen van de consumeten die gebruikt worden voor aanschaf van goederen en diensten. Meestal zijn het leningen voor duurzame consumptiegoederen zoals de auto, caravan, video, bankstel etc..
goed dat door een consument/gezin is aangeschaft om behoeften te bevredigen.
is het aanbieden van goederen en diensten aan de deur of op straat. Deze verkoopmethode is krachtens de Colportagewet aan strenge regels gebonden.
beschermt de consument tegen opdringerige verkoopmethoden. De consumenten kunnen volgens deze wet binnen een bepaalde periode de koop ongedaan maken.
is dat deel van het inkomen dat nog vrij te besteden is (voor nieuwe aanwendingsrichtingen).
goederen die pas bij (vanaf) een bepaald inkomen worden aangeschaft.
inkomen vanaf welke bepaalde goederen worden aangeschaft. Goederen die een drempelinkomen hebben zijn luxe goederen, omdat bij stijging van het inkomen de consumptie van het goed meer dan evenredig toeneemt.
goederen die langere tijd (meerdere consumptieperioden) meegaan. Tegenwoordig noemt men vooral goederen, die bij het gebruik geen nadelige gevolgen hebben voor het milieu, duurzame consumptiegoederen.
wanneer de consument de beschikking krijgt over meerdere eenheden van een goed, dan neemt het grensnut af.
is sprake van als bij een prijverandering de vraag meer dan evenredig (= relatief meer) veranderd. Bij een elastische vraag is de absolute waarde van de prijselasticiteit groter dan één. In formulevorm: |Ev| > 1. Luxe goederen hebben een elastische vraag, maar let op de definitie van een luxe goed. Bij een elastische vraag zal bijvoorbeeld ingeval van een prijsverhoging de omzet (TO) dalen, omdat prijsverhoging gevolgd wordt door een meer dan evenredige afzet daling. Bij prijsdaling zal natuurlijk de omzet stijgen.
geeft het verband weer tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed en de hoogte van het inkomen. In plaats van inkomen spreekt men ook wel van budget. Zie ook de Wet van Engel.
is een leefsituatie waarin men als volk net genoeg middelen heeft om (als aantal mensen) op peil te blijven. Geboorten en sterfte houden elkaar in evenwicht.
zijn o.a. de premies van de oude dag voorziening (AOW en pensioenpremie) (levens)verzekeringen en ziektekostenverzekeringen.
houdt de hoeveelheid in die bij een bepaalde prijs wordt gevraagd. Bij verschuiving "langs de curve" verandert de gevraagde hoeveelheid. De "gevraagde hoeveelheid" en de "vraag" worden helaas vaak door elkaar gebruikt. Uit de context van de opdracht is meestal wel duidelijk wat bedoeld wordt.
zijn goederen waarvan de consument meer koopt als de prijs stijgt! Dit zijn goederen die voor de consument een statussymbool vormen. Bij een prijsdaling zal de consument juist minder gaan kopen, omdat het goed door de lagere prijs het karakter van statussymbool deels gaat verliezen (Bijvoorbeeld Rolls Royces). Dit effect staat ook bekend als het Veblen-effect. Grafisch gezien hebben Giffengoederen een contrair verlopende vraagcurve, d.w.z. de dalende vraagcurve heeft opeens een stijgend gedeelte. In dit stijgend gedeelte is het prijseffect zodanig dat prijsdaling ook de gevraagde hoeveelheid doet afnemen. Dit kan worden verklaard door het inkomenseffect dat tegengesteld werkt aan het substitutie-effect en deze overtreft.
is het extra nut dat de consument ontleent aan een extra eenheid van een bepaald goed.
goed waarvan de aanschaf niet afhankelijk is van de prijs.
de door één consument gevraagde hoeveelheid van een bepaald goed als functie van de prijs van dat goed.
is sprake van als bij een prijsverandering van het goed de gevraagde hoeveelheid minder dan evenredig (= relatief minder) verandert. Bij een inelastische vraag is de absolute waarde van de prijselasticiteit kleiner dan één. In formulevorm: |Ev| < 1. Primaire goederen (noodzakelijke goederen) hebben een inelastische vraag. Bij een inelastische vraag zal bijvoorbeeld ingeval van een prijsverhoging de omzet (TO) stijgen, omdat prijsverhoging gevolgd wordt door een minder dan evenredige afzet daling. Bij prijsdaling zal natuurlijk de omzet dalen.
goederen waarvan de consumptie daalt, wanneer het inkomen (of budget) stijgt. Voor deze goederen geldt dat inkomenselasticiteit negatief is. De Engelcurve is dalend.
bij een vraagcurve houdt in dat door de prijsdaling de consument een reële inkomensverbetering ervaart, en dat hierdoor de gevraagde hoeveelheid verandert. Bij luxe en noodzakelijke goederen zal dit effect de gevraagde hoeveelheid (extra) doen toenemen, en bij inferieure goederen werkt het inkomenseffect tegengesteld en vermindert het substitutie- effect. De som van het substitutie-effect en het inkomenseffect is het prijseffect.
laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert als het inkomen één procent verandert.
laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van goed A verandert als de prijs van goed B met een procent verandert.
goederen waarvan bij een inkomensstijging de consumptie relatief meer toeneemt. De inkomenselasticiteit van luxe goederen is groter dan één. Luxe goederen hebben een drempelinkomen., en de Engelcurve stijgt meer dan evenredig.
goederen die in éénkeer zijn verbruikt (= slechts één consumptieperiode meegaan)
goederen die behoren tot de eerste levensbehoeften. Bij stijging van het 0 < Ei < 1 goed wat op z'n minst in bezit moet zijn van de consument
is de eigenschap (het vermogen) van een goed om in behoeften te voorzien.
bestaat uit het substitutie-effect en het inkomens-effect. Tengevolge van deze effecten heeft de vraagcurve een dalend verloop, d.w.z. dat bij een lagere prijs meer gevraagd wordt. Een uitzondering vormen de zogenaamde Giffengoederen.
laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert als de prijs met één procent verandert.
is de oude naam voor de consumentenprijsindex, en geeft het prijsniveau van een standaardpakket goederen en diensten zoals in een basisjaar door een modaal gezin werd gekocht.Uit het prijsindexcijfer is de gemiddelde prijsstijging ten opzichte van het basisjaar af te lezen. Zie ook consumentenprijsindex.
communicatie (boodschap) van de adverteerder (aanbieder) met de bedoeling de voorkeur van de consument voor zijn product te beinvloeden en hiermee zijn afzet te vergroten.
houdt toezicht op de naleving van de Wet Misleidende Reclame.
betekent dat het indexcijfer uit verschillende soorten goederen bestaat. In het samengesteld gewogen prijsindexcijfer tellen de goederen naar belangrijkheid (wegingsfactor) mee.
goederen die elkaar kunnen vervangen. De kruiselingse prijselasticiteit van substitutiegoederen is positief.
bij een vraagcurve houdt in dat door een prijsdaling van het goed, de consument meer van het goed vraagt om andere goederen hiermee te vervangen.
er is sprake van maximale behoeftenbevrediging, wanneer de consument bij besteding van zijn inkomen de grensnutten in alle aanwendingsrichtingen heeft genivelleerd (= gelijkgemaakt).
regelmatig terugkerende betalingen die men als verplchtinging is aangegaan.
onderzoek door consumentenorganisaties waarbij een groot aantal merken (en typen) van een bepaald goed worden getest en met elkaar vergeleken.
betekent dat de prijs van het goed is gewijzigd, en dat de ceteris paribus voorwaarden niet zijn veranderd. De vraag- of aanbodcurve is niet verschoven.
betekent dat bij eenzelfde prijs meer of minder gevraagd wordt (ingeval van een vraagcurve); of dat er meer of minder wordt aangeboden (ingeval van een aanbod curve). De oorzaak is dat één of meerdere ceteris paribus voorwaarden is/ zijn gewijzigd. De curve is dus verschoven. Verschuiving naar rechts bijvoorbeeld van de collectieve vraagcurve vindt plaats als de behoeften toenemen, de inkomens stijgen (behalve bij inferieure goederen), de prijzen van de concurrerende goederen stijgen, en wanneer het aantal vragers toeneemt.
de absolute waarde van de prijselasticiteit is oneindig groot
bij een prijsverandering verandert de gevraagde hoeveelheid niet. De waarde van de prijselasticiteit is (altijd) nul. Het schoolvoorbeeld van een volkomen inelastisch goed is zout.
houdt de gehele vraagcurve in. Bij verschuiving van de vraagcurve verandert dus de vraag. Het begrip "vraag" en "gevraagde hoeveelheid" wordt vaak door elkaar gebruikt. Uit de context van de opdracht is meestal wel duidelijk wat bedoeld wordt.
krachtens deze wet houdt de Keuringsdienst van Waren toezicht op de kwaliteit van voedingsmiddelen.
verbiedt de producent bij een reclameboodschap onjuiste informatie (betere eigenschappen dan in werkelijkheid) te verstrekken.
bij stijging van het inkomen zullen de uitgaven aan noodzakelijke goederen relatief afnemen. Bij gezinnen met een laag inkomen (budget) is het aandeel van primaire goederen (zoals voedsel) relatief hoog.
Disclaimer
| U kunt aan deze lijst, net als voor de andere lijsten, geen rechten ontlenen! Fouten hierin zijn geheel voor uw eigen risico. Uiteraard heb ik bij het samenstellen van de economische vraagbaak de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. |
Copyright © M. Kalk, Lelystad
.. . . . . . . .....
![]()
| adressen antiek (e.d.) winkels | diagnostische
toetsen economie | digitale verzamelpunt |
| economische begrippenlijst | economie
informatief | links | vlooienmarkt
kalender |
| uit in eigen land |
zoekmachines en startpagina's |