1. VOORWOORD.

WAAROM GING IN DE 50-ER/60-ER JAREN IEMAND VAREN?.

IK KAN NATUURLIJK ALLEEN VOOR MEZELF SPREKEN, MAAR DENK TOCH EEN ALGEMEEN BEELD TE KUNNEN GEVEN. VERGETEN DAT IN 1948, MIJN GEBOORTEJAAR, DE NEDERLANDSE KOOPVAARDIJ, QUA EENHEDEN, NOG DE 4E PLAATS INNAM OP DE WERELDRANGLIJST VAN SCHEEPVAARTMOGENDHEDEN EN ALS ZEEVARENDE NATIE IN DE TWEEDE WERELDOORLOG OVEREIND WAS GEBLEVEN.
EEN EN ANDER BRACHT IN EEN HERRIJZEND NEDERLAND EEN GEVOEL VAN
NATIONALE TROTS MET ZICH MEE, ALS MEN OVER "ONZE KOOPVAARDIJ" SPRAK.
TEL DAARBIJ OP EEN VLEUGJE ROMANTIEK,GEVOED DOOR DE VELE JONGENSBOEKEN DIE, BIJ "GEBREK" AAN TELEVISIE, VAAK WERDEN GELEZEN.
DAARNAAST EEN, MATERIALISTISCH GEZIEN, MINDER GOEDE TIJD.
DAN IS DAAR AL GAUW EEN VOEDINGSBODEM, OM BIJ DE WAT MEER AVONTUURLIJKE, NIET ONINTELLIGENTE JEUGD VAN NEDERLAND, PARALLEL AAN DE GROTE NAOORLOGSE EMIGRATIEGOLF, EEN VERLANGEN NAAR VREEMDE LANDEN EN GEBIEDEN TE DOEN ONTSTAAN.
TEVENS MAG MEN NIET VERGETEN, DAT BUITENLANDSE REIZEN OVER HET ALGEMEEN NIET VERDER GINGEN DAN BELGIE/DUITSLAND EN VEELAL ALLEEN WAREN WEGGELEGD VOOR BEROEPSMENSEN EN NOTABELEN.
IN MIJN GEVAL, GEBOORTIG UIT DE ALBLASSERWAARD, BETROF HET DAN VOORNAMELIJK ZGN "BUITENAFWERKERS",(EEN ANDER WOORD VOOR BAGGERAARS) MAAR TOCH OOK EEN AANTAL MENSEN, WAARVAN JE ALS JONGEN WIST, DAT ZE HADDEN DOORGELEERD EN WERKZAAM WAREN OP DE GROTE VAART.
HET ENIGE CRITERIUM WAARAAN MEN DIENDE TE VOLDOEN, WAS HET BEHALEN VAN EEN MULO-B DIPLOMA, MET VOLDOENDE CIJFERS VOOR DE EXACTE VAKKEN OM IN AANMERKING TE KUNNEN KOMEN VOOR EEN STUDIEBEURS VAN HET RIJK OF VAN EEN SCHEEPVAARTMAATSCHAPPIJ.
UITERAARD WAREN ER OOK DIVERSE JONGENS MET EEN AL DAN NIET VOLTOOIDE HBS-B OPLEIDING, DIE EVENEENS KOZEN VOOR DE ZEE.
ACHTERGROND OF "BREEDING" WAREN VAN MINDER BELANG, HETGEEN RESULTEERDE IN EEN GEMELLEERD GEZELSCHAP OP DE SCHEPEN.
AANGEZIEN VOLGENS SOMMIGE GELEERDEN INTELLIGENTIE EN HUMOR AAN ELKAAR GEKOPPELD ZIJN, WERD ER BIJHOORLIJK VEEL GELACHEN OP DE SCHEPEN (NAAST HET HARDE WERKEN!).
IK ZAL TRACHTEN, IN DIT BOEK EEN STUKJE VAN DEZE SPECIFIEKE SCHEEPSHUMOR TE VANGEN ZONDER PRETENTIEUS TE WILLEN ZIJN.
IK HOOP DAT INGEWIJDEN EEN STUK HERKENNING ZULLEN VINDEN EN NIET-INGEWIJDEN ZULLEN DENKEN:HE ZAT HET ZO?
VEEL LEESPLEZIER!

 

 

 

2. De DIJK

 

Fietsend over de dijk naar de Muloschool van Meneer Tukker, zo herinner ik mij Hardinxveld het meest.  Ver leek het, als jongetje pas van lagere school 2.  Met Gerrit, Arie, Piet en Leo, iedere dag heen en weer, over de hoge dijk, de jaargetijden trotserend. Met de bus gaan was er niet bij, geen speciale reden, het werd gewoon niet gedaan.  Ook de meisjes niet, die fietsten in een apart groepje.
Mixen was niet gebruikelijk.
Toch zijn er later twee uit ons groepje getrouwd met dames (intussen) uit het meisjesgroepje, er was dus toch een soort band.  Voor mij stond al vroeg vast dat mijn horizon verder zou liggen.
Waarschijnlijk mede gevoed door wat we onderweg, fietsend langs die dijk allemaal zagen.
Er was nog weinig verkeer in die dagen, ik praat over begin jaren zestig.
De hele fietstocht over de dijk voerde langs het water, de rivier de Merwede, of langs watergebonden activiteiten, met name scheepswerven, zodat je al pratend over wat er te zien was, de dagelijkse ritten volbracht.  Uit alle dorpen in de omgeving kwam men naar deze school.
De HBS was te ver weg, Gorinchem of Dordrecht en slechts weggelegd voor de kinderen van de notabelen van de dorpen.  Maar de kinderen van de gewone man, met voldoende capaciteiten reden allemaal op de fiets naar de school van Tukker.  Ik heb altijd gevonden dat wij uit Boven-Hardinxveld bevoorrecht waren met name door die dagelijkse tocht langs de rivier, met als hoogtepunt het stukje langs scheepswerf "de Merwede".  Altijd stak er wel een zeeschip in aanbouw, hoog met zijn boeg boven de dijk uit, veelal schepen bestemd voor de Nederlandse koopvaardij, met soms exotische "Straat"-namen, dan weer namen van ontdekkingsreizigers of van het Oranjehuis, daar kon je zeker wel weer twee kilometer over mijmeren of praten, al naar gelang het weer en het jaargetijde.

 

 

3. DE SCHOOL


De school van meneer Tukker was "wereldberoemd" in de Alblasserwaard.
Wel 40 jaargangen Mulo-klanten hebben er hun diploma behaald.
Het slagingspercentage was hoog, omdat de voorselectie op de lagere scholen een natuurlijke was en vervolgens was het schoolbeleid van dhr.Tukker strikt.  Niet-actieven kregen het vriendelijke verzoek hun heil ergens anders te gaan zoeken.  Tijdens mijn vier jaar bestond de school uit vijf klassen, waarvan twee parallel-1e klassen.  Door de eerder genoemde selectie bleef daar na een jaar, een vrij dikke tweede klas van over.  Het derde jaar was de groep tot normale proporties teruggebracht, de doorzetters om ze zo maar te noemen.  Tijdens dit derde jaar werd er gekeken, wie er geschikt was voor de A-richting en wie voor de B-richting.  Dit laatste hield overigens gewoon in, dat je verwacht werd ook even alle A-vakken mee te nemen en daar examen in te doen.
Het nadeel was, zo'n 20 examenvakken, het voordeel, dat je ook meteen je middenstandsdiploma behaalde en redelijk breed ontwikkeld bleef.  Ook de leerkrachten waren multifunctioneel, naast de gymleraar, vijf in getal.  De gymleraar gaf ook les aan andere scholen aangezien de school van Tukker de enige gymzaal van het dorp bezat.  De heer Tukker zelf gaf de vakken wiskunde en Frans, of liever
Gezegd, Frans en wiskunde, omdat die volgorde zijn voorkeur had.  De voor mij meest aansprekende leraar, was de heer van Tooren.  Om een aantal redenen: Hij gaf Nederlands en Engels, waar ik redelijk goed in was, hij was de jongste van het stel en hij fietste dagelijks met de heer Parel, dezelfde tocht over onze "Dijk", Heen en weer naar Boven-Hardinxveld.
Maar de belangrijkste reden was dat hij als geboren Rotterdammer, een grote belangstelling had voor de zee.  Dat uitte zich in verhalen tijdens de Nederlandse les, maar ook door zijn lidmaatschap van het toen toonaangevende, zeevaart-gebonden tijdschrift "De Blauwe Wimpel".  Geïnteresseerden kregen soms een complete jaargang van hem.  Waarschijnlijk als mevr. van Tooren de grote schoonmaak was begonnen, een toen nog jaarlijks terugkerend fenomeen.
Zo ben ik zeker in het bezit gekomen van een tiental jaargangen, waarvoor ik de fam.van Tooren nog steeds dankbaar ben en dan niet vanwege de toegenomen waarde op verzamelaarbeurzen.
Al met al was de school van Tukker, vooral door toedoen van dhr. Van Tooren, een eerste bouwsteen aan de brug in de richting van de zee.

 

 

4. DE STUDIEBEURS (van Dirk van Lopik)


Hoe kwam je daaraan, als eenvoudige dorpsjongen?.
Toen voor mezelf eenmaal was uitgekristalliseerd, dat ik mijn toekomst op zee zou zoeken, dat zal zo ongeveer halverwege de tweede klas zijn geweest, had ik allereerst een enorme klus om de opgelopen achterstand in algebra weer in te halen.  Dit is mij nooit helemaal gelukt en is mij mijn verdere leven blijven achtervolgen.  Immers mijn reeds eerder aangeroerde gevoel voor talen hield voor mij in, dat er ook best ergens een hiaat mocht zitten.  Dat hiaat heette algebra.(en later ook goniometrie!)
Mijn grootvader had hier een andere mening over en merkte op, dat hij de zeven voor Duits op mijn rapport, wel wat hoog vond, een vier was genoeg vond hij, maar dit had een andere reden.
Uiteindelijk wist ik, mede door de vroege lessen (7u30!) In het vierde jaar van de heer Tukker zelf, op het eindexamen een zes te bemachtigen.
Voor het zover was echter, was ik via een kennis van mijn vader telefonisch in contact gekomen met de heer Scholten, die zich o.a. bezighield met het verstrekken van studiebeurzen aan toekomstige leerlingen van de Koninklijke Paketvaart maatschappij.
Deze nodigde mij uit voor een gesprek op het hoofdkantoor in "Het Scheepvaarthuis" te Amsterdam.
Nu was ik best een "ervaren" treinreiziger, maar toch hoofdzakelijk op het traject Dordrecht-Geldermalsen.  Eenmaal had ik alleen een treinreis mogen ondernemen naar een tante in Utrecht (mijn favoriete tante, omdat haar zoon, (mijn neef) voer bij de Holland Amerika Lijn) maar een grote reis naar Amsterdam, dat was andere koek.  Alles liep echter naar wens en dank zij de routebeschrijving, die was aangehecht aan de uitnodiging van dhr.Scholten, liep ook het stuk te voet, van centraal station naar Prins Hendrikkade, goed af.
Vervolgens het monumentale, rijke redersverleden uitstralende, gebouw: "Het Scheepvaarthuis" binnen, prachtig was het!.  Ik werd door de portier naar de 4e verdieping verwezen en nam de trap, later bleek dat er ook liften waren, maar nadat ik eenmaal op de bovenste etage was geweest, heb ik deze liften (ze bleken Paternosterliften te heten) nooit meer durven gebruiken.  Ik kon namelijk niet goed inschatten of ze eenmaal boven aangekomen niet op zijn kop weer terug naar beneden gingen.
Derhalve nam ik altijd de trap.  Boven meldde ik mij bij de volgende portier, die me liet zitten en mij een kop koffie bracht, so far so good!
Al koffie drinkend in deze volledig houten ontvangsthal (zo leek het) had ik schuinweg zicht op een prachtige vergaderkamer.  Zo te zien, met statig antiek ingericht en geschilderde portretten van (ex?) directieleden en oprichters aan de wand.  Langzamerhand bekroop mij het gevoel van: "Dit is het!"
Het gesprek dat volgde, met de heer Scholten verliep naar wens, behoudens zijn stelling, dat voor alle B-vakken (incl.algebra!) het cijfer zeven diende te worden behaald.
Ik werd voorlopig ingedeeld in de groep werktuigkundigen "BM", ik denk dat ze stuurlieden genoeg hadden?.  Tijdens de latere keuring bleek, dat mijn rechteroog toch niet had mogen meedoen aan het navigeren, dus dat had de heer Scholten goed gezien.  Daarna volgde een aantal spannende weken, examens, examenuitslag, met helaas een zes voor algebra.  Maar men vond de acht voor natuurkunde blijkbaar toch voldoende compensatie, om mij een studiebeurs toe te kennen. 
In de vakantieperiode kristalliseerde e.e.a. nog wat verder uit, met het uiteindelijke resultaat, dat ik mij op 5 sept. des middags om 12 uur diende te melden op de "de Ruyterschool" te Vlissingen.

 

5. VLISSINGEN (van Dirk van Lopik)

                                                                              
Tijdens vakantiewerk, uiteraard op een van de scheepswerfjes van het dorp, kwam ik er achter dat een van de collega "vakantiewerkers", ook in Vlissingen op school zat, met een beurs van: "Shelltankers" en net was overgegaan naar het tweede en laatste jaar.
Afspraken werden gemaakt en zo togen Jan v/d Plas en ik (hij in uniform) per taxi van Verschoor, in de vroege ochtend van 5 sept. 1964, naar het NS-station van Giessendam.
Voor mij was dit overigens de eerste keer van mijn leven, dat ik in een taxi zat en ik moet zeggen, het beviel mij.  Zo reden we weer over de dijk, langs het drukke binnenvaart-schouwspel, weer een stap verder, richting de zee.  Overstappen te Dordrecht in de trein naar Vlissingen.
Opnieuw een wereldreis voor een dorpsjongetje van zestien, maar dit keer kon er weinig misgaan, want overstappen hoefde niet meer.  Daarnaast houdt in Vlissingen het spoor gewoon op.
Jan en ik kwamen in een treinstel terecht, waarin nog een twintigtal soortgenoten de terugreis aanvaardden.  Sommigen in uniform, anderen naar later bleek lotgenoten, die net als ik aan hun eerste jaar begonnen.  Een van hen bleek hetzelfde logeeradres, (kosthuis) te hebben als ik, op aanwijzing van Jan namen we, in Vlissingen aangekomen de juiste bus met de mededeling: "Uitstappen bij de Leeuwetrap".  Bovenaan de Leeuwetrap, een hele klim met twee koffers op een warme septemberdag, 100meter naar rechts op "Boulevard Evertsen", stond ons kosthuis: "Hotel Bianca".

 

 

6. HOTEL BIANCA (van Dirk van Lopik)


Zes kamers, twintig jongens, de eigenaar met vrouw en twee kleine kinderen, het toilet op de gang, een douche voor het gezin en wij een keer in de week op kosten van het "Hotel" naar het badhuis in de Bonedijkestraat, dat was de set-up.
Ik kwam op een kamer van vier, aan de sombere, wel koele en 's winters koude, noordoostkant.
Twee stapelbedden, vier kasten, een tafel met vier stoelen en een vaste wastafel, met koud en soms warm water dat was het en, oh ja, een petroleumkachel als verwarming.
Deze kachel was, zo bleek later (niet in sept.in Vlissingen!) na de atoombom de gevaarlijkste uitvinding van de 20e eeuw.  En natuurlijk naast mezelf nog drie kamergenoten, alle drie oudstejaars.
Eén uit Retranchement, één uit Herten en één uit Tripscompagnie. Dat gaf, nadat ik had gemeld uit Hardinxveld-Giessendam te komen, hier en daar wat aanleiding de topografische kennis van Nederland op te vijzelen.  Daartoe werden trouwens later op de dag op school Bos-atlassen uitgereikt.
Ja die eerste keer over de boulevard naar de school, van Bianca, langs het strandhotel, het parkeerterrein met het benzinestation,
Nog bebouwing van "Madjoe" tot de "Vic" en daarna het lange open stuk, langs het haventje van "Meijer" naar de school met daar achter de spuikom.  Alleen de school staat er nu nog, voor de rest is alles onherkenbaar veranderd.  Maar, die eerste keer trok ik meteen de parallel met de "Dijk" van het dorp, vooral met het water en de schepen zo vlak bij.
De wandeling beviel me vanaf het eerste moment en ik besloot mijn later in de week, per trein arriverende fiets, voor dit dagelijks traject niet te gebruiken en te blijven wandelen.
Bijna hadden we door de kachel, de winter niet overleefd.
Op zekere nacht was hij gaan walmen. Het was te danken aan het feit dat onze man uit Zeeuws-Vlaanderen de avond ervoor een stevige pot bier had gedronken en daardoor midden in de nacht de wasbak zocht, anders waren we alle vier gestikt.  Vanaf dat moment, ging 's nachts de kachel uit en het raam open,
Overigens zeer tegen de zin van onze Limburger, die de cryptische omschrijving: "Het is zwart, het stinkt en het zit onder de grond", alle eer aandeed.

 

 

7. DE RUYTERSCHOOL (van Dirk van Lopik)


De school is een mooi onderdeel van het silhouet van Vlissingen.
Tegenwoordig wat minder prominent door de nabijgelegen hoogbouw, maar in die dagen was het "Torentje", waar wel eens marinemannen naar binnen gingen en dan wat geheimzinnig over werd gedaan, een markant punt.  Zo stond ook op 5 sept.1964, het witte gebouw er mooi bij in de middagzon.  Het gezegde, "You can only make a First impression Once", gold wat mij betreft ook voor dit gebouw.  Ik voelde mij er vanaf het eerste moment op mijn gemak.
Dit ondanks de grote drukte die er in het gebouw heerste, want stel je voor, zo'n 700 1e-en 2e-jaars, die op een middag lesroosters, boeken, schoolmonsterboekjes en gymspullen komen halen.
Bovendien kregen alle 1e-jaars nog een uniform aangemeten.
Daartoe waren er in een aantal lokalen kleermakers aanwezig, opgetrommeld bij de diverse uniformleveranciers.
Dat ging als volgt: Je ging in een lange rij staan en op een gegeven moment splitste die rij zich en schoof een bepaald lokaal binnen, alwaar een man met het zweet op zijn kop in een recordtempo de maat aan het nemen was.  Immers wie het snelst werkte, had de meeste klanten .
Tijd voor een praatje en de beroemde vraag: " Bent u links-of rechtsdragend", was er niet bij.
Ik stond in de rij achter Bas die naar later bleek, in dezelfde klas en in hetzelfde kosthuis zat als ik, op weg naar de maatopnemer van kleermaker "de Boer", een Vlissingse ondernemer.
Tijdens een dergelijke exercitie wordt je, in mijn geval voor het eerst, bewust geconfronteerd met je afmetingen.  Zo kwam ik er achter, dat petmaat 61 zeer groot is, terwijl ik mij tevoren nooit had gerealiseerd een buitenproportioneel hoofd te bezitten.
Bas voor mij had maat 54, hetgeen volgens mij op die dag ook een record was.
Toen dan ook enige weken later de uniformen klaar waren en konden worden afgehaald, bleek mijn pet de afmetingen te hebben van een volwassen zeiljol, waar je met gemak een mud aardappelen in kon vervoeren.   Ik besloot de pet zo weinig mogelijk te gaan gebruiken.
Tijdens een van mijn eerste petloze schoolbezoeken echter, werd ik reeds bij de ingang van de school staande gehouden, door een vaak overijverige schooldirecteur, dhr Brouwer, die dit soort controlebeurten regelmatig hield.  Het kostte mij enige strafpunten in het schoolmonsterboekje.
Daarna had ik de pet wel altijd bij mij, maar stak hem tussen de revers van mijn uniformjas of overjas.  Ook dat was verboden, maar je had dan ten minste nog de gelegenheid om hem bij onraad op te zetten. De eerstvolgende keer dat dit het geval was, liep ik toevallig naast Bas (van maat 54) en zonder dit tevoren hebben afgesproken, wisselden we razendsnel van hoofddeksel, hetgeen bij lotgenoten enige hilariteit teweeg bracht, maar de directeur dhr.Brouwer, voor het oog, stoïcijns liet.
Ik denk dat het omstreeks deze tijd zal zijn geweest, misschien mede door dit voorval dat ik mij realiseerde dat je, met een lach in het leven, het geheel wat kunt veraangenamen.

 

 

8. DE SCHELDE (van Dirk van Lopik)


September ging voorbij, geleidelijk aan kwam het nieuwe schoolleven in zijn ritme.
's Morgens om half negen beginnen, tussen de middag naar "Bianca" en weer school tot vijf uur.
Zaterdagmorgen naar school, de avonden verplichte studie, vanaf acht uur een heel compact en druk studieprogramma, want alles moest er in twee jaar inzitten.
Veel nieuwe vakken, vooral technische, maar ook praktijk, lassen, smeden, draaien, bankwerken etc.  Daarnaast ook een aantal bekende vakken, voortbordurend op mulo en hbs, waarin na het eerste jaar examen diende te worden gedaan.  Ik had intussen een studiepact gesloten met buren uit de kamer tegenover mij, alle vier mijn klasgenoten met een kamer op het zuidwesten, dus uitzicht op de rivier de Schelde.  Studeren met zijn vijven, had gezien het drukke programma grote voordelen, daarnaast was er natuurlijk het uitzicht.  Ondanks het feit, dat wij in opleiding waren voor werktuigkundigen, hadden vooral Peter en ik toch een redelijk brede kennis van de scheepvaart, hij als schipperszoon en ik als "Dijkfietser".  We konden de andere drie, Rinus, Arie en Bas aardig wegwijs maken omtrent het reilen en zeilen van de scheepvaart die aan ons raam voorbij trok.
Scheepvaart is het oudste continuebedrijf, waar sinds de tijd dat de eerste zeevaarders de kustlijn achter zich lieten, mensen werkten op tijden dat de zon achter de horizon was verdwenen.
Alle boeren hadden dan reeds lang hun gereedschappen opgeborgen en lagen op een oor, achter "Kaap-Kont" te wachten op de eerste dageraad.
Om die reden hadden wij 's avonds tijdens de studie onze gordijnen open en volgden we de meeste lichtjes, groen, wit en rood, die voorbijschoven.  Zo ook op een wat sombere, stormachtige avond in oktober.  We zagen vanuit onze uitkijkpost een aantal witte lichten en een rood licht in een wat vreemde richting varen. Vanaf het Nollehoofd, stuurboord uit, richting Breskens, dat kon niet, zo wisten wij.
Dat bleek ook alras, want alle verlichting behorende bij het scheepssilhouet, kwam schokkend tot stilstand, bewoog vervolgens nog een twintigtal meters verder en kwam toen geheel tot rust.
Een echte ramp vlak voor ons raam, waar maak je dat mee!
Zelfs buiten, met een verrekijker, waren geen details waarneembaar, alleen wat vage schimmen en verlichting van de sleepboten, die zoals altijd, op hun prooi hadden gewacht.
De volgende morgen was alles, hoewel ver weg, wat duidelijker.
Het Griekse bootje, van het "Empire-type", geladen met kolen, was intussen gebroken en gezonken.
Alleen de opbouw met schoorsteen en de masten staken nog boven water uit (die laatsten hebben daar nog jaren gestaan overigens!).
De provinciale Zeeuwsche courant, had de volgende kop:
"Kapitein gezonken, Grieks schip in ziekenhuis"
Wij hebben het ook een paar maal moeten herlezen.

 

 

9. DE PROVINCIALE ZEEUWSE COURANT (van Dirk van Lopik)


De Provinciale Zeeuwse courant of kortweg PZC, speelt een belangrijke rol in het leven van de (import- en) echte Zeeuwen, vooral ten noorden van de Westerschelde.
De krant heeft een echt lokaal karakter en onderscheidt zich daarin niet van andere regionale dagbladen in overig Nederland.
Wat de andere dagbladen wel missen, bij mijn weten althans, is de Zeeuwse almanak.
Niet door iedereen gelezen, maar wel door veel mensen en terecht denk ik.
De almanak brengt iedere dag een komische noot in een wereld van oorlog, geweld en in Axel doodgereden koeien.
Een paar weken na de stranding van de "Spyros-nog wat", maakte de almanak melding van een groepje ondernemende jongemannen die, met zijn vieren in een uit de kluiten gewassen kano de zee op gingen, om het gestrande schip aan een nader onderzoek te onderwerpen.
Bij terugkeer op het strand echter, werden zij opgewacht door een alert surveillerend politieduo per fiets.
De vertegenwoordigers van de Heilige Hermandad wezen het viertal op de gevaren, die er kleefden aan een dergelijke onderneming.
Om tijdens dit jaargetijde, met een dergelijk wankel vaartuig zee te kiezen, was vragen om problemen.
Er kwam ook nog enig schrijfwerk aan te pas.
Toen naar de respectievelijke bezigheden van de heren werd geïnformeerd, bleek het om twee stuurlieden, een marconist en een werktuigkundige in opleiding te gaan, hetgeen toch wel een sterke bemanning is voor een zeegaande kano. (volgens de PZC!)
De namen van de monsterrol vermeldde het artikel niet.
In een volgende aflevering werd onder de kop: "Kindereerlijkheid", een voorval aangehaald uit ons kosthuis "Bianca".
Daar werd op zaterdag altijd 's middags en 's avonds een zelfgemaakte maaltijdsoep geserveerd.
Het was ons al eens opgevallen, dat de middagkwaliteit ver boven die van de avond uitstak.
Niet iedereen at dan trouwens thuis.
Voordat de soep 's avonds werd opgediend, stak de kostbaas vanuit de keuken, altijd even zijn hoofd om de deur.
Waarschijnlijk waren er die avond veel eters, want voor de eerste dampende borden uit kwam Koos, de zoon des huizes van vier, met de mededeling; "Mijn vader heeft lekker water in de soep gedaan!".
Dat waren zo de twee keren, dat wij indirect, of was het direct?,
In de "Almanak" terecht kwamen.

 

 

10. DE VERHUIZING (van Dirk van Lopik)


Ergens in de maand mei kregen we aanzegging van hotel Bianca dat we voor de vijftiende juni een ander kosthuis moesten zoeken.
Het "hotel" ging zich opmaken voor het toeristenseizoen.
Via een kennis kwamen Peter en ik terecht bij Jan en "Dotje" in de Calandstraat, een schot in de roos!
De andere "Bianca"-bewoners waaierden uit over de andere kosthuizen in de stad.
In ons nieuwe kosthuis waren reeds twee zeevaartscholieren aanwezig, Ad en Cees, beiden in opleiding voor marconist en van een heel bijzonder soort, omdat geen van tweeën een bril droeg.
Er was plaats gekomen omdat de derde kostganger een slager Adrie genaamd, in het huwelijk was getreden met Jopie.
U leest het al een gewoon kosthuis, met gewone Vlissingers, gezellig, goed van de kost, behoudens de keer dat er opzettelijk een niet-meegekookte aardappel door Jan in de schaal was gelegd.
's Avonds altijd nog koffie, soms een pilsje, woensdagavond pannenkoeken en op donderdagavond Amerikaans "Jokeren".
Fantastische tijd, alleen "Bianca" had een mooier uitzicht.
Ad vond "Helene" een mooier uitzicht, maar die sprak dan over de dochter van de achterburen.
Een nieuw vak aan het einde van het eerste jaar, was het vak: "Practisch-Electro".
Het werd gedoceerd, door dhr Steemans, een van die speciale "Electrische-types", waar we er later aan boord nog een aantal van zouden meemaken.
Tijdens het binnenwandelen van zijn lokaal, voor aanvang van de allereerste les, bulderde hij ineens: "Ho...Stop,..Jij daar,..Ga er maar gelijk weer uit...!".
Hij wees erbij naar een van onze klasgenoten, Jan Bax.
Nadat Jan verdwenen was, gaf hij de volgende uitleg:
"Ik was laatst, in de paasvakantie, op een seminar van de Nederlandse Spoorwegen in Utrecht, waarbij uitleg werd gegeven over de automatiseringsplannen".
"Voor mij zat een arrogant, eigenwijs rotkereltje, voortdurend niet ter zake doende vragen te stellen".
"Dat stoorde mij en enkele anderen vreselijk, tijdens die sessie!, daarnet komen jullie de klas binnen, loopt dat eigenwijze ventje ertussen!!!".
Jan zal waarschijnlijk niet geweten hebben wat hem overkwam!.
De verplichte studie werd gecontroleerd, door dhr. de Kubber, ook een ex-KPM-er die, zo gaan de verhalen, dat de eerste jaren deed met als vervoermiddel een oude rammelende fiets.
Maar in mijn tijd was hij al gemotoriseerd, middels een vw-kever, die ook zo zijn eigen herkenbare geluid had.
Het kosthuis in de Calandstraat werd echter zelden gecontroleerd.
Het stond reeds vele jaren bekend als een kosthuis met een goed "Track-Record", voor wat het percentage geslaagden betreft.
Zelfs de donderdagse kaartavonden en de Europacup-uitzendingen op woensdag werden getolereerd,..wijs man!
Zo, goed verzorgd voortkabbelend, met op zaterdagmorgen altijd het moppentap-uurtje met

dhr. Kloeg, kwam aan het eind van het tweede jaar, ook voor onze lichting, de onvermijdelijke examentijd.

