Wimpie Heins mag op moeders schoot zitten vanwege de foto.

 Autobio 
 Wim Heins 

(Inrichter van de website KijkAan.nl)
Na het klikken op een link hieronder kan men teruggaan naar dit onderdeel via de knop Vorige (Terug, Back).

Wim Heins in 2005 te Amsterdam.

Dank aan God voor geboorte Wilhelmus Heins in 1950.WELKOM OP DEZE AUTOBIO
Geboren 19 maart 1950 om 14.15 uur lokale tijd (=13.15 GMT)  in het Wilhelmina Gasthuis (4 graden 52 min. ooster-lengte, 52 graden 22 min. noorder-breedte) te Amsterdam. 
Astrologische gegevens: klik op de beschrijving door dra. Fokkelien von Meyenfeldt:
HOROSCOOP van Wim Heins.
Beroep: Uitzendkracht.
Klik hier voor:
zakelijk CV.
Levensgevoel: de levensdrift is op zoek naar aanvulling vanuit een geloof in gelukzaligheid. Van een koude kermis thuisgekomen viert de doodsdrift automatisch hoogtij. Levensdrift hoopt op echtheid, doodsdrift weet van fake.

 

Herman Heins neemt een duik in de natuur (vader van Wim Heins). Immy Oostervink doet uitgelaten.


DAGELIJKS GESTERNTE
Hierboven links mijn vader Herman Heins. Rechts mijn moeder Immy Oostervink. Zij kwam ter wereld in Amsterdam samen met een tweelingzus, op de verjaardag van haar vader: 8 april 1924.
Immy Oostervink volgde de bewegwijzering des levens, uit vrees dat door het ingaan tegen anderen haar wereld in zou storten. De schone schijn van koek en ei camoufleerde haar verzuim anderen te confronteren met ware gevoelens en maskeerde haar geremdheid voor lichamelijke affectie. Haar aanhalingen waren een nabootsing van hoe zij dacht dat het hoorde, maar voelden plagerig aan voor mij en mijn broer, omdat zij haar warmte erin tegenhield. Ik wist niet hoe ik het had toen een kleuterjuf me op haar schoot trok. "Hou je nog een beetje van me?" vroeg ze. Ik zei: "Nee! Heel veel!"
Daarna ving het wachten op verbondenheid meteen weer aan, in een eindeloos perspectief, zoals wanneer je twee spiegels tegenover elkaar houdt. Ongedwongen knuffelen kon mijn moeder wel met haar derde kind: een dochter. Die werd echter opgevoed "of zij op gouden eieren liep", schreef mijn moeder mij kort voor haar dood.

Immy Oostervink, moeder van Wim Heins, in 1965.

Mijn moeder is 57 jaar bang geweest dat mijn vader een hysterische aanval zou krijgen. De eerste huwelijkshelft leek gelukkig. In het nette gezin kwamen natjes en droogjes volgens de weersverwachting. Mijn moeder sprak wel eens uit dat ze hield van haar man (zij knuffelden zelfs stiekem). Voor zijn gevoel was zij verantwoordelijk als bron van het geluk: problemen waren in zijn denken dan ook taboe.
Ontgoochelend genoeg voor hem werd zij na haar 50e echter
feministe via een cursus Engels in het Vrouwenhuis, en haalde op haar 66e zelfs het Mavo-diploma. Zij begon haar individuele ikgevoel  te versterken buiten haar echtgenoot om, van wie zij ook niet alles meer klakkeloos slikte. Hij echter meende dat zij contractueel altijd alles  samen zouden doen. Toch vergezelde hij haar niet als zij met knikkende knieën haar weg zocht naar humanistische lezingen en bewustwordingsgroepen. Aangezien hij gekant was tegen probleembenadering, en het hem belgde (erger: deprimeerde) dat zij niet onbedingd op haar post was aan zijn zijde, geraakte mijn moeder ingeklemd tussen de spanningspolen van haar eigen ambities enerzijds, en anderzijds de angst dat mijn vader diens lang verwachte hysterische aanval  kreeg.
De Jaren 70 hebben haar veel handreikingen geboden voor emancipatie en kentering. Zij kwam toen geregeld op mijn kamertje boeken uitzoeken over gevoelens en problemen. Dit leidde tot een verdiept praatcontact, ook in de huiskamer beneden. Mijn vader had een felle afkeer van psychologie, en om het erger te maken kwam er later nog bij: para-psychologie. Hij trok zijn horizon als een knevel om zich heen, deed of hij las, maar kon een badinerend snuiflachje tijdens onze gesprekken soms niet onderdrukken.
Mijn vader was de kampioen van de misprijzende uitlating en een kei in het ontkennen van iemands waarde. Hij voelde drukkend dominant aan voor zijn omgeving, doch tevens afwezig, passief agressief schuld eisend, zwijgend.

Ik kreeg het gevoel dat mijn moeder na mijn 30e waardering naar mij trachtte op te brengen voor twéé. Zij nam geestdriftig en achtzaam notitie van mijn manoeuvres en kwam steeds duidelijker uit de verf als een leuke vrouw. Met haar kon je zelfs tot huilens toe lachen. Typerend voor de verhoudingen is een dagboekfragment anno 2000 over beoogde gezelligheid op een begrafenis.
Ik voelde mijn vader als de dood en mijn moeder als het leven; aspect (van haar intelligentie?) was dat zij zich in mijn vaders bijzijn kon voordoen als debiel. Hij vergunde haar niet de door haar gewenste euthanasie. Zij beantwoordde derhalve aan zijn om wens zich te laten oplappen totdat zij bezweek op het toilet.
Op 3-11-2006 viel de celdeur van haar aardse bajes open.

Hieronder mijn overzichtsfoto van oudejaarsavond 1964. Toen mijn ouders dit huis begin 21e eeuw verlieten, zat ik op de ochtend van de verhuisdag in deze kamer voor het laatst het ontbijt te gebruiken, met mijn moeder. Zij zweeg een tijd en zei plots: "Je komt uit een ráár nest. Maar het kòn erger."

Oudejaarsavond 1964 op de Josephus Jittastraat, foto: Wim Heins.

