de Zetel van de Ziel
Zweven naar nergens
Update, 29 februari 2004

| Animula vagula blandula, | | Mijn lief dolend zieltje, |
| Hospes comesque corporis, | | Logé en makkertje van mijn lichaam, |
| Quae nunc abibis in loca | | Je gaat nu naar een plek, waar je |
| Pallidula rigida nudula, | | Bleekjes, stijf en weerloos zult worden |
| Nec ut soles dabis iocos! | | En nooit meer grapjes zult maken, |
| | | Zoals je altijd doet. |
| P. Aelius Hadrianus | | Romeins keizer, AD 117-138 |
Dit verhaal speelt zich af op een eiland in Wales met een klooster, een boerderij en een wonderbaarlijke bron. Novicen koesteren overspannen geestelijke aspiraties; op de slaapzaal praten de boerenmeiden na het oogsten met elkaar over hun seksuele fantasieën en over vliegen.
De abt brengt zijn tijd aan de snijtafel door, in de ban van een even wanhopige als macabere speurtocht naar de zetel van de ziel; de zaakgelastigde van de bisschop, op zoek naar vermiste pelgrims, is bezig het eiland om te spitten.
Op de ochtend na de beproeving van een novice komen vrouwen naar het slaapvertrek toe met een scherp mes en kommen heet water. Op het hoogtepunt van het verhaal steekt de abt een preek af tegen het verlangen om te vliegen.
Oorspronkelijke titel: Flying to nowhere, John Fuller, 1983
Vertaling: 1999 © 2002 Ronald Langereis
'De zetel van de ziel'
|