 

 

11. EXAMENTIJD (van Dirk van Lopik)


De examentijd was een tijd van grote drukte en niet alleen grote inspanningen op geestelijk gebied, maar ook fysiek.
Immers ook de praktijkvakken werden geëxamineerd en vooral de bankwerk-en smeed-werkstukken waren dat jaar vrij pittig.
Van het bankwerken herinner ik me nog dat er in totaal 11 Cm3, moesten worden weggehakt en afgevijld, om tot een goede passing, een haakse sleuf over vier cm, te komen.
Wat een vaktaal hè? Daarnaast begonnen ook de voorbereidingen op de uitzending naar het vaargebied.
Dit had te maken met een drietal cocktailprikken die, iedere keer twee weken na elkaar, werden gegeven en waarvoor je naar het kantoor in Amsterdam diende te komen.
Met een stijve arm van die prikken, een smeedwerkstuk produceren, dat werkte lekker.
Daarnaast was er een enquêteformulier van de school, waarin o.a. werd gevraagd bij welke rederijen men had gesolliciteerd.
Voor de mensen met een studiebeurs van een rederij was dat niet zo moeilijk, maar er waren er ook die hadden gestudeerd met een beurs van het rijk, of zelfs op kosten van pa (daar waren overigens volgens mij geen werktuigkundigen bij).
Mijn maat Willem vulde in, dat hij had gesolliciteerd bij: "Buisman's gedroogde poederkoffie centrale exploitatie maatschappij de Volharding" (beter bekend van het blauwe blikje Buisman koffie-extractcichorei) met de schepen Volharding 1&2.
Hij kreeg per ommegaande een onderhoud met directeur Brouwer, en werd overigens niet aangenomen bij Buisman.
Dan was er de verplichte seksuele voorlichting, gegeven door dokter Sluyter en voorzien van lichtbeelden met daarop de meest verschrikkelijke voorbeelden van venerische ziekten.
Dit alles ondersteund door onze klassenleraar dhr. Teulings, die alle eenvoudige zaken in het leven ondertitelde met: "Jongelui dat is poepen zonder drukken!!".
Deze kreet bleef dit keer echter achterwege.
Wel besloot hij de sessie met de woorden, dat we gedurende onze carrière in gelegenheden zouden belanden, waar het verstandiger zou zijn, de handen te wassen alvorens naar het toilet te gaan.
Daarnaast maakte hij, wijzend op de laatste dia, de opmerking dat we ooit ook in de verleiding zouden worden gebracht onze "jongeheer" in een gaatje te stoppen, waar hij zijn paraplu nog niet zou insteken en daar konden we het mee doen.
Ook was er tussen deze besognes door, een cursus voor alle toekomstige LL-wtk's van KPM en KJCPL, afgerond met een examen, ten einde het diploma "Sloepsgast" te verkrijgen.
Dit was noodzakelijk i.v.m passagiersvaart en het varen met niet-Nederlandse bemanningen.
Zo kregen we toch nog enige nautische basiskennis mee.
Na de diploma uitreikingen, restten alleen nog de keuringen.

 

 

12. DE VERHUIZING (van Dirk van Lopik)


Een aantal documenten konden in Vlissingen worden geregeld, zoals het officiële monsterboekje, ook wel zeemansboekje genaamd.
Het was te verkrijgen op het politiebureau, met de commissaris als dienstdoend waterschout.
Daarnaast ogen-en oren-papieren, bij de daartoe aangewezen, Oog-c.q.KNO-arts.
De lichamelijke keuring en resterende prikken, daar moesten we echter wederom voor naar Amsterdam komen.
KPM en KJCPL hadden op het hoofdkantoor een gezamenlijke medische dienst, dus werden alle leerlingen, totaal een 100-tal in groepen verdeeld, opgeroepen.
Bij aankomst 's morgens, ik had de eerste trein uit Vlissingen genomen, liep ik klasgenoot Peer tegen het lijf, die met een aantal andere Brabanders de avond tevoren al naar Amsterdam was gekomen, waarschijnlijk om een knikkerwedstrijd bij te wonen of iets dergelijks?.
Vanuit de wachtkamer werden we met vier tegelijk, door een streng uitziende verpleegster, waarvan ik twee jaar daarvoor nog had aangenomen met de dokter te doen te hebben, naar een volgende ruimte gebracht.
Daar, in vier door een gordijn gescheiden kleedhokjes, uitkleden tot de onderbroek en een plas doen in een daartoe speciaal aanwezige, uit de kluiten gewassen vaas met een handvat.
Ik hoorde Peer in het hokje naast mij even later, om "Nog zo'n Pul" vragen en hoorde vervolgens de verpleegster onder het uiten van, voor mij nog onbekende, Scheeps-"Kracht"-termen uit haar rol vallen.
Peer had waarschijnlijk tijdens-, voor-en na- de "wedstrijd" de avond tevoren, zoals het een echte Brabander betaamd, wat bier tot zich genomen.
Daarna was het de beurt aan de echte dokter, die nog wat opmerkingen maakte over geslachtziekten, een formulier invulde, de longfoto's bekeek en de geneeskundige verklaring uitschreef.
Vervolgens vlug heen en weer naar het tropenmuseum voor een prik tegen de "Gele koorts" en het medische stuk was achter de rug.
Dan een afrondend gesprek met de heer Scholten (dezelfde van twee jaar er voor!) En de allesverlossende mededeling: "24 juli vliegen naar Durban, Zuid-Afrika, plaatsing aan boord van ons ms."Straat Franklin", bijzonderheden bij dhr.v/d Meent, de planner". Ab verzorgde de tickets en meldde verder nog dat ik samen zou vliegen met een LL stuurman van de zeevaartschool uit Den Helder.

 

13. DE UITREIS


Ik ontmoette Erik pas op de dag van vertrek, nadat we op het oude Schiphol de douane waren gepasseerd en de diverse familieleden al weer op weg waren naar huis.
Goed beseffen deed ik het niet, maar dit was: "tot ziens Nederland, tot over twee jaar!".
Erik bleek een aardige, joviale knaap met wat meer levenservaring en branie dan ik, zoals het een Amsterdammer betaamd.
Bovendien was hij een paar jaar ouder.
De reis met de DC8 duurde lang, met drie tussenstops, Rome, Kano en Brazzaville en dan na 24 uur Jan Smuts airport in Johannesburg.
Vertrouwde klanken, maar toch net een beetje anders en veel gekleurde mensen, dat waren mijn eerste indrukken.
Doorvliegen met de Suid-Afrikaanse-Lugdiens naar "Louis Botha-Lughawe" in Durban.
Daar werden we opgewacht door de chauffeur van het Durban kantoor, dhr. Chris Pillay, een markante Indiaman en "duvelstoejager", die iedereen kende en we in onze verdere loopbaan ook nog vaak zouden ontmoeten.
Erik en ik waren intussen al redelijk aan elkaar gewend geraakt, dat kan ook haast niet anders, als je achternamen enige gelijkenis vertonen.
Dat vond de ambtenaar van aanmonstering op het Nederlandse consulaat blijkbaar ook, want toen wij in de avondschemering met het busje van Chris op weg waren naar "R-shed", waar het schip moest liggen, deed Erik een ontdekking. Hij bleek te zijn gemonsterd als LL-wtk en ik als LL-stm. Nu kwam de Amsterdamse branie pas echt boven.
"Geintje, dat laten we zo", riep hij.
Ik zag er op dat moment ook niet veel kwaad in. Maar dat zou ras veranderen!
Bij aankomst aan boord werden we goed ontvangen, we kregen elk een hut toegewezen en tijdens het koffers uitpakken vertrok het schip al naar East London.
Om een uur of negen kwam de eerste stuurman kennis maken en deelde mede, dat ik voorlopig met hem de 4-8 wacht zou lopen, ingaande de volgende morgen, dus vroeg naar bed.
Ik werd midden in de nacht gepord en verscheen een half uurtje later in vol ornaat ('s avonds nog even strepen gewisseld met erik), als een kat in een vreemd pakhuis op de brug.
De enige taak, die me tijdens die eerste wachten goed afging, was het koffie zetten.
De rest van de taken, zoals het schieten van azimuthen, zonnen, sterren en andere enge dingen daar deugde geen kl....ap van.
Ook het "niet bezitten" van een eigen sextant was een minpunt. "Vlissingen was in mijn tijd een goede school !!!", zo mopperde de stuurman.
Wij hebben dit volgehouden tot net na vertrek kaapstad, Erik kwam puffend en blazend, in een overall van mij, zo uit de warme machinekamer en sprak de gedenkwaardige woorden: "Hier moet een einde aan komen!!".
Maar hoe vertel ik het mijn kinderen?.
We besloten na ruim beraad dat zaterdagmiddag na de lunch, tijdens het "hoge druk-borreluurtje" in de hut van de gezagvoerder zo rond een uur of half twee, wel het beste tijdstip zou zijn.
Wij klommen op die bewuste zaterdagmiddag in ceremonieel tenue (jas toetoep!!), drie dekken omhoog naar het "Walhallah" van de kapitein.
De voltallige "hoge druk" zat daar genoeglijk aan de borrel.
Men keek lichtelijk verstoord op van hun koloniale bezigheden, toen daar twee absolute "nullen" op de deur klopten.
Die vervolgens, ook nog de euvele moed hadden te vragen of ze even binnen mochten komen, om iets uit te leggen!.
Ik moet Erik nageven, dat hij ook dit keer zijn branie tentoonspreidde terwijl hij, in een gloedvol betoog, de situatie uitlegde.
Wederom leerden wij, nadat de heren van hun eerste verbazing waren bekomen, een aantal nieuwe krachttermen.
Ook werden er enkele strafmaatregelen uitgesproken, o.a.in Port- Harcourt niet de wal op!.
Met mijn vanaf dat moment nieuwe hoogste baas, een oudere hoofd-werktuigkundige, met als bijnaam "Jaap Claxon" is het nooit meer helemaal goedgekomen.
De wijze, Indische man, beschreef het voorval met rode inkt, op de eerste, nog maagdelijke, bladzijde van mijn memoriaal (lees: scriptie) en hij is mij altijd als een collaborateur, heulend met de "vijand" van de brug), blijven beschouwen.

 

14. WEST-AFRIKA (van Dirk van Lopik)


Er voor het eerst komend, midden zestiger jaren, vond ik West-Afrika een aangename verrassing.
Alle nieuwe, pas gevormde landen bevonden zich in het postkoloniale tijdperk nog in een vrij goede staat. Qua mentaliteit en infrastructuur, was de invloed van de pas deels vertrokken Europeaan nog goed merkbaar. Het leek naast het werk op een mooie vakantiereis.
Overal naar het strand of het zwembad, dat was best vol te houden.
Ik ben er jaren later nog een aantal malen geweest en toen was er voor de gewone man in de straat al veel ten nadele veranderd.
Vreselijk jammer, want als je er oog voor hebt is de natuur er schitterend.
De 4e wtk Wim Hazeman, bleek de reis ervoor een uitgeholde boomstam te hebben gekocht van een lokale visserman en had er de hele reis aan gewerkt om hem in topconditie te krijgen.
In Port Harcourt lagen we in het weekend, dus werd het vaartuig, voor de tweede maal in haar carrière ten doop gehouden.
Op zondagmorgen mochten Erik en ik ook een tochtje meemaken, we gingen immers varen en niet de wal op..!, bij terugkomst echter, werd dit door mijn hoofdwerktuig iets anders uitgelegd.
Maar peddelend over zijriviertjes en lagunes was dat van later zorg.
Schitterend was het, mooier dan in het kosthuis op de zwart-wit televisie.
Op een gegeven ogenblik begon Erik over zwemmen en Wim vroeg aan een passerende lokale kano: "Are there any sharks here?".
Het antwoord luidde ontkennend, dus zwommen we een klein uurtje in het verrassend genoeg, zoete water.
Op de terugweg zagen we onze informant van de heenreis weer.
Hij zat intussen met een lijn vanuit zijn kano te vissen en Erik riep: "There are no sharks here, because it is fresh water!".
Blijkbaar had hij, ondanks zijn branie, hetzelfde wat onzekere gevoel gehad als ik tijdens het zwemmen.
Ik zag dan ook in zijn nek wat kippevel ontstaan, toen onze lokale "Uncle Tom" terugriep: "No Sir, too many Crocodiles!".
Wat draagt zo'n stem dan ver, over het water.
Bij terugkomst vermoedde ik zelfs, dat "Jaap Claxon" het had gehoord, want die was buitengewoon boos.
Van mijn vorige baas, de eerste stuurman, mochten we in Tema mee met de Nederlandse agent naar de hoofdstad Accra. Wat me altijd is bijgebleven, was een stuk weg dat aan het begin en aan het eind was afgesloten met bewaakte slagbomen.
Onze Nederlandse gids legde uit, dat het stuk weg slechts gebruikt mocht worden door de limousine van "president Nkroumah" (en zijn opvolger intussen).
Al het overig verkeer, dus ook wij, moest bij de eerste slagboom van het asfalt af, door het stof langs de weg naar de tweede slagboom en daar de weg weer op.
Dit waren de eerste tekenen van...waar het mis ging!
Abidjan was leuk, met mooie stranden, een schitterend aangelegd zwembad, "l'Aquarium" (hoe kan het anders?) met ernaast zelfs een heuse, overdekte ijsbaan.
Ja, die Fransen hadden het overal goed voor elkaar!.
In Freetown, het was wat ver rijden, een schitterend strand met een echte oceaansurf.
Dit was de eerste keer dat ik mensen op een plank in de branding zag staan.
Een er van was een blonde schone die, even later, met een klein zwart jongetje op haar arm voorbij paradeerde.
Dit ontlokte de 3e stm. de opmerking: "Wat zou ik graag dat negertje willen zijn!".
Het antwoord van de blonde schone, was net zo adrem en luidde: "Daar ben jij veel te zwaar voor!".
Zo leerde ik, dat je overal ter wereld op je woorden moet passen, want Nederlanders zijn een nogal reislustig en ondernemend volkje.

 

 

15. HONGKONG (van Dirk van Lopik)


Iedere plaats ter wereld heeft zijn charme, maar er zijn een paar plaatsen waar het binnenvaren met een schip heel erg indrukwekkend is. Ik noem: Rio de Janeiro, New York, Kaapstad, Sydney.
Maar de kampioen voor mij is Hongkong.
Zowel s'avonds als overdag is het prachtig al die bedrijvigheid te zien.
Wij kwamen dit keer overdag aan en ik had s'morgens de 4-8 gelopen, zodat ik het gehele schouwspel van voor-, tijdens en na aankomst volledig kon volgen.
Varend tussen eilanden en Chinees vasteland door, met veel scheepvaart, zeeschepen op de boeien en daar krioelend tussendoor, de ontelbare jonken, ferry's, wallah-wallahs en vaartuigen van ondefinieerbare makelij.
Tot we zelf lagen afgemeerd op "boei A-1" en er een groot aantal jonken meteen bij ons langszij kwam en vastmaakten, allemaal met een gemak en vakmanschap, zoals alleen Europese binnenschippers en zoals nu bleek, de Chinese "Hakka" dat kunnen.
De gangway naar beneden en honderden mensen, die ogenblikkelijk het schip overspoelden; koelies, familieleden van de bemanning, maatschappijmensen en niet te vergeten natuurlijk de vele handelaren, zoals: kleermakers, de belangrijkste "Lok Chong" en "Hong Kee".
(Voor overalls uniformen, costuums etc.)
Meneer "kamfekeessie, aluminiumkeessie", mevrouw "stome, tafelake"
"de Bolle & sons" (voor alles wat men tijdens de reis maar nodig mocht hebben), diverse juwelenverkoopsters, een aantal dames die "Saucie, Saucie" tegen me zeiden .
Vanwege hun vergevorderde leeftijd begreep ik hier eerst de bedoeling niet van, maar de 3e stuurman legde mij uit, dat de dames kleding repareerden.
Dan een meneer met een enorme tas met boeken en tijdschriften op zijn rug die, toen hij een half uur in de salon zat, nog nahijgde.
Volgens mij kwam het door het sjouwen van die tas, maar kwade tongen beweerden dat het kwam door de lectuur die zijn hoofdbron van inkomsten vormde en waar hij ook zijn bijnaam, "Graaf Porno" aan had te danken.
's middags weer aan het werk en ook dat was interessant.
Alles wat een schip in een rondreis van vier maanden verbruikt aan materialen, reservedelen, trossen, verf, te veel om op te noemen, werd in Hong Kong gesuppleerd naast de spullen voor de civiele dienst.
Hoe dan ook, de bedrijvigheid bleef!. Tegen de schemering in de vorm van een aantal dames die, onder de verzamelnaam "de Gouden Ploeg" bekend stonden.
Ook deze dames, met exotische namen als "de Tijgerin" en de "Centenbak", waren de dertig reeds lang gepasseerd, zodat Oebke ze, de "Rood-koperen ploeg met Vetleren medailles" noemde en me vroeg mee de wal op te gaan.
Het regende gelukkig niet en mijn stappak was weer droog.
We leefden in Nederland nog niet in een welvaartstaat, dus qua kleding was het wel eens behelpen.
De bootreis met de "wallah wallah", van "A-1" naar "Blake-pier", was een belevenis op zich en de aansluitende trip met de "Star-ferry" eveneens, het versterkte nog meer de indruk van de enorme bedrijvigheid.
Het avondleven van "Tim Shat Sui" en "Wanchai" had dezelfde ingrediënten als dat van "Ansonroad" in Singapore.

 

 

16. JAPAN (van Dirk van Lopik)


Japan was de volgende stop, eveneens vol bedrijvigheid, maar van een iets minder uitbundige, meer ingetogen soort.
Vanaf mijn eerste voet aan wal, heb ik getracht Japan, de Japanners en het "Japanner zijn" te doorgronden en het is me nooit helemaal ten volle gelukt.
Waarom niet? daar kan ik alleen maar naar raden.
De taal, dat is één, want de paar woorden Japans die je in de barretjes oppikt zijn, in de vrouwenuitspraak, vaak nog deels Koreaans.
Derhalve ten ene male ongeschikt voor communicatie met het eigen geslacht.
Daarnaast is de vermenging van oude en nieuwe zaken raadselachtig, aan de ene kant "Sumo" en aan de andere kant "Karaoke".
Voorts de westerse invloeden, waar op eniger wijze altijd een Japans tintje wordt aangegeven, ook in de taal. Zo is bijv. het Engelse woord knife; "nifu" en fork: "forku".
Ook de discriminatie, waar iedere buitenlander vroeg of laat altijd een keer mee te maken krijgt.
Al met al voor een buitenstaander of "Gaijin" moeilijk te doorgronden.
Maar in de zestiger jaren, met het land nog vol in de naweeën van de tweede wereldoorlog en veel Amerikaanse militairen, vooral in de omgeving van Yokohama (Yankeehama), was er genoeg te zien en te beleven.
In het, voor Japanse begrippen, kleine Yokkaichi tot grote conglomeraties als Osaka, Nagoya en de twee-eenheid Tokyo-Yokohama, maar vooral in Kobe de favoriete stad van de meeste Japangangers. De wal op, met Bert de oudste 5e, iemand die dezelfde interesses voor Japan aan de dag legde als ikzelf.
Wandelen door de Motomachi, koffiedrinken (kohee) in een van de vele koffieshops.
Daarna wat eten, vanwege het budget eenvoudig, dus "O-soba" of "Yaki imo" van een rijdende kar, "Yaki soba" of "Okonomiyaki" in een van de daarvoor special ingerichte eethuisjes met de warme plaat voor je (zoals bij "Oma"!).
Het duurste waar wij ons in deze periode aan waagden, was "Yaki tori" of "Yaki niku" (Koreaans, met "Gim-shee" en heel veel knoflook!). De taxichauffeur zette altijd meteen zijn raampje open, want een echte japanner eet per definitie geen knoflook !
Sushi, sashimi, onagi dombri, tsjabo-tsjabo, teppan yaki en sukiyaki vielen in deze periode nog buiten het budget!.
Daarna het onvermijdelijke glaasje bier drinken in een van de honderden kleine kroegjes, met een potkacheltje, vijf barkrukken, een "Mammasan", soms ook een "Pappasan" en drie of vier meisjes.
Volop de gelegenheid om te ontdekken waarom wij "Gaijin", (duivel met rode haren) werden genoemd.
Helaas kwam het moment dat Bert zei: "Nog twee keer erwtensoep, dan ga ik naar huis!" te snel.
Ik had intussen becijferd, dat ik op de zaterdagen nog twee drums met erwtensoep moest eten voordat ik weer naar huis zou gaan.
De "Eisbein mit Sauerkraut", die we bij "Betty's Kitchen" (een uit Shanghai gevluchte Duitse dame), in yokohama aten, werd hierop niet in mindering gebracht.

 

 

17. GAIJIN (van Dirk van Lopik)


Zo kwamen wij tijdens één van onze zwerftochten door Kobe in het zelfde barretje verzeild als onze 2e stm., een grote rode Fries die, hoe kan het anders, "Rooie Wietse" werd genoemd en de derde wtk, een even grote Terschellinger, Joop "Bokma" Smits, ook wel "de schrik van Trieste" genaamd. Ze stonden gezellig keuvelend, onder het genot van een dubbele "Suntory" (Mizuari?), aan de toog.
Op een gegeven moment hoorden wij Wietse tegen Joop zeggen: "Kom -Old Shatterhand- wij gaan weer naar de volgende tent", waarop de beide zwaargewichten een klein aanloopje namen en de zich naast de bar bevindende tussenwand er volledig uitliepen, ons daarbij een blik gunnend op inderdaad een soortgelijke, volgende tent.
De beide Pappasans slaagden er, met wat hulp van de aanwezige dames, overigens vrij snel in om de schade aan het schot weer te herstellen.
Even later was de rust weergekeerd en bestelden wij onze tweede "Kirin" ('Ichiban!').
Blijkbaar hebben onze collega's aan de andere kant iets gezegd, in de trant van: "Kom Old Shatterhand, we gaan weer naar de vorige tent!", want na korte tijd (een mizuari?), kwamen zij langs dezelfde weg weer terug ('gombanwah!').
Dit keer slaakten de Pappasans volgens mij wat krachttermen tijdens de herstelwerkzaamheden. Maar ja, nogmaals, mijn kennis van de Japanse "mannentaal" is niet erg groot.
Op het toilet van deze gerenommeerde zaak, een chinees model met twee voetstappen waar je niet op kunt zitten, trof ik rond een uur of één op iedere voetstap een schoentje met een naaldhak aan.
Ze bleken te zijn vastgeplakt met lijm, zodat de haastig op mijn geroep toegesnelde en in de "put" kijkende Bert niet in actie hoefde te komen. Later op de avond zagen wij Oebke ook nog.
Ook hij was niet een van de kleinsten, met zijn 1 m 95 en 100 kg. Hij bevond zich op een piepklein dansvloertje, hevig omstrengeld met een nog kleiner Japans meisje, waar hij vanaf zijn middel met zijn grote kop met blond-rossig peenhaar boven uitstak.
Langzaam begon ik het woord "Gaijin" te begrijpen.
Dat werd die nacht, nadat ik allang weer was teruggekeerd in mijn hutje aan boord, nog versterkt toen ik tegen het ochtendgloren wakker werd van een hevig gebonk op mijn deur.(dat is het nadeel als je aan het eind van de gang slaapt, bij de buitendeur!)
Voor mij stond, nadat ik mijn deur had geopend, een voor mij onbekend Japs mannetje met een petje op en handschoenen aan. "Gonnichiwah!", zei hij.
Dit bleek de taxichauffeur te zijn van onze Oebke die, in kennelijke staat, nog slechts gekleed in onderbroek, stropdas en een mouw van wat eens een overhemd moet zijn geweest zich in horizontale toestand bevond tussen voorstoelen en achterbank.
Hij maakte zich nog slechts zorgen om zijn "hoofdje", van een formaat waarbij mijn "pet-maat 61" verbleekte, en zijn "schoentjes". (voor een nieuw paar werd, het slachthuis twee weken vooraf verwittigd!)
Één en ander bleek te zijn veroorzaakt door in de eerste plaats drank en een daarmee verband houdende vechtpartij.
Enerzijds Oebke, Joop en Wietse en anderzijds een tiental opvarenden van een ander schip, toen nog de vijand, enige maanden later vanwege "de fusie" echter onze collega's.
Men had zich wel aan de erecode gehouden en was gekleed als heer, met de stropdas voor, tot het bittere einde gegaan.

 

 

18. DE FUSIE (van Dirk van Lopik)


Vlak voor kerst kregen we aan boord de officiële mededeling dat, de volledige fusie tussen KPM en KJCPL een feit zou worden en dat we per 1-1-67 gezamenlijk verder zouden gaan onder de door de KJCPL reeds langer, vanwege het Engelstalig vaargebied, gevoerde naam: "Royal Interocean Lines", of kortweg RIL.
De samenwerking tussen de beide rederijen bestond reeds vele jaren, eigenlijk was de RIL ontstaan uit de LPM en was het geheel in een wat grotere versnelling gekomen, toen in 1957

pres. Soekarno besloot het interinsulaire verkeer in Indonesië door eigen rederijen te gaan laten uitvoeren.
In 1957 was er derhalve al een groot aantal KPM-ers overgegaan in KJCPL-dienst en deze "landverraders", zoals sommige fanatiekelingen ze noemden, hadden nu op de nieuw gevormde promotielijsten riante posities ingenomen ten aanzien van hun ex-KPM-collega's.
Dit gaf in het begin wel eens vreemde situaties en soms ook spanningen, daar de promotiemogelijkheden bij de RIL, een expanderend bedrijf, over het algemeen veel beter waren en waren geweest.
Voor ons "jonkies" maakte het allemaal niets uit, wij werden gewoon met alle RIL-leerlingen in een grote bak gegooid en op basis van datum van indiensttreding gerangschikt.
Vele jaren later, toen ik probeerde lid te worden van de KPM-"Oud Roest"-vereniging, brak mij dit nog op, want men vertelde mij doodleuk dat je minimaal drie jaar in dienst moest zijn geweest.
Kon ik het helpen....?, dus nu ben ik donateur.
Met ingang van het nieuwe jaar begon men langzamerhand te mixen en ook moesten de schepen volgens de nieuwe RIL-stijl worden uitgevoerd.
Voor ons vrij nieuwe schip, de "Straat Franklin", viel dat nogal mee. Alleen de letters op de scheepshuid, die geel waren, dienden met wit te worden overgeschilderd.
Het RIL-logo of "postzegel", stond bij ons al in de schoorsteen, omdat we in een zgn. combinatiedienst voeren.
Voor de meeste RIL-schepen hield het overigens in, dat alle masten en laadbomen en de weinige kranen, van bruin, geel werden geschilderd, hetgeen aanzienlijk meer werk was.
De eerste RIL-lers, die bij ons aan boord kwamen, bleken dezelfde taal te spreken en het leven ging gewoon door.
Wij raakten echter wel de eerste stuurman Oebke, Wietse, Joop en Erik kwijt.
Zij gingen allen over naar RIL-schepen.
Jaap "Claxon" bleef...tot het bittere einde!.