Rechts mijn moeder, links op de rug gezien mijn vader, die haar broer Piet uitleg geeft over een recente uitvinding: de transistor; naast hem in zijn bowl blikkend wijlen broer Cor (1954-1989).
Mijn vader Herman (van 30-8-1923 tot 14-12-2009) was 43 jaar lang elektrotechnicus en verzot op de natuur, met name op vogels. Hij las mij als kind veel voor, organiseerde leuke gezinsvakanties en bevestigde mijn technische affiniteit. Zelfs metafysische vragen waren bespreekbaar zoals dat de eeuwigheid niet alleen eindeloos is in de richting van de toekomst, maar ook naar het verleden toe en steeds verder teruggaat zonder ooit aan een begin te komen. Een beklemmend beeld van tijdloos wachten op de aanraking van verbondenheid, op de voltooiing die het ontbrekende heelt.
Tot de puberteit probeerde ik mijn vaders gunst te behouden door me aan te passen (hij schonk kinderen graag grootmoedig aandacht) en tevens uit angst (dat hij zijn driftige autoriteit zou doen gelden).
In een diepere laag wachtte ik er altijd op om te worden geaccepteerd in mijn anders-zijn.
Naar bleek had hij het nodig dat ik, eenmaal opgegroeid, zijn levensstijl navolgde, doch er was geen sprake van dat ik hem dit kon bieden.
Mijn jacht naar vrij onderzoek, met name voor de productie van creatief proza, zag hij als tijdsverspilling en als verzuim nuttige doelen te kiezen. Wellicht voelde hij mijn levenswandel als misbruik van de door hem geboden faciliteit om op de wereld te zijn.
Mijn ideaal was een geestverwant en gelijkwaardig tweerichtingsverkeer, waar hij op zijn beurt evenmin aan kon noch wilde beantwoorden, in tegendeel. Toen ik eens vroeg hoe het met hem ging zei hij: "Dat kan je wel nagaan." Een vriendin reageerde later: "Waarom zei je niet daarom vráág ik het juist."
Tijdens het onpersoonlijke eenrichtingsverkeer in zijn bijzijn heb ik me als volwassene onbehaaglijk gevoeld. Niet alleen wegens ontbreken van gemeenschappelijk beleefbare gevoelswaarden, maar vooral omdat ik bij hem geen bestaanserkenning voelde voor wie ik was, doch ontkenning als normaliteit.

Gelukkig had iemand met een "vaderprotest" volgens Simon Carmiggelt  (zelf leed hij hier juist niet aan) goede kansen als schrijver.
Het vaderprotest is overigens door mij tot en met mijn 20e nauwelijks bewust gevoeld. Wel was ik toen reeds psychologisch bezig, en gestart met de exploratie en mogelijk restauratie, van mijn diep minderwaardig voelen.
Dit complex omschreef ik als een fundamenteel gevoel over jezelf. Omdat minderwaardig voelen mijn diepste eigenwaarde vormde, bouwde ik aan een modus vivendi om van dag tot dag te gaan overleven via een nieuwe persoonlijkheidslaag. Deze diende om me constructief te verhouden tot de omgeving en om daar bestaansrecht aan te ontlenen. Ik kan namelijk geen bestaansrecht aan mezelf geven net zomin als dat een suikerzieke ineens insuline kan aanmaken, zelfs niet met visualisaties of vibraties uit een NewAge-therapie. Door te gaan 'werken aan mezelf' stond ik toen reeds haaks op mijn vaders mentaliteit. Want mijn vader benaderde een probleem moralistisch teneinde te komen tot een gezaghebbend goedkeuren of veroordelen, terwijl ik een vorsende doorvrager en doorzager ben, spittend naar de verklaring.

Aangezien mijn zelfgevoel in het begin van mijn leven een defect kompas vormde, moest ik navigeren op mijn kritische verstand, dat mijn beste vriend werd terwijl ik mijn weg zocht naar verbondenheid. In beginsel start ik elk contact met de schone lei van vertrouwen, en tracht daar aan vast te houden. Maar zelfs mijn eigen moeder bleek me tenslotte te verraden, dus per saldo vertrouw ik niemand, ook mezelf niet, op mijn bewuste wil en verstand na.
Ik voel me in mijn leven doorgaans alleen staan en geïsoleerd van familie, sociale netwerken, voldoende gezonde contacten met normale volwassenen, van communicatie met de buitenstoffelijke wereld en zijn helpers, van het transcendente en ik voel me niet thuis in de huidige cultuur van mijn eigen land.

Dagboeken ben ik gaan bijhouden na mijn 20e omdat ik voordien geen goede zelfreflectie had en geen juiste oriëntatie op wat relevant was om te noteren. Gedetailleerde beschrijvingen als kleuter of scholier heb ik dus niet gearchiveerd. Maar bij het mondeling of schriftelijk ophalen van herinneringen heb ik levenslang wel gehoord dat men versteld stond over mijn geheugen. Blijkbaar bleef ik niet onverschillig bij wat ik waarnam (het anekdotisch detail trof me), zelfs als ik op dat moment geen bewuste impuls had om er aandacht aan te geven. Reeds als vijfjarige kreeg ik te horen zo verrassend goed te kunnen onthouden, over de reeds afgelegde vijf jaar welteverstaan. Ik dacht toen: dat is maar goed ook, want dan kan ik het onthouden tot ik het op kan schrijven. Dit gebeurde echter later dan gedacht. Door mijn wel opgeschreven dagboeken (jaren later herlezend) en avonturen weet ik wel beter aangaande mijn geheugen, oftewel hoeveel er juist uit mijn parate herinneringsvermogen verdwijnt! De schrijfdrang heeft als diepste impuls het zoeken naar een vervullende verbondenheid.

Schrijfideeën vastleggen was rond 1980 voor mij de hoofdreden om aan een computer te beginnen.
Ik vroeg me namelijk nooit af waarom ik zo'n goed geheugen had, maar juist waarom het zo gebrekkig was. Mijn
archiveringsgedrag is dan ook een levenslange strijd tegen het vergeten.
Tegelijk was het registreren van levensinformatie via technische middelen altijd een passie, alsof het geregistreerde ooit nodig zou worden, zoals bij een eekhoorn die eikels verstopt voor de winter. Eigenlijk denk ik dat het voor mijn onbewuste een doorverbinden van de tijd is om te overleven in de onverbondenheid tussen geboorte en dood.

Dusdoende was ik rond mijn 20e overgegaan tot een leefwijze waarin ik het werken als uitzendkracht, afwisselde met tijdrovende projecten uitgewerkt op mijn kamertje boven.
Mijn moeder vond het gezellig als ik overdag thuis was (ik kon kostgeld blijven betalen uit mijn opgespaarde reserves) en mijn vader zat op zijn werk.


