Alvaro Pombo: Verschijning van het Ewigweibliche (verteld door Z.M. de Koning)

Uit het Spaans vertaald door Eugenie Schoolderman


Op het terras was don Rodolfo meer dan Belinda, veel en veel meer, de hoogste autoriteit. En terecht. Wat Belinda (die nogal een oogje had op don Rodolfo) altijd zei, was dat hij levenswijsheid bezat omdat hij sparringpartner van Paulino Uzcudun was geweest. En dat was zeker waar. Don Rodolfo wist alles van het leven en nog heel wat meer ook. En als je maar weet dat Paulino van Joe Luis heeft verloren omdat hij dat wou, omdat hij geen zwarten sloeg. Paulino was een echte heer. Dat zag je wel die keer dat hij langs kwam en hij Belinda en ons elk een flesje sinas aanbood en hij mij en de Chinees ook nog eens ieder op een puntzak chips trakteerde waarvan de bovenste eruit vielen. Maar wat je noemt echt praten, dat deed hij niet veel. Dat hoefde hij ook niet. Waarom zou hij praten? Hij ging twee keer zo breeduit zitten als don Rodolfo (al was die zo'n beetje even lang) op het terras op de hoek bij het postkantoor, en daarbij maakte hij een hard geluid, pffff, omdat hij vermoeide spieren had. Maar don Rodolfo praatte wel degelijk. Dat was wat don Rodolfo (op de ring na) het beste afging. De Chinees en ik zijn neven van de kant van mijn moeder. De Chinees is nog geen half jaar ouder dan ik. De laatste keer dat we ons hebben gemeten was hij iets langer. En hij is ook sterker. Maar veel onhandiger. Dus uiteindelijk staan we quitte. Als we schaduwboksen win ik geheid. Bij het punchen raak ik de kluts kwijt door de snelheid van de tegenstoten, maar de Chinees is dan juist heel goed doordat hij zulke brede polsen heeft. Ik zit niet te liegen. Bij het punchen gaat het meer om je polsen dan om je vuisten. Met punchen wint de Chinees. We hebben nog geen zak, omdat het plafond het dan zou begeven, denkt oma. Oma en haar beste vriendin, doña Blanca -die bovendien de enige vriendin is die ze heeft-, zeggen dat ze de helft van wat ik zeg niet begrijpen. Ze liegen. Het kan zijn dat ze niet liegen. Misschien doen ze dat ook wel niet, maar hebben ze enkel verstand van braden en breien. Volgens hun zit er nooit volgorde in wat ik vertel, maar dat zit er wel. Alleen vertel ik niet in de volgorde zoals zij doen. Ik vertel iets zoals don Rodolfo dat doet: het belangrijkste het eerste. En daarna zo veel tierelantijnen als je maar wilt. Nu zijn soms de tierelantijnen zelf het belangrijkste. Hoewel don Rodolfo misschien wel overdrijft met aandikken. Als Paulino er bijvoorbeeld is, weet hij helemaal van geen ophouden. Het stoten is niet alles, zeg ik altijd maar. En ik weet zeker dat de Chinees er net zo over denkt. Bij het boksen gaat het voor een deel om het stoten. Maar het gaat voor een groot deel, bijna helemaal, om het voetenwerk. Hoe beter je benen zijn, hoe beter je het doet. En je moet zo soepel mogelijk in de taille zijn, als je vedergewicht bent. Oma en doña Blanca denken alletwee dat het bij boksen alleen maar om rammen gaat, dus vooral om het stoten. Die weten dus duidelijk niet waar ze het over hebben. Op een keer zijn de Chinees en ik na de merienda gebleven om te horen wat ze zeiden, om eens te kijken of ze roddelden over ons of juist niet. Ze praatten heel wat af. Jee, wat zaten die twee te kletsen. Wat we niet weten was of ze nou roddelden of niet, ik tenminste niet. De Chinees denkt van wel. Maar je moet niet op hem letten. Hij gaat altijd van het ergste uit. (En omdat dat voor het grootste deel toch niet te begrijpen zou zijn omdat het geheime schema's zijn, vertel ik