| Opinies reacties: jo@radioreedflute.net |
Radio Rietfluit
|
De maand mei heeft het traag kabbelende Nederland flink door elkaar geschud. Sinds de zesde van die maand buitelden de gebeurtenissen over elkaar. Nu, na de verkiezingen van woensdag de vijftiende, lijkt de rust te zijn teruggekeerd. Wel kijken we tegen een grondig heringericht politiek landschap aan. Ongetwijfeld zullen het uit z'n voegen gebarsten CDA en de nieuwe ster aan het firmament, Lijst Pim Fortuyn, elkaar vinden in een coalitie, mogelijk met een gehavende VVD in een belangrijke bijrol. Welke kant zal Nederland dan opgaan? Zal Lijst Pim Fortuyn erin slagen zijn stempel te drukken op het toekomstige beleid van Nederland? En welke afdruk zal die stempel dan achterlaten? Wijlen Pim Fortuyn wordt door de man in de straat vooral geroemd omdat hij als een van de weinigen tenminste zei "waar het op staat." Hij nam geen blad voor de mond. Hij zei het recht voor z'n raap. Wellicht zal de LPF in die geest willen opereren. Maar wat zei Fortuyn dan precies wat anderen niet durfden? Was hij de eerste die de lange wachtlijsten in de gezondheidszorg aan de kaak stelde? Nee, velen waren hem daarin voorgegaan, inclusief de paarse politici. Hij trok ook al niet als eerste zijn mond open over het gebrekkig functionerende onderwijs of de ontoereikendheid van het politieapparaat. En zijn oproep dat hier verblijvende niet-Nederlanders meer werk moeten maken van integratie, is evenmin nieuw. Wat wel nieuw is, is dat Fortuyn een van de zeer weinigen is geweest, die er rond voor uitkwamen dat Nederland te vol is. Niet te vol met Nederlanders, maar met buitenlanders. Het is onwaarschijnlijk dat daarmee het grote aantal Amerikanen, Duitsers of Belgen wordt bedoeld. De vinger wijst ongetwijfeld naar Somaliërs, Afghanen, Irakezen, Turken en al die anderen uit ondoorgrondelijke culturen. Het is dus geen al te wilde veronderstelling dat 'n groot aantal mensen dat in een straatinterview zegt dat Fortuyn tenminste zei waar het op stond, op datzelfde moment denkt: weg met al die exotische vreemdelingen. Die vijandig getinte aandacht voor een groep mensen van wie de positie in de samenleving toch al vrij wankel is, is op z'n zachtst gezegd wat merkwaardig. Een groep die zwak staat, is voor zijn ontwikkeling niet gebaat bij zo'n negatieve benadering. Waarom niet gekozen voor een aanpak die gericht is op het oplossen van problemen? Als we ons beperken tot de groep mensen die in Nederland asiel is verleend, dan zou het al veel schelen als zij zo vroeg mogelijk in staat worden gesteld òf een baan te zoeken òf te gaan studeren. Nu duurt de periode tussen het moment van aankomst in Nederland en het moment van volledige toekenning van alle rechten zo lang dat velen niet meer in staat zijn de draad van hun leven op te pakken. Van de groep die pas na één, twee of nog meer jaren te horen krijgt dat hun aanwezigheid in dit land niet op bezwaren stuit, zal een groot deel onvermijdelijk aan het infuus van een uitkering blijven liggen. Een uiterst onwenselijke situatie. Wie niets om handen heeft, heeft nu eenmaal een grote kans om in onacceptabel gedrag te vervallen, zeker als zijn maatschappelijke positie niet veel voorstelt. Een gierende ontsporing ligt dan al snel op de loer. Toch is dit slechts een begin van een oplossing. In de ideale situatie zou een vreemdeling al vanaf de eerste dag dat hij voet op Nederlandse bodem zet, weten waar hij aan toe is. Wie in staat is tot werken en er niet van overtuigd is of hij in aanmerking komt voor de status van vluchteling, moet de mogelijkheid krijgen een aanvraag in te dienen tot toelating als arbeidsmigrant. Het klassieke tegenargument is dat Nederland al over een enorm reservoir aan onbenutte arbeid beschikt. Een schadelijk zotte gedachte. Wie deze redenering volgt, gaat ervan uit dat werkgevers geen eisen stellen aan hun werknemers en iedereen aannemen met twee handen aan zijn lijf. Maar wie wil een uitgeblust type dat al tien jaar lang op de bank zit en alleen alles weet van de afstandsbediening van zijn tv? Een dood paard is nog eerder tot actie aan te sporen. Het kenmerk van arbeidsmigranten is juist dat zij alle werk aanpakken, ook het werk waar geen Nederlander meer voor te porren is. Anders dan de verpapte en vervadste Nederlander weten zij hoe moeilijk het is om het hoofd boven water te moeten houden met alleen maar een paar centen in de broekzak. De naïeveling die liever een omslag in de mentaliteit van Nederlanders wil bewerkstelligen, zodat zij zich wat minder kieskeurig opstellen, mag zich wel tweemaal bedenken. Zo iemand beseft niet goed voor welke enorme klus hij of zij dan staat. Er is nog een ander klassiek tegenargument. Deze komt vooral uit de linkse hoek. Mensen die gezond van lijf en leden zijn, zouden de economie van hun eigen land moeten helpen opbouwen. Deze gedachte verraadt niet bepaald een helder inzicht in hoe de wereldeconomie werkt. De landen die anno 2002 tot voorbij de nek in de modder zijn gezakt, hebben niets aan alleen een goed ontwikkeld arbeidspotentieel. Het draait in de eerste plaats om kapitaalinvesteringen en financiële injecties, hoe klein die ook zijn. De stroom geld die niet-Nederlanders jaarlijks vanuit Nederland naar de economieën in Afrikaanse en Aziatische landen laten vloeien, zou wel eens vele malen nuttiger besteed kunnen zijn dan het geld dat in het kader van ontwikkelingssamenwerking voor goedbedoelde projecten beschikbaar is gesteld. De LPF en het CDA, de partijen die hoogstwaarschijnlijk de nieuwe macht in Nederland gaan vormen, zouden er verstandig aan doen het roer volledig om te gooien in het minderhedenbeleid. Allochtonen zijn geen onderdeel van een voortwoekerend probleem, ze zijn onderdeel van een oplossing. In toenemende mate wordt Nederland geconfronteerd met personeelstekorten in steeds meer sectoren. Het huidige reservoir aan arbeid is van onvoldoende kwaliteit om soelaas te bieden. Investeer daarom eerst in mensen die wèl hun kansen met beide handen willen aangrijpen. En hoe zit het dan met de onoverbrugbare culturele verschillen? Hierover hoeven we ons inderdaad geen illusies te maken. Die zijn er, die laten zich niet uitwissen. Maar is dat nodig? Nederlanders vormen zelf toch ook geen homogene groep? Ook binnen deze groep wordt flink langs elkaar heen geleefd. Waar het om gaat, is dat elk lid van de samenleving volwaardig meedraait in de economie en zichzelf kan bedruipen. Spanningen tussen bevolkingsgroepen ontstaan vooral daar waar armoede heerst. Laten we ons daarom niet blind staren op de vraag waarom Mohammed niet gezellig een biertje wil pakken met Dirk, maar zorg ervoor dat beiden aan de slag gaan. Een schone taak voor de nieuwe coalitie! Benjamin Kloër, medewerker Vereniging van Afghanen in Amsterdam en Omstreken, secretaris Vereniging Agenda voor Burundibkloer@freeler.nl