 

 

 

19. AUSTRALIE (van Dirk van Lopik)


Mijn eerste bezoek aan Brazilië beperkte zich tot twee havens, het eerder genoemde Rio Grande en Sao Francisco do sul, waar grotere schepen dan de "Cook" niet konden komen, vanwege een drempel die voor de haveningang lag.
Het hele dorp werd geregeerd door een meneer "Carlos", uitbater van een der lokale kroegen daarnaast burgemeester, hoofd politie en nog een aantal hoge functies.
Feit is wel, dat hij invloedrijk was en alles voor je kon regelen, zolang je maar je smokkelwhisky aan hem verkocht.
Ruud, de 4e wtk, had daar profijt van toen hij, terugkomend van een avond stappen, met een bulldozer te water reed die zojuist was gelost door een Finse boot die voor ons lag.
Carlos heeft dat de volgende dag keurig geregeld en Ruud heeft er nooit meer iets van gehoord.
De laatste haven van Zuid-Amerika was Montevideo waar we een extra 5e wtk.aan boord kregen, waar de hoofdwerktuigkundige om had gevraagd, i.v.m.de vele werkzaamheden.
De nieuwe 5e, Hans, ging wacht lopen met Ruud de vierde. Tijdens een van de eerste pilsjes na de wacht kwamen ze er achter dat ze alle twee verkering hadden in Fremantle, Australië.
Nog een pilsje verder woonden de meisjes in dezelfde straat en uiteindelijk bleek het om het zelfde meisje te gaan.
Ontvangen brieven werden er bijgehaald, het leek wel of ze geschreven waren met een carbonpapiertje ertussen, alleen stond er bij Ruud onder aan de brief een kruisje meer.
"Kat in het bakkie" zei Ruud, "Ze houdt van mij en bovendien, wat wou jij met die kale kop van je nou tegen mij klaarmaken?".
Hier raakte hij een zeer gevoelige snaar bij Hans die, door het gebrek aan haar, een complex had opgedaan toen hij nog voetballend als spits van zijn lokale voetbalvereniging regelmatig toegeroepen kreeg te "krijten" als hij weer eens over of net naast het doel kopte.
De rest van de oversteek naar Australië was Hans wat stil en ook bij aankomst Sydney schoof hij 's middags de wal op, zonder iets te zeggen.
Een aantal dagen later kwam ik, na het werk, bij Ruud de hut binnen en daar zat een voor mij onbekend manspersoon. Derhalve gaf ik die een hand, althans dat was ik van plan, want de hele club barstte in lachen uit.
Het bleek Hans te zijn, die zich voor 300 dollar (twaalfhonderd gulden, in die tijd!) een fors haarstukje had aangeschaft. (een "heugafelt"-tegel, zei Ruud).
Trots als een pauw liep hij er mee rond, kraaiend: "Nu zullen we nog wel eens zien, straks in Fremantle!!!!".
Hij droeg zijn tegel zelfs op wacht in de machinekamer, dit nu had hij beter kunnen nalaten.
Tijdens een standaard wachtklusje, het overboord blazen van de "sludgetank" (Greenpeace bestond nog niet in die dagen!), vergat onze hans de trechter aan de bovenkant van de tank dicht te draaien.
Toen hij vervolgens de luchtafsluiter vol opende, spoot er een dikke laag zwart-bruine drab recht in zijn nieuwe haardos.
Ruud had dit alles vanaf zijn vaste plaats onder de luchtkoker bij de lessenaar prima kunnen volgen en kwam niet meer bij!!.
Het werd nog erger toen Hans de rest van de wacht probeerde om met alle in de machinekamer bekende schoonmaakmiddelen, zoals dieselolie, trifo en groene zeep het "ding" weer schoon te krijgen. Het eindresultaat hing hij te drogen aan de reling bij de ketel.
Aan het einde van de wacht was de pruik geslonken tot een kwart van zijn oorspronkelijke diameter, met een compacte bos rechtopstaand nylon van een gemene oranje kleur.
Met veel moeite en wat lijm kon het ding nog op Hans zijn kop worden geplakt en bedekte dan ternauwernood zijn kruintje.
In Fremantle togen Ruud en Hans samen de wal op en namen een taxi naar het bewuste adres. Ze hadden het meisje in kwestie niet verwittigd van Hans zijn overplaatsing en hun gezamenlijke komst. Ruud belde aan, terwijl Hans zich schuil hield in de struiken.
Het arme kind moet zich haast zijn doodgeschrokken toen zij, na een eerste omstrengeling, haar ogen open deed en werd geconfronteerd met een als "Woody Woodpecker" uitgedoste Hans.
De beide "kemphanen" zijn vervolgens samen een lekker glaasje bier gaan drinken, op kosten van Ruud. Deze Australiërreis was voor Hans al duur genoeg geweest.

 

20. KLIMAAT (van Dirk van Lopik)


Het weer in het vaargebied van de RIL was over het algemeen van het aangename soort.
Hele stukken met altijd mooi weer, ook grote stukken altijd heet en incidenteel koude, in China of Japan in de winter.
Het weer van de Aulasdienst, waar de "Cook" in voer, kenmerkte zich voornamelijk door depressies in een gebied, dat door de Engelstaligen de "Roaring Forties" word genoemd.
Een alles omvattende naam naar me dunkt, met bijna in alle jaargetijden wind en zeegang, vooral als een gezagvoerder tuk is op "grootcirkelen" op de trajecten Kaap Hoorn-Sydney en Fremantle-Durban.
Mooie trajecten ook voor de amateur-meteorologen onder ons.
Aan boord deden deze iedere dag trouw hun waarnemingen, die dan vervolgens door de sparks in de vorm van een OBS de wereld in werden geseind en per ommegaande, enkele uren later weer terug kwamen als weerbericht.
Eigenlijk maakte je je eigen "weer".
Zo schijnt er eens iemand te zijn geweest die, met opzet of per ongeluk, vanuit dit gebied in de zuidelijke winter temperaturen doorseinde van +45 Celsius, een temperatuur die niemand kon verifiëren, omdat er tienduizend mijl lang gewoon niemand was.
Ook dit kwam terug als weerbericht, de pinguïns vonden het best.
Het begon al weer november te worden. In Australië is het dan al behoorlijk aan het zomeren (dooien?).  Je verwacht dan ook mooi weer op zo'n oversteek, maar dat pakte anders uit.
Vanaf vertrek, behoorlijk ver naar het zuiden varend, begon het snel te verslechteren met bijbehorende zeegang en temperatuursdaling.
Ik liep intussen de 0-4 met Willem, de derde wtk, en we hadden om twaalf uur onze nieuwe tweede (de opvolger van onze "vliegtuig-mechanic"), samen met zijn assistent afgelost.
Rond een uur of drie ging ik even naar boven om wat koffiemelk te halen en vond dat er nogal wat wind stond in de gang.
Bovendien kwam er veel herrie uit de hut van de tweede.
Het bleek, dat beide heren een verschil van mening hadden gekregen over de temperatuur in de accommodatie.
Het eindresultaat zag ik voor me, in die zin dat de 5e met alle kleren aan die hij had kunnen vinden zat te kraaien hoe koud het wel niet was en onze tweede, nog slechts gekleed in een onderbroek, met alle poorten open, puffend achter zijn biertje zat.
De 3e stuurman lag op dat tijdstip al wijselijk in zijn mandje.
Ook Ruud en Hans hebben rond vier uur het schouwspel nog staan aanschouwen, net wakker en op een nuchtere maag, ze zijn ons toen maar hoofdschuddend komen aflossen.

 

 

21. BOISSEVAIN (van Dirk van Lopik)


Aan alle mooie dingen komt een einde, maar soms worden ze ook nog beter.
Vlak voordat we met de "Cook" voor de tweede keer Zuid-Amerika aanliepen, kreeg ik tijdens het tornen van een hulpmotor een fikse pijn in mijn zij, derhalve tijdens onze eerste keer Buenos Aires meteen naar de dokter.
Ik werd onderzocht in de kliniek van Herr Doktor Eidelberger, naar eigen zeggen een Zwitser en mocht alleen nog terug naar het schip om mijn spullen in te pakken; liesbreuk luidde de diagnose.
Ik heb de drie weken na de operatie benut om de eerste beginselen van het Spaans te doorgronden, eerst in mijn bedje en daarna als lopend patiënt en ‘s avonds oefende ik mijn Spaans in de "Copper Kettle", toen een bekende Argentijnse muziekgelegenheid in de drukke winkelstraat de "Lavalle" (Voor de Vingte-cinque-de Mayo was ik nog onvoldoende hersteld) .
Na die drie weken werd ik als jongste 5e geplaatst a/b van het ms "Boissevain", een van drie roemruchte zusjes.
De anderen waren de "Ruys" (niet te verwarren met de Willem Ruys!) en de "Tegelberg", die samen met een vierde vracht-passagiers-schip, de "Tjitjalengka", een dienst onderhielden tussen het Verre Oosten en Zuid-Amerika.
Bij de RIL waar, zoals ik al schreef, alles in het Engels was, heette deze dienst de "Asas" en was alleen weggelegd voor uitverkorenen.
De schepen hadden hun roemruchte verleden opgebouwd in de 2e wereldoorlog, na in Hitler-Duitsland te zijn gebouwd in de jaren '38-'39.
Zij waren zeer snel geweest voor die tijd, sneller dan de meeste duikboten, zodat ze voornamelijk buiten de konvooien op volle kracht hadden gevaren, deel hadden genomen aan diverse landingen en als hospitaal/troepentransportschip.
Dit had veel gevergd van de drie naast elkaar opgestelde, (drie- schroeven!)-motoren.
Zo kwam ik op mijn tweede "werkschip" of "schrooiboot" terecht, dus wederom met een goede sfeer?.
Dat bleek inderdaad zo te zijn; er werd veel gelachen en veel overwerk gemaakt.
Dat was wel nodig ook, want als je heen en weer vaart tussen, laten we ruwweg zeggen, de "Club Checkers" in Yokohama en de "Hamburg-Bar" in Santos met daar tussenin alle Japanse havens + Pusan, Hong- Kong, Singapore, Mauritius, Zuid-Afrika en alle Zuid-Amerikaanse havens, dan kun je aardig wat geld gebruiken.
Zo was daar bijv. mijn goede collega Toon, die van dezelfde lichting was als Oebke en eigenlijk al naar huis had moeten zijn.
Twee jaar lang had hij zijn best gedaan om te sparen voor een autootje om mee heen en weer te rijden naar school, maar voor vijfhonderd gulden kocht je, zelfs in die dagen, niet veel.
Noodgedwongen en met weinig tegenzin had hij besloten nog een jaar bij te tekenen.
Ik heb hem na dat derde jaar met verlof zien gaan, met het enorme bedrag van wel achthonderd gulden.
(ik zag hem later in Vlissingen wel eens in de regen naar school fietsen).
Nee toon was heel populair bij de dames, al had hij ook altijd wat "charmes" in de borstzak van zijn stapshirt voor het geval..dat!.

 

22. "TOUR DE L'AMERIQUE DE SUD" (van Dirk van Lopik)


De schepen in de "Asasdienst" maakten een dubbele kustreis.
Men begon in Rio, de kust af naar beneden tot in Buenos Aires en vervolgens de kust weer op naar wederom Rio de Janeiro.
Op de "Boissevain" bleek men een klassement bij te houden, vergelijkbaar met de "Tour de France" alleen had dit niets met fietsen te maken, maar meer met de hobby van Toon.
Zo was daar een heuse gele trui, die ook echt bij het "stappen" werd gedragen, een groene trui, een bolletjes trui en een klassement voor de meest ongelukkige renner, (de rode lantaarn).
De klassementen werden dagelijks, in het bijzijn van de betrokken dames, aan de wal bijgewerkt.
Behalve het laatste klassement, dat was op wekelijkse basis bij de scheepsarts.
De gele trui stond voor het hoogste aantal verrichtingen, de Groene, (de gevaarlijkste!) voor het grootste aantal verschillende dames, de bolletjestrui had iets met het bergklassement te maken. (bedrijfsongelukjes!).
Siebe uit (naar eigen zeggen) Leeuwarden, had bij mijn komst aan boord, de gele trui vast om de schouders en stond hem op de rest van de kustreis ook niet meer af.
Na vertrek Rio ging Siebe in een soort van winterslaap, want hij moest vanuit Kaapstad met verlof.  Hij stond nogal bekend als duf (geen wonder!) en slaagde er op die oversteek niet in dat van zich af te schudden.
Dat bleek toen we een maand later een brief van hem kregen uit Eindhoven, waarheen zijn ouders halverwege zijn 2-jaar-term waren verhuisd. Ze hadden Siep daarvan ook ooit op de hoogte gebracht, maar ja!!??.
Zo had hij op zijn wereldreis door Nederland: Schiphol- Leeuwarden-Eindoven, met taxi's, bussen en treinen in de laatste taxi ook nog zijn pijl-en-boog laten staan, een souvenir uit Mozambique, van wel twee meter lengte, dat hij vanaf Kaapstad als handbagage met zich mee had gezeuld.
Wilco en Toon waren in een verbeten strijd gewikkeld om de groene Trui en ik werd daar indirect het slachtoffer van.
Wilco lag een punt achter en kon dat alleen in Rio nog goed maken. Toon had daar vaste verkering, dus die kon zich daar moeilijk weren.
Ook op dit schip liep ik de 0-4 en voordat ik tegen een uur of acht s'avonds ging slapen, kwam Wilco me vragen of hij mijn horloge, een echte Seiko-"five", mocht lenen.
Zijn eigen horloge had hij wegens gebrek aan voldoende liquide middelen, bij een relatie in Santos achtergelaten.
Blijkbaar speelde zijn liquiditeitsprobleem nog steeds, want de volgende morgen deelde hij mij mede dat ook mijn horloge als onderpand bij een bevriende relatie was achter gebleven.
Maar..., hij had zicht op wat smokkelcentjes van "China", dus dat kwam wel goed, bovendien zouden we die avond samen de wal opgaan omdat ik van wacht had geruild, met de vijfde van de 4-8.
Die avond zag ik Wilco weer in de "Mr.John's Drinkies Bar" in het bijzijn van, naar ik vermoedde, de tijdelijke bezitster van mijn Seiko.
Even had ik niet aan het klassement gedacht, want kort daarna ging de deur open en er kwam een zeer boze Braziliaanse tante op Wilco af en begon hem in het Portugees voor van alles en nog wat uit te maken, haalde tijdens deze tirade iets uit haar tas, smeet het op de marmeren dansvloer en zette een naaldhak in mijn "Five".
Ook het bergklassement kende zo zijn eigen problemen.
Gerrit, de derde wtk, was de enige die bewust meedeed aan de race om de "Bolletjes-trui".
Hij ging zelfs zeer selectief te werk.
Als ergens aan de wal een dame aan hem vroeg: "what's your name?",
Zei hij: "Gerrit" en vervolgens: "What's yours?".
Op het steevaste antwoord: "Maria!....,you buy me a drink?" vroeg Gerrit; "Are you pregnant?".
Meestal moest hij daarna met gebarentaal, e.e.a nog wat verder uitleggen.
Als vervolgens het antwoord ontkennend luidde, klonk het steevast: "Then..no drink, for you!"....Carracho!?

 

 

23. Jean Fromage on Voyage, verhalen van Dirk van Lopik


Overplaatsing
Aan het einde van het eerste jaar kwam ook voor mij het moment van overplaatsing.
Ik had er in kaapstad precies 365 dagen opzitten en mijn memoriaal werd afgesloten door een handtekening van Jaap, die mij de 14 dagen als leerling-stuurman schonk en mij vertelde, dat ik hem veel grijze haren extra had bezorgd en ontroerd afscheid van mij nam, nog steeds er van overtuigd dat het met mij nooit iets zou worden.
Maar blijkbaar had ik toch veel van hem opgestoken, want op mijn nieuwe schip de "Straat Cook" liep het van het begin af van een "leien dakje" en werd ik volledig geaccepteerd als een volwaardig lid van de machinekamerploeg; de nieuwe 5e wtk.
De "Cook" was een berucht schip, een werkschip met één van de eerste "Stork-Hotlo" motoren en mede daardoor een prima sfeer.
De lijndienst die het schip voer leende er zich ook uitstekend voor. Rond de wereld, lang op zee, maar dan kwam je ten minste ook ergens. Australië, Zuid-Afrika, Zuid-Amerika en weer terug naar Australië, via de straat van Magelhaen (kaap hoorn), wie droomt daar niet van?.
In Rio Grande ging de tweede wtk, een kortverbander, voorgoed met verlof, we hadden die dag met de hele ploeg kleppen getrokken, een zuiger vernieuwd en andere ingewikkelde toeren uitgehaald in het inwendige van onze "hotlo".
Toen we ‘s avonds tegen negenen, moe maar voldaan, boven kwamen, zagen we er derhalve uit als beesten.
Geheel tegen de principes in, werd er besloten eerst een "vuile" pot bier te drinken.
Dat werden er twee en vervolgens liep het geheel uit de hand.
De volgende morgen om zes uur, zat het hele "dronkezakke" koor, de stuurlieden incluis, nog volop te zingen op het tampatje.
De "braz"-agent zal wel raar hebben opgekeken, toen hij onze jan nog in zijn overall aantrof.
Vliegensvlug werden de laatste uniformen en overalls van Jan in zijn koffers gepropt,alles wat er uitstak werd met een pakkingschaar netjes weggeknipt (je kunt ten slotte niet voor schut over straat!) en met zes taxi's brachten wij Jan weg.
Het laatste wat wij van Jan zagen was dat hij, schoppend tegen de banden van het vliegtuig, in overall en voorzien van bahco, zaklamp en wachtboekje onder het vliegtuig doorliep, met in zijn rechterhand een plastic tasje, om zich in Rio de Janeiro te kunnen omkleden.
Later bleek daar overigens de vuile overall van de derde wtk.te hebben ingezeten, wat Jan eigenlijk niet had verdiend. Maar ja als de wijn is in de man!.
Dat moet ongetwijfeld ook het geval geweest zijn, tijdens een feestje met Australische dames, in de hut van de derde stuurman op een der vorige reizen van de "Cook".
Volgens overlevering had de leukst uitziende dame, aangegeven best aan boord te willen blijven voor de nacht.
Er was een drietal gegadigden, maar de dame in kwestie kon moeilijk kiezen en besloot zich te geven aan degene met het langste mannelijk lid.
Om beurten meldde het trio zich in de hut ernaast, die van de 4e stuurman, met haar als enig "jury-lid".
Bij gebrek aan een "meet-lat", werden de "lijdend?" voorwerpen gestrekt op het bureau gehouden, waarbij zij met een scherp voorwerp een diepe kras in het bovenblad gaf.
De krassen waren nog steeds te bezichtigen, de namen stonden er niet bij.
Het verhaal wilde ook dat een der slachtoffers tijdens het meten alvast een voorproefje had genomen, bang om uitgeloot te worden zeker?.
Als zij hun klassieken hadden gekend, hadden ze zich al deze moeite kunnen getroosten, want zei vader Cats niet reeds: "De neus van de man en de mond van het wijf, is een maat voor het onderlijf?!!"

 

24. Afscheid


De laatste reis van de "Boissevain", hoe kan het ook anders, stond in het teken van het afscheid.
In iedere haven waar we voor de laatste keer kwamen was er wel iets georganiseerd; spuitende sleepboten, doedelzakbands enz.
Ook de laatste "roundtrippers" hadden maanden van te voren geboekt om het afscheid te mogen meemaken.
Zo sprak ik op de kade in Eastlondon een oudere heer die me mistroostig vertelde dat hij er helaas niet in geslaagd was om een boeking te bemachtigen en dat terwijl hij in totaal al zes reizen met de "b.r.t.'s" had gemaakt.
In Hong Kong kregen we een oud-directielid compleet met zijn Rolls-Royce aan boord. Dat ging overigens ogenblikkelijk fout daar de uitlaat van de auto, bij het aan boord hijsen, achter de railing bleef haken en terug viel in de jonk.
Later is dat door een bankwerker van Herman weer allemaal keurig hersteld.
Maar toch rustte er een vloek op de laatste reis.
Het directielid werd ondergebracht in een van de suites, de "Cerry Blossom Room" en had derhalve zijn eigen bediende.
Boze tongen beweerden overigens dat hij, evenals een aantal andere topfunctionarissen van het Hongkong kantoor, homofiel zou zijn.
"Wat geeft het", zei Herman, "Zolang als het maar niet verplicht wordt, want dan ga ik emigreren!".
Ik was intussen verhuisd naar de 4-8 wacht, wat o.a.inhield dat er 's morgens vanaf 9 uur vaak overwerk diende te worden gemaakt.
Meestal als assistent van de, zoals herman het noemde "schijthuis-ontstop-ploeg", voorzien van blindflenzen en luchtslangen.
"Niet beknijsde"-passagiers hebben de nijging om de meest vreemde dingen door het toilet te spoelen, met alle nare gevolgen van dien. Zo ook die morgen, net na vertrek Hongkong.
Er was een verstopping gemeld, niet ver van de "Cherry Blossom Room", waar ons ex-directielid rustig zijn krant zat te lezen.
Tijdens onze werkzaamheden had hij wel wat lawaai gehoord in zijn eigen toilet, maar had er geen aandacht aan geschonken. Hij was er waarschijnlijk van uitgegaan dat zijn bediende er aan het rommelen of schoonmaken was. Tot er een verdacht geurtje in zijn suite was gaan hangen en hij hoogstpersoonlijk een onderzoek had ingesteld.
De oorzaak en de rest van het verhaal laat zich raden, op een gegeven moment telde ik wel zeventien (maal twee!) Gouden strepen.
Ook Herman, op het rumoer afgekomen en vanwege zijn geringe lengte op zijn tenen staand om over al dat goud heen te kunnen kijken, nam op zijn eigen manier afscheid met de woorden: "dat.. lijkt wel stront!", sprak hij opmerkzaam als altijd.
"Koks", een ex-marinier en opvolger van "Mike Hammer", nam in Japan ook op eigen wijze afscheid en misbruikte drie niets vermoedende Amerikanen, die rustig achter hun lunchpilsje zaten, om "Club-Robin" in Yokohama te verbouwen.
De aanleiding was dat Albert, de jongste 4e wtk, de avond tevoren was wezen wandelen en 's morgens tijdens "pikheet" met een blauw oog zat te vertellen dat een paar yankees in de "Club Robin" daar verantwoordelijk voor waren geweest.
We hadden "Koks" tussen de middag wel gemist, maar er verder geen aandacht aan geschonken. Hij ging wel vaker tussen de middag achteruit bij "compradore" mr.Yip Pak wat eten.
's Avonds toen we zelf toevallig in de gerenommeerde zaak "Club Robin" moesten zijn, vonden we de deur op slot. Nu was ons bekend, dat de mammasan van deze club ook eigenaresse was van een aantal andere barretjes met vogelnamen.
We troffen haar bij toeval in de "Club Lark" en hoorden daar het restant van het voor ons nog onbekende verhaal.
In haar bewoordingen :"oh this moning big horranda-san come joh!, he asku three peoper, you american?..., all speak yes!,..then him make prenty trober joh!,..him throw all american out! ...now inside bar ebrithing broken desjo!..oh big horranda-san...him big trober,..joh!,..berry bed neh?"
Zo nam iedereen op eigen wijze afscheid.
Ook de oude nukkige dame zelf, door in dichte mist in de Japanse (haar erfvijand)-binnenzee een Japse coaster te rammen.
Wonder boven wonder werden de tien opvarenden gered, want het scheepje verdween binnen een paar minuten naar de diepte.
In Japan zagen we onze opvolger, de "Straat Holland", pas van de werf en we wisten, dit wat we nu hebben komt nooit meer terug.
Gelukkig hoefde ik de laatste gang naar de sloper in Kaohshung niet meer mee te maken, maar werd ik in Hongkong overgeplaatst naar het ss "Tjipondok".
Ik nam afscheid van het schip en de mensen waar ik ruim een jaar mee had samengewerkt.
Afscheid ook van Sam en Max,de vaste "carter"-ratten van het zuigertrekken, door Herman ook wel eens in de R.I.L-stijl "yu fuck him" en "fuck him too" genoemd die, evenals vele anderen, na jaren van trouwe dienst zonder werk kwamen.
De mooiste herinneringvan deze reis, vastgelegd in een fotoreportage, is de ontmoeting op volle zee met het zusje de "Ruys".
De slechtste, de aanvaring in de Japanse binnenzee.
Deze aanvaring kostte onze gezagvoerder overigens zijn carrière bij de R.I.L.
Jaren later liep ik hem in Vlissingen nog eens tegen het lijf, als gezagvoerder bij de "Ethiopian Steamship Company"; ook niet helemaal terecht!.

 

 

25. LEERLING (van Dirk van Lopik)


Op de oversteek, terug naar Zuid-Afrika werd ik ingedeeld op de 8-12.
Bij de RIL was dit de wacht van de 2e wtk.
Daar de tweede ook regelmatig als "hoge drukman" passagiersverplichtingen had, was de wacht uitgebreid met een leerling,
Naast de normale bezetting van 2e wtk, oudste 4e wtk, ikzelf en drie Chinese olielieden.
De leerling die wij hadden was Rinus die een soort van haat-liefde verhouding had met Herman, de tweede.
Deels was dat een stukje voorgeschiedenis omdat Rinus een keer was vergeten de lage zee-inlaat, van de pompen die o.a. het zwembadwater leverden, dicht te draaien tijdens het, (wederom!) overboord blazen van de sludgetank.
Het resultaat was geweest dat het hoogste punt van het zoutwatersysteem na verloop van enige tijd een dikke laag drab had vertoond, met daarin een aantal "verwende" 1e klas passagiers.
Naast het zwembad overigens en later met al zijn goud op in de machinekamer, een zeer boze "purser" vergezeld van een nog bozere hwtk. (geen familie van Jaap!).
Daarnaast had Rinus, tijdens de laatste Zuid-Amerikaanse kustreis, dapper meegedaan aan "het klassement", waardoor hij een aantal malen te laat in de machinekamer was verschenen.
Kortom, Rinus moest onder curatele.
De lessenaar was het domein van Herman.
Bij aanvang van de wacht stalde hij er, in een vaste volgorde, al zijn wachtattributen uit.
Een van deze attributen was zijn blikje met shag, wat steevast op het hoekje van de lessenaar lag.
Herman was een mens van het drukdoenerige soort, hij deed alles op een drafje, zelfs koffiedrinken.
Als hij behoefte had aan een "shaggie" liep hij langs de lessenaar, griste "rats" het blikje weg, verdween er mee in de immense machinekamer en kwam enige tijd later rokend weer langs, om zijn blikje terug te leggen.
Tijdens een van de eerste wachten met Rinus, ging tijdens het: "rats" -grissen van Herman, met een klap de complete lessenaar omver.
Nader onderzoek wees uit dat er zich onder de shag, dwars door de bodem van Hermans blikje, een 4 inch draadnagel bevond.
"Tot Japan niet de wal op!" luidde het oordeel voor Rinus, "dan kun je de achterstand in je memoriaal (zie:scriptie!) wegwerken".
Nu had Rinus in Durban een broer wonen, dus deze straf kwam hem niet zo goed uit.
Eigenlijk tegen beter weten in deed hij, vlak voor aankomst Durban, Herman het verzoek zijn straf wat flexibel toe te passen. En zie: blijkbaar was deze in een goede bui, want hij ging morrend en over het hart strijkend accoord.
Naast passagiers vervoerde de "Boissevain" als vrachtschip ook nog duizenden tonnen lading, waaronder iedere reis vele honderden tonnen Argentijns en Braziliaans paardenvlees (en ezels!), of: "horrrsmeat", zoals Herman het in zijn Brabantse tongval noemde, bestemd voor Japan.
Daar werd het volgens mij verwerkt in allerlei worsten en dergelijk, want iedere rechtgeaarde Japanner zal stellig beweren dat er in Japan geen paardenvlees wordt gegeten (duizenden tonnen meneertje!).
Maar goed, om dit allemaal diep gevroren te houden, was de "Boissevain" uitgerust met een aantal vrieskamers en een ammoniak-brijn-vriesinstallatie.
Deze brijn zat opgeslagen in een viertal brijnbakken, die werden gekoeld met ammoniak.
De gekoelde brijn werd door middel van pompen rondgepompt in de koelspiralen van de vrieskamers.
Daar de "Boissevain" zoals gezegd haar "maiden voyage" reeds lang achter de rug had, ging er wel eens een brijnleiding kapot.
Om dit tijdig te kunnen onderkennen en zo te voorkomen, dat de Jappen al te "zoute" worst moesten gaan eten, werden de brijnbakken twee maal per wacht gepeild en de peiling werd ingevuld in het vrieskamerboek.
Binnenliggend te Durban, net na de middag, was ik samen met Wilco aan het werk in de vriesmachinekamer.
Op zeker moment kwam Herman weer voorbij sprinten, in zijn loop een blik in het vriesjournaal werpend, vervolgens tegen Wilco: "Ik dacht dat jij bak 4 had leeggepompt?".
"maar Rinus vult wel mooi 120 cm in!" en tegen mij: "Peil eens!"
Dit was een rot klusje, tussen alle leidingen en pompen door kon je er erg moeilijk bij met je peillint, maar inderdaad bak 4 was leeg...; "Haal Rinus…" klonk het kortaf.
Boven aangekomen trof ik Rinus, vol aftershave, in het stappak voor de spiegel.
Onderweg naar de machinekamer kon ik hem nog snel "briefen".
Op aanwijzing van Herman peilde Rinus keurig alle bakken, bij bak 4 aangekomen riep hij brutaal: "120 cm secund!"
De reactie van Herman duidde op een goed ontwikkeld gevoel voor humor en intelligentie: "Ga dan maar de wal op!" zei hij.
Ieder ander excuus in de trant van: "Daarnet, toen ik peilde, was de bak nog vol" had waarschijnlijk een minder goede uitwerking op Herman zijn gevoel voor humor gehad.