niet hoe we de deur met een klap dichtslaan, zo hard dat je ze zelfs hoort protesteren, en hem tegelijkertijd op een kiertje laten staan zodat wij hun hoofden kunnen zien en wij ze met zijn tweeën tegelijk kunnen afluisteren zonder ruzie te maken.) We zagen ze beter dan we ze hoorden. Af en toe praatten ze alletwee tegelijk. Ze draaiden met hun hoofd van opwinding en dan zagen we ze niet meer en dan ineens wel weer, ze verdwenen en kwamen weer in de kier tevoorschijn alsof het een poppenkast was. Het viel niet mee een verband te leggen tussen de zinnen: ‘het zijn apekoppen’, ‘ze zullen niet langer je kleinzonen zijn’, ‘het zijn mijn kleinzonen, maar ze zijn wel erg wild’, ‘boksen is iets beestachtigs’, ‘ze zeggen dat ze aan hun neus geopereerd worden’, ‘dat is nog tot daar aan toe, mannen hoeven niet knap te zijn’, ‘ach, ik weet het ook niet’, ‘wat iets beestachtigs is’... En omdat het na beestachtigs wel duidelijk was dat ze niks beters meer zouden zeggen, gingen we maar weg. En daarna hebben we nog een hele tijd zitten ruziën omdat de Chinees zei dat ze hadden gezegd dat hij de ergste van allemaal was en ik zei dat ik dat toch niet echt gehoord had. Het punt is namelijk dat de Chinees spoken ziet. Hij heeft ze altijd al gezien, zelfs overdag. En zwarte. Asfalt is bijna wit vergeleken bij de Chinees. Belinda is een eerste klas gans. Daar maakt iedereen flink gebruik van. Ik en de Chinees nog het meest. Doordeweeks, tijdens het schooljaar vooral. Maar over school heb ik het nu niet, dat zie ik straks wel. Onnozel en dom is niet hetzelfde. Je kunt onnozel en toch slim zijn, zoals Belinda bijvoorbeeld. Ze is slim, want ze klikt nooit -ze weet dat ze dan vergiftigd zou worden. Ze is vooral slim omdat ze een goed mens is. Heel wat beter dan veel mensen. Helemaal niet egoïstisch. Wat er ook gebeurt, ze heeft zich nooit gewonnen gegeven, net als don Rodolfo en Paulino. Ze is goed omdat ze dat kan, omdat ze sterk is ook al is ze gevoelig. Haar gevoeligheid doet haar de das om. Ze is overgevoelig. Daardoor is ze niet echt sterk, ook al is ze wel echt goed. Ik zie gewoon hoe gevoelig ze is. Op een keer heb ik dat tegen haar gezegd en toen begon ze te huilen, die domoor. Het had weinig gescheeld of ik had ook gehuild. Omdat ik niet huil, deed ik dat toen ook niet. Maar huilen werkt aanstekelijk. Don Rodolfo heeft nooit gehuild, behalve die avond van het wereldkampioenschap superzwaargewicht toen hij halverwege de vijfde ronde al begon te huilen toen hij zag dat Paulino zou worden afgemaakt omdat hij die verdomde zwarte niet wou afmaken. ‘Verdomde’ zegt don Rodolfo alleen op de allerbelangrijkste momenten. Hij zei bijvoorbeeld ‘verdomde Chinees’ op een middag toen de Chinees een onderarmsteun deed. ‘Verdomd’ is het woord dat je het best kunt gebruiken voor zoiets. Het is niet zo dat ik geen handstand doe. Het is ook niet zo dat ik hem niet volgens de regels doe, maar ook weer niet zo dat ik dat wel doe. Ik doe hem op mijn manier. En don Rodolfo zegt dat er ook zijn die hem op mijn manier doen. Ook veel mensen die hij kent. Bovendien gaat het bij de handstand om je armen. En de Chinees heeft vooral sterke armen. Van kleins af aan is hij langarmig, want ik heb foto's gezien en daarop lijkt hij wel een halve aap, hoewel hij minder snel is dan ik als het erop aankomt om je tegenstander te dollen. Ik zie zelfs kans don Rodolfo te dollen. Een keer had ik hem goed tuk; toen dook hij om te ontwijken en gaf ik hem een directe met links, altijd goed verkapt, en toen, beng, appercat, dat is een hoekstoot van beneden naar de kaak en dat noemen ze de doodklap. Hij wankelde en zei daarna dat hij dat voor de grap deed, maar ik zag hem wankelen en ineengedoken op de grond vallen. Goed, het is nou ook weer niet zo dat hij echt viel. Maar dat wankelen kwam door mijn hoekstoot. Laatst vertelde ik dat tijdens de merienda nog eens aan de Chinees, die er die keer niet bij was, en oma zei toen van wat is dat toch voor praat. Ik zei het niet, maar ik dacht wel van: ‘Nou, moet je jullie horen!’ Ik hield m'n mond maar, want ook ik heb mijn slechte kanten. Meer dan de Chinees. Op school denken ze dat de Chinees een beest is. Maar hij is helemaal geen beest. De Chinees is een goeie jongen, en dat is niet omdat hij m'n neef is. We hebben altijd in dit huis gewoond. Ik ben in dit huis geboren, maar de Chinees niet. De opa van oma heeft het gekocht. Het is nu al meer dan een eeuw oud, een eeuw en nog wat. Vroeger was het terras groter, mijn hele kamer was terras en is nu een extra kamer die oma heeft laten maken omdat m'n ooms, de broers van m'n moeder, veel ruimte in beslag namen toen ze jong waren. Maar het ziet er nog steeds aardig goed uit. Heel wat beter dan veel andere die ik heb gezien. Oma zegt dat de mensen alles maar terras noemen, soms ook het balkon al, als het maar breed genoeg is om er een tafeltje neer te zetten. Ons terras is breed genoeg om er een hele eethoek neer te zetten, dat zeg ik niet om te bluffen. Niet dat ik zit op te scheppen, dat doe ik alleen als het nodig is, in het speelkwartier op school. En de Chinees net zo.

‘Het is lekker op het terras,’ zei de Chinees. Ik weet nog dat hij dat zei omdat het me verbaasde toen ik dat hoorde. Hij zegt dat niet om maar wat te zeggen -dat is wat ik dacht. Dat is zo goed van de Chinees, dat hij niet zomaar wat zegt. Daarin is hij meer zoals Paulino dan als don Rodolfo of Belinda of ik. Wij praten bijna alleen maar omdat we dat zo leuk vinden. Met mij praat de Chinees nog het meest. Maar zelfs tegen mij heeft hij weleens twee uur achter elkaar niets gezegd. Wat is praten? Niemand praat zomaar, ook wij drietjes niet. Derhalve -zoals pater Constantino zegt- is praten een persoonlijke behoefte. Net als eten. Het kan best zijn dat ik toen ik heel klein was ook niet praatte. Dat kan. Maar ik betwijfel het, want voor zover ik het me kan herinneren zit ik altijd te praten. Het indrukwekkendst van de Chinees is wel dat hij ook kan praten als hij niets zegt. Ik bedoel, dat zou hij kunnen. Maar hij heeft er geen zin in. Dat krijgt hij ook niet. Maar ik heb er altijd zin in. Misschien krijg ik er als hij niets zegt nog wel meer zin in. Met de Chinees ben ik nog de meeste tijd samen. Ik denk er liever niet aan wat er zou gebeuren als de Chinees er niet zou zijn. Dat is een keer bijna gebeurd. En ik denk daar maar liever niet aan. Don Rodolfo was er, Belinda was er, en aan de andere kant van het huis waren ook oma en doña Blanca in oma's kamer, waar ze altijd de hele middag zitten. Maar de Chinees was er niet. En vier dagen lang wist niemand van ons of hij nog terug zou komen of niet. Hij zal het zelf ook wel niet geweten hebben, want hij belde niet op. De vierde dag was het zondag. Daarom was het de ergste. Het werd veel vroeger zondag dan anders. Ik ging veel vroeger dan anders het terras op. Het was zo vroeg dat de maan scheen -nieuwe maan, dat viel me nog op- en er waren ook sterren, een stuk of wat, die flonkerend afstaken tegen het licht dat nog niet helemaal was begonnen. Ik weet nog dat het half april was. Het was nog koud. Ondanks de kou ging ik op de