Immy Oostervink en Herman Heins met zoon Wim Heins in 1952.
GELOOFSKOMAF
Nederlands Hervormd en
Sint Nicolaas. Mooiste lied: Hoor de wind waait door de bomen. Aan het sinterklaasgebeuren beleefde ik mijn sterkste gevoelens van verbondenheid in eigenheid.
Namelijk met een fractie van de moeite waarmee men trachtte
liefde aan te kweken voor God de Vader en zijn jongeheer Jezus. Ik heb ook als kind nooit affectie gekoesterd voor deze twee.
De godsdienst hanteerde zonden die eerst werden aangerekend en vervolgens (tegen voorwaarden) vergeven. Volgens mijn vader kon God je zonden die Hij noteerde in Zijn opschrijfboek, zomaar doorkrassen en vergeven. Zonder enig vermogen tot bewustwording, laat staan tot benoemen van gevoelens, heb ik me onwillekeurig als kind door deze leer verdacht gemaakt gevoeld. Maar niet echt verkracht: daarvoor was de geloofskliek blijkbaar net niet tiranniek genoeg. Wel paste de bovenbouw van zondebesef als een deksel op de diep verzonken neurotische onderbouw, de zelfbeleving van onmacht en onwaardigheid, van alleen staan in onverbondenheid.
De geloofsleer over Sinterklaas, die net als God ook een boek had over je gedrag, was mij sympathiek. Mijn chemische reactie op de kerkelijke leer was:
godsdienstafkeer.
Als ikzelf het begrip 'God' zou hanteren ter benadering van de werkelijkheid dan zou ik me ook zeker niet aangetrokken hebben gevoeld tot een mannelijke God de Vader. Als schoolkind werd ik altijd min of meer verliefd op de onderwijzeres. Ik probeerde ook een keer me idolaat te voelen over Jezus, zoals normaal scheen te zijn, maar nee dat voelde niet interessant.
Hetzelfde gebeurde in de vijfde klas toen ik voor het eerst een meester kreeg. Tot mijn verrassing werd ik daarop niet verliefd.



Ongetwijfeld had mijn hart kunnen breken als Jezus aan het kruis een vrouw was geweest!
Die zou ook nooit een leger boze geesten (Lucas 8:30) hebben afgestuurd op een kudde lieve varkens maar de demonen hebben willen helpen in plaats van voor dierenbeul te spelen, meende ik als kind.

Hoe minderwaardig en beschaamd ik me ook voelde, van schuldgevoelens had ik nimmer last, want hoewel zonder eigenwaarde kan je nog wel je eigen normeringen hanteren en dus geen agressie tegen jezelf plegen vanuit een externe moraal. Het godsgeloof wekt op tot bekering, net als de reclame, door voortdurend privégevoelens te benaderen met een soort ongewenste intimiteit. Men is
niet OK behalve als men het product aanneemt. Logisch dat gelovigen zeggen: voor God zijn alle mensen gelijk. Inderdaad zijn eenheidsworsten wel gelijker dan individualisten. De laatsten komen daarbij alleen te staan, mede te wijten aan hun intelligentie.
"Het bloed der martelaren is het zaad der kerk". Uiteraard bewijst het hardnekkig ijveren tegen abortus, condooms, homoliefde en stamcelselectie, wat werkelijk het zaad is der kerk: sperma.
Is voortplanting het doel van sex? Ik voel meer voor het omgekeerde: het doel van voortplanting is sex. Als ik reïncarneer kom ik terug voor erotiek.
In de Jaren 70 werkte ik aan een vergelijking tussen Mein Kampf en de Bijbel, maar die kwam nooit af.



De voetbalgodsdienst bestond totaal niet in mijn ouderlijk huis.
Deze cultus heeft mij later ook nimmer een bal kunnen bommen, omdat het mij geen relevante sensaties oplevert. Ik ben er zelfs trots op dat ik ook de regels niet ken. Met de bal in het doel schieten we naar mijn gevoel niets op. De kunstmatige blijheid over doelpunten is een sensatie die ik dus mooi mis. Ik heb geen idee wat het oranjegevoel voor mannen betekent. Zal ik mij laten nakijken? De saamhorigheid van thuishoren bij dezelfde stoere helden zou mijn hunkering naar verbondenheid prachtig stillen, maar helaas: ik begrijp niets van het hysterische autogetoeter als teken dat Nederland nog niet heeft verloren, bij elk kampioenschap weer overdrevener. Een "belangrijke voetbalwedstrijd" is voor mij een contradictio in terminis.

Het verafgoden van godinnen bestond in mijn komaf evenmin, maar deze religie nam ik van nature jong ter harte, want nog voor ik kon schrijven dicteerde ik mijn moeder een liefdesbrief aan kleuterjuf Vingerhoed.


Immy Heins en Sint Nicolaas, foto: Wim Heins.

Heel vroeger had ik een acht jaar jonger zusje (Immy, geboren 22-2-1958, zie boven) en een vier jaar jongere broer Cor van 21-5-1954. Ik zag mijn broer één keer met een vriendin, namelijk op Oudejaarsavond 1983, maar dat was een verklede man.
Cor wees mij later af; hij vond mij: te rationeel.
Hij werd schizofreen en hing zich op te zijnen huize.
Op 30 mei 1989 volgde zijn
uitvaart naar het crematorium.
Mijn ex-zus haakte na haar 33e ook af: wegens een autoriteitsconflict tegen mijn te belerende persoon, maar zeker weet ik dit niet, want zij was te recalcitrant om te willen uitleggen waarom zij in de contramine was. Ik kwam er dus nooit achter, want als evenbeeld van haar vader bediende zij zich van eenrichtingsverkeer.
Mijn biologische vader, die mij een bad boy vond, schonk het moederlijk erfdeel (10.300,= euro) na de dood van zijn vrouw geheel aan mijn ex-zus.

In de Jaren 70 waren mijn broer, zus en ik evenwel drie handen op één buik tegenover het ouderblok in een soort koude oorlog.
Ik stond op de bres om het provocerende meisje te beschermen tegen de hysterische driftaanvallen van haar vader.
Een kwart eeuw later was er een ouderblok samen met mijn ex-zus, voor wie partij werd gekozen ten behoeve van de koek en ei, gesteld tegenover mij.



DAGELIJKSE FEITEN
WOONBUURTEN
We groeiden op in Amsterdam West. Eerst de Bos en Lommer buurt; ik zat bij juf Zurcher o
p Kleuterschool 'Hertspieghelweg'. Klasgenoten die de bouw in 1948 willen zien of er naar binnen gaan kunnen op de foto klikken:

Herspieghelweg Kleuterschool van Wim Heins, jaren 50.
Ook kan je uit later tijden nog getuige zijn van een
sentimental journey naar de kleuterschool.

Bij de lantarenpaal op de foto kwam elke dag een hond zitten huilen, in de verte turend naar iets wat blijkbaar was weggegaan maar misschien toch ooit terug zou keren als hij maar lang genoeg jankte en wachtte. Ik vond dat de huilende hond de eindeloze tijd overbrugde naar het weerzien van een verloren eenheid.
Onderstaande impressie die ik in 1970 maakte van ongeregeldheden te Amsterdam laat in de tweede helft de "Luilakviering" zien op de Bos en Lommerweg. Zelf woonde ik toen al niet meer in deze buurt.