 

 

26. PASSAGIERS (van Dirk van Lopik)


Volgens sommigen de meest moeilijke lading er die bestaat.
Ik vond het al met al wel afwisseling brengen, zeker op een schip wat er voor is ingericht.
Zo was daar de wekelijkse sloepenrol.
De "Boissevain" had inclusief de twee "Man Overboord" sloepen en de twee motorsloepen, ook wel KPM-sleepboten genoemd, in totaal twaalf reddingsboten.
Iedere boot had een sloepcommandant en een assistent, die laatste functie bekleedde ik in boot 8.
De 3e stm was commandant, maar aangezien de sloepenrol altijd 's morgens tijdens zijn wacht werd gehouden mocht ik de honneurs waarnemen.
Zo maakte ik mijn sloepsgastdiploma ten minste nog te gelde.
Nadat het sloepenrol-signaal was gegeven ging iedereen, voorzien van pet en zwemvest, op een drafje naar het sloependek en de betreffende boot, voor mij dus nummer 8 aan sb.
Voorts het afroepen van de namen van bemanning en passagiers.
Bij de laatste groep kwam het regelmatig voor dat op mijn vraag: "Miss Davies?", het krakerige antwoord kwam: "She is not here, she can't climb the stairs".
Nadat was voorgedaan hoe men zich diende in te schepen of in noodgevallen van zes dekken hoog in het water diende te worden gesprongen, ging iedereen weer aan het werk of verder met de bezigheden van het moment.
De leeftijd van de passagiers (round-trippers), die daar flink voor betaalden, lag gemiddeld ver boven de vijftig.
De scheepsarts had hier ook vaak een dankbare taak, zoals aan de dame van in de zeventig die blijkbaar last had van constipatie.
Onze varende medicus loste dat op door vlak voor het diner aan tafel te verschijnen met een grote pot zetpillen, die hij naast haar bord zette met de woorden: "Here you are Darling,...if these don't work, we will use dynamite!".
Maar soms was er ook wat jonger spul aan boord, zoals die keer dat Herman tijdens een van zijn entertainment verplichtingen, zo tegen elf uur s'avonds en in vol ornaat, nog even in de machinekamer kwam kijken.
Hij had wat gedronken en zag er in onze ogen oud uit, een krasse vijfendertig-er.
"Ik ben een gedegenereerd mens", zo sprak Herman.
"Waarom secund?" vroeg Wilco belangstellend.
"Ik heb zojuist gecopuleerd met een dame van 55 jaren", ging Herman verder.
"Is dat zo erg dan?" vroeg onze Rinus.
"Nee, op zich niet, maar ik vond het nog aangenaam ook!" hoorden we hem mompelen, terwijl hij er al weer op een drafje vandoor ging.
De scheepsarts zal aan deze dame weinig werk hebben gehad.
Hij was eigenlijk degene die me op het idee bracht, ooit een boekje te gaan schrijven.
Hij had dezelfde plannen en had al twee titels klaar.
Deel 1 zou gaan heten: "Aziaten staren mij aan!" en deel 2, moest de mooie titel "Zes jaar tegen mijn wil, bij de RIL!" krijgen.
Niet dat onze dokter het slecht naar zijn zin had, maar hij was een goede arts. Had zijn bul gehaald nadat hij eerst een aantal jaren bosbouw had gestudeerd en was daardoor onbemiddeld en wat ouder op de arbeidsmarkt verschenen.
Hij had daarna getracht vanuit een bovenwoning in Enschede een praktijk op te starten en dreef dan ’s middags, om in leven te blijven, een autorijschool onder de verheffende naam "Clitor".
(Hij noemde Enschede overigens altijd En-"Schede", naast zijn andere favoriete plaats in Nederland; "Stampersgat").
Nadat hij failliet was verklaard kon hij als scheepsarts aan de bak, maar het verlangen naar een eigen praktijk bleef.
Ook had hij een uitgesproken mening over het bericht dat dr.Chris Barnard, in het "Grote Schuur" ziekenhuis van Kaapstad, de eerste harttransplantatie had verricht en noemde het een bron van criminaliteit met het oog op de toekomst.
Vooral in verband met het transplanteren van andere menselijke lichaamsdelen zoals nieren, maar ook geslachtsdelen en maakte zich vooral zorgen om het laatste.
Hij zag in gedachten al Mafioso het land afstropen op zoek naar een mannelijk lid van grotere afmetingen dan dat van de "Capo Di Tutti Capi".
Mogelijk had hij een vooruitziende blik, gevoel voor humor kon hem In elk geval niet worden ontzegd.

 

 

27. SCHEEPSLEVEN (van Dirk van Lopik)


Het was een hechte ploeg officieren op onze "Boissevain" en volgens overlevering was dat altijd al zo geweest.
De enige dissonant deze reis was eigenlijk de vete die er bestond tussen Wilco en Gerrit de derde wtk.  Waar deze vete zijn oorsprong had is niet bekend, misschien had het ook iets met het "Bergklassement" te maken.
Feit is dat de heren met elkaar communiceerden via de pratende beo van Gerrit die hij, hoe kan het ook anders, "Wilco" had genoemd.
Het beest schreeuwde de hele dag zijn eigen naam door de gang,
Dit tot groot ongenoegen van de originele eigenaar van deze naam ""Wiiiiiiilcoooooo!"".
Op zekere dag meldde Gerrit tijdens "pikheet" dat men overtollig fruit bij hem kwijt kon, voor "Wilco 2".
Nu was het bij de RIL de gewoonte na iedere maaltijd fruit te serveren, wat er vooral bij de werktuigkundigen op neer kwam, dat er in sommige hutten, van weken opgespaard fruit in een hoekje op de bank lag.
Wilco had blijkbaar al dit fruit keurig verzameld en het tijdens afwezigheid van "de baas" in de kooi van zijn naamgenoot gepropt.
Het resultaat was een kooi, gevuld met wel een mud fruit en daar bovenop, zwaar in de verdrukking, een gillende "Wiiiiiiilcooooo!".
De vete is gebleven…..
Gerrit en de beo niet. In Singapore gingen ze naar het volgende schip en loste Sjaak, een Amsterdammer, ze af.
Ik verdween weer naar de 0-4 en mocht samen met Toon, Sjaak wegwijs maken in onze immense machinekamer.
Ook op het gebied van passagiers was Sjaak onbekend en hij bleek tevens niet te kunnen dansen.
Nu mochten wij op bevel van de gezagvoerder niet al te vaak in de eerste klas komen, maar met "Oud en Nieuw" in aantocht hadden we goede hoop.
Maar ja dan moet je wel kunnen dansen. Het opleren van Sjaak werd, na de wacht, de taak van onze "Lady-Killer" Toon.
Op de eerste dansles verscheen Sjaak, volgens Toon althans, met de verkeerde schoenen "Werom ken je mit Rubbersoole nie danse?" vroeg onze man uit de Dapperbuurt.
Maar ook Loetje, ons Chinese kindermeisje die als dans-slachtoffer zou dienen, beaamde de stelling van Toon.
Na enige dagen had Sjaak de beginselen van de foxtrot onder de knie, op "Leere soole"!.
Wij werden inderdaad uitgenodigd op het nieuwjaarsbal, Sjaak was in discussie met een aantal Engelstalige passagiers over de kwaliteit van de geserveerde oudejaarstractatie, die hij "Oil-Balls" noemde. (de bollen vonden daarna minder gretig aftrek).
En dansen,....Ho maar!.
Blijkbaar zat de purser in het complot, want net toen Sjaak na veel aandringen eindelijk met een bouwvallige dame van half de zestig de dansvloer betrad stopte de purser op een teken van Toon de muziek.
Iedereen verliet de dansvloer, behalve Sjaak en zijn partner, hij kwam net op! Door de luidsprekers kwamen vervolgens de excuses van de purser en hij zette aansluitend een Engelse wals op.
Sjaak bleek al foxtrottend over een redelijk arsenaal Amsterdamse verwensingen te beschikken,...wat is zo'n dansvloer dan groot!.

 

28. GEZAGVOERDER (van Dirk van Lopik)


Onze gezagvoerder zag ons liever niet in de eerste klas, daar zal hij ongetwijfeld zijn redenen voor hebben gehad.
Een bekende RIL-vertaling van een oud Australisch spreekwoord luidt: "Buckers worden niet geboren, maar gemaakt!".
Een tweede klas accommodatie (op andere RIL-passagiersschepen het domein van de "lage druk"), was vertimmerd tot eerste klas en de derde klas-a en-b zat alleen vol op het traject Pusan-Okinawa-Santos met Koreanen en andere landverhuizers en was ongeschreven het terrein van "China"; derhalve was er op zee voor ons weinig vertier.
Dat maakte de gezagvoerder weinig populair, ook een voorval tijdens aankomst Singapore deed daar niet veel goed aan.
Ergens op de kust van Zuid-Afrika was onze derde stuurman Krijn, een zeer bebaarde man met overal haar, met zijn appeltje net voor aankomst op wacht gekomen.
Hij was blijkbaar een van de mensen die zijn fruit zelf opat en legde de "Granny Smith" op een hoekje van de kaartentafel, voor later.
De gezagvoerder, die kort daarna het stuk fruit ontdekte, pakte het op en smeet het onder de woorden: "het is hier geen groentewinkel!" vanaf de brugvleugel overboord.
De gezagvoerder was een fervent sigarenroker hij presenteerde er overigens nooit één, ook niet in de eerste klas. Bij aankomst Singapore kwam hij rond een uur of tien 's morgens op de brug tijdens de wacht van onze Krijn, die overigens zeer stoïcijns het voorval in Zuid-Afrika had gade geslagen. Met een groots gebaar legde onze gezagvoerder zijn doos sigaren op de brugrand onder het raam, naast de kijkers.
Hier nu had onze stoïcijnse Krijn op gewacht, met een grote boog vlogen de sigaren overboord, begeleid door Krijn: "Kapitein het is hier geen sigarenzaak".
Humor had onze gezagvoerder beslist niet en Krijn werd in Hongkong overgeplaatst naar een vrachtschip.
Onze scheepsmedicus ging na dit voorval in de tegenactie en vroeg Audiëntie aan bij onze gezagvoerder.
Het gesprek schijnt ongeveer de volgende strekking te hebben gehad, zeker weten doen wij het niet, want er waren geen getuigen:
"Kapitein ik heb hier een biljet van 10 HK Dollar, iedereen die u mag, passagiers incluis, krijgt zo'n biljet van mij.
”Van de mensen die u niet mogen krijg ik twee biljetten terug, als ik dan hier weer terug kom heb ik zooo'n stapel" en gaf hierbij met duim en wijsvinger een redelijke dikte aan”.
Het was ook een kort gesprek en eindigde met veel gevloek van onze gezagvoerder en een rennende dokter.
Geen gevoel voor humor, maar dat wisten wij als "lage druk" al, want op vijf december had hij ook niet kunnen lachen om alle oude machinekamerschoenen die we, gevuld met winterwortels, voor zijn deur hadden gedeponeerd.
Als je goed gaat zoeken in de machinekamer van een schip met zo'n lange geschiedenis, dat kom je van de vele generaties wat oude schoenen tegen hoor!.

 

 

29. FIETS (van Dirk van Lopik)


Daar ik nagenoeg voortdurend de zgn. 12-4 liep tijdens mijn "Boissevain"-dagen, zowel op zee als in de haven!, werd ik op den duur een soort van mol die hoofdzakelijk 's nachts leefde.
Mijn vaste lotgenoten waren mijn olieman, de nachtsteward, die altijd voor sandwiches zorgde, en de brandwacht, door iedereen: "Look See Fire" genoemd.
Al deze mannen deden dit al ruim twintig jaar, dus eigenlijk had ik niets te klagen.
Als je overdag vrij was, dan werkte de rest. Ging je om twaalf uur naar beneden, dan ging iedereen net eten en 's avonds weer vroeg naar bed, precies op het moment dat "de rest" een pilsje ging drinken, nee mij beviel die wacht niet.
Om toch iets om handen te hebben, binnenliggend dan, had ik in Kaapstad bij een Italiaanse ex-coureur, die een fietsenwinkel dreef, een 10e-hands koersfiets gekocht.
Daar schoof ik iedere morgen tegen een uur of negen mee de wal op en was dan rond elf uur weer terug.
Het fietsen verlegde mijn horizon landwaarts met tientallen kilometers en ik kwam (per ongeluk!) op plaatsen waar je normaal niet kwam.
De buurten gelijk aan "Anson Road", "Tim Shat Sui" de "Rio Branco en de "Vingte Cinque de Mayo", daar fietste ik voorbij.
Herman, als rasechte Brabantse wielerliefhebber, vond het prachtig en bood me een stalling aan in de nooddynamokamer naast mijn hut, normaliter het domein van de derde wtk.-elektricien.
Ik kreeg er zelfs een sleutel van.
Ik heb Herman overigens na de "Boissevain" nooit meer gezien, maar het schijnt dat hij na zijn passagierstijd drank en vrouwen vaarwel heeft gezegd en bekend is geworden als: "de hoofdwerktuigkundige met de racefiets".  Even terzijde, ook biljarten was een passie van hem.
Steevast als men hem vroeg, hoe het toch kwam, dat hij zo lang over zijn diploma's had gedaan, nam hij een biljarthouding aan en sprak: "Jaa...,dan stond ik daar te studeren he!".
Waarschijnlijk heb ik in Singapore mijn racefiets niet helemaal goed zeevast teruggezet in de nooddynamokamer, want net voor Hongkong werd ik bij de hwtk geroepen.
Daar zat onze oude 3e wtk.-elektricien, met de mooie bijnaam: "Mike Hammer", volledig overstuur op de bank.
Naar bleek had hij mijn fiets wat willen verzetten en daarbij een "optater" van 220 volt gekregen.
Mijn baas kon niet anders dan mij op mijn kl....geven, maar ik zag aan zijn pretoogjes dat hij het allemaal niet zo erg vond.  Hij had gelukkig wel humor.
Over hem ging overigens het verhaal dat hij in zijn eerste term van drie jaar, als domineeszoon uit het hoge noorden, van het gereformeerde thuisfront het verzoek kreeg eens wat vaker te schrijven en ook eens een foto op te sturen.
Hij was intussen "volwassen" geworden en men wilde wel eens zien hoe hij er nu uitzag.
Hij had op een van zijn Australiërreizen een dubbel schapenvel gekocht, wat normaliter op de bank in zijn hut lag.
Hij rolde dit op en nam het, onder zijn arm, in Japan mee de wal op naar een fotograaf.
Daar heeft hij een foto laten maken, waarop hij ontkleed was waar te nemen, in liggende houding, met het hoofd gesteund door een arm.
Het resultaat heeft hij naar huis gestuurd, met als begeleidend schrijven, dat men van hem vast nog ergens zo'n zelfde kiekje moest hebben liggen, uit de dagen dat hij nog lang niet volwassen was. Ik heb altijd gevoeld dat hij begrip had voor: "Hoe moeilijk het is, om uit een calvinistische sfeer te geraken".
Schrijven naar echtgenote, verloofde, of andere familieleden was voor weinigen een favoriete bezigheid.
Zo was er ook de getrouwde 1e marconist van de "Boissevain", die echt niet meer wist waar hij het nu weer eens over zou hebben.
Hij vatte het "pakkend" samen in de openingszin van een brief aan zijn echtgenote, die luidde: "De zee is blauw, de lucht is blauw en als de wind niet keert, ben ik het binnen een uurtje ook!".

 

 

30. ELECTRICIEN (van Dirk van Lopik)


"Mike Hammer" was, bij mijn weten, de vaste elektricien van de "Boissevain".
Hij had ongetwijfeld ook een aantal termen op een van de zusters gevaren, maar de "Boissevain" was zijn "thuis".
Hij had varend ook de oorlog meegemaakt en was daar, zoals zovelen, veranderd uit gekomen.
Mike had er zelfs een zenuwtrek aan overgehouden.
Die hield in dat hij bij iedere vierde stap die hij maakte, met zijn rechterbeen, zijwaarts een schoppende beweging maakte.
In tijden van "stress" wilde dat wel eens oplopen naar een frequentie (om in elektrische termen te blijven) van: één maal per twee passen.
Zelf heb ik ze eens gedrieën, Mike in het midden, Herman wijselijk links en rechts een locale reparateur door de brede dienstgang zien lopen.
Er moet echt iets aan de hand zijn geweest, want die Chinees kreeg bij iedere stap met het rechterbeen, van Mike een schop tegen zijn schenen. Maar ja, Mike was op dat moment de klant!
Op een (zwart-wit!) Zebrapad in Zuid-Afrika was het eens anders afgelopen en had het slachtoffer er een agent bijgehaald, die vervolgens wandelend naar de politieauto, de fout maakte rechts van Mike te gaan lopen. Mike was toen ternauwernood, vlak voor vertrek, door Chris Pillay aan boord afgeleverd, nadat er eerst een borg was betaald.
Zijn vaste schip had hem ook in dit opzicht niet de rust gegund die hij eigenlijk verdiende.
Twee reizen voordat ik aan boord kwam, was er namelijk tijdens zijn wacht, in de machinekamer een fikse brand uitgebroken, na een explosie als gevolg van een warmlopende zuiger van de bb-motor. Mike was één van de brandwond-slachtoffers geweest en ging sindsdien op zee schoorvoetend(?) de machinekamer in.
Het had geen goed gedaan aan zijn "trekje".
Mike was zijn hele leven verstokt vrijgezel geweest, maar had de laatste jaren van zijn varend bestaan een knipperlicht-verhouding gehad met onze Engelse "Nurse" Miss Cummins.
Helaas, toen zij met pensioen ging was het licht net weer even uit en vertrok zij alleen naar Engeland. Een aantal maanden later, net voor de laatste reis van het schip, volgde Mike dezelfde weg, echter naar Nederland.  Of ze elkaar ooit nog hebben gevonden?
Gevoel voor humor had Mike wel en deed ondanks zijn handicap mee aan een bizar uitstapje rond het schip.
Ten anker liggend te Singapore kreeg één van ons het idee na het werk met de hele ploeg uit de machinekamer, in overall, een rondje rond het schip te zwemmen.
Alle wachtboekjes, zaklampen, bacoh's en machinekamerschoenen, lagen keurig op een hoop boven aan de gangway. Het moet voor diverse passagiers een vreemd gezicht zijn geweest,
Zo het hele "zwarte koor", zo'n vijftien man sterk, rond het schip te zien zwemmen, met een spartelende "Mike Hammer" in het midden van de steeds groter wordende olievlek. (geen "Greenpeace" te zien!)
De hwtk. legde 's avonds in de 1e klas-bar uit, dat het hier een zeer speciale inspectieronde betrof, met het oog op de naderende dokking.
Mogelijk waren er passagiers die dit geloofden!!??.

 

 

31. "LOOK SEE FIRE" (van Dirk van Lopik)


Deze naam is voortgekomen uit de taal waarvan men zich bij de RIL bediende, in de communicatie met de veelal Hong Kong-Chinese bemanningen, ook wel "China" genoemd.
Deze voertaal was een mengelmoes van "steenkool"-of "pidgin"- Engels, doorspekt met Cantonese woorden. Iets wat slecht is heet in het Cantonees: "Lap Sap", dus wordt een asbak een: "Cigarette-lap-sap-boxi" en de inhoud gaat "Tam-soi".
Meestal waren gezagvoerder en hwtk ook rijp om overboord gegooid te worden, als een etentje met "China", doorspekt was geweest met vele malen: "Yam Sing", ook wel "Ad fundum" of "Bottoms up" genoemd.
Ook konden de meeste RIL-lers tellen, hun rang zeggen, de dagelijkse maaltijd aan tafel bestellen en meer van zulke dingen.
Het omgekeerde gold voor "China" zodat we elkaar dan meestal ergens halverwege tegenkwamen en elkaar begrepen.
Zo was "Suzy Canawa" geen exotische schone, maar het Suezkanaal.
"Yi-fo" betekende 2e stm. Op de "Boissevain" werd die functie bekleed door "Dikke Willem".
Deze gezonde blozende man van het vrolijke soort was, althans op zee, een ander 0-4 slachtoffer en als zodanig gedurende een groot deel van de nacht de baas van onze "Look see fire".
Dat werkte als volgt: onze "Looksee" was omhangen met een aantal attributen om een eerste brandgevaar te kunnen onderdrukken.
Daarnaast was hij voorzien van een afgesloten metalen trommel, met daarin een rol speciaal papier. Op diverse plaatsen, verspreid over de gehele opbouw van het schip, hingen in daartoe bestemde kastjes, genummerde sleuteltjes.
Tijdens zijn brandrondes was het de bedoeling dat hij ieder sleuteltje uit het kastje haalde, in het sleutelgat van zijn metalen trommel stak en ronddraaide, waardoor er dan op de juiste volgorde cijfers op de rol papier werden gedrukt .
Bij aankomst op de brug stelde dat Willem in staat, na het openen van het slot van de trommel, de ronde van "Looksee" te "checken".
Nu had Willem al enige tijd sterk de indruk, dat onze brandwacht een "copie"-setje sleutels in zijn zak had, omdat het nogal vermoeiend is om twintig jaar lang, iedere nacht, om het uur, zo'n honderd sleutelkastjes te openen en te sluiten, dus hij besloot op zekere dag om alle sleuteltjes van de kastjes door elkaar te gooien.
De volgende nacht leverde "Looksee" weer gewoon de normale "print-out" in en werd daar vervolgens door Willem nogal behoorlijk de les over gelezen.
Vanaf dat moment was de nachtelijke verhouding dan ook wat bekoeld.
Willem probeerde met wat humor de relatie weer nieuw leven in te blazen en hield zich soms muisstil schuil achter een radar als "Looksee" de eerste vijf minuten in het donker van de brug, zo blind als een mol, hem zocht om verslag uit te brengen.
"Yi-fo...Yi-fo"...klonk het dan een aantal malen, steeds wat indringender....."Yi-fo!!!!".
Als Willem dan nog geen antwoord gaf, verdween onze "Look see fire" weer op zijn volgende ronde onder het uiten van de meest vreselijke Chinese verwensingen zoals: " Dijunia-mofa-hai" en "Wai-lo".
Tijdens de eerder genoemde machinekamerbrand overigens kruisten de wegen van de dit keer rennende Herman en "Look see fire" elkaar vlak voor de machinekamer ingang.
Herman moet toen iets geroepen hebben van: "Hey Look see!...:Down there...plenty fire!"...het antwoord luidde slechts: "Not my job sir!", hij was per slot alleen aangenomen voor de opbouw en accommodatie, dus laat de rest maar branden!
Tijdens die gelegenheid schijnt de toenmalige hwtk overigens gemeld te hebben, dat het wel al twintig jaar geleden was geweest, dat hij een voet in de machinekamer had gezet.
De man had als bijnaam "Delapan Bols" (dat is precies een bierglas
Vol) en altijd last te hebben gehad van zeeziekte, zeker zodra hij de immer naar olie riekende machinekamer betrad.
Bij enigszins slecht weer, of "Ombak", zat hij op zijn vaste stek aan dek, vlak bij de railing, het bierglas met daarin acht borrels in de rechter hand, stil voor zich uit te staren.
Bij sterk slingerend schip hoorde men hem dan in zichzelf fluisteren: "Allemaal water" en even later, "Allemaal lucht", "Allemaal
Water"....."Allemaal lucht".

 

 

32. TJIPONDOK (van Dirk van Lopik)


Betekend letterlijk uit het maleis vertaald: "Korte rivier", of Dorp aan deze rivier.
Mijn tijd op dit schip zou ook maar kort zijn en was alleen bedoeld om mijn vaardagen voor diploma "A" vol te maken. Ik had immers een stukje gemist vanwege mijn liesbreuk.
De "Tjipondok" was een andere roemruchte loot van de RIL-clan.
Het betrof hier een "Victory"-schip, één van de drie die bij ons waren terecht gekomen als ex-Amerikaanse schepen, bedoeld om de diverse Europese scheepvaartlanden na de oorlog weer wat op poten te helpen. Een echte "Amerikaan", een turbine-stoomschip dus.
Ik had er al veel over gehoord met name van Herman die er zo'n beetje zijn hele carrière op had doorgebracht en lyrisch kon vertellen over de brandschone machinekamers, waarbij vergeleken de "Boissevain" een vetloods bezat. Dit alles bleek waar te zijn.
Ik kwam in een zeer ruime hut, de voorste aan bb, achter de dwarsgang.
"Two gunners" stond er op het metalen plaatje boven de deur.
Het eerste wat me opviel was de temperatuur in de hut, geen airconditioning, maar in het raam een windhapper voor op zee en twee uit de kluiten gewassen electrische "fans".
In de kleerkast een electrisch verwarmingselement, om het vocht uit je kleding te houden.
Een werkschip was het zeker niet, maar de sfeer was uitstekend.
Ik kwam net voor de middag aan boord.
Het biertje werd altijd genuttigd in de hut of op het dek voor de hut van de derde wtk., achter in de bb-gang tegenover het toilet.
De marconist, Jan, zat niet op een stoel, maar op een rood geschilderde emmer met een houten deksel, waarop in witte letters "Sparks" geschilderd stond.
Ik had net met iemand gevaren die ook zo heette, dus ik vroeg hem of dat soms familie van hem was, maar die grap die kende hij al.
Waar die emmer dan wel voor was? ook dat antwoord liet niet lang op zich wachten.
Het bleek dat onze bebrilde medestander ooit een maagoperatie had ondergaan, waardoor hij maar ten hoogste 0.7 liter bier tegelijkertijd in de gerepareerde maag kon velen.
Overtollig materiaal kwam er via de ingang onmiddellijk weer uit en toch maar blijven proberen he!. Vandaar dat deze emmer was ingeschoren.
Het schijnt dat men na het winkelen in Hong Kong in de bar van het Hilton hotel eens flink in de problemen is geraakt met Jan, omdat daar geen emmer had gestaan.
Vooral toen men besloot om nog een paar afzakkertjes te nemen omdat het toch wel sneu was om weg te lopen net nu al die chinezen de vloerbedekking weer op orde hadden.
Overmand door drank en medelijden was men echter ook de tweede ronde vergeten het getal 0.7 in de gaten te houden.
De dag nadat ik aan boord was gekomen, een nieuw fenomeen, "inspectie door de directie".
Ongetwijfeld had dat ook al eens plaatsgehad in mijn "Boissevain" tijd, maar wat dat soort dingen aangaat sta je daar als "lage-druk" op een vrachtschip toch wat dichterbij.
Het hele schip, wat er overigens voor haar leeftijd "Pico Bello" uitzag, kreeg nog eens een extra schoonmaakbeurt en werd hier en daar zelfs nog wat bijgeschilderd.
De beste gangway omlaag, aan de kant waar de huid van het schip er, qua verf het mooiste uitzag. Ook de mensen op hun paasbest.
Voor onze oude KPM-stuurman was dat een ramp.
Deze had in de oorlog in een kamp op Java gezeten en was door de Jappen niet altijd even correct behandeld, in tegendeel.
Hierdoor had onze stuurman maar een paar schoenen wat hem lekker zat en dat waren zwarte, terwijl de RIL-uniform regels witte schoenen voorschreven.
Ook hij moest zijn, zelden gedragen, "witte paar" aan die dag.
De inspectie verliep voorspoedig en werd in ons aller bijzijn afgesloten in de salon, de enige plaats met "airconditioning" op het schip.
Onze mondige Friese 2e stuurman Jelle vroeg in het vragenuurtje aan directeur dhr.de Haan en de even Friese chef nautische dienst dhr.Kuiken of zij soms familie waren van onze 4e stm. Kip.
Het antwoord luidde ontkennend en men keuvelde nog wat voort over de diverse "vogelnamen" bij de club, er voer ook nog: een Vink, een Valk, twee Uilen, twee Vogels en een Kieviet (en naast heel veel vreemde vogels, niet te vergeten een Beo natuurlijk!).
Daarna kwam er een einde aan de gezelligheid en het gezelschap vertrok weer.
In het voorbijgaan fluisterde dhr.Kuiken onze stuurman nog toe dat hij nu weer gewoon zijn zwarte schoenen aan kon doen en deze stond dan ook trappelend op kousevoeten boven aan de gangway te zwaaien, toen het directiebootje, de "Java", wegvoer.
Onze Jelle riep nog iets in het Fries naar dhr.Kuiken, wat voor mijn gevoel klonk als: "En gjflatse eier soeke kenst ouak njiet"!, wat Jelle ons later in het Nederlands vertaalde als: "Kievietseieren zoeken, dat kun je ook niet!!!”,  een ornithologische dag!