grond naar de halve maan zitten kijken en naar m'n enkels en m'n voeten die uit m'n pyjama staken. Het was wassende maan, dat zie je aan het schijnsel en aan de stok waarmee je de letter p kunt maken. Op dat uur maakt de maan geen geluid. En er was geen vogel te horen want de duiven waren nog niet uitgekomen, en de gierzwaluwen waren er ook nog niet en de mussen in hun nesten waren nog te klein om zelfs ook maar te tsjirpen. Er was verder niets anders te horen dan de wind die onopzettelijk de zijtakken deed schudden van de druivenstruik die de vorige eigenaren van dit appartement hadden gepoot in twee tonnen die er nog steeds staan. Ongewild bedacht ik dat het voortaan altijd zo zou zijn, zonder de Chinees. Ik zou ongeveer om dezelfde tijd het terras op gaan en onder m'n voetzolen zou ik de met ijzel bedekte tegels voelen en ik zou nooit meer weten wat ik daarna moest gaan doen. Nu ook niet. Ik bedoel, toen ook niet. Alsof er iets te gebeuren stond. Alsof het al gebeurd was. Alsof de Chinees, ook al wilde hij dat wel, niet meer terug kon komen. Alsof ze allemaal weg waren gegaan behalve ik, die noodgedwongen had moeten blijven om mijn plicht te vervullen. De zeeroversvlag die oma ons met Driekoningen had gegeven zou niet wapperen, de doodskop en de twee gekruiste scheenbeenderen hingen er voor dood bij. Toen zag ik in dat het er bij praten niet om gaat dat ík maar wat praat, maar dat het vooral gaat om praten met de Chinees, of hij nou wat terugzegt of niet, dat kan me niet schelen. Ik denk liever niet meer aan die keer, want ik weet nog dat ik begon te huilen van verdriet, en je moet weten dat ik nooit huil. Maar het vreemdste was wel dat toen aan het eind van de middag -het zal een flinke tijd na de merienda geweest zijn- de bel een paar keer ging en het de Chinees was, híj het was die praatte en ik niets zei. En je moet weten dat ik, hoe blijer ik ben, des te meer praat. Voor zover ik me kan herinneren was dat de enige keer dat ik niet wist wat ik moest zeggen. De Chinees praatte aan één stuk door. Ik weet niet waarover hij het had. Zo blij als toen ben ik geloof ik van m'n leven niet geweest. Veel blijer dan de Chinees, die niet blijer was dan anders. Hij deed niets anders dan praten, zonder dat hij er erg in had. Hem zo te zien vond ik het allerleukst. Maar dat is ook niet helemaal waar. Ik heb er maar niets van gezegd, want ik wou niet dat hij anders zou gaan doen, dat hij een kleur zou krijgen en z'n mond zou houden. De Chinees wordt vaak rood, terwijl ik nooit een kleur krijg. Hooguit wit van woede, net als de Cid, om rechtvaardige zaken. Dus niemand praat zomaar. Maar tot die tijd had ik altijd gedacht dat je de dingen niet ziet als je er niet over praat. En dat je dat wat je in stilte voelt niet echt voelt. Nu snap ik dat ik het mis had en dat je alle dingen kunt zien en voelen ook al ben je doofstom en nog blind ook. Dat wel: als de dingen maar gebeuren. Dit alles vertelde ik aan Belinda op een morgen dat ik verkouden was en niet naar school ging. Ik was op de helft en ik zie al dat de dikke tranen haar in de ogen schieten, net als wanneer ze uien snippert. En omdat Belinda hoe langer hoe harder gaat huilen totdat haar hele schort kleddernat is, stopte ik om te kijken of ze ophield. Omdat ze ondanks alles niet ophield, vroeg ik haar hoe het nu toch kwam dat ze moest huilen. Ze zei dat ze huilde van emotie omdat ik net zo praatte als pater Serafín, een kapucijn die haar altijd de biecht afneemt als ze op een slechte manier aan don Rodolfo heeft gedacht.


Naar de MKW-beginpagina