 



Op mijn 8e jaar in 1958 verhuizen we naar de westelijker tuinstad Slotermeer.
Immanuelschool: gek op de onderwijzeres Dea Ubbels (met wie ik zelfs levenslang fietstochten bleef maken).
Onderstaande luchtfoto van woonbuurt nam ik vanaf het flatgebouw langs de Haarlemmerweg, winter 1962/63 met een Box Tangor.


Josephus Jittastraat 1963, woonbuurt van Wim Heins.


In 1968 vervaardigde ik een impressie van Amsterdam West met een Russische dubbel-8 camera en losse bandrecorder, waarin veel beelden zitten van Slotermeer. In het midden de thuiskomende schoolreisbussen van de Immanuelschool:



Op mijn tiende was ik me goed bewust geworden in elk hier en nu een onderhuidse onvrede en onvervulbaarheid te ervaren. Ik besloot dat in het gevoelde gemis voorzien moest kunnen worden omdat je niet kunt verlangen naar iets wat niet bestaat.

LEVENSDOELEN
Ik zocht genoegdoening via individuele zelfexpressie, waardoor ik hoopte over te komen als bijzonder, bijvoorbeeld als ik met Kerst de lampen in de lantaarns rood schilderde of lanceringen aankondigde van raketten die echter niet serieus genoeg waren om ook te functioneren. Ik wilde me verbonden voelen, dus erbij horen, maar wel door anders te zijn.

Anders zijn ook een manier om erbij te horen


Geleidelijk stapte ik over op het vervaardigen van zelf gedrukte huis-aan-huis krantjes waarmee mijn grondpatroon om op te vallen met maaksels van eigen hand, reeds zonneklaar bleek.
Aanvankelijk moest ik mijn drukletters zelf moeizaam uit linoleum snijden en afdrukken met Ecoline. Maar weldra beschikte ik over een echte stempeldoos, waarmee het drukken van complete verhaaltjes toch hard werken betekende, zoals voor deze bladzij uit de "Kerstkrant 1962":

Kerstkrant 1962, huis aan huis verspreid door Wim Heins.

 



Wim Heins in 1964.Deze website is de futuristische vorm van hetzelfde behoeftepatroon, al had ik als 12-jarige moeilijk kunnen dromen dat mijn Kerstkrant de volgende eeuw wereldwijd zichtbaar kon zijn (wat een sensationele toekomstmuziek).
Ik verwierf met mijn bijzonderheden een gunstige identiteit bij de buurtkinderen. Maar omdat mijn vader als kind was gepest verbood hij me om nog langer krantjes te drukken, waarna ik overschakelde op ondergrondse illegale pers.

Ik ben een bezige duizendpoot die zich nooit verveelt maar... in een diepere laag verveel ik me juist de hele tijd, omdat ik daar ervaar niet verbonden te zijn met iets wat voor mijn gevoel zou moeten bestaan.
Ik voel me een parachutist, gedropt op aarde, bezig zijn eenheid terug te zoeken met ijverige interesses, maar altijd met een dieper gemis naar iets ongrijpbaars, en me voortdurend afvragend hoe mijn leven eruit ziet vanuit de fijnstoffelijke-, astrale- of nog hoger bewuste wereld, die ik aanwezig veronderstel als mijn ware mijn komaf.

Emotionele erotische verbondenheid met een geliefde geeft verlichting. Verlichting maakt de levensdrift verslaafd, maar liefde leidt vroeg of laat tot pijn, voor één of voor allebei. En soms als persoonlijke patronen niet op elkaar passen kan een relatie onuitvoerbaar worden, hoezeer ook geboren uit liefde, die echter niet per definitie overwint.
Het blijven koesteren van een verloren grote liefde, gevoeld als de realiteit van een brandmerk, is voor mij beter dan doorleven zonder dat ideaal. Oog in oog met het niet meer verbonden zijn, sta ik in de krochten tussen levensdrift en doodsdrift.
Ik vind ongeluk veel gegronder dan geluk. Geluk is een wispelturig meisje dat in de wieg ligt om dood te gaan, maar ongeluk is een dikke luie jongen met varkensoogjes, die eindeloos de tijd heeft om te treiteren. De goden heffen je op in geluk om je des te harder neer te kunnen smakken, staat ergens. De verdrijving uit een paradijs verwekt bij mij natuurlijke doodsdrift.

Ik voel het als grondideaal van mijn karakter dat ik er altijd wil zijn voor wie ik me in liefde verbond, zelfs wanneer zij door een Boze Heks is omgevloekt tot schorpioen.

Onvoorwaardelijke liefde als karakterideaal.

Het ideaal hoewel onhaalbaar van onvoorwaardelijkheid, vervangen door onverschilligheid, zou voor mij betekenen dat ik niet langer besta, wat erop kan duiden dat ik spiritueel gesproken niet weet wie ik ben, maar wel wat voor IK ik heb, en hoe ik het ontbrekende bestaansrecht alsnog construeer.

In mijn jeugd hoopte ik als schrijver een sfeer te kunnen neerzetten zo voelbaar dat je erin wil wonen, teneinde mij verbonden te voelen. Maar omdat ik zulke sferen in mijn leven uitgerekend juist moeilijk kon ervaren, was het een denkfout deze wel voorhanden te zullen hebben voor de schrijfkunst.
Als schrijver moest ik alle sferen en gevoelens via
dagboeken, systeemkaarten en later de computer registreren. Archiveren doe ik eigenlijk uit hoogachting voor het leven. Talent om het leven sensitief te doorvoelen en te beschrijven, zat evenwel maar karig in mijn levensbagage. Met mijn ambachtelijke strategie dreigde mijn verhalen dan ook gekunsteld te worden en het schrijfproces vond ik eigenlijk rotwerk.

 

De Klepel, schoolkrant van de Prof. G.v.d. Leeuw-Mulo.Maar dat wist ik nog niet vanaf mijn 14e (1964), toen ik me als compensatie voor de onvervulbaarheid, stortte op publiceren (schrijven en fotografie). Eerst allicht in de Schoolkrant De Klepel op de Slotermeerse Leeuwmulo te Amsterdam, en weldra in de huis-aan-huis kranten zoals het Wierings Weekblad (heet thans 'Amsterdams Stadsblad').


Niemand vroeg mij om dit te doen. In tegendeel: men achtte het schrijven nadelig voor mijn 'toekomst'. Die had ik zelf onder meer bestemd voor het beroep van leraar Nederlands, maar die studie viel me na twee jaar te zwaar. Niettemin dwong de uitkeringsinstantie me in de 21e eeuw om
tweedetaalonderwijs (NT2) te gaan doceren aan klassen migranten. Deze rolbeleving vormde nog een vacature in mijn hoofd.
Ik voelde het zo: men
is geen schrijver omdat men het wordt, maar men probeert het te worden omdat men het onvrijwillig is.
En bij mij zònder familietraditie! Maar wel had mijn moeders vader ver voor mijn tijd het leven geschonken aan een lezenswaardig en aangrijpend
Oorlogsdagboek.