 

33. Tropen


Dit was echt "tropen"-varen.
Op zee was het in de opbouw goed uit te houden en zo ook in de machinekamer, ten minste als je de weg wist.  Ik liep de 4-8 wacht met de 4e wtk, een aardige vent met een brede horizon.
Zo had hij een volwassen piano in zijn hut staan, waar hij bij bovenkomst even een "boogie woogie" op speelde, om aan te geven dat hij weer thuis was.
Soms ook werd het gevaarte met man en macht naar buiten gerold om een avondje op het "tampatje" luister bij te zetten.
Ook had hij in één van zijn kisten, een toen normaal verschijnsel, een paar ouderwetse Hollandse rolschaatsen waar hij veel bekijks mee trok op de kade in Mombasa (daar een toen nog onbekend verschijnsel!).
Op wacht maakte hij zich echter absoluut niet druk.
Ik was natuurlijk nieuw en probeerde zo snel mogelijk, ook op stoomgebied, de "beknijsde" vijfde te worden die ik was op de "Boissevain".
Ik kwam er echter al snel achter, dat het bedrijf, qua klaarmaken voor vertrek en aankomst en tijdens manoeuvreren erg ingewikkeld was vergeleken met een motorschip, zelfs een met drie motoren.
Maar gecoached door de 4e en een leerling die er zijn eerste jaar bijna had opzitten, lukte dat allengs beter.
Als het "bedrijfje" een keer draaide, dan was er ook geen omkijken meer naar.
Dan waren er maar twee "meters" van belang, de wachtklok en de "vacuümmeter" van de condensor. Dit nu had onze vierde zich tot taak gesteld.
Hij had zich daartoe geïnstalleerd op een stoel, in de verlengde luchtkoker boven de lessenaar.
In de wand van de luchtkoker zat een sleuf, waardoor je vanuit je gekoelde positie de beide "klokken" in de smiezen kon houden.
Daarnaast was dit keurig wit geschilderde luchtkoker-paleisje voorzien van een plankje met pocketboeken, waar je ook je kopje koffie op kwijt kon en een bedleeslampje om het lezen te vergemakkelijken.
Op de "Boissevain" was een dergelijke installatie aanwezig in de lift naar de machinekamer. Omdat het nogal eens voorkwam dat de lift weigerde, de persoon in kwestie dan opgesloten zat en geduld moest hebben tot men de liftkooi weer met de hand naar boven had getakeld.
De wachtwerkzaamheden werden gedaan door de leerling en mezelf.
Ze namen met het aflezen der slagentellers meegeteld (de vierde keek hiervoor intensief op de wachtklok en floot op het hele uur!!!),ongeveer een uur in beslag.
De rest van de wacht bracht de leerling door in een soortgelijke luchtkoker boven de draaibank in de werkplaats.
Zo voeren wij naar Singapore.
Op de rede van Singapore, genietend van het onweer boven Sumatra en gezeten achter een potje bier op het tampatje, vond ik mezelf al behoorlijk geacclimatiseerd.
Ik was intussen gewend aan slapen zonder AC en het voortdurend transpireren.
Ook was ik overgegaan op "tjebbokken", omdat de temperatuur in de twee boven de machinekamer gelegen toiletten van dien aard was dat toiletpapier niet werkte.
Van onze vierde stuurman ging overigens het verhaal dat hij er op een van zijn eerste dagen aan boord van uit was gegaan dat het rek met waterflessen er zat om tijdens de grote boodschap in het warme hok af en toe eens de dorst te kunnen lessen.
Maar ja wat wil je ook als je zo van de "Hollandse vaart" komt?.
Nee het leven was zo slecht nog niet.
De volgende morgen begon het laden.
Op zeker moment zag ik de derde wtk. met een jute zak op zijn rug over het dek sprinten.
In deze zak bevond zich niet 1 "pajong", maar wel een twintigtal.
Bij enige regendreiging, zoals nu blijkbaar, zette hij boven iedere winch-controller een uitgeklapte pajong in een speciaal voor dit doel aangelaste ijzeren koker.
De ervaring had geleerd dat die pajongs de overvloedige regen van Singapore beter weerstonden dan de bejaarde winch-schakelkasten.
Wel een vrolijk gezicht overigens, zo'n heel voor-en achterdek vol groene oosterse paraplu's.

 

34. Oost-afrika


De Oost-Afrika reis begon met het aanlopen van een stukje van het paradijs, de Seychellen, of meer specifiek: Mahe.
Dan bedoel ik niet het eiland van nu, platgelopen door voornamelijk Duitse toeristen (die hebben iets met Ost-Afrika!), nee, dan bedoel ik de eilandengroep van vóór de landingsbaan.
Het eiland was toen voor al zijn import, zeker die uit het verre oosten, o.a. afhankelijk van de "Tjipondok", één van de twee R.I.L.schepen die, in een vast schema, eens per twee maanden de zeepost brachten maar ook proviand, bier, machineonderdelen, etc.
Het schip en zijn bemanning waren derhalve welkome gasten op de eilandengroep.
Dat merkte je als je de wal opging, waar iedereen deed alsof men je al jaren kende.
Je kreeg een pilsje aangeboden in de eerste locale kroeg die je zag na het aan land komen ("the pirate's arms) en de weinige auto's brachten je met plezier naar het strand aan de andere kant van het eiland en weer terug als je uitgezwommen en -gezeild was.
De bootjes van het type "lark", voorlopers van de "laser", werden verhuurd aan de schaarse toerist die de oversteek van Mombasa had weten te maken met een lokale coaster en aan ons.
Wij huurden overigens tegen een sterk gereduceerd tarief van de Keniaanse ex-planter, die nu ongetwijfeld in goede doen zal zijn.
Mahe was een weldaad, jammer dat we binnen een dag onze lading al gelost hadden.
Zanzibar was intussen socialistisch en er viel weinig meer te beleven, dus die avond brachten we door aan dek in de koele bries.
Jelle bleek een verwoed kruiswoordpuzzelaar, vroeg in het algemeen tijdens een van zijn hersenbrekers: “een vogelnaam, drie letters, eindigend met een "s".
Huub, onze Limburgse derde wtk., riep; "uts", want dat is ten slotte "mus" in het Limburgs en zo ging onze "pajong"-planter voortaan met een bijnaam over de wereldzeeën (weer een vogelnaam erbij!, er werd wat afgevogeld in die dagen!).
Mombasa was onze volgende stop en ik herinner mij het zeemanshuis waar men altijd even binnenwipte voor een pilsje, je kwam er immers langs op weg naar de stad en daar leerde "Joris-Driepinter" zijn eerste woordjes swahili: "jambo bwana", "habari"en "mzuri".
Later op de avond hoorde ik nog iemand "ikku lullu" zeggen, maar dat bleek een verbastering te zijn van een oud Nederlands scheldwoord.
Ja onvermijdelijk zakte het niveau, onder de enorme slagtanden van
Kilindini-road door, in de richting van de kroegen van Mombasa.
Met name de "Sunshine" en "Casablanca" waren erg populair.
We liepen een aantal collega's van het ex-KPM schip "Camphuys" tegen het lijf, één ervan kende ik nog uit Vlissingen.
Chris had in een parallelklas gezeten en stond net als ik vlak voor zijn verlof, alleen had hij geen liesbreukproblemen gehad, en hij zou de volgende dag al vliegen.
Trots vertelde hij dat zijn verloving in Nederland nog "aan" was.
Later op de avond bekende hij mij echter dat hij toch wel onder de
Indruk was van een van de in de "Casablanca" ruim aanwezige lokale
"schonen".  Met de slechte reputatie van Mombasa op het gebied van geslachtsziekten, het verlof en de verloofde zo vlak voor de deur vond hij het echter toch wat te riskant.
Maar er leiden meer wegen naar Rome, dus vermoedelijk heeft hij zijn uitverkorene ook een voorstel gedaan in die richting.
Onmiddellijk kwam aan het licht dat het met de discretie in dergelijke gelegenheden "bar" slecht gesteld is, want de rest van de avond hebben alle aanwezige dames bepaalde obscene gebaren naar hem lopen maken en is Chris, gelukkig zonder verdere amoureuze avonturen, alleen teruggewandeld naar de "Camphuys".
Hierdoor miste hij het hoogtepunt van de avond dat bestond uit een Stripteaseact van een heuse, wat rijpere, blanke dame.
De meesten van ons, zeker die van de "Camphuys", die heen en weer voeren tussen Mombasa en de Perzische Golf hadden in geen jaren een blanke mevrouw gezien, laat staan een van deze omvang en steeds verdergaande staat van ontkleding.
Toch had de dame in kwestie haar beste jaren gehad.
Zodra een aantal van ons, vanuit herinnering ook tot die conclusie was gekomen, ging het hek van de dam.  Er volgden een paar minder vleiende opmerkingen.
De stripteuse verdween achter het toneeldoek, stopte de daar opgestelde bandrecorder en riep in onvervalst Amsterdams: "stelletje fuile tyfusleiers, kenne jullie een mens niet rustig ze werruk late doen!".  Zoals al eerder gezegd, Nederlanders kom je overal tegen!.
Van Chris vertelde men overigens het verhaal dat hij in zijn eerste week aan boord, als leerling, aanschouwelijk seksueel onderwijs had genoten van de hwtk, een man met de passende bijnaam "Vieze Willem".
De "Camphuys" vervoerde ook altijd koeien en stieren vanaf Mombasa.
Net na vertrek had men Chris om een nieuwe bezemsteel gestuurd, naar de "gouden kast".
Vervolgens had "Vieze Willem", op het voorschip in het bijzijn van
Chris, de steel een aantal malen door het voortplantingsorgaan van een tochtige koe gehaald.
Daarna mocht Chris de steel weer over de schouders meenemen in processie achter de hwtk aan naar het achterschip, alwaar een aantal vervaarlijke stieren in "pens" stonden opgesteld.
Één van de forse kratten werd door de stier bijna verpulverd met zijn hoeven nadat Chris, in opdracht van Willem, de steel onder zijn neus had gehouden.
"Niet in je memoriaal vermelden hoor!", kreeg hij nog als raad mee.

 

35. Verlof


De dag voor vertrek Mombasa was een bijzonder warme, met een zeer hoge vochtigheid.
De gezagvoerder besloot die avond de salon open te stellen als slaapzaal.
Het was immers de enige plaats met airconditioning op het schip.
Nu was het woord AC iets overdreven, het kwam er op neer, dat er op het dek boven de salon een soort koelkast plat lag die, als je beneden goed voelde en je arm omhoogstak, iets van een koel zuchtje veroorzaakte.
Dus erg veel stelde het niet voor, maar alle beetjes helpen al wordt alleen de vochtigheid maar iets omlaag gehaald.
's Avonds na het eten, werden door de bedienden alle matrassen in de salon op de vloer gelegd in een tevoren vastgestelde volgorde. Vooraan de gezagvoerder, dan de hwtk, de 1e stm en zo voort op rangorde. Ik lag ergens achter aan, maar wel recht onder die koelkast.
We hebben die nacht, ondanks alle lawaai die zo'n snurkende menigte veroorzaakt,toch goed geslapen maar de volgende dag zaten we gelukkig weer op zee.
Zo naderde ook voor mij het einde van de eerste term. Na Mombasa volgden nog de havens, Tanga, Mtwara, Dar es Salaam, Beira en Lourenco Marques.
Overal mooie stranden maar geen vergelijk met Mombasa, waar we nog een middag hadden gesnorkeld op het rif van "Nyali beach" en zeker niet met Mahe.
Ons verblijf in Dar es Salaam viel samen met het bezoek van kroonprinses Beatrix en Claus von Ambsberg aan Tanzania.
De "wacht te kooi" van die week meldde dat het, ter ere van dit bezoek, langs de weg van het vliegveld naar de hoofdstad, "zwart zag" van de mensen.
Waarschijnlijk een journalistieke vergissing?.
Beira en L.M. waren nog de parels onder het Portugese bestuur die, jaren later door een burgeroorlog volledig werden gereduceerd tot kapotte steden in het armste land ter wereld.
Een paradijs voor Zuid-Afrikaanse toeristen en voor ons weer het
Begin van de "bewoonde" wereld, met "L.M-radio"; ("check your time
By the b-b chime, it is now eight o'clock on L-M radio!!!)
(of; rrrradio llllourenco marquessshh, transmittaooooo binte-cinqu metrushh!!.)
Schitterende klanken, met de typische radioecho van Latijnse landen.
Soms ook al hoorbaar; "radio Springbok", met voor ons voor het eerst, Zuid-Afrikaanse reclameboodschappen in de trend van: "wil jou plantjie nie groei nie, gebruik verneukpoep, van Dawie Vandermerwe!!!".
In dit LM. (nu Maputo), nam ik in stijl afscheid van de eerste term door met een paar man, uitgebreid, "Piri-Piri" te gaan eten.
De volgende morgen vroeg uit de veren en met een Fokker Friendship van "Air Mozambique", net over de boomtoppen van een ontwakend Afrika naar Jan Smuts airport in Johannesburg.
's Avonds doorvliegen, weer via Brazzaville, Kano en Rome naar Amsterdam.
Naar het nieuwe Schiphol inmiddels een vreemde, semi-vijandige, wereld als je zolang uit Nederland bent weggeweest.
De rust kwam pas weer terug bij aankomst Vlissingen; veel oude bekenden allemaal een paar jaar ouder geworden; veel meegemaakt, dus veel te vertellen en ervaringen uit te wisselen.
Als je niet oppaste, kwam je niet toe aan het doel van de terugkeer naar Vlissingen:
voor ons als wtk's het diploma-A en voor de collega stuurlieden, de derde-rang.
Ik koos voor de oude wijze spreuk; eerst "het zure", dan "het zoete" en slaagde wonderwel reeds in januari voor dit begeerde papiertje.
Het betekende immers 4e wtk worden en bijbehorend meer "gage", maar eerst nog vakantie tot augustus.
Goed besteed; getrouwd, rijbewijs gehaald, autootje gekocht, eerst een "eend", overgespoten in "british racing green"!, mooie tijd kortom.
Dan kwam onverbiddelijk weer het tijdstip van vertrek, met het keuren in Amsterdam.
Ik ging wederom via de trap naar de 4e etage want ik vertrouwde die liften nog steeds niet, ondanks dat ik nu wat meer levenservaring had.
Vervolgens, vliegen naar Singapore, als 4e wtk naar het ms "Sraat Chatham".
Bij het aan boord komen viel ik meteen met mijn neus in de boter.
"China", die de reis ervoor blijkbaar goede zaken had gedaan, trakteerde op een uitgebreide Chinese maaltijd.
Zo’n echte, met zijn allen buiten aan een grote ronde tafel, in een restaurant in de buurt van "New Market Road" en "People's Park".
Mijn voorganger, "stekel", deed op de heenreis iets waar ik mij mijn hele loopbaan over heb verbaasd, maar wat voor velen een "topic" moet zijn geweest...: ruzie maken met de taxichauffeur!
Dat begon al bij het instappen;"..hey on the meter heh!!!…".
Als de taxichauffeur dan wat tegenstribbelde, werd dat nog eens met kracht herhaald; "God.....me..on the meter!!!".
Na afloop van de rit kreeg dat nog een vervolg, vaak in de vorm van het zeuren over die laatste dollar. Voldaan liep men dan weg van een foeterende, hardwerkende zak, die
zijn extraatje en zijn fooitje door de neus geboord zag.
Later op de avond zat ik naast "stekel" aan de bar van een andere gelegenheid en was getuige dat een dame van onbestemde leeftijd, in een Chinese "cheongsam" met lange split, aan hem vroeg: "you buy me a drink?" en hij met een breed gebaar een glas champagne liet aanrukken (of was het mousserend appelsap?)
A raison van 25 dollar.
Het is soms raar verdeeld in de wereld!!??.

 

 

36. De Chatham


De "Chatham" was een echt R.I.L-schip, weliswaar ontworpen door het K.P.M.-bouwburo, volgens het oerdegelijk concept met de hoge masten, waaraan deze schepen al op grote afstand herkend konden worden.
Met de "Chatham" werd ik als het ware herenigd.
Ik had maandenlang onder haar boeg doorgefietst op weg naar de school van Tukker en zelfs de tewaterlating, toen hij bij "de Merwede" van de helling liep, van een afstandje kunnen volgen.
Dan jaren later hetzelfde schip weer terugzien en er zelfs op mogen varen, dat is een aparte gewaarwording.
Tijdens de dokking in Port Chalmers (NZ) ben ik op mijn koersfietsje, omwille van de foto, nog een keer door het dok onder die boeg doorgereden.
Gezellige boot, voor het eerst ook kennis maken met het fenomeen alcoholisme onder gezagvoerders.
Het corpus delictus was een intelligente vent, die nogal als woest bekend stond onder de bijnaam "bliksemsnelle Japie".
Hij dankte die bijnaam nog aan zijn K.P.M.-tijd toen hij ook al varend als dienstdoend gezagvoerder en overmand door de drank met een "Si-boot" afgemeerd lag te Tandjong-Priok.
Achter hem lag een zusterschip met aan boord zijn aartsvijand Rinus, eveneens als dienstdoend gezagvoerder, die aan het voorval de bijnaam "Trigger-Happy-Rinus" overhield.
De brugdekken van de beide "Si-schepen" lagen niet ver uiteen, de scheepjes waren gewoon niet langer.
Men kon elkaar dus goed beroepen, dat gebeurde dan ook en de beide kemphanen riepen over en weer wat verwensingen, nogmaals: "als de drank is in de man!".
Uiteindelijk was het "Japie", die als eerste zijn dienstpistool uit de brandkast haalde.
"Rinus", ook niet van gisteren, volgde alras.
Men heeft uiteindelijk op de kade, liggend achter alles wat dekking gaf, een imitatie gehouden van de "gunfight at ok-corral".
Alle koelies waren intussen al lang gaan schuilen in de goedang.
Nadat de munitie ver op was, heeft men de vredespijp gerookt onder het genot van wat alcoholische versnaperingen.
Maar ja, die bijnamen dragen door in de moderne tijd!!.
Zo ging er ook het verhaal van Jaap dat hij varend op een "wai-boot" eens een algemene inenting had georganiseerd voor alle mannelijke passagiers tussen de dertig en vijftig jaar.
Samen met zijn "zobat", de hwtk, (bij de k.p.m deed de hwtk. dienst als eerste-hulp-dokter en beheerder van het hospitaal) had hij een grote ketel met ijswater en een koperen oliespuit vanuit de machinekamer naar het ziekenzaaltje laten brengen.
Daar installeerden de beide stafofficieren zich met een borrel achter de behandeltafel, gekleed in een witte jas, stethoscoop rond de hals en doktersspiegel op het voorhoofd.
Het moet een indrukwekkend gezicht zijn geweest voor de nietsvermoedende pasagier, die keurig op zijn beurt werd binnen geroepen door James, de Chinese verpleger.
Vervolgens ook gedwee gehoor gaf aan het met handen en voeten gegeven commando: "rok omhoog, broek omlaag en voorover buigen !!".
Als dank kreeg hij dan een ijskoude straal water tegen zijn "noten" gespoten, "next patient please!!!!", (met bijbehorende borrel).
Jaap was volgens overlevering ook de ontdekker van een nieuwe tropische ziekte, "buri buri" genaamd. (James, de Chinese verpleger gaf hierbij zoals altijd zijn vaste commentaar: "nothing to worry sir, i have had this problem many times before!!")
"berri berri!" zult u zeggen, zoals zovelen voor u ? Neen, "buri buri"!.
Dit is een ziekte,waarbij een of meer ledematen inkrimpen, volgens Jaap kon je een patiënt zo herkennen. Als iemand met zijn wijsvinger op zijn kin tikte, was dit een "buri buri"-patient met de ziekte aan één arm, die daardoor zijn voorhoofd niet meer kon bereiken. "Stel je een 'buri buri'-patient voor met deze vreselijke ziekte aan beide armen en tegelijkertijd jeuk op het hoofd!", eindigde hij.
Zelf maakte ik van Jaap mee, dat hij een verzoek van een passagieresse van onbestemde leeftijd; "ik zou wel eens vliegende vissen willen zien!" inwilligde, door een schaal met nieuwe haring door de salon te keilen.
De tijden zijn veranderd!.
Jaap werd, als dienstdoend gezagvoerder, bij ons trouwens afgelost door zijn inmiddels tot gezagvoerder aangestelde oude rivaal Rinus.
Jaap sprak heel joviaal: "ha die Rinus!" en kreeg als antwoord, echt van iemand die zijn gezag moest laten gelden: "sinds wanneer is het Rinus?".

 

37. Nieuw Zeeland


Het mooiste van de "Chatham" was echter dat zij vanuit de far-east voer, naar een voor mij nog onbekend stukje vaargebied nl. Nieuw Zeeland en de Fiji-eilanden.
Ook dit werd weer een schitterende reis, op zee bijna voortdurend in de buurt van land.
Vanuit Singapore, door de Indonesische archipel, "Torres Straits" en the "Great barrier reef" naar Littleton op het Zuider-eiland.
Op de terugweg via de Fiji eilanden, langs Nelanesië en Micronesië naar Manila en Hong Kong. Wat wil een mens nog meer?.
Nieuw Zeeland beviel me. Tegenstanders vinden het een achterlijk land en misschien is dat ook wel zo, maar als je er woont met de mooiste natuur van de wereld om je heen en geen overbevolking, wat mis je dan?.
Ja juist ja, vertier! De kroegen waren maar open van vier tot negen en de restaurants schonken beperkt alcohol, zij hadden niet allen een "licence".
Op zoek naar dit vertier, werd het schip soms overspoeld door aanvragen voor een "party".
Nu had ik op de "Cook" in Australië wel eens een dergelijk festijn meegemaakt, met dames van de wal, maar dit sloeg alle records. De "Chatham" was erg populair.
Het was op een gegeven moment zo dat Guus, onze 2e stm., incognito  in een lange regenjas naar de poort werd gestuurd om het gehalte van de diverse aanvraagsters in te schatten.
Hij had daar blijkbaar het meeste verstand van en ik moet toegeven, hij deed zijn werk naar behoren.
Desondanks kwam het toch nog voor dat, halverwege het feestgedruis, de reeds aanwezige dames werden versterkt door een aantal types van ander allooi die, gekleed in korte rokken en hoge laarzen, onaangekondigd door de openstaande salonramen binnenstapten.
Hun enige interesse bestond uit, naar eigen zeggen, twee soorten "Johnny Walker" flessen, volle en vervolgens lege.
Bertus onze 3e wtk. vond party's allemaal maar niets.
Hij was meer van het doortastende type die, vol "charmes" in de borstzak, het liefst zo snel mogelijk "to the point" kwam.
De hele avond praten in het engels en dansen, met het gevaar van een vaste relatie, daar moest hij niet veel van hebben.
In Auckland echter had hij zich door Guus, onze Vlaams georiënteerde 2e stm.(steevast met een petje op: "vlaanderen-vlaams!"), laten bepraten.
Halverwege de avond kwam hij binnen, gekleed in boerenkiel op het "stalen ros" van de marconist (waarschijnlijk ooit gejat op de dijk in Hardinxveld!), de fles Bokma onder de snelbinders en door Guus in het Frans aangekondigd; "et alorsss, alberrrt, clitoricaaa".
Dat was een groot succes, die avond namelijk ontmoette onze Bertus zijn grote liefde en was meteen niet meer te houden.
Kobus onze tweede, probeerde Bertus nog wat af te remmen, door te vertellen dat zij hem herinnerde aan een meisje wat hij kende onder de bijnaam "plastic Annie".
Volgens de analen had deze dame een pruik, een glazen oog, een bril, een kunstgebit, een gehoorapparaat, een opgevulde b.h.en een houten been, maar Bertus was niet van zijn stuk te krijgen. Integendeel, onze normaliter goeie lobbes reageerde op den duur wat "narrig".
Daarvoor hadden wij Bertus slechts een keer uit zijn humeur gezien. Dat was toen onze leerling een denigrerende opmerking had gemaakt over kermisklanten, niet wetende dat Bertus uit een oud kermisgeslacht stamde, waar Bertus' vader via de autohandel van was afgeweken en daardoor nu een redelijk optrekje in het Gooi bewoonde.
Bertus reageerde toen als door een wesp gestoken met de openingszin :"luister eens vriend, je moet onderscheid maken tussen zigeuners, circusartisten, kermisklanten en woonwagenbewoners".
De rest van zijn technische uitleg heb ik toen niet kunnen volgen, omdat de arbeid riep.
Later hoorde ik wel van de overige toehoorders dat Bertus zijn kwaadheid snel over was geweest zodra hij had verteld over zijn Ome willem, een broer van zijn vader.
Die zat ook in de autohandel en ging zijn geluk in Amerika beproeven.
Ome Willem was binnen een half jaar berooid weer terug en werd door de vader van Bertus, bij terugkomst, weer wat op poten geholpen.
Hij nam ome Willem in huis en leende hem wat geld.
Binnen een maand stond de hele "chique" straat vol met wrakken (koopjes volgens Willem!) en begon het klachten te regenen van de buurtbewoners.
Na een tijdje vond ome Willem zelf weer onderdak met een stuk terrein erbij.
De wrakken bleven echter staan bij Bertus in de straat.
Toen ome Willem daar eens over werd gepolst, luidde zijn antwoord: "die mogen jullie houden. Ik ben zo gastvrij ontvangen, dan kan ik ten minste wat terugdoen!!!".
Uiteindelijk heeft de gemeente ze één voor één weggesleept, met de rekening voor de vader van Bertus ,a raison van 100 gulden per stuk; van je familie moet je het maar hebben!.
Maar nu was Bertus verliefd.
Hij verklapte later dat de dame in kwestie ook naar Nederland zou komen en hij moest bijna met verlof, dus wie weet?.
Normaal was Bertus niet zo'n verlofganger en bleef hij het liefst maar in het vaargebied (dit had overigens niets te maken met zijn ome Willem!).
Dit keer echter begon hij net na vertrek Nieuw Zeeland al met pakken, althans met de voorbereidselen daartoe.
Hij had nogal wat spullen gekocht, muziekinstallatie e.d. dus er moest eerst een kist worden getimmerd.
Daartoe nam hij zorgvuldig de maten van de deur van zijn hut en de buitendeur ,om zeker te zijn dat het "kreng" er in en uit kon.
Parallel daaraan maakte Kobus, die ondertussen ook een beetje "narrig" was, onderdelen voor een replicakist, die alle maten net vijf centimeter groter had.
Tijdens een 0-4 wacht, de wacht van Bertus, werd de originele kist verwijderd en door Kobus vervangen door zijn, ter plekke in elkaar getimmerde, replica die de volgende dag door Bertus keurig werd volgepakt en van het deksel werd voorzien.
Het duurde lang voordat Bertus, tijdens het uit de hut halen, tot de conclusie kwam dat er met zijn kist was geklooid.
Hoe het hem dat verlof is afgegaan, met zijn "plastic Annie",weten wij niet.

 

 

38. Mozambique


Mijn volgende schip heette de "Straat Mozambique".
Vliegen naar Accra en vandaar door met een Dakota van "Air Togo" naar hun hoofdstad Lome.
Ik herinner me nog dat de letter "R" wat vaag op de huid stond en ik las: "Ai! To go", dat gaf niet veel vertrouwen.
De lokale piloot, achter wiens stoel mijn "seat" was, had blijkbaar een zesde zintuig voor mijn vooringenomenheid en angst want hij draaide zich om, lachte onder zijn "rayban"-zonnebril een witte rij tanden bloot en stak daarbij, waarschijnlijk om mij een hart onder de riem te steken, zijn duim omhoog.
Ik moet zeggen hij manoeuvreerde het gevaarte keurig tussen de boomtoppen van het oerwoud door en dat was, met een bedrijvige stewardess van het "Afrikaanse 100-kilo type" aan het werk, voorwaar geen sinecure.
Ik kwam aan boord als vierde wtk. en werd later tijdens de reis derde wtk., wat een snelle promotie in die tijd!
De dag dat ik aan boord kwam won Feyenoord de Europacup.
Ik was samen met de hwtk, die ik nog kende van de "Cook", de enige Feyenoord-supporter, dus dat kon niet meer stuk. Zijn passie was overigens voetbal in het algemeen.
Alleen het woord "Ajax" kon hij bijna niet uit zijn mond krijgen. Toch was hij volgens de analen verantwoordelijk voor de getallen 5 en 1, geschilderd op de kont van het schip de "Ajax" uit de stad "Liverpool" waarmee het, na die gedenkwaardige wedstrijd in de mist, uit Brisbane vertrok.
Ook de "Straat Mozambique" was een bijzonder schip.
Samen met haar zusje, de "Straat Bali", waren het (in 1954) ooit de grootste vrachtschepen ter wereld geweest.
Men had haar om in R.I.L.-stijl te blijven, dus eigenlijk beter de "Ti-Bsar" kunnen dopen. (sommigen zeiden ook de "Tji-Busuk"!)
Volgens overlevering had de "Tji-Besar" ooit bestaan. Het was een dermate groot schip geweest, dat de gezagvoerder in zijn badkuip met de "Nieuw Amsterdam" kon spelen.
De schepen hadden een negen-cilinder B&W motor met "Rootsblowers" en een "bar", buiten op het tampatje.
Dit was voor mij de eerste keer dat ik met het fenomeen "bar" aan boord werd geconfronteerd en dat er tussen de middag en 's avonds gezamenlijk een alcoholische versnapering werd geconsumeerd, in plaats dat men als groepjes afzonderlijk ergens in een hutje zat.
Het had beide zijn charme.
Het voordeel van de "bar" was dat er ook meer "barverhalen" kwamen met name van de ouderen, die we voordien nauwelijks hoorden, daar de "hoge druk" meestal apart een drankje nuttigde.
Later in Hongkong werd er in de salon nog een officieel maatschappijbarretje geplaatst, zodat we ook een koud-weer-voorziening hadden.
Tijdens één van de eerste plenaire bar-bijeenkomsten bleek de 1e stuurman Jan, een vaardig dichter.
Hij las een aantal hersenspinsels voor, overigens gesigneerd met het pseudoniem; j.oos.
Ik heb er slechts een onthouden en dat ging als volgt:
oh bra, oh bra,
oh schone bra!
hoe graag zie ik,
dat een vrouw,
zonder jou ga!. J.oos

Verder werd er een sociale vereniging opgericht en bestuursleden gekozen.
Onze rossige 2e stuurman had, op strategische locaties, o.a."het schijthuisplein", posters opgehangen met het motto "stemt rood!!".  Hij werd, mede daardoor, gekozen tot voorzitter.
Tot de taak van de vereniging behoorde o.a. ook het op orde brengen van ons werkvletje "moossan", met bijbehorende buitenboordmotor, waar we in West-Afrika veel plezier van hebben gehad.
Daarnaast was de hoofdtaak het organiseren van feesten en party's met name in Zuid-Afrika.
In Zuidwest Afrika, nu Namibië, vanuit de havenplaats Walvisbaai, organiseerde de vereniging een uitstapje naar de Namibwoestijn.
We controleerden per "Landrover" de snelheid van struisvogels, 65 km/uur!, in een rechte lijn.
We probeerden van de weg af te wijken maar werden, binnen een uur door een Zuid-Afrikaanse politiejeep, weer terug geleid naar de oorsprong (i.v.m.diamantengebied).
Na enkele uren stopten we in een uitgedroogde rivierbedding, waar de weg doorheenliep, bij een paar "randovals" of "bushmen's huts".
Voor een van de hutten zat een oude uitgemergelde negerin.
De fotografen onder ons, die toch al redelijk aan hun trekken waren gekomen die dag, wilden dit fotogenieke buitenkansje niet laten schieten.
In vier verschillende vreemde talen probeerde Rob haar toestemming te vragen een foto te mogen maken.
"ik wil alleen maar een foto van haar maken, maar ze begrijpt me niet!!" sprak hij ten einde raad.
Plotseling lachte ze begrijpend, met haar tandeloze mond, en zei;
"dit es toe estaan baas, vir een pakkie sigarette".
Nogmaals, Nederlanders!.