Wiskundeleraar Dorland: "Wim Heins doe
die camera weg!"

Wiskundeleraar Dorland op de Leeuw-Mulo in 1965.


In 1967 eenmaal van school verwijderd wegens tekenen van een subtiele naaktstudie werd ik loopjongen bij reclamebureau Recla. In deze functie was ik uiteraard even goed op de hoogte als de directeur. En hoezeer ik reclame later ook haatte, de prostituees uit de eerste Ster-reclames vind ik nu feeëriek. Zij verhouden zich als een beschavingsoffensief tot de harde types van de latere verhorkende en verhufterende era.

Tegeltekst op het standbeeld voor Simon Carmiggelt.

Ik benutte elke gelegenheid of ziekteverlof om niet in loondienst te arbeiden maar in onderstaande werkhoek van beginnend auteur.

Schrijvershoek van Wim Heins midden jaren 60.Mijn held?? Simon Carmiggelt, want die mocht full-time betaald op pagina 3 van Het Parool elke dag rechtsboven een cursief produceren!
Dit leek mij het hoogst bereikbare, niet beseffend dat ik later zelf een geheel
arbeidsloos inkomen zou verwerven, een zogenoemd minimum, dat echter vijf maal forser was dan mijn eerste hongerloontjes, waardoor ik nòg vrijer leefde dan mijn jeugdheld zelf!

 

Simon Carmiggelt, standbeeld Amsterdam.

 

Tot publicatie van boeken wist ik het niet te schoppen, want de vuistdikke manuscripten kwamen met vaste prik van de uitgevers als een boemerang retour. Maar losse flodders heb ik bij honderden gedrukt gekregen.
Naast schrijven stonden op mijn levenslijstje
parachutespringen, vliegen, filmen en "mijn karakter veranderen". Op allerlei gebieden heb ik me grondig trachten in te werken, maar tot een bepaalde grens uit angst om gevangen te raken. Ik was een mini-pilootje, een mini-cineastje, een mini-(bus)chauffeurtje, een mini-schrijver, een programmeurtje, een fotograafje, en een mini-lesgevertje Nederlands. Het lijkt net speelgoed, maar het was toch echt.

Wim Heins wordt alsnog lesgever Nederlands in de 21 eeuw.
Wim Heins geeft Nederlands



Logo van Studentenweekblad Propria Cures door de eeuwen heen.Herfst 1983 bracht ik het dankzij de
lofzang op een rijpe vrouw tot winnaar van de Keefmanbokaal, uitgereikt door de schrijver A.Moonen die op dat moment net niet psychotisch was.
De Keefmanbokaal wordt beschikbaar gesteld door het satirische weekblad
Propria Cures (PC), ter meerdere glorie van Jan Arends, schrijver van "Keefman" (1972), geboren 13 februari 1925, en uit het raam gesprongen 21 januari 1974.
Hoe (on)denkbeeldig deze wanhoopsdaad kan worden moge blijken uit mijn overzicht van 13 jaar inzenden naar PC (een kroniek van literaire mislukkingen vol tips voor beginners), als bijdrage aan het
Eeuwnummer van Propria Cures.

A.Moonen overhandigt Wim Heins de Keefmanbokaal 1983. Wim Heins mag de Keefmanbokaal vier jaar houden.

Volgens het Letterkundig Museum in Den Haag heb ik nog een heleboel andere literaire prijzen gewonnen.

 

Wim Heins als twintiger had zijn pen altijd paraat.Onder alle omstandigheden hield ik een ballpoint bij de hand.
Bleef gedurende 13 jaar beroepsuitzendkracht, meestal op taalgebied, als secretaris, maar ook als
vrachtwagenchauffeur.
Bij de laatste uitzending trad ik, tegen mijn gewoonte, in vaste dienst bij een stichting voor 
drugshulpverlening: "De Gele Wagen".

 

 

Als stafsecretaris, bedrijfswagenbeheerder en automatiseerder combineerde ik tal van kunsten in een flexibele bedrijfscultuur. Zo had ik onder meer de vrijheid om een personeelsblad Onder de Klaproos op te richten, dat als eenmansproject voortreffelijk ruimte bood aan zelfexpressie. Deze maal niet dankzij een stempeldoos, maar door middel van één der eerste microcomputers en een stencil-inbrandmachine. Ik kreeg nu de vrijheid om mezelf in de baas zijn tijd als journalist op reportage te sturen en solide artikelen te schrijven.
Klik erop:

 

Onder de Klaproos, personeelsblad door Wim Heins.

Voor mijn gevoel was deze langdurige vaste baan bij drugsstichting de Gele Wagen ook een uitzending, alleen wat langer, net als het leven op aarde in zijn geheel.
Mijn
eigen druggebruik bleef bescheiden; wel rookte ik soms sigaretten, zoals van Belinda.
Wat betreft de epidemie der lawaaiverslaving: ik heb me in die periode ontwikkeld tot hater van geestelijk gestoord rioolgeluid uit luidsprekers; dreinende treitermuziek overschreeuwd door zogenaamde 'deejays', de holle halfgoden van de funcultuur. Als beroeps-stalkers de vijanden van
Stilte. Standaard moderne volksmuziek klinkt in mijn oren als het geluid van mensen die doorschreeuwen en doortrommelen terwijl ze op de pijnbank liggen te braken. Dit geluid beangstigt me enorm door gevoelens van intense onverbondenheid.


MUZIEKFOLTER
De Dood is minder erg dan Popmuziek.
Van kogels word je niet zo geestesziek.
Want als je voor de lopen staat
en als de commandant roept: VUUR!
weet je meteen hoe of het met je leven staat
voorbij de miezerij der popcultuur.

 

Uit "bijna-dood-ervaringen" rapporteren onverhoopt teruggekeerde "doden" tijdens het overlijden soms een akelig gegons, een luid gerinkel, onaangenaam geraas, geklik, een onbehaaglijk gedreun (Leven na dit Leven, Moody 1975) gevolgd door uittreding via een tunnelervaring. Je zou dus kunnen samenvatten dat de dood voor hen gepaard gaat met popmuziek.
Gelukkig ervaren anderen tijdens het stoffelijk bezwijken "een soort vorstelijke, wonderschone muziek" (blz. 31).
Stilte is de tegenfase van beweging daar alles een ritme heeft, denk aan lopen. Het ligt zo dat ik in echte muziek een vorm van "respect" hoor ten aanzien van een oriëntatiepunt dat ik stilte vind. Popmuziek is weliswaar geluid (ritmische trilling) maar vloekt met het stiltepunt en is voor mij dus geen muziek maar lawaai, dat echter voor hele volksstammen de norm is, maar voor mijn gevoel een succes van de duivel. Het ware dan ook ter verklaring van dit fenomeen handig geweest als ik in de satan geloofde.
Deze ontaardende popcultuur beangstigt mij uiteraard met een diep besef van onverbondenheid en verkrachting.
Omdat ik op de werkvloer niet tegen de popzender kon nam ik
in 1989 een afvloeiregeling te baat waarna ik gretig van een uitkering genoot.

Nu was de tijd rijp om mijn
vliegbrevet te halen op Vliegveld Lelystad, waarna ik velen heb gevlogen over land en over zee.

 

Wim Heins als piloot voor de Piper Cadet van HeinsAir.

 




ONDERZOEKER
Onderzoek naar het wezen van de mens hield mij van jongsaf danig bezig en aanvankelijk gokte ik dat de gouden sleutel tot doorgronding lag in
grafologie. Winst hiervan: software als hulp bij een handschriftanalyse (Grafocom).
Later ging ik op verkenning naar meditatie en paranormaliteit zoals spiritisme en heldervoelendheid.
Ik sympathiseerde welwillend met het New Age-geloof dat uitgaat van een eeuwige levensbron, als leeg projectiescherm waarop alles wat verandert zich afspeelt, oftewel de oorzaak van de eigen schaduw vormt (Plato). Anders gezegd: het onbedingde waaruit alle dingen zich manifesteren, het transcendente Zelf, de diepste ongedeelde verbondenheid, maar... ik gebruikte deze begrippen zelf helemaal nooit!
Ik heb daar namelijk persoonlijk geen enkele sensitieve ervaring van. En als ik me dus uitsluitend baseerde op mijn eigen belevingswereld dan geloofde ik in "dood is dood". De enige reden dat ik hiervan ben afgestapt is dan ook het raadplegen en gedeeltelijk gaan vertrouwen op bepaalde spirituele bronnen in de vorm van mediums en paragnosten.
Zo heb ik me
bekeerd tot de (re)incarnatie-overtuiging. Ik vind deze weliswaar absurd, maar minder absurd dan andere theorieën. "Dood is dood" vind ik ook wel zinnig maar absurder dan mijn eigen geloof, namelijk dat ik als individu kan bestaan los van mijn fysieke omhulsel.

MIJN BEWUSTZIJN
Ik ervaar dat belevingen in halfbewuste toestand kunnen verkeren, bijvoorbeeld innerlijke nood, die vervolgens aanzwelt tot bewust uithuilen. Ik ervaar tevens regelmechanismen die belevingen op termijn kunnen liquideren, waarmee gezegd is dat ik zelf niet weet hoe ik dit afgrendelen doe.
Bovendien ervaar ik dat belevingen en ladingen vanuit een mij onbekend gebied kunnen worden opgewekt, om vervolgens mijn bewustzijn op dat moment te overheersen. Met andere woorden: ik ervaar dat ik te maken heb met onbewuste lagen die blijkbaar bij mij horen. Ik geloof dus dat ik vast zit aan een ONBEWUSTE.
Maar dit ergert me, omdat ik er geen zicht op heb wat dit met mij doet en wat daarin eigenlijk wordt gedacht. Dit onderbewuste hangt boven mijn hoofd als een zwaard van Damocles.
Daarnaast heb ik ook nog eens te maken met een herinneringsvermogen dat rond mijn vierde levensjaar zomaar vervaagt. Van wat daarvoor was weet ik niets meer! Men doet of dit zo hoort, maar ik voel het als een absurditeit, omdat ik daardoor niet zelf weet waar ik vandaan kom en waarom ik hier ben.
Weliswaar bouw ik een overtuiging op over wat ik noem
transvitaliteit maar eigenlijk vind ik deze toestand een vernedering. Telkens nieuwe levens moeten doormaken voel ik subjectief als een nachtmerrie. Als er een spirituele wereld bestaat die mijn komaf is, dan voel ik me daardoor kwaadwillig verlaten.
Ik heb een boodschap voor hen: ik haat jullie.

Weliswaar heb ik een hang naar het soort mensen dat spiritualiteit bezoekt, daar ik die aangenamer en interessanter vind dan materialistische kleinburgers. Maar hun New Age-items gaan me vroeg of laat de keel uithangen.
Zo heb je het stereotiep dat men helemaal geen traject van A naar B hoeft af te leggen voor verlichting, omdat men reeds over kosmisch bewustzijn beschikt: men is er al. Ik vind dat zo'n flauwe drogredenatie, omdat herhaalde satsangs van een goeroe, zelfs alleen erheen te gaan, alles om maar bewust te worden van het beweerde feit, net zo goed een traject vormen van A naar B, zodat je dus niet kan zeggen B reeds te hebben bereikt. Als spirituelen geestdriftig van zo'n goeroe thuiskomen met dit verhaal, bederven zij en ik elkaars humeur.

Van feitelijke spirituele belevingen (transcendentie, waakdromen, kosmisch eenheidsvoelen, in diepe ontspanning zinvolle beelden zien, meditatie-effect, autonoom zelfscheppend vermogen) ben ik verstoken en daarin dus gefrustreerd, want ik vind dat het eigenlijk bij mij hoort, alleen het is er niet.
Onder spirituelen kan ik ook het gevoel krijgen in een te hoge klas te zitten, wat me depressief maakt, hoewel ik tegelijk de geloofwaardigheid van het gebodene voortdurend in twijfel trek.
Mijn werkterrein is dan ook niet spiritueel, maar psychologisch, daar ik met gevoelsmotivaties en emoties concrete affiniteit ervaar, maar niet met de bewering dat "alles uit het ene" komt of dat mijn ziel voor mijn incarnatie het tijdstip van overlijden heeft bepaald: in dat geval zie ik mijn ziel als mijn potentiële moordenaar.

Midden jaren 90 sprak op de Amsterdamse TV-kabel ene Marie-Louise, een soort Nederlandse Ganga-Ji (nog mooier zelfs). Onlangs heb ik vijf stukken van 10 minuten uit mijn archief van haar op YouTube gezet. Dat leek me een leuke service voor spirituelen.
Hiermede gereed, begon haar ijdele sexy optreden me ineens te ergeren. Daarom heb ik nog een zesde nummertje van haar geplaatst, thans voorzien van tussenbeelden zoals Geert Wilders begin 21e eeuw in een film illustraties toevoegde aan de Koran.