 

 

39. Afrika revisited


West Afrika had intussen de Biafra oorlog achter zich, Port Harcourt stond niet meer op de lijst van aanloophavens en alle Nigeria lading ging via Lagos-Apapa.
De eerste tekenen van langdurige congesties waren aanwezig.
Alle havens op de kust waren net een stukje minder in kwaliteit, dan ik mij herinnerde, alleen Abidjan bleef Abidjan.
De "handel" van onze Chinese bemanningen nam steeds grotere vormen aan en in een aantal havens, leek het wel een markt aan dek. Alles verkochten ze, van kleding tot radio's, van pruiken tot verrekijkers en horloges.
Van die laatste categorie heb ik er ook eens een geleend, het was een echte "Green Horse" (Swiss movt), uit Sjanghai.
Als ik ‘s avonds snel in slaap wilde vallen, moest ik hem in een lade stoppen, zo hard tikte hij.
Bijna heel "China" bemoeide zich met de handel, op één na!.
Het was de oudste man aan boord, een matroos, die de zeventig reeds was gepasseerd en door de anderen met zeer veel respect werd behandeld.
"Ah Pa" noemden ze hem, hij was het stadium van "jai" en "kwai" allang vergeten, evenzo het handeldrijven.
In China dicht men dergelijke oude mensen grote wijsheid toe omdat ze zelden spreken, of juist daardoor?  ’s Morgens in alle vroegte kon je hem op het tampatje aantreffen,
Stram maar toch gracieus zijn Chinese gymnastische oefeningen uitvoerend.
Kijkend naar het boomstammen laden te Sassandra hoorde ik opeens een stem achter mij in accentloos "Oxford-engels", die sprak: "there are still many logs in the water!".
Het was "Ah Pa", die vervolgens met zijn wijze Chinese geduld en zijn bezem het onmetelijke voordek te lijf ging.
Nadien heeft niemand hem ooit weer horen spreken.
Onze marconist Karel sprak daarentegen veel en wel met hetzelfde nasale geluid en articulatie als de toen bekende prof. dr. I.A. Diepenhorst.
De scheepshond "Sex", ressorteerde onder Karel en werd regelmatig door hem tot de orde geroepen met het barse stemgeluid: "Sexie kom hierrrr!" (de vrouw van de 2e stuurman had hier wat moeite mee!).
Karel klaagde ook altijd over zijn installatie; "uit het jaarrr null", maar vooral over de telefoniezender die ze volgens hem speciaal voor deze "rrreis", om hem te "trrreiterren", uit het museum hadden gehaald.
Maar ja West-Afrika is relatief dicht bij Nederland, als je heen en weer vaart naar de far-east, dus wat denk je dan als leek?; "kom,..laat ik mijn vrouw eens bellen!"
Zo ook onze 2e wtk Bob.
Vanwege de redelijke urgentie stond Karel het toe en deed vervolgens zijn stinkende best.
Volgens hem ging het zo: "nadat ik al wel derrtig keer een slechte verrbinding had gekrregen, op mijn ontelbare malen herrhaalde krreet; hallo scheveningen rradio, hierr 'strraat mozambique', hoorrt u mij..,overr en evenzovele malen het antwoorrd van die dame van rradio scheveningen had geluidt; voorr een telefoniegesprek niet goed genoeg..,overrr, vrraagt die taarrt aan de anderre kant mij de een-en-derrtigste keerr; zoudt u nog even de scheepsnaam kunnen herrhalen....?,ik zeg de 'karrrel doorrrrman' verrrdomme!".

Na enkele maanden, kon ik Karel zijn stem nagenoeg foutloos imiteren. Op zekere dag zaten we een pilsje te drinken in zijn hut.
Daar Karel zelf net even naar het toilet was, nam ik de telefoon op en voerde het gehele gesprek met onze gezagvoerder, gebruik makende van de stem van Karel.
Blijkbaar heeft iemand hem dat verteld, want de volgende dag sprak hij me aan met: "ik heb gehoorrd, dat je mijn stem imiteerrd, pas op hoorr!, want voorrdat jij van boorrd gaat kan ik die van jou ook prrima nadoen, denk err om!".
Communicatie is maar alles.
Onze derde wtk, had ook een communicatieprobleem.
De hele avond aan de bar zitten, vond hij maar niets.
Ook tijdens zijn afscheidsfeestje zette hij vanaf zes uur een aantal malen de fles Bacardi aan de mond, met als resultaat dat om zeven uur de fles leeg was, de persoon in kwestie niet meer kon lopen en we hem in zijn mandje hebben moeten dragen.
Dit was zijn normale procedure, volgens hem had een hele avond aan de bar hangen hetzelfde eindresultaat, alleen kreeg hij nu meer uren slaap, waardoor hij de volgende morgen weer fit was.
De hwtk. had hierover een andere mening.
Volgens hem kwam de hoofdpijn van de volgende morgen niet door de drank, maar door het slapen.
Immers als je naar bed gaat voel je je opperbest, je bent meestal zelfs vrolijk en dan de volgende morgen.....je "kater".
"wat heb je intussen gedaan...?", "juist ja....geslapen!", "dus het komt door het slapen,...niet door de drank!!!", was zijn stelling.
Zelf ging hij derhalve niet naar bed, maar pas de volgende avond!.

 

 

40. Zuid-afrika


De "Mozambique" voer in de zgn."Chiwas-dienst", oftewel China-West Afrika inclusief Zuid-Afrika, Far-East en Japan
Best een aardige lijn, behalve dan communistisch China.
Ik was er nog nooit geweest, had er wel veel verhalen over gehoord, maar wilde dat graag zelf ontdekken.
Een van die verhalenvertellers was Billy, de 5e wtk., die met mij wachtliep en die er zijn zakken van vol had.
Billy was van het versierderstype (zie: Toon-"Boissevain"!) en had in Abidjan een getrouwde Française leren kennen, met de nadruk op "Française".
Zij was getrouwd met een "Jean Claude Balzac", die alles goed vond.
Dit nu zag Billy als een prachtige aanleiding om overplaatsing aan te vragen en aldus van China verlost te worden.
Er was immers ook nog een snellere West-Afrika dienst, die niet in China kwam, de "Fwas" genaamd. (zie "straat Franklin")
Blijkbaar was ik toen al een goeie "ouwehoer" op papier en had Billy dat onderkend.
Ten minste vlak voor aankomst Kaapstad vroeg hij mij een brief te schrijven aan onze Hr. Leurs, van vlootpersoneelszaken te Hongkong.
Trots, dat mij een dergelijke eer te beurt viel schreef ik niet één, maar twee brieven een echte en een persiflage, die ik Billy eerst gaf en ongeveer zo begon:

Beste Jan,

"Asdat me verloofde met haar man in Abidjan woont, sou ik u graag willen vragen mij op een snellere dienst terug naar Afrika te willen plaatsen, sij ken namelijk niet solang wachte totdat ik weer terug ben uit China".

Je Billy.

Zijn mond viel open en we hebben de andere, echte brief verstuurd.
Zuid-Afrika is tot nu toe wat onderbelicht gebleven, maar Kaapstad en vooral Durban was voor veel R.I.L.-lers ook een thuishaven, een groot aantal woonde er zelfs.
Voor degenen die er niet woonden was er toch ook altijd een beetje dat gevoel van: "Hé, ik voel me hier ook thuis".  Dat kwam door de taal, het mooie land en veel Nederlanders.
Daar kwamen er altijd een aantal beroepshalve van aan boord.
In de eerste plaats natuurlijk de mensen van het lokale kantoor, naast agenten, de inspecteur van de technische dienst "Ome Thijs". Voorts diverse vertegenwoordigers van reparatie en classificeerbedrijven, shipchandlers en natuurlijk Maaike.
Maaike verhuurde auto's voor Hertz en werd vanwege deze activiteiten, "Maaike-rent-a-car" genoemd.
Daar ze ook wel eens party’s met lokale "schonen" regelde, was er ook nog een minder vleiende bijnaam, waarbij het woord "car" vervangen was door een ander Engels woord wat met een "c" begint. Billy hield aan één van deze party’s ook een vriendin over, een Rhodesische.
Ze scheurde met een knalgele VW-kever door Durban, met achterop een grote rode sticker ;"If you have never laid a Jew, you don't know how to screw!" (wat zou Golda Meir hiervan hebben gevonden?)
Kortom Durban was voor menigeen een soort van thuishaven.
De apartheid, daar waren de meningen over verdeeld.
Over het algemeen accepteerde men ieder land zoals het was en dat is misschien ook maar het beste.
Politiek is aan boord geen populair gespreksonderwerp, evenals godsdienst trouwens en ik denk dat het goed is wanneer "passanten" en "globetrotters" zich onthouden van politieke stellingname.
Daarnaast is vrijheid van meningsuiting niet altijd gemeengoed!.
We ontkwamen echter niet altijd aan stellingname.
In Hongkong werden we eigenlijk voor het eerst direct geconfronteerd met de Vietnamoorlog.
Er lag een Amerikaans vlooteskader binnen met wel dertigduizend man aan boord, een groot aantal van hen: "US.-marine corps", zo van het front.
Grote delen van Hongkong, waaronder "Tim-Chat-Sui", waren "out-of-bounds" voor deze mannen, zodat hun "avonturen in de avonduren" zich voornamelijk afspeelden in "Wanchai", wat om die reden juist door ons werd gemeden.
Toch kwamen we ook in "Tim-chat-sui" overal hun "kreten" tegen, met viltstift geschreven op de toiletten van de "Bottoms up" ,de "Yellow submarine", de "Red lion" en "Ned-kelly's-last stand".:
"like in -nam, the bugs in this place jump three feet high" en: "fighting for peace, is like fucking for virginity!".
Noodkreten???.

 

 

41. Vlaamse Gaaijin


Mensen die nog sterker met Afrika verbonden zijn geweest dan wij, zijn onze zuiderburen, de Belgen.  Van het varende stuk, of :"de lange omvaart" zoals dat daar zo mooi heet, meer specifiek de Vlamingen.
Zij, voornamelijk van de vloot van de "Compagnie Maritime Belge"
Of kortweg C.M.B, hebben in die jaren de wateren rond Afrika "dun gevaren".
Maar met het verliezen van hun "Kongo" waren ook zij langzamerhand steeds meer op de buitengebieden aangewezen.
In Kobe lag er deze reis een boot van de C.M.B.achter ons.
Een nog conventioneel schip, de "Mobeka", met de bemanning voor het eerst in Japan.
Die avond aan de wal kwamen we ze bij toeval tegen en wat ze er ook over mogen zeggen, het varende stuk van Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland valt prima te mengen.
Na een paar "pinten" kenden we elkaar redelijk van rang en naam.
Dat zette, na de zoveelste "Kirin", onze 2e wtk aan het denken.
Op een gegeven moment vroeg hij zijn collega, "ik tel zo'n vijf stuurlieden en zes werktuigkundigen, inclusief de gezagvoerder en de hwtk, wie heeft er bij jullie eigenlijk de wacht aan boord?"
"De wagt, de wagt?" zei de Antwerpenaar, "Oe bedoelde dah?, wai hemme van die negers van den Kongo as bemanning aan boord, ge painst toch nie a ze d'r mee weg zullen varen zeker?".
Later op de avond toen onze wegen zich al gescheiden hadden, zagen we ze nog een keer terug.
Waarschijnlijk waren ze op hun ronde een stuk opgebroken weg tegengekomen, want ze liepen alle elf getooid met een rode pilon van een wegafzetting luid zingend in de ganzenmars door de "Motomachi".
Ze zongen overigens een eigen bewerking van het Hollandse lied;
"Ughe,ughe ughe ughe ughe" van vader Abraham.
De Vlaamse tekst had als eerste couplet: "Appe, appe, appe, appe, appe, het stikt hier van de Jappen", het tweede couplet, begon met "oere, oere, oere, oere, oere" en het derde met "olle, olle ,olle, olle,olle", hetgeen al met al de avond goed weergaf.
In Yokohama zou ik, ik zeg met opzet "Zou", met onze Limburgse 3e stm. Sjeng de wal opgaan.
Hij had wat tegengesputterd omdat hij, naar eigen zeggen, een bloedhekel had aan Jappen en Japan.
Maar goed, we vertrokken vanaf de gangway over "Yamashita-pier" in de richting van "chinatown".
Voordat je echter zo ver bent,moet je nog even langs een douanepost, gelegen aan de overzijde van de brede 4-baans-weg.
De Jap wenkte ons, we staken de straat over en toonden onze gele walpasjes.
Vervolgens vroeg hij in zijn beste Engels: "yu habu annithing to decrare?" voor ik antwoord kon geven, zei Sjeng al: "Yes my frustration!", waarop de ambtenaar in functie vroeg: "prease sho me yore frustresiong".
Nou dat kon Sjeng niet, dus of we maar even "binnen in het hokje" wilde komen.
Daar ging de man bellen, waarschijnlijk met een superieur. We hoorden hem beginnen met: "mossie, mossie", vervolgens veel Japans gesis, dan: "annoh", weer gesis en een aantal malen: "frustretiong", begeleid door het woord "Horranda-san".
We hebben daar verder de hele avond doorgebracht, vele telefoongesprekken aangehoord en mochten uiteindelijk weer vertrekken.
Het was laat geworden en voor "Chinatown" waren we intussen te gefrustreerd.

 

 

42. China


Als we het aan boord over "China" hadden, ging het over de bemanning.
Daarnaast was er nog Taiwan, of nationalistisch China, maar het echte China zonder het vanzelfsprekende voorvoegsel "communistisch", daar gingen we met onze "Mozambique" na Japan naar toe.
Twee havens deden we aan, allereerst Hsingkang, daarna Shanghai.
Wat ik me vooral herinner is de kou, de onnatuurlijk dreigende houding van de mensen en het fanatieke van de, veelal jonge, ex-Rode gardisten die nu gewapend met geweer en "Het Rode Boekje" de bewaking van het schip tot taak hadden.
Van verhalen van de tijd der culturele revolutie, ook wel "the year of the hungry tiger", bleek nog een groot stuk te kloppen.  Het was "unheimisch" met veel propagandaboodschappen, afgewisseld
met Chinese strijdliederen, uit grote luidsprekers op de kade.
Dag en nacht ging dat door, met om de drie songs: "The east is red". ta-ra-ra-da-da-da-da-daah, ta-ta-ra-ta-da-ra-da-daah.
Onaangekondigd werd er begonnen met laden of juist weer gestopt.
Het ruim met de meeste tonnen van de shift kon je herkennen aan een enorme rode vlag met daarnaast een grote kruik met gekoeld pruimensap, er werd absoluut niet gelachen.
Plotseling het bericht, dat er torretjes waren ontdekt in ruim 2.
Ingewijden wisten wat dat betekende: "uitgassen"!.
Vijf dagen de wal op in een hotel, soms met verwarming, waar we onze tijd verdeden met "snookeren" op een vooroorlogse tafel, die we hadden gevonden in de kelder van deze voormalige Engelse ambassade.  Je bleef er overdag, als de verwarming uit was, ook wat warm door.
's nachts brandde de verwarming wel en dreef je je bed uit.
Na vijf dagen terug naar een "dood" schip, waar we halsbrekende toeren moesten uithalen, om alles weer aan de praat te krijgen.
Ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch nog een paar bevroren leidingen.
Het was al met al geen pretje en de totale periode stond "bol" van de provocaties.
Dit alles overgoten met regelmatig voorgelezen worden, uit het Rode boekje en u zult begrijpen dat ook wij weinig gelachen hebben.
De uitstapjes bestonden uit het bezoeken van de "friendshipstore" en het zeemanshuis, waar je overigens als lichtpuntje, prima kon eten.
Een aantal "gelukkigen" maakten vanuit Hsingkang nog een tripje naar de "verboden stad" en de "Chinese muur" maar, vanwege de "gloomy" atmosfeer, was het animo niet groot en meer een verplichting.
Zeer populair bij de gardisten, waren onze 2e stm en vijfde wtk., Marius, maar dat kwam door hun vlammende haardos.
Zij waren beiden niet mee geweest op de tripjes, onder het motto: "te druk, wij moeten werken".
Daar had men het volgende op gevonden. Er werd gewoon een dag gestopt met laden en lossen zodat zij en nog een tweetal "snordrukkers" het tripje met zijn vieren nog eens dunnetjes over konden doen, onder geleide van een tiental "Rode" gidsen.
Ter afsluiting lagen we nog een aantal dagen op de boeien in de "Yang Tse Kiang rivier", waarna we Sjanghai en China tot grote opluchting van iedereen weer achter ons lieten.
Bijna was deze reis onze gezagvoerder nog noodlottig geworden
Omdat hij een van de laatste dagen terugkerend met het bootje, overmoedig geworden door de rijkelijk tijdens de laatste Chinese maaltijd gevloeide Chinese "brandy", riep dat hij de laatste twintig meter tot het "gangwayplatformpje" wel kon springen.
Gelukkig kon Bob hem nog in zijn kuif grijpen, want in zijn in Hsingkang aangeschafte Chinese winterjas, gemaakt uit een soort moltondeken, met haakse mouwen, had hij in het ijskoude water geen schijn van kans gehad.
Over frustratie gesproken!
Toch was onze gezagvoerder blijkbaar vast van plan om rond het schip te zwemmen, in Singapore zag hij zijn kans schoon.
Vooral door het lange verblijf in West-Afrika, was het schip sterk aangegroeid en niet meer vooruit te branden.
Ahmad, van het Singapore kantoor, kende een bedrijf wat: "onderwaterborstelen" propageerde en uitvoerde, toen een nieuw fenomeen.
In overleg met de technische dienst werd besloten, als test, een dergelijke modderwateroperatie uit te laten voeren, met het verzoek aan de gezagvoerder te rapporteren over het resultaat.
Nu was onze sportieve gezagvoerder van mening dat je alleen kunt rapporteren als je iets met eigen ogen hebt gezien.
Wij allen gaven hem daarin gelijk.
De verbouwereerde Singapore chinees en hoofd van de "duikploeg" die de rekening ter ondertekening kwam presenteren kon dan ook niet anders dan ons gezag een paar persluchtflessen omhangen en hem voorzien van duikbril en zwemvliezen.
Even later, na een korte instructie, verdween het gezag met de "duikmeester" onder water.
Een half uurtje nadien waren ze weer terug.
De kapitein opgetogen over deze nieuwe ervaring, de Chinees nog steeds hoofdschuddend.
Dit had hij blijkbaar nog niet eerder meegemaakt!
De watertemperatuur zal ongetwijfeld aangenamer geweest zijn dan in Shanghai!.

 

 

43. Pege


Mijn volgende schip was de "Straat Lombok", een zusje van de "Cook", varend tussen Zuid-Afrika, Oost-Afrika en de Perzische- of Arabischegolf, ook wel "Pege".
Voor velen een strafboot vanwege het vaargebied, maar voor mij persoonlijk weer een gebied rijker, omdat ik voor wat het Pege gedeelte betrof, de weg nog niet kende.
Aan boord was het, net als op de "Cook", hard werken geblazen.
Onder elkaar was het een redelijk vrijgevochten stelletje.
Voor het eerst varen met een Zuid-Afrikaanse Bantu-bemanning.
Daarnaast maakte ik er kennis met een aantal mensen, die mogelijk als een soort van straf op deze lijn waren geplaatst.
Allereerst, de gezagvoerder, een kundig zeeman die samen met de agenten onderweg zijn route door de "Golf" zelf uitstippelde.
Hierdoor boekte hij overal wat tijdwinst en versierde het zo om per reis een paar dagen extra in Durban te liggen.
Dit alles omdat hij zijn bijnaam "Snikkel-Erik" en het bijbehorende "Sexgerichtdenken" altijd wilde waarmaken.
Bij alles wat hij ondernam, betrok hij in eerste instantie "De" gedachte die zijn leven beheerste.
Leeftijd maakte hem niet uit, zelfs de passagieresse van tegen de zestig op het traject Durban-Kaapstad moest er aan geloven.
Onderdeel van zijn plan de campagne was zwemmen in de houten met zeildoek bekleedde bak, door sommigen chauvinistisch ook wel zwembad genoemd.
Maar zwemmen in de winter op de Zuid-Afrikaanse kust, met water van zestien graden, gooit een "deeltje" van je plan in duigen.
Dus verwarming moest er komen!.
Voor vertrek Durban had hij het me al gevraagd.
Nu stond deze "bak" pal naast de vluchtkoker van de dieptankpompkamer, dus met een uurtje hadden we een stoomslang als spiraal, via de uitlaatslurf van het zeildoek in zijn "jacuzzi" hangen. Alleen moet je dan wel regelmatig de watertemperatuur in de gaten houden.
Dit nu, had ik wegens drukke werkzaamheden vergeten.
Toen onze Erik dan ook, na vreselijk te hebben opgeschept tegen zijn aanstaande geliefde, zijn voet in de bak stak en zich daarbij lelijk verbrandde was er even paniek.
Hij heeft het mij nooit vergeven.
Bij vertrek Mauritius was Erik niet op tijd aan boord.
We lagen al een paar uur ten anker buiten de haven, maar verder durfde onze handenwringende, sokkenbreiende 1e stm. "Sjaan" zonder gezagvoerder niet te varen.
In de snel vallende duisternis verscheen er plots een bootje in de lichtbundel van de gangway verlichting. Op het voordek stond Erik, in kennelijke staat te zwaaien met een b.h.
Nee het "Sex-gericht denken" kon hem niet ontzegd worden!
"Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten" luidt een oud Nederlands spreekwoord.
Derhalve was Erik zeer zuinig op zijn dochters.
Een aantal van de jongeren had al eens met een schuin oog naar deze mooie meiden gekeken..., maar in Durban iemand van het schip bij hem thuis uitnodigen..., dat...was er niet bij!.
Op een dag liet Erik aan de bar uit zijn mond vallen dat de pomp van zijn zwembad kapot was.
Dit had een drietal "jonge ondernemers" zich in de oren geknoopt.
Binnenliggend te Durban belden zij onder het pseudoniem "pompenbedrijf Zu-mo-lo", naar de achternamen van het trio, Erik thuis op met de boodschap: "wij komen de zwembadpomp repareren!".
Ik denk dat Erik meteen nattigheid heeft gevoeld, want toen zij een uurtje later verkleed als arabier en voorzien van een grote tas gereedschap bij hem aanbelden, hoorden zij hem op de achtergrond roepen: "dat vullis komt er niet in hoor....,moeders!"
Het werd die avond toch gezellig nadat de pomp was gerepareerd.
De terugweg was lastiger dan de heenweg. De heenwegtaxi had Arabieren blijkbaar als blanken gerangschikt, maar de tweede voor de terugreis dacht daar anders over.
Vooral toen het drietal vol met Erik zijn bier begon te kraaien: "Arabier no good, Heineken bier goed!", hetgeen de chauffeur in dit tweetalige land goed verstond en begreep, was hij er met zijn taxi als een speer vandoor gegaan.
Gelukkig stond Erik nog te zwaaien in de deuropening zodat hij ze terug heeft gebracht naar het schip, mopperend dat het tijd werd dat taxichauffeurs een handleiding kregen uitgereikt wie nu eigenlijk wel zwart en wie nu blank was!.

 

 

44. Lombok


De volgende vreemde eend in de bijt van de "Lombok" was wel een erg bijzonder exemplaar: één van de drie 5e wtk"s. Willem was zijn naam. Hij deed zijn werk goed, klom overal op en onder en zag er derhalve, als hij uit de machinekamer bovenkwam, altijd uit als een beest.
Wij verdachten hem er echter van dat hij een hekel had aan water en zich niet elke dag waste.
Even kop en voorpoten onder de kraan, dan zijn uniform aan en vlug aan de bar. Dat was het wel voor hem.  De plaats waar hij zat aan tafel was te herkennen aan een zwarte halve cirkel op het witte tafelkleed.  Wat daar ook van gezegd werd, Willem beterde zijn leven niet.
Boven de deur van zijn hut was een ruw stuk stuwhout gespijkerd,
Waarop te lezen stond: "Wat Willem niet maken kan, breng dat maar bij de lorreman", dit bord en de onbeschrijfelijke bende in zijn hut, die werd gekenmerkt door een midden in de hut als decoratie aan touwen cardanisch opgehangen trompet, werden hem uiteindelijk noodlottig.
Tijdens een van zijn zaterdagse rondes vond Erik het ook wat te gortig worden en zegde Willem een overplaatsing aan richting hoofdkantoor Hongkong....., daar had Willem wel oren naar!.
Later vernamen we echter dat hij Hongkong niet had gehaald, omdat hij op zijn volgende schip ook tijdens een zaterdagse inspectieronde apart werd genomen.
De gezagvoerder daar trof zijn machinekamerschoenen, gekoeld in zijn koelkastje aan en maakte daar een minder vleiende opmerking over.
Toen Willem antwoordde dat hij zelf mocht weten wat hij wel of niet koud wilde zetten, kon hij meteen vertrekken en vloog uit Singapore weer terug naar Drenthe.
Johan, onze tweede, was de volgende vreemde vogel, maar die had er al heel wat jaren opzitten, dus daar is over het algemeen wat meer begrip voor.
Johan was vrijgezel en kwam met twee koffers aan boord.
De koffers zette hij op de bank in zijn hut, met de deksels open.
Wat hij nodig had haalde hij er uit en wat terugkwam, de schone was bijvoorbeeld, ging er meteen weer terug in. Na zes maanden deed hij de deksels dicht en ging naar huis.
Het verhaal ging, dat hij thuis bij zijn moeder ook zo'n bank in zijn kamer had staan waar hij zijn koffers op kwijt kon.
Je zult maar een hekel hebben aan koffers pakken!.
Het vierde type hebben we al even aangeroerd, dat was onze sokken breiende 1e stm.
Hij ging uit Durban met verlof en de agent, die hem dat heugelijke nieuws kwam mededelen, beter bekend staand als "Crying Jack", zei uit de grond van zijn hart: "stuurman,  ik ben blij dat u met verlof gaat"..!, "ik ook"! zei Sjaan.
Al met al een ideaal schip om je vrouw, voor de eerste keer, te laten meevaren (zeker met snikkel-Erik in de buurt!).
Wilco, die intussen ook getrouwd was en die we in Durban tegenkwamen met zijn vrouw aan boord van een van zijn vaste Asas-schepen, maakte de opmerking: "dat is nu typisch Dirk, wie neemt er zijn vrouw nu mee naar de pege?".
Het lag me voor in de mond om te antwoorden: "Nee, wat jij doet Wilco, dat is water naar de zee dragen!".
Maar ja met de dames erbij (en intussen zuinig op je horloge), moest je met Wilco altijd oppassen!
Ook de hwtk. was een grappenmaker, eveneens woonachtig te Durban.
Hij had deze reis ook vrouw en kindertjes aan boord.
De jongste was nog geen jaar en kroop op handen en voeten door de opbouw.
Daar de vloeren in de gang niet altijd zo zijn dat je er van kunt eten, zag het kind er ‘s avonds uit, alsof het in een kolenhok had gebivakkeerd.
Waarschijnlijk had zijn vrouw er iets van gezegd, want vanaf dat moment zorgde hij er voor dat het kind in de hut bleef.
Hij had daar een typische "machinisten"-oplossing voor bedacht.
Het kind werd voorzien van een riempje rond een enkel, met daaraan een lang touw.
Telkens als het ondernemende kereltje richting de gang kroop werd het door pa, vanachter zijn schrijfmachine, middels dit touw weer tot de orde geroepen....logisch he?.
Ook onze nieuwe tweede, Ed, was op zoek naar wat logica.
In het aanvraagboek "gebruiksartikelen" stonden een paar kreten waarvan niemand de betekenis kende.  Zo werd er gesproken over "punkah louvres" en over "magnolica's", -"straight" en-"angle".
Dus werden er van alledrie de onderdelen een aantal aangevraagd.
Een reis later, tijdens het uitpakken van de "stores", kwamen we er achter, "punkah's" zijn de verstelbare, met een klep afsluitbare blaasmonden, die in oudere installaties gebruikt werden voor de ventilatie van salon en keuken.
"magnolica's" kwamen als lamphouder dan wel "straight", dan wel "angled" voor boven wasbakken en in gangen in de diverse hutten in de accommodatie.
Tijdens het opbergen van deze onderdelen kwamen we er nog een groot aantal tegen in de diverse kasten.
Waarschijnlijk waren er meer nieuwsgierige voorgangers geweest.
Jaren later werd het boek voorzien van afbeeldingen, voor de analfabeten onder ons!!.