 

 

Ik ga er vanuit dat ik besta met individueel bewustzijn dat na de fysieke dood verdergaat, zeg maar in fijnstoffelijke sferen, tot ik aanloop tegen een gevoelde tekortkoming of hardleersheid, waarvoor deze grofstoffelijke levensschool, met zijn keiharde dwingende drill, de effectiefste training behelst. Tuchtschool Aarde lijkt net een forensische kliniek en ik vraag me af wat ik op mijn kerfstok heb dat ik hier moet brommen. Blijkbaar ben ik ook een recidivist, die door verschillende levens heen wel steeds dezelfde is, maar ook telkens anders, net als bij je vorderingen binnen één levensduur.
Een paragnoste beschreef eens mijn tegenzin op de drempel van mijn huidige incarnatie:
"Alsof je bang was dat de planeet Aarde niet zo'n goede plek zou zijn. Alsof planeet Aarde een plek is van pijn en begoocheling, alsof je dacht dat het toch allemaal niet waar is; een plek waar geen werkelijke warmte en werkelijke liefde bestaat, waar alleen maar illusie is. Alsof een deel in jou ervaringswegen heeft gelopen uit eerdere incarnaties waarin je gewoon allemaal klotelevens hebt gehad. En alsof die herinnering het meest bovenaan is gelegen waardoor je nu op de handrem leeft en alles moet beredeneren."

Wim Heins in 2002 door Sander Smit.
Foto van Wim Heins door: Sander Smit 2002


Waarom er in dit stadium van de eeuwigheid op deze wijze bewustwording of innerlijke groei moet plaatsvinden, is mij dus onbekend. Ik vind het walgelijk en schandelijk. Dat het diepste Zijn Zich van Zichzelf bewust moet worden, via een spel als Auschwitz (aus Witz?), is een aanstootgevende gedachte.
Wim Heins met Super-VHS camera eind 20e eeuw.Maar ik heb een donkerbruin vermoeden omtrent het scenario: dat bewustzijn telkens weer vergeten wordt, waardoor het kosmische circus zich oneindig herhaalt. De thans lopende bewustwording van de mensheid had mijns bedunkens al een eeuwigheid in kannen en kruiken dienen te zijn! Maar als deze inderdaad telkens weer vergeten wordt door het diepste Zijn, dan geeft dat antwoord op de hamvraag: waarom in de eeuwigheid het huidige universum juist nu is ontstaan.
De nachtmerrie is dan deze:
De Big Bang is slechts één knettervonk van een kosmische bougie, waarop nonstop een oneindig aantal vonken en heelallen wordt gemaakt, en in al die vonken zit steeds opnieuw dr. Mengele te Auschwitz, de eigen excessen in Ons Indië, de B52's boven Vietnam en de helse pijnen waarmee elk stoffelijk wezen wordt gebaard.
Als het universum een kermis is dan vormt achterbuurt Aarde het spookhuis. Zoals gezegd hanteer ik ter benadering van de werkelijkheid geen begrip 'God', dat ik als verklaring onzinvol vind (en anti-vrouw).
Ik ben 'niet-theïst' in de zin dat andermans godsgeloof mij niet is toegedaan.
Doch ik acht daarom ook weer niet bewezen, dat er (n)ergens goden of draken voorkomen
(alleen omdat je ze niet ziet). Als zodanig ben ik tevens agnost. In principe zie ik godheden bijvoorbeeld Allah als andermans idee-fixe.
Daarbij beschouw ik mezelf als kosmisch onwetend, omdat ik nooit een soort transcendent kanaal heb kunnen openen, ook niet met '
transcendente meditatie'.

Ongehinderd door mijn
spirituele gefrustreerdheid  heb ik in de Jaren 90 echter meerdere spirituele videofilms vervaardigd, vanuit het Sidhadorp Lelystad, een bolwerkje van spirituele technieken zoals de Transcendente (Diepte) Meditatie.
Ik bezocht ook een video-opleiding bij de Amsterdamse Open Studio waaruit het volgende oefenfilmpje. Samenwerken binnen een camera-team vond ik het moeilijkste wat er bestond en samen monteren helemaal een gruwel, aangezien ik nog eigenwijzer ben dan anderen.

 


 

 

Wim Heins als piloot te Texel in 1993 met Anita de Harde voor een Cessna-150.

Volgens waarzeggers is mijn levensdoel om me met de vrouwelijke, gevoelsmatige wederhelft binnen mezelf te verbinden. Mijn worstelingen hieromtrent staan punctueel in een: therapiedagboek.
Gaat deze zee te hoog, begin dan met een milde vertelling over mijn
eerste therapie. Waag u desnoods aan Erger dan de Kwaal.

In dit leven kwam ik dus bij kennis met een diep ingekankerd gevoel van minderwaardigheid. Aan mij dus de taak te bedenken: hoe kom ik hieraan en vooral hoe kom ik eraf. Aantrekkelijk worden voor vrouwen beantwoordde dan ook niet alleen aan mijn hunkering naar hen, maar was tevens een noodverband voor de negatieve overtuiging over mezelf. Pas na 20 jaar overleven sinds mijn geboorte bereikte ik eindelijk intimiteit, namelijk met De Leeuwin.

Marjan van Leeuwen in 1971 door Wim Heins.
Marjan Lewin
op 29 juni 1971 (eerste liefde) beter bekend als De Leeuwin

Marjan van Leeuwen in 1998 nageschilderd door Frits Lindeman.

Ik heb De Leeuwin in 1998 laten naschilderen door Frits Lindeman

 

Sinds 1975 kreeg ik een langdurige liefdesrelatie met een 29 jaar oudere vrouw, die zich ongelukkig en onwaardig had gevoeld, tijdens een kwart eeuw durend huwelijk, met de verkeerde ideale man. Zij had uitgerekend de vrijheid en bevestiging nodig van een minnaar die haar niet claimde, en met wie ze eindelijk zin had om sexueel op onderzoek te gaan. Met haar was ik zowel geestelijk als erotisch harmonisch, vond een rustpunt, koesterde gelijke interesses en kon even veel aandacht geven als krijgen (bij mij criteria voor een goede relatie). Zowel zij als ik praktiseerden daarbij tegelijk in volle openheid andere verhoudingen.

 

Wim Heins met grote liefde Lineke Drost, jaren 70.

Wim Heins met Goke Kleijwegt.

Er is niets wat me meer betovert dan het verschijnsel of liever de verschijning vrouw.


 
Theo Kars (Alice, de Koorts van het Verstand; De Geisha) noteert in Beschermengelen: "Mannen willen veel verschillende avonturen, vrouwen willen één avontuur dat een leven lang duurt".
Vandaar zeker al die cynische uitspraken over vrouwen: "Een mooie vrouw is een paradijs voor de ogen, een hel voor de ziel en een vagevuur voor de beurs" (Nicolas Chamfort).
Of: "Je kunt een man overal heenleiden, zolang hij maar denkt dat hij jou leidt" (Sophia Loren).