 

 

45. Curry


Zoals gezegd voer de "Lombok" met een Bantu bemanning en dat was aangenaam, zolang er geen drank om de hoek kwam kijken.
Ze werkten als leeuwen en lachten veel, ook om zichzelf.
Frans, onze tweede stm., was ook betaalmeester voor de bemanning.
Ik vond het altijd interessant te horen met wat voor smoezen ze aankwamen om hem te overtuigen, vooral toch nog wat geld te geven terwijl ze al flink in het krijt stonden bij de firma.
De smoes van "yesterday i ran out of money, so the shopkeeper only gave me one left-shoe; today i want to go back and buy the right-shoe", sloeg alle records.
Maar ook de bootsman die vertelde dat de laatste reis zijn vrouw zo ontzettend boos was geweest omdat hij geen souvenirs had meegebracht mocht er wezen.
Op de vraag van Frans, of hij soms een "liquid souvenir" in gedachten had, antwoordde hij overigens volmondig met: "ja baas".
Ook smokkelden ze sigaretten om dit soort problemen met Frans te omzeilen.
Toen ik de voorman van de machinekamer echter een keer voorrekende dat hij zelf meer voor de sigaretten had betaald dan dat hij er in "de golf" voor had ontvangen, kon hij daar hartelijk om lachen.
Zelfs Hollanders kunnen wel eens lachen, als ze te veel geld uitgeven.
Zo was daar een aantal collega's die in Durban, verkleed als Arabieren met zonnebrillen op naar de bioscoop gingen.
Wederom had het Zuid-Afrikaanse publiek moeite in te schatten nu met blanken dan wel met kleurlingen van doen te hebben.
Om die reden bleven de bioscoopstoelen rond het gezelschap onbezet.
Telkens als ze een stoel opschoven schoof de hele rij op om toch maar vooral een aantal stoelen vrij te laten tussen die vreemde snoeshanen en zichzelf.
In de pauze liepen ze onder veel bekijks naar de foyer, bestelden drie cola en een zak popcorn, betaalden vervolgens met een biljet van 10 rand (toen vijftig gulden!) En zeiden tegen de verbouwereerde buffetjuffrouw: "keep the change..!".
Ook hier is in het verhalencircuit achteraf veel om gelachen.
De mededeling, dat we van lijn gingen veranderen naar de Oost-afrika/China dienst, had ook voor de bemanning consequenties.
Zij werden vervangen door Lascaren, het zeevarende volkje uit India.
Onze gezagvoerder was intussen "Ome Loek", een groot liefhebber van "heet" eten, zoals de meesten van ons, dus dat zat wel snor met deze Indiamannen.
Maar na twee maanden drie maal per dag curry wil een mens wel eens iets anders.
Zo ook Loek, ingefluisterd door een aantal medestanders.
Daar ome Loek onze kok, met zijn bus curry, absoluut niet vertrouwde besloot hij zelf als instructeur een zaterdagse "erwtensoep"- maaltijd in elkaar te draaien.
Vrijdag begon hij reeds met het weken van de erwten, voortdurend op de voet gevolgd door onze Indiase "chief-cook".
Zo ook de zaterdagmorgen.
Tegen een uur of half twaalf stonden alle bijgerechten klaar en de soep, met kluif en worst, te pruttelen.
Loek douchte zich snel en wij allen wachtten, onder het genot van een "koele groene rakker", op het "moment supreme".
Dat werd een anti-climax want de erwtensoep smaakte verrukkelijk naar, u raadt het al, Curry!.
Wij hebben ons er maar bij neergelegd.
In Hong Kong, gelukkig net voor China, had ik mijn vaartijd voor diploma-B vol en vlogen mijn vrouw en ik naar huis.
Hongkong was toen de enige plaats waar niet moeilijk werd gedaan over te veel bagage.
Dat kwam omdat je, bij het inchecken, met de punt van je schoen onder het plateau van de weegschaal kon komen en zo redelijk in de buurt van de twintig kilo kon blijven.
Twee keer, kort achter elkaar, 15 kilo extra omhoog houden bezorgde me toch wel kramp.

Het was nl.van belang je bagage door te checken tot Schiphol en dat duurde wat langer.
Wel zeer belangrijk overigens, want in Bangkok waar altijd overgestapt moest worden omdat de KLM toen niet vloog vanuit Hongkong, stonden die weegschalen achter de balie en daar waren mijn benen te kort voor.

 

 

46. School


Een aangename break was voor een aantal, altijd die paar maanden weer terug naar school.
Vooral als het zoals met "B-2", een praktijkdiploma betrof.
Voor de stuurlieden was het niet anders, even weg uit het werk, wat langer in Nederland en weer veel bekenden terugzien.
De eersten van de "begingroep" begonnen nu ook nijgingen te tonen om af te haken, dit had veelal te maken met het bereiken van de 27-jarige leeftijd, het getrouwd raken en niet te vergeten de grote vraag op de arbeidsmarkt.
Voor mij ging dit nog niet op, ik was nog niet uitgevaren, bovendien had ik me ten doel gesteld de studie volledig af te maken tot en met diploma-"C".
Maar eerst "B", het was ook opnieuw een weerzien met vertrouwde leraren, Jan v/d Water bijv, die het met "turbines" nog steeds had over: "de wet van A.van Gadro", alsof deze man een Nederlander zou zijn geweest met de voornaam Arie, in plaats van de Italiaanse natuurkundige "Avogadro". Ook Gay-Lussac, klonk met zijn Dordtse tongval, van:"hij ga en ik gaat!", als de wet van "Geile Zak".
Of dhr.Drukker, ook een ex-R.I.L.er, die steevast de volgende dag een ander costuum aan had, als iemand in de klas riep: "Pakkie van Hong Kee uit Hongkong aan meneer?".
Of de scheepsbouw leraar, dhr Maaskant, die een rumoerig lokaal altijd binnenkwam met de woorden: "he he he..,'t is hier geen cafe hoor,...was 't maar waar!" (overigens ook een oud-K.P.M.-er)
Maar de studie liep.
Je kwam, volgens sommige leraren, ook eigenlijk niet naar school om slimmer te worden, maar om te weten wat je moest weten op het examen.
Voor één van ons, een Surinaamse jongen, heel sterk aanwezig binnen de groep maakte het allemaal niet zoveel uit.
Zijn standaard kreet was: "ik ben de eerste Surinamer die zijn "C" gaat halen, dus ze kunnen het zich toch niet permitteren om mij ooit te laten zakken”.
Toen al de eerste tekenen van positieve discriminatie!.
Ook dit keer slaagde hij trouwens, met voor alle vakken precies een zes, maar de rest van de klas ging er stevig tegenaan.
Mijn vaste studiemaat was Gerard, die ik al tot mijn kennissenkring mocht rekenen sinds diploma "A".
Gerard was een naar Zeeland gevluchte Hagenaar, met een zelfde studietempo als ik en toevalligerwijs ook altijd dezelfde examendagen. Dat kwam goed uit, daar zijn ouders nog in Den Haag woonden niet ver van de Fruitweg en we daar altijd konden overnachten. Hagenaars hebben sindsdien, mede door hun gevoel voor humor, bij mij een warm plekje ingenomen.
Op weg naar de Fruitweg, wandelend door de Valiantlaan aan de rand van de schildersbuurt, was er altijd dat kroegje voor het kopje koffie tegen de zenuwen.(op de terugweg dronken we iets anders!).
Een echte Haagse buurtkroeg waarlangs op die morgen in de vroege lentezon een ambulance met loeiende sirene de straat in scheurde en een paar huizen verder tot stilstand kwam.
De bazin kwam achter de tap vandaan en ging buiten kijken wat er aan de hand zou kunnen zijn.
Vervolgens de opmerking van dat oude Haagse baasje, achter zijn borrel en zijn krant vandaan in het plat Haags: 't wocht mooij weerch vandaag, 't vrahwtsje staat buiteh!".
Dan ga je fluitend examen doen en slaag je derhalve.

 

 

47. Straat Singapore


Met het behalen van het B-diploma, in een tijd dat de R.I.L. volop aan nieuwbouw deed, ging de promotie snel.
Dat gold ook voor mij want ik werd, als broekie van 24 jaar, als 2e wtk. aan boord geplaatst van het ms "Straat Singapore".
Ook dit schip had, net als ik, zijn "roots" in Hardinxveld.
Mijn grootste zorg was: hoe houd ik op een dergelijk goed onderhouden schip voortdurend 15 mensen aan het werk?
Maar dat lukte, mede dank zij de hulp van mijn steun en toeverlaat Max, de 3e wtk en jongstejaars van mij uit Vlissingen.
Max en ik leken wel wat op elkaar, dezelfde lengte, sluik haar, grote neus met daaronder een snor.
De 2e stm. vergistte zich de eerste dag twee maal en we besloten voortaan als broers door het leven te gaan.  Op het moment dat ik in Singapore aan boord kwam, had het schip geen hwtk deze was in het ziekenhuis beland en het wachten was op de nieuwe hwtk, "Norse Leo" genaamd.
Zoals zo vaak gingen bijnaam en bijzonderheden de man in kwestie al als een mare vooruit, zo ook dit keer.  Van "Norse Leo" was bekend dat hij accordeon studeerde en inderdaad werd er, voor de mens uit al een houten kist in de gang voor zijn hut waargenomen met een intrigerende buitenmodel vormgeving.
Leo zelf kwam tegen het einde van de middag luid kankerend, (hij bleek zeer tegen zijn zin te zijn overgeplaatst) met een flesje "Dimple" onder zijn arm aan boord.
Na het eten vroeg Leo mij of ik die avond, ter kennismaking even een borreltje bij hem wilde komen drinken.
Ik nam de uitnodiging aan en vroeg hem of het goed was, dat mijn broer ook meekwam.
"Je broer?" vroeg hij, "is die ook aan boord dan?".
Ik beaamde dit en hij ging akkoord met Max zijn aanwezigheid.
Tegen achten klopten we op Leo zijn deur en kregen de eerste "groene rakker".
Leo nam een schot uit zijn flesje "Dimple".
"Ja, dit heeft zo'n klojo van een hofjood nooit in zijn 'store' natuurlijk, alleen maar die zure 'Johnny Walker' en dan nog niet eens de 'Black Label'!!" begon hij zachtjes kankerend.
Max haakte er meteen op in en vroeg ongegeneerd: "Meneer, is het waar dat ze u bij deze maatschappij, 'Norse Leo' noemen?".
Leo was licht overdonderd door zoveel directheid en antwoordde: "Ik geloof het wel, maar soms noemen ze me ook wel Ome Leo”.
Max zei, al proostend: "Laten we dan maar hopen, dat het hier.....'Ome Leo' wordt!".
De avond "kabbelde" voort, maar de intrigerende kist bleef gesloten in de gang staan.
Max en ik waren er intussen al lang achter dat het "Norse" in Leo zijn bijnaam best meeviel en meer berustte op een "act" van Leo, ingegeven door een cynisch gevoel voor humor.
Zo vroeg hij steevast hoe het ging met dat "stuk sjacherijn" wat op het brugdek woonde, "was daar nog een beetje mee te werken?".
Op zeker moment, na de vijfde "groene rakker", kon Max zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en vroeg: "Ome Leo, wat zit er toch in die kist in de gang?".
Dit noemt men vragen naar de bekende weg en men hoopt dat de vraag niet retorisch behandeld wordt.  "Daar zit mijn accordeon in!" zei Leo met gepaste trots.
Na wel een minuut aandringen ging de kist open, middels gereedschap wat Max volgens mij al tevoren, speciaal voor dit doel om de hoek van de deur had klaargelegd.
Uit de kist kwam een prachtige rode "Scandelli" met wel tachtig bassen.
Uiteraard moest er ook gespeeld worden en Leo toverde achtereenvolgens een aantal Hollandse meezingers waaronder; "Op de sluizen van IJmuiden" uit de trekkast.
Max was zwaar onder de indruk, "ik speel zelf piano, maar dit instrument zou ik ook wel willen kunnen bespelen" zei hij.
"Als je piano kunt spelen, dan kun je ook accordeon spelen", antwoordde Leo: "het is tenslotte hetzelfde klavier".
"Dat is wel zo", zei Max, "maar dat tegelijkertijd aan die balg trekken en duwen erbij, dat maakt het zo anders!".  Daar werd even over nagedacht en één van de andere, op de muziek afgekomen, aanwezigen had een helder idee.
Even later lag Leo op zijn rug op bed met de trekkast bovenop zich, hij bediende de balg en de bassen, terwijl Max "double mains" speelde op het nu horizontale accordeonklavier.
Wat een inventiviteit toch hé!.

 

 

48. Norse Leo


Mijn voorganger bleek ook moeite te hebben gehad om de mensen voortdurend zinnig aan het werk te houden.
Het was o.a.de gewoonte om wekelijks de railingen van bordes en trap aan de vooringang van de machinekamer te schuren.
De trap werd in tegenstelling tot andere trappen nooit gebruikt en het geheel roestte daarom snel.
Dit vond ik wat ver gezocht en overlegde met "Ah-Tau", of het niet beter was de leuningen daar ter plekke zwart te schilderen.
Hij was het er mee eens en zo geschiedde.
Niets vermoedend liep ik die morgen beneden de 8-12 tot er plotseling een woedende, luid kankerende "Norse Leo" voor me stond, zijn handen helemaal onder de zwarte verf.
Voor het eerst in jaren iemand die de voortrap gebruikte!.
Maar als je Leo echt in de gordijnen wilde zien gaan, dan moest je bij hem in de buurt zijn als "De Brug" voor de volgende dag het "Gissen" buitenboord aankondigde.
Eerst misschien wat uitleg over het, ook op mij "komisch" overkomende "Gissen".
De voorbereidselen werden meestal gedaan door de jongste stuurman (ll.of 4e) n.l.: het oranje schilderen van een aantal dozen met lege, "groene rakkers", liefst fabrikaat Heineken.
Een beetje handige leerling zorgde altijd voor een stuk voorraad, want er was soms lastig aan te komen met al die "Dimple" drinkers aan boord!.
Daarna werden op drie strategische plaatsen, dwars op de huid een drietal bezemstelen aan de railing vastgeknoopt, te weten; een op de bak, een op de brugvleugel en een op het "poopdeck".
De volgende morgen, bij redelijk kalme zee was het dan zo ver.
Bij iedere bezemsteel stond een stuurman, in de zelfde rangorde als bij "voor en achter" (manoeuvreren).
De jongste stuurman mocht nu vanaf het uiterste puntje op het voorschip (het wimpelbordesje) zijn eigenhandig geschilderde "oranje rakkers" met sierlijke doch krachtige boog aan de goede zijde ("lij", waar de bezemstelen zaten!) in het water werpen. Tijdens het passeren van de betreffende fles werd deze bij iedere bezemsteel per "walkie talkie" doorgepraaid (volgens Leo het enige moderne aan deze, uit de gouden eeuw daterende meting).
Daar men de onderlinge afstand van de bezemstelen kende, deduceerde men aldus de gemiddelde snelheid van schip ten opzichte van het water.
"Ze schieten tegenwoordig raketten naar de maan! Maar Hier...!!", begon Leo altijd steevast zijn tirade bij het vernemen van de onheilstijding: "We gaan gissen buitenboord!".
Ongetwijfeld zal ook een stukje eigenbelang ten grondslag hebben gelegen aan zijn aversie tegen het "Gissen".
Van ons in de machinekamer werd namelijk tegelijkertijd verwacht dat we vermogensdiagrammen maakten van ons hoofdmachien met de bijbehorende "diagrammenstaat".
Daarna zat er voor Leo nogal wat werk aan het uitrekenen van deze diagrammen met behulp van zijn planimeter.
Meestal trachtte hij daar een leerling voor te strikken, maar desondanks bleef het volgens Leo een antiek geheel.
Deze reis spande overigens de kroon, want de uitkomsten waren niet naar de zin van de gezagvoerder, dus deden we het de volgende dag nog een keer.
Wat Leo toen allemaal zei is niet voor herhaling vatbaar, maar "dat stuk sjacherijn" op het brugdek kwam er een aantal malen prominent in voor. (deed die het om Leo te zieken?).
Achteraf hoorden we van Max dat er de reis voor ons problemen waren gerezen rond een vitaal onderdeel van de stuurinrichting, de "Telemotor".
Max wist te vertellen dat door olielekkages in de manchetten van de "gever" op de brug de installatie zijn druk niet hield, wat een onrustig stuurbeeld gaf en derhalve extra brandstof kostte.
Mijn voorganger had binnenliggend, zonder alles te slopen, kans gezien een tweetal afdichtingmanchetten te vernieuwen. Daarna was het een stuk verbeterd.
Vervolgens daalde "Het Zwarte Koor" echter weer in de achting van ons gezag, doordat de "Baas" (Leo zijn voorganger!) de opmerking maakte dat ze op de oversteek naar Singapore het roer maar moesten vastzetten, zodat dan op zee de andere manchetten ook konden worden vernieuwd.
Het gezag had verbouwereerd over zoveel onbegrip vijf minuten lang op zijn tong staan te bijten, met de brandende vraag op de lippen: "Meneer hoe lang vaart u al?".
Dus dit traject: twee keer "Gissen buitenboord".
Navigeren is Anticiperen en Controleren Mijne Heren!!!.

 

 

49. 1948-Vietnam


De "Begin zeventiger-jaren" kenmerkten zich vooral door de steeds heviger wordende Vietnamoorlog en het ook steeds toenemende aantal anti-Vietnamdemonstraties.
Voornamelijk door jongeren, o.a.in hippiegroeperingen, over de gehele wereld maar vooral in de USA, Omdat het tenslotte hun leeftijdsgenoten waren die de oorlog moesten uitvechten. (ik heb jaren later, ontroerd tijdens een bezoek aan het "Vietnam-Memorial" in Washington, het geboortejaar 1948 vaak geraakt.)
In de redelijk rechts georiënteerde scheepsgemeenschappen van het toch ouderwetse, antieke scheepsbedrijf met zijn strikte hiërarchie zowel aan boord als aan de wal trof je weinig hippies aan noch andere wereldverbeteraars.
Onze 3e stm., op de "Singapore", was een van de eersten, samen met zijn Australische echtgenote die deze reis ook meevoer.
Zij hadden een uitgesproken mening over het wereldgebeuren en droegen die mening ook uit, zoals het echte idealisten betaamd.  De meeste zeevarenden zijn van het politiek "bewusteloze" type.
Dat is maar beter ook, want discussiëren over politiek en geloof verpest in een kleine gemeenschap over het algemeen de sfeer. Derhalve was het Semi-Aussie" echtpaar niet populair, hoewel zij het goed bedoelden.
In Surabaya waren zij van de wal teruggekomen met een vondeling. Een jong katje wat nauwelijks de ogen open had. Liefderijk werd het beestje door het echtpaar vertroeteld en verzorgd, geheel in het kader van; "Lief zijn voor elkaar".
's Nachts bivakkeerde het beestje in een "hok met een ren" wat ooit aan "Sam", de overboord gevallen scheepsaap, had toebehoord.
Het nachthokje werd iedere morgen door het echtpaar grondig schoongemaakt, in een poging het beestje zo snel mogelijk zindelijk te krijgen.
In Brisbane ging de vaste "stapploeg" de wal op en kwam in aanraking met een aantal Amerikaanse "GI’s". Leeftijdsgenoten die even weg uit de hel van Vietnam, in Queensland, een periode van R.& R. was gegund.
De avond werd niet gezellig mede door de verhalen van deze gasten en het feit dat wij ons realiseerden dat als je wieg in de "States" had gestaan, je nu ook in "-Nam" had kunnen zitten.
"Die klote hippies, dat langharig werkschuw tuig, die waarderen het nog niet eens ook", kankerde onze 4e wtk op de terugweg naar het schip.
Bij thuiskomst ging iedereen meteen slapen, tenminste dat veronderstelde ik.
De volgende morgen werd ik uit bed geklopt door een bloeddorstige 3e stm. die ons, als groep, beschuldigde van dierenmishandeling.
Ik begreep eerst dat het poesje een keurige "grote boodschap" had gedaan, buiten het nachthokje in het rennetje, maar toen ik met hem meeliep en de "grote boodschap" aanschouwde, vele malen groter dan het poesje zelf, begreep ik dat er hier iets stonk. De dader hebben we niet kunnen achterhalen.
Ik dacht echter wel meteen aan een verhaal wat de vorige avond was verteld en waarin de aan boord meevarende peuter en zoontje van een hwtk, het slachtoffer van eenzelfde grap was geweest.
Die "boodschap" werd echter door de moeder van het jong, nadat ze hem van het potje had getild, begroet met: "wat een grote jongen….!". (letterlijk denk ik!).
Max en ik vonden dat dit voorval eigenlijk niet door de beugel kon, omdat het in negatieve zin reflecteerde op onze machinekamerploeg.
Nu had onze 3e stm in Melbourne in de buurt van "Hollandroad" pas een oud huisje met een tuin gekocht.
We besloten voor in die tuin, geheel volgens de hippiegedachte, een "sculptuur" te gaan maken.
Als je al het schroot in een machinekamer bij elkaar zoekt, dan vind je gauw een "ton" oud ijzer.
Dit werd aan elkaar gelast en het eindresultaat stelde met wat fantasie een soort vogel voor, die we als een echte "Piet Peer" (geen Karel Appel!) met alle in de machinekamer voorkomende kleuren verf besmeurden.
Het eindresultaat mocht er zijn en werd in Melbourne via machinekamer kraan en vervolgens laadbomen op een klein vrachtwagentje van het agentschap geladen. (nog bedankt, Don Elliot!).
"Norse Leo" vond het niks, "echt wtk.-werk, lood-en-lood-zwaar!!" was zijn commentaar.
Zijn schoonvader, die ook machinist was geweest, had eens voor een ander muzikaal lid van zijn familie, Leo's dochter, een muziekstandaard gelast.
"Op zeker moment", zo vertelde Leo, "hoorden mijn vrouw en ik boven een grote klap en daarna gegil".
"Het van gaspijp vervaardigde monster was omgevallen en mijn dochter lag eronder", "niet te tillen!!" zo besloot hij.
Maar de derde stuurman was verrukt over het resultaat toen ons werkstuk eenmaal in zijn voortuin stond.
Max en ik hadden het gevoel dat we onze machinekamer-ereschuld, ten aanzien van zijn echtgenote, geheel in stijl hadden ingelost.
Bovendien waren we toch al van plan geweest al die "ouwe troep" eens op te ruimen.

 

 

50. Nieuw Holland


De "Nieuw Holland" was de opvolger van de "Tjiwangi" op de passagiersdienst, van het land wat oorspronkelijk dezelfde naam had gedragen en nu Australië heet, naar de far-east.
Er was ooit een voorganger geweest met dezelfde naam, gesloopt voor mijn tijd en zuster van de "Nieuw Zeeland", die ten onder was gegaan in de tweede wereldoorlog.
Deze "Nieuw Holland" was van 1958, ongeveer de tijd dat de vorige gesloopt werd en haar oorspronkelijke naam in VNS-dienst luidde: "Randfontein".
Onder die naam en varend op Zuid-Afrika voor diezelfde VNS, was ik haar een aantal malen tegengekomen.
Ik werd in Hongkong aan boord geplaatst voor weer een reis als derde wtk. en de sfeer beviel me vanaf het begin.
Ik loste een oude bekende af: "Brabantse Peer", van de keuring!
Ook de 2e wtk was een oude bekende, Bill van de "Lombok" eveneens een Brabander.
We begonnen deze hernieuwde kennismaking met een lekker biertje op de vrijdagmiddag.
Het schip had nog een "druk op de bel" systeem, wat op vrachtschepen al lang was vervangen door een bar en koelkastjes.
Regelmatig verscheen dan ook de oude bediende "opa" met een vers blad gekoelde "groene rakkers".
Voortdurend druppelden er ook mensen de hut van Bill binnen, waaronder nog meer bekenden, zoals de scheepsarts ex. "Boissevain" en een tweede stuurman van de "Singapore".
Uiteindelijk bleven we tegen negenen weer met zijn drieën over.
Peer had ontslag genomen en een walbaan geaccepteerd, dus dat moest eigenlijk worden gevierd.
Nu is de wal opgaan in Hongkong, met het perfecte "wallah wallah"systeem, altijd al eenvoudig geweest, maar langszij de "Oceanterminal" voor passagiersschepen is het nog gemakkelijker.
Na eerst iets gegeten te hebben in "Jack's Steakhouse" belandden we na wat omzwervingen in de kroeg: "Bottoms-Up", ooit in een paar scènes te zien geweest in een "James Bond" film.
Achter ons aan een van de ronde barretjes zaten zo te horen nog wat Nederlanders, ze spraken zeer bekakt over "Philips".  Maar..dan ook nergens anders over!.
Nu is een beetje "wijgevoel" goed voor het bedrijf en derhalve ook voor de werknemer, maar dit begon op een stapavond terwijl men tracht te genieten van een goed glas bier in aangenaam gezelschap vervelende vormen aan te nemen. 

Peer was het als eerste beu. Hij draaide zich om en vroeg: "zijn jullie ook Hollanders?".
Het antwoord luidde bevestigend; "wat doen jullie hier?" ging hij, in alle onschuld naar de bekende weg vragend, verder.
"Wij werken voor dè! Philips", zei de bekakte "expat". ..."Philips?";..."Philips?", herhaalde onze Brabander een paar maal en krabde zich daarbij nadenkend op de kruin.
Plotseling toverde hij een lach "van oor tot oor" te voorschijn en sprak: "aha ik wit et al...,Philips!, doar het ons moeder een lamp van!".
Hier werden de heren stil van.
Wij hebben ze genoegzaam ons pilsje verder drinkend, maar niet verteld dat de toekomstige werkgever van onze Peer, "een bekende gloeilampen fabriek uit het zuiden des lands" was, je weet maar nooit!?.
Later op de avond werd ons gezelschap nog versterkt met de 2e. Marconist, een jongeman, die aan het begin van zijn carrière stond en letterlijk zijn ogen uitkeek naar de "topless" dames achter de halfronde barretjes.
Dat was Peer blijkbaar ook opgevallen, "jij bent een heel bijzondere 'sparks', weet je dat wel?" begon Peer.
"Hoezo?" vroeg het jong.
"In al die jaren ben jij de eerste marconist die ik meemaak die geen bril draagt!", ging Peer verder.
"Ja maar, ik heb ketaklenze" antwoordde de kleine Limburger.
"Modern times, ik ben blij dat ik dat straks bij Philips allemaal uit de eerste hand mag meemaken dan is varen toch maar een antiek bedrijf!" eindigde Peer de avond.