Wim Heins in de Efteling met het hoofd op hol door een gewaande verovering.

Sanderien de Bruin weet om te gaan met Wim Heins.

Wim Heins met een koe als lustobject.
Liefde voor vrouwen

MANNELIJK?
Ik hou dus heel veel van vrouwelijkheid, maar vind ik mezelf eigenlijk zo mannelijk?
Eerlijk gezegd ervaar ik me innerlijk als een vrij jonge jongen. Wanneer voel ik me precies "mannelijk"? Bij stoere prestaties zoals parachutespringen of bevoegdheden halen op rijdend en vliegend materieel? 'k Weet niet, want ik blijf daarbinnen namelijk dat jongetje.
Er is 1 uitzondering: als een vrouw me ertoe machtigt.
Mijn mannelijkheid wordt onmiddellijk vertrapt en verruild voor doodsdrift als een vrouw deze betwijfelt, al is het voor de grap. Maar indien zij mij als man erkent krijg ik ruimte om mezelf als zodanig te beleven en te geven. In feite is zij dan lief voor het innerlijke kind, dat er dan durft te zijn.
Als zij het maar half wil of half meent, als zij aan zichzelf twijfelt en zich daarom spottend voelt, als zij eist en meent dat zij dient te worden gepenetreerd, en deze bevestiging erg van node heeft, als zij geen warmte uit maar verlangt dat slechts de ander tot haar doordringt, als zij met mij als sexartikel feitelijk wil masturberen, dan blijft er voor mij over om met mijn overgebleven warmte vanuit mijn wil te handelen, maar de gebruiksaanwijzing van mijn erectie vormt dan een mysterie.
Mijn erecties zijn reagibel en labiel als de Hollandse hemel die opklaart en betrekt al naar hoe ik mezelf daarin beleef.

Vrouwelijke vibraties vind ik het spannendste wat er bestaat, waarvan ook geen enkele nachtmerrie mij weerhoudt, met uitzondering van het ouderschap. Andermans kinderen wil ik vasthouden zoals men iemands kat verzorgt. Ik heb dan ook gebabysit. Maar...

 

Wim Heins tijdens als kindervriend.

Wim Heins met toeslaande verveling tijdens het babyzitten....na het knuffelen lijken alle partijen er aan toe de verzorging weer over te dragen.

Het lijkt mij akelig dat jouw kinderen op hun vierde kids  worden met de bijbehorende scherpe opfokcultuur vanaf beeldschermen vol kil mediageweld. Absurd dat volwassenen kinderen al die dingen aandoen.
Als er één reden is waardoor je consideratie kan hebben met de mensheid, omdat het voor haar pleit, dan is dat voor mijn gevoel dat zij voor de helft vrouwelijk is,
met slechts één voorbehoud: alles went behalve een serpent.
Meer informatie vindt u op de
Vrouwenwijzer en in het onderdeel Verliefdheidskunde.

Onderstaande infraroodfoto bewijst hoe warm mijn hartje klopt (voor fotografie).

Wim Heins met zijn onblusbare liefde voor de fotografie.


EINDE VERHAAL
Ik vraag me af of men op andere planeten net zo gênant en ellendig aan zijn eind komt als hier.
Ik zie mijn eigen levenseinde als een gecontroleerde zelfmoord, zodra ik vind dat het mijn tijd is geworden. Uiteraard kunnen noodlot en ziekte onverhoopt vergasten op de
dood. Feitelijk voel ik me rustig met mijn uitstapkaart onder handbereik zodat ik altijd uit kan checken.
Touwtrekken met dokters en rechters? Medische slangen of een scootmobiel? Feestelijk bedankt.
Van de zeer goedgeefse verzorgingsmaatschappij heb ik dankbaar geprofiteerd, door zoveel mogelijk mijn vinnen uit te slaan. Maar ik vergelijk ons leven met dat van vissen in een leeglopend zwembad, op weg naar zieltogen. Sterven zoals het mij goeddunkt is dan ook mijn ideaal... Prins Bernhard deed dit ook!
Ongetwijfeld: Als ik blind word houd ik het voor gezien.

 

Als Wim Heins blind wordt houdt hij het voor gezien.

Fatale overdosis placobeo's

 

Wim Heins gaat zelfmoord plegen zonder euthanasieverklaring

 ONVERKIESLIJKE TECHNIEKEN OM HET 
 AARDSE PARADIJS TE VERLATEN 

Wim Heins overweegt zelfdoding via een gladde truc.
VERRASSING
De dood vermomd als een banaan, brengt uw glibbergang tot staan.
Het Ongeluk zit in kleine hoek.
Stond zo ook niet Geluk te boek?
Wim Heins
Wim Heins probeert de galg uit maar twijfelt nog.
OPGELUCHT
Als uw bestaan bezoeking vormt,
doodsdrift door uw hersens stormt,
weet dan altijd er is Eén,
die niet meer in u ziet dan been.
Ik maak u daar attent nu op.
Diegene namelijk, is de strop.



Op een nacht droomde ik dat ik euthanasie op mezelf uit ging voeren. Tjonge daar hikte ik toch wel even tegenaan. Wat was het geval? Zo lang je hier doorleeft heb je een object-verhouding tot je leven, meende ik in mijn droom, want de ik-figuur was erover aan het nadenken. Of het nou jofel is of balen: vanuit je bewustzijn vormen je gemoedsbewegingen en omstandigheden een voorwerp van waarneming. Je neemt een standpunt in voor of tegen: het is een object waar je je toe verhoudt. Maar toen ik dat terminale middel in mijn droom wou gebruiken besefte ik dat ik mijn objectrelatie tot het leven ging stoppen, zonder te weten wat daarachter ligt. Dat voelde verdomd zwart. "Nou kom, even flink zijn, het is zo voorbij," zei ik tegen mezelf. Eigenlijk voelde het alsof ik geloofde in dood is dood. En dat is ook logisch: dat is mijn gevoelsbeleving, omdat ik sensitief gesproken niet over de schutting heen kan kijken en me dus niet verbonden voelen kan.

Mogelijk lijkt het op
Oud en Nieuw. Ik blijf gissen, wellicht omdat ik nog nooit een Bijna Dood Ervaring heb gekregen.
Weet u het? Begin dan een discussielijn in mijn
Forum (of filosofeer iets in het Gastenboek). Reuze bedankt voor het uitlezen van dit ego-document.
Haha, tot kijk.
WIM HEINS

 

Wim Heins van de KijkAan.nl Servicepagina's.

Wim Heins van de KijkAan.nl Servicepagina's