 

 

51. Purser


Een zeer belangrijk personage aan boord van passagiersschepen is de purser.
Vraagbaak voor passagiers, entertainer en klantvriendelijke hotelmanager. Zo kun je hem het beste omschrijven.  Daarnaast is er voor hem ook nog de lastige taak om zichzelf in te passen in het scheepsleven.
Sommige pursers hadden van dat laatste weinig kaas gegeten, of deden er geen moeite voor.
Zij hoorden er derhalve niet altijd echt bij en werden door de rest dan vaak gezien als het hoofd van de "stoffer-en-blikkers".
Zoniet onze purser Roelof, telg uit een oud pursersgeslacht en RasHagenaar (alweer een!).
Een gezellig mens die zeker op avonden dat er geen passagiersdruk op hem rustte goed mee kon doen.
Zo ook op de rustdag in Sydney als het schip even passagiersvrij was en wachtte op de volgende lichting.
Vrijgezellen hadden dan een meer dan matige belangstelling voor de in het purser's office aanwezige passagierslijst, waar achter iedere naam te lezen viel of het een mr, een mrs, dan wel een miss betrof.
In het laatste geval werd dan ook het geboortejaar nog even gevraagd.(voor sommigen was mrs. ook goed en leeftijd minder belangrijk!).
Roelof speelde daar ‘s avonds op in en vertelde dat zijn vader als purser aan boord van de "Ophir" ooit samen met de "Plancius" de trots van de KPM, eens het tegenovergestelde had meegemaakt.

Het verhaal speelde nog in de "Indiëtijd".
Een aantal vrijgezelle onderwijzeressen had het plan opgevat, in hun vakantieperiode een zeereis met de KPM te gaan maken.  Om die reden kwamen zij de reis voor de hunne vast een kijkje nemen terwijl het schip binnen lag te Tandjong Priok. Zij werden met alle egards door de vader van Roelof ontvangen bij het purser'soffice. "Hoe de sfeer aan boord was?".
"Oh heel gezellig, allemaal nette mensen, een aantal officieren uit oude geslachten met een dubbele naam" was zijn antwoord.
"Fantastisch!" en wie is de gezagvoerder?".
"Eveneens een aardige man, ook met een dubbele naam!".
"Wel grappig trouwens, de naam is ;-l'auro oraul- en van achter naar voor gelezen, geeft dat weer dezelfde naam, leuk he?".
Ja dat vonden de dames ook!.
"Zo zit de Nederlandse taal vol met dergelijke grapjes, ging de vader van Roelof verder, maar dat hoef ik u als onderwijzeressen natuurlijk niet uit te leggen!?".
"Bijvoorbeeld?" vroeg een der dames, nieuwsgierig geworden.
"Neem nu het woord 'cremetaartjes', een beetje door elkaar gehutseld levert dat het woord...... 'Tramkaartjes' op...   "Jaaah leuk!"..
"En als u straks de reis met ons gaat meemaken dan heeft u, om in de hutten te mogen waar we nu voorstaan, een 'hutkaartje' nodig! ...een beetje verbasterd, levert dat"..........
"Oh nee!.., Oh nee!"... riep dezelfde dame nu verschrikt..uit!  "Maar dan heeft u...een kale!" besloot onze rondleider. Die avond onder elkaar werd een groot succes.
Onze die dag aan boord geplaatste 2e stuurman ging tegen elven even plassen, op het "Schijthuisplein".
Rond twaalf uur was hij nog niet terug en zijn we gaan zoeken.
Één der zoekploegen vond hem dolend en intussen weer dorstig aan, in een passagiersgang, op zoek naar de feesthut van Roelof.
Als je nieuw aan boord bent, zo zonder passagierservaring en wat drank op, dan zit zo'n schip best ingewikkeld in elkaar!  Volgens Roelof had bij de KPM ooit een gezagvoerder gevaren, die in zulke gevallen een andere oplossing had.
Bang om te verdwalen en iets van drank en feestgedruis te missen, deed deze kapitein, met de mooie bijnaam "Boer Bakker" zijn plas in de wasbak van de hut waar toevalligerwijs het feestje plaatsvond,.....een vroege wabapi! (zie fukuoka).
Aan het eind van de avond kwam Piet, de jongste 4e wtk er achter dat hij de sleutel van zijn hut kwijt was.
Overmoedig geworden door de drank besloot hij na een aanloop de houten deur er uit te trappen.
Er volgde veel gekraak en gegil van Piet, maar de deur gaf geen krimp.
Doordat Onno intussen Piet zijn sleutel had opgeduikeld maakten we de deur op reguliere wijze open en werd het gillende slachtoffer met man en macht in zijn bedje getild.
De volgende morgen was Piet niet in de machinekamer.
Onderzoek, in het bijzijn van de scheepsarts wees uit dat hij nog lag te kermen in zijn mandje, met een op twee plaatsen gebroken been naar later bleek.
Dat waren nog eens deuren in die tijd!.

 

 

52. Scheepsarts


De eerste scheepsarts die ik meemaakte was een oude halfgepensioneerde arts die al veertig jaar in de tropen werkte.
Zijn aantijging was altijd dat blanken in de tropen over het algemeen te steriel en "clean" leefden.
Daardoor waren zij volgens hem sneller vatbaar voor allerlei tropenkwaaltjes en ziekten
Om meer resistent te worden raadde hij, een ieder die het horen wilde aan per jaar minimaal een kilo "vuil" te eten.  Hij vervolgde dan overigens, dat we niet op 1 januari met een lepel in onze hand langs de kant van de weg moesten gaan zitten.
De arts van de "Nieuw Holland" was dezelfde als van de "Boissevain", daar had hij veel werk gehad aan de gemiddeld driehonderd Koreaanse landverhuizers die de schepen per reis vanaf Pusan naar Santos hadden meegenomen.  Veel verdriet om het vertrek met bijbehorende ellende, maar ook vreugde om geboortes van nieuwe "Oerwoudontginners".
We hebben in de machinekamer zelfs eens een soort van couveuse in elkaar geflanst, waarmee hij door o.a zuurstof in te blazen een nieuwe wereldburger in leven wist te houden.
Op de "Nieuw ]Holland" was zijn taak een geheel andere en hij had daar wel eens moeite mee.
Gedurende de reis was de medische zorg voor passagiers gratis. Maar volgens hem hoefde het "Bookingoffice" in Sydney daar niet zo uitgebreid mee te adverteren.
Het bezorgde hem handen vol werk, vooral net na vertrek Australië.
Het leek volgens hem wel of alle passagiers, echte of ingebeelde kwalen en ziektes hadden opgespaard om hem te verrassen.
Om de bokken van de schapen te scheiden, had hij een afdoende, zeer onorthodoxe methode ontwikkeld.
Voor dit doel had hij zich in Japan een zgn. "pojo-stick" aangeschaft.
Het betrof hier een metalen stuk kinderspeelgoed, voorzien van voetsteunen en handvaten, met onderin een zware veer, waar men na wat oefenen en een zekere behendigheid, wel sprongen van een meter ver mee kon maken.
Onze medicus wachtte, tot de wachtkamer goed vol zat en sprong dan, gekleed in witte jas en voorzien van stethoscoop, vanuit de dienstgang met een aantal ferme sprongen op de "pojo-stick" door de wachtkamer naar de deur van de spreekkamer.
Binnen aangekomen dronk hij een kopje koffie en wierp daarna, door de ronde patrijspoort een blik in de wachtkamer. Het hoeft geen betoog, dat het aantal potentiële patiënten dan al sterk was afgenomen.
Wie er dan nog zat, mankeerde volgens hem echt iets.
Ook op dit schip trof onze dokter het minder goed met de gezagvoerder.  De juiste reden van de controverse was niet alom bekend maar zal ongetwijfeld iets met dames van doen hebben gehad, want als provocatie dreef hij iedere middag een uur in het zwembad, gelegen op een opblaaspop voorzien van bikini; model "Jacky Kennedy".
Zo bleek weer eens te meer dat scheepsbemanningindelers een zeer belangrijke taak hebben.
Over het algemeen deden deze mensen op het hoofdkantoor hun taak naar behoren en waren zij eveneens voorzien van een goed gevoel voor humor.
Hoe verklaar je anders dat de drie leerlingen op de "Nieuw- Holland" resp. Konijn, Haas en Knol heetten?.
Ook andere afdelingen hadden een goed gevoel voor humor: o.a. de Medische dienst.
Na het doorlichten, waarbij je altijd je overhemd mocht aanhouden, werd ik eens door een quasi-bezorgde, fluisterende verpleger (ook ex-zeevarend) op de hoogte gebracht van het feit dat er zich in mijn linker long een "Parker"-balpen bevond.

 

 

53. Sex-gericht-denken


Nadat voor aanvang van de reis de diverse enthousiastelingen een soort van voorselectie hadden gehouden aan de hand van de in het "PursersOffice" aanwezige passagierslijsten, begon de echte selectie pas op de avond na vertrek Sydney.
De kennismaking vond parallel plaats in zowel de "eerste klas" (door de "hoge-druk") en "toeristenklasse" (door de "lage druk").  Daar de gemiddelde leeftijd in de eerste klas over het algemeen rond de zestig lag, was deze eerste avond op zee daar meestal rond een uur of elf afgelopen en spoedden de heren stafofficieren zich vervolgens met een sneltreinvaart naar de "toeristenklasse", waar laten we het netjes uitdrukken, zich het "huwbare spul" bevond.
Voor de "lage druk" was het dus zaak om voor elf uur het zo te organiseren, dat de meest aantrekkelijke dames niet voor al dat "goud" door de bocht zouden gaan.
Haast was dus geboden.
4e wtk., Onno Klok, werd vanwege deze haast omgedoopt tot "One- O'clock" en een moeder, die over haar mooie dochter waakte als een hen over haar kuikens, vervormde zijn naam tot: "Oh-No, Onno, Oh No!".
Zijn collega 4e wtk, Leo, hield van een "direct approach".
Hij vertelde dat hij altijd en overal rechtstreeks "to the point" kwam, met de vraag: "doen we het nu meteen, of wachten we tot straks?" en kon deze vraag in zes talen stellen.
"Zelfs bij binnenkomst in een KLM-toestel vraag ik het aan de eerste de beste stewardess die ik tegenkom, ik wil zo graag lid worden van de 'five-mile-high-club!" "Maar dat kun je toch niet doen, zo maar tegen een wildvreemd vrouwtje waar je nog nooit een woord mee hebt gewisseld dan zul je toch zeker wel eens een draai rond je oren krijgen!!??, vroeg Onno.
"Ja,...maar ik neuk wel eens ook!", zei Leo.
Bij Amerikaanse dames had hij overigens zijn openingszin aangepast, en luidde :"I would like to get into your pants".
Volgens eigen zeggen had een mooi Amerikaans exemplaar wel eens adrem gereageerd met :"I allready have an asshole in my pants!".
Ook deze reis had Leo zijn ogen goed de kost gegeven.
Hij zat op zijn praatstoel en besloot zijn mooie slachtoffer aan een test te onderwerpen; "als ze na dit verhaal niet gaat gillen, zit ik vanavond op rozen" fluisterde hij tegen Onno.
"Do you like to solve riddles? zei hij vervolgens hardop tegen het blondje.
"Sometimes" knikte ze, niet echt geïnteresseerd.
"If there are nuts on the wall, how do you call that? "vroeg hij aan de copie van "Ursula Undress".
Zij bleef het antwoord schuldig.
"Mmm..., niet al te snugger, misschien maar beter ook…" sprak hij tussen zijn tanden door tegen een alerte Onno en vervolgens tegen het blondje: "wallnuts, of course!".
"Now if you have nuts on your chest!" ging hij verder "how do you call them?".
Dit keer loste zij het raadseltje zonder problemen op :"Chestnuts!"
"Very good!" probeerde Onno er tussen te komen.
"Now what, if you have nuts on your chin?" ging Leo verder.
"Chin..-nuts....? sprak zij, wat ongelovig kijkend.
"No", hakte Leo er in, "Then you have a cock in your mouth!".
Zij bloosde niet, wat voor Leo aanleiding was Onno een vette knipoog te geven.
Om elf uur, toen de "goudvinken" binnenstoven, was Leo met zijn "Ursula" al in geen velden of wegen meer te bekennen.
Deze reis was er blijkbaar voldoende aanbod van vrouwelijk schoon.
Rond middernacht werd er nog een dame van rond de dertig waargenomen in een doorzichtig negligé rond het zwembad fladderend, al roepend: "who is going to take me?...,who is going to take me?.

 

54. Vikingen


Na de "Nieuw Holland" was het voor mij en met mij vele anderen gedaan met de passagiersvaart van de RIL; er voeren weliswaar nog een aantal vrachtschepen rond met beperkte passagiersaccommodatie, maar ook dat liep gezien de leeftijd van die schepen op zijn einde.
De moderne tijd deed zijn intrede aan het begin van de jaren zeventig. Voor de RIL betekende dit eigenlijk de "N-schepen" als we de "H-'S" en "A-'S" even vergeten, omdat de "N-S" de eerste schepen waren met een "onbemande" machinekamer.
Door de werf in Nederland, waar de schepen waren gebouwd vanwege de Engelstalige RIL achtergrond, wel eens foutief vertaald in: "Unmanned" i.p.v."Unattended".
"Unmanned" hadden deze schepen niet zo lang gevaren.
Mijn eerste kennismaking met deze nieuwe manier van varen vond plaats op de "Straat Nassau".
Ik vloog samen met een oude bekende naar Singapore.
Ik kwam "Norse Leo" pas tegen vlak voor de slurf op schiphol, hij was overigens op weg naar een "F-schip". "We moeten met zo'n klote-combi-vlucht mee", zei hij monter.
(hij bedoelde met klote overigens niet het vliegveld van Zurich!)
Ook dit keer had hij gelijk, het achterste deel van deze KLM "DC-8" naar Singapore zat vol met vracht en het voorste deel was voorzien van een dertigtal stoelen.
Voldoende voor Leo en mezelf, dacht ik nog.
Vlak voor vertrek kwamen de overige 28 passagiers luid zingend aan boord.
Het betrof de voltallige aflosbemanning van een Noorse tanker, die al een vliegtuig hadden leeggedronken tussen Oslo en Amsterdam, en vervolgens vier uur op Schiphol in de bar hadden rondgehangen.
De stemming zat er derhalve goed in, een aantal was nog redelijk ter been en droeg de rest naar binnen.
Leo mompelde: "Daar komt geen verstandig woord meer uit!".
Nauwelijks was het toestel van de grond, of één der Vikingen zag na wat mislukte pogingen kans op "het" belletje te drukken!.
Na korte tijd verscheen de enige, op dit soort vluchten aanwezige, Stewardess en vroeg met stralende lach aan de beller: "Yes Sir?"
De Noor antwoordde met:"Hoale Kleute Greme Yoele Fleute, Three Beer!"
Waarop onze ‘barbie-pop’ zei:"can't you say please, sir?".
Nu hebben Noren de naam nogal redelijk agressief te kunnen worden, als hen in beschonken toestand de brandstof wordt onthouden. Het was dan ook met enige stemverheffing dat hij zijn eerder uitgesproken verzoek herhaalde!. ......"Yes, but can't you say Please?", was opnieuw haar antwoord.
Leo, wat bleekjes geworden sprong bij met: "Haal in godsnaam drie bier voordat hij hier de tent gaat verbouwen!!!".  Gelukkig begon ook zij nu langzamerhand de ernst van de situatie in te zien en bleef een paar uur heen en weer rennen met alcoholische versnaperingen.
Leo had de tegenwoordigheid van geest om nog vlug een flesje "Dimple" vast te leggen, want ergens boven het middenoosten was alle drank op "We zitten boven Mekka waarschijnlijk", zei Leo.
Langzamerhand vielen alle Vikingen in een diepe slaap, hier en daar onderbroken door wat dronkemans ongerief, wat een zware lucht in het kleine passagierscompartiment deed ontstaan.
Het moment van aankomst Singapore was ook voor onze stewardess een verademing (weinig "glamour" deze reis!) bij het van boord gaan bedankte zij Leo in het bijzonder voor zijn assistentie.
De Noren gingen onmiddellijk op zoek naar de bar van het vliegveld; "zij stikten reeds lang van de dooorst!".

 

 

55. Nassau


Zoals gezegd was de "Nassau" het begin van een nieuwe stijl van varen, om niet te spreken van een cruciale ommekeer. 

Ondanks alle kinderziektes was het varen op deze schepen best aangenaam, want om het predikaat "onbemande machinekamer" te allen tijde waar te maken, moest er behoorlijk hard gewerkt worden en dat schept over het algemeen een goede sfeer.
Alleen het gezamenlijk na de wacht een glaasje bier drinken was voor de stuurlieden een saaie aangelegenheid geworden.
Een aantal oude ingrediënten was nog geheel of gedeeltelijk aanwezig, de bemanningsreductie had nog niet al te hard toegeslagen, alleen was "China", op een fitter, een elektricien (Ting-Tang-Lo) en twee civieledienstmensen na, definitief vervangen door Bantu's.
De Bantu's waren ook wat mondiger dan ik mij herinnerde van de "Lombok", deels had dat te maken met de veranderende politieke situatie in Zuid-Afrika en deels met het andere vaargebied.
De "Nassau" voer immers weer op de "herenlijn", de Asas en daar is voor de gemiddelde stapper meer te beleven dan in de Pege.
Drank was nog altijd het grootste probleem, op zee ging het nog, omdat ze daar slechts het dagelijkse rantsoen van twee geopende flesjes bier per man per dag kregen, maar....binnenliggend!!!.
De tijden dat ze voor twee extra flesjes bier met zijn allen met de kapitein in Kuwait in een bus naar het hospitaal gingen, om daar als donor voor het "Red Crescent" een liter bloed af te staan waren definitief voorbij. (deze kapitein stak overigens de bonus van 100 gulden per donor in zijn eigen zak!).
Nee ook onze Bantu was met zijn goed ontwikkelde gevoel voor humor een stuk vindingrijker en "Outspoken" geworden.
Zo was daar onze bediende Zondo, die volgens mij iedere morgen terwijl hij mijn hut op orde bracht een flinke slok uit mijn "JohnnyWalker" fles nam.
Zelf dronk ik geen whisky maar de fles stond er voor de komende en gaande man, met name voor mijn "baas", een groot liefhebber. Maar zelfs op dagen dat ik geen bezoek had gehad, daalde het peil in de fles en ik besloot een onderzoek in te stellen.
De whiskyfles in mijn koelkastdeur werd vervangen door eenzelfde fles van het overbekende model, echter gevuld met een stuurmachinesmeerolie: "Shell tellus 11", van exact dezelfde kleur en nagenoeg gelijke viscositeit als het originele, in Schotland met veel zorg gestookte vocht.
Die morgen tegen "Yam Chah" kwam ik Zondo in de gang tegen.
"Good morning Zondo!, how are you today?". "Very well sir, however your whisky has got a peculiar taste this morning!”  Zijn Engelse uitspraak en gevoel voor humor waren van een zeer hoog gehalte.
In Japan, maar vooral in Zuid-Amerika waren echter alle remmen los.
In de machinekamer konden we het nog zo organiseren dat het zwaartepunt van de werkzaamheden, vooral aan de hoofdmotor, in Buenos-Aires lag. Maar voor de dekdienst was het een "crime".
Iedere dag maar weer afwachten hoeveel bemanning er beschikbaar zou komen en op welk tijdstip.
Vaak sprongen we vanuit de machinekamer bij voor het openen van ruimen en het stellen van kranen, hopende dat de bodem van de individuele Bantu-schatkist snel in zicht zou zijn.
Vaak ook werden de mannen uit medelijden omdat ze onder het Zuid-Afrikaanse apartheidsjuk gebukt gingen door diverse lokale mensen op hun kosten vol drank gegoten.
Als dank werden deze mensen dan aan het einde van de avond door onze, door de drank verblindde, Bantu's in elkaar getikt.
Dus ook zonder geld de wal opgaan betekende vaak de volgende dag niet aanwezig zijn.

 

 

56. Kojak


Het personage dat we aan boord wel misten ten opzichte van een Chinese bemanning, was de "Tammelo" of scheepstimmerman.  Zijn deelfunctie het dagelijks peilen van ruimen en tanks was overgenomen door een Bantu "deck-storekeeper", die bij een Chinese bemanning de Maleise naam van "Kassab" had.
De kunde van de "Tammelo" werd echter sterk gemist als het ging om het fabriceren van kisten om aangekochte spullen naar Nederland te kunnen verschepen.
In de machinekamer werd regelmatig een niet te tillen, echt wtk-kistje in elkaar getimmerd (waar Leo ongetwijfeld commentaar op zou hebben gehad), maar wat te doen als je gezagvoerder bent?
Onze "ouwe" besloot zelf het timmergereedschap ter hand te nemen
En na vijf dagen ploeteren stond er een houten monster waar de eerste stuurman volgens eigen zeggen, alleen zijn schoonmoeder in durfde te vervoeren.
"Problemen met je schoonmoeder, stuurman?" sprak het gezag en ging verder met: "Ik kan me dat altijd zo moeilijk voorstellen, mijn schoonmoeder is een Engel!".
"Nou.., de mijne leeft nog!", antwoordde de stuurman.
Hij had vervolgens ook de oplossing en stelde voor in Mauritius via het agentschap een timmerman aan boord te bestellen met hout, gereedschap, de hele mikmak.
Aldus geschiedde en deze Indiase "timmertovenaar" produceerde in no-time een pronkstuk wat je zo thuis in je salon kon zetten.
Voor het "gedrocht" van onze gezagvoerder wat ongebruikt op het schoorsteendek bleef staan, vond ik net na vertrek Mauritius een andere bestemming.
Ik liep op het voorschip onze "Aspro" tegen het lijf die me vroeg of ik geen hok had voor zijn kippen die hij, tegen de uitdrukkelijke orders van onze gezagvoerder in, had gekocht op de markt in Mauritius.
Voorlopig had hij ze losgelaten in het kabelgat. Maar door vet, olie en andere daar opgeslagen materialen zagen die kippen er intussen al niet meer toonbaar uit.
Een der kippen had zich, in een verwoedde poging zichzelf schoon te maken, reeds alle staartveren uitgetrokken wat hem de bijnaam "Kojak" had bezorgd.
Spontaan bood ik hem de kist van het schoorsteendek aan waarvan ik intussen, na een gulle geste van onze gezagvoerder, eigenaar was geworden.
Onze aankomende leerling keek nogal bedenkelijk en sputterde lange tijd tegen, het was ten slotte altijd nog een beetje de kist van de kapitein en dan met dat kippenverbod!.
De zielige aanblik van "Kojak" deed hem uiteindelijk overstag gaan en met man en macht werden alle kippen gevangen en onder de trap naar de bak in hun nieuwe onderkomen gezet.
Die zaterdag maakte onze gezagvoerder zijn laatste inspectieronde, een uitgebreide, omdat hij de volgende dag moest overdragen aan zijn opvolger. Zo kwamen wij ook met zijn vieren, in uniform, incl.pet, op de bak. "Hé, heb je mijn kist hier neergezet secund?", vroeg het gezag mij.
Op dat moment dacht "Kojak" blijkbaar dat hij een haan was en gilde iets onverstaanbaars.
"En je schoonmoeder zit er ook al in...hoor ik, stuurman!".
Wat is gevoel voor humor toch een mooi iets!.
De kippen bleken overigens níet te vreten, vooral "Kojak" bleek meer vlieguren te hebben dan menig KLM-toestel en dat wil heel wat zeggen voor een kip.
Onze, weinig geliefde, leerling wtk Karel brak er een tand op wat meteen een oude popsong "Oh Carrol" weer actueel maakte. De iets gewijzigde tekst, werd spontaan verzonnen tijdens dit kippen-met drank-festival; "Oho Karel, raad eens wat ik voehoel", "twee rotte kiezen, achter in je smoel", "Karel there will never be another, With a smoel like youhoe" "ohoo Karel, klap 'm gauw weer toe".
Je moet er maar op komen!.

 

57. Argentina


Buenos Aires is voor mij altijd een stad geweest met een zekere allure, in goede en in slechte tijden (of luchten?).  Blijkbaar vonden onze machinekamer-bantu's dat ook, want die prefereerden de havens van Brazilië boven Buenos Aires.  Veelal terecht, omdat de prijzen er lager lagen en "BA" toch in verhouding met Brazilië (behalve de kroegen in de "Vingte Cinque de Mayo"), meer geciviliseerd en Europees aandoet.
Voor wat betreft de prijzen was het dit keer voor ons Hollanders een buitenkansje.
President Peron en Isabellita keerden terug uit hun Spaanse ballingschap en werden democratisch herkozen.
Dit zorgde om een of andere reden voor een enorme devaluatie van ee Argentijnse peso, waardoor onze dollars ineens het tienvoudige waard waren. Dan kun je als "Jan Kaas op reis" nog eens een deur intrappen. Die week werd er dan ook veel buiten de deur gegeten.
Bekende gelegenheden als "l'Estancia" en "Las Cabanas" waren in dat opzicht reeds jarenlang favoriet bij de meeste RIL-lers.
Onze eerste stuurman die zijn laatste reis maakte, wist echter uit vroeger tijden nog een zaak, "La Cavallito Blanco".  De laatste avond gingen we er naar op zoek omdat het restaurant onder de oudere RIL-mensen bekend stond als: "De Zingende Waiters" en we de stuurman een mooi afscheid wilden bezorgen.
Het scheen dat daar tijdens het verorberen van de bekende "Bife de Lomo" of de "Bife Churizo", de kelners uit volle borst bekende Argentijnse liederen zongen.
Met als sluitstuk en ode aan de betaler van het gelag, een verzoeknummer, door het voltallige kellnerkoor gezongen als aubade aan de betreffende tafel.
We hebben een tijdje gezocht en het restaurant niet gevonden. Navraag leerde dat de zaak een aantal jaren daarvoor had opgehouden te bestaan, maar dat nagenoeg het voltallig bedienend personeel was overgegaan naar een restaurant in de buurt met de veelbelovende naam "Tango Argentina".
Men bleek de gimmick als "Zingende Waiters" te hebben meegenomen.
Omdat de 1e stuurman toch min of meer het feestvarken was, mocht hij aan het eind van zijn Argentijnse galgenmaal een verzoeknummer indienen.
Hij dacht even na en vroeg de verbaasde gerant: "Het scheepje onder Jezus hoede?".
"Que?", zelfs na een ingewikkelde vertaalpoging mijnerzijds was het aan het "koor" niet geheel duidelijk.
Uiteindelijk hebben zij vierstemmig en "a Capello" een prachtig lokaal lied gezongen, een waardig afscheid voor iemand met de staat van dienst van onze stuurman.
Hoe de relatie met zijn schoonmoeder zich na zijn pensionering heeft ontwikkeld is niet bekend.

 

 

58. Weer op de Straat Lombok


Legende
(Nogmaals, de namen zijn verzonnen)
De hwtk op de Straat Lombok werd helaas ziek op de Oost-Afrikaanse kust en werd afgelost door een legendarische KPM-er.
J.C.van Marle was zijn naam en stond vanwege zijn voorletters bekend onder de bijnaam: "Jezus Christus".
Het is met veel mensen zo: je bent geliefd of niet, maar bij JC was de verdeling 50/50, er waren mensen die zijn bloed wel konden drinken en mensen die hem wel waardeerden om zijn excentriek zijn en zijn aparte gevoel voor humor. Ik hoorde tot de laatste groep.
Zoals altijd ging de "mare" hem vooruit en deden de gekste verhalen over hem de ronde.
Onze Scheveningse gezagvoerder Spaans, ook een KPM-er, kende hem zeer goed en zei dat JC volledig geschift was, maar dat hij hem wel mocht.
Hij verhaalde o.a van een collega van mij die regelmatig tijdens zijn werk in de machinekamer werd opgebeld met het verzoek: "Even boven te komen!!".
Als het corpulente slachtoffer zich dan alle trappen had opgehesen, stelde JCc.hem serieus de vraag: "krijg ik nog geld van jou?".  Dat lukt bij de meeste mensen maar een keer!.
Meteen na zijn aan boord komen had JC overigens al een verschil van mening met het gezag, of liever gezegd hij had hem op de kast.
Bij de KPM was het de gewoonte geweest, dat gezagvoerder en hwtk eerste klasse vlogen.
Bij de fusie met de RIL was deze regeling uit kostenoogpunt gestopt en vloog iedereen "Eonomy"-class.
JC beweerde echter dat hij ook dit keer weer eerste klasse had gevlogen en maakte het gezag jaloers door hem het eerste klasmenu van zijn vlucht naar Nairobi te laten zien.
Leentje zou meteen gaan uitzoeken waarom ze hem wel steeds in die "vliegende achterbuurt" rond de wereld stuurden.
De truc van JC was heel eenvoudig. Hij had zijn postuur mee, een rijzige gestalte, had een goed gesoigneerde witte haardos en sprak bekakt Haags als het hem zo uitkwam.
Zodra hij het vliegtuig binnenkwam, stelde hij aan de linker stewardess de vraag: "ik vlieg samen met dhr. Luns, is hij al aan boord?".  Negen van de tien keer ging hij dan meteen linksaf, door de lichtelijk opgewonden jongedame naar zijn comfortabele plaats gebracht, zonder dat ook maar iemand naar zijn instapkaart wenste te vragen. Uiteraard hield hij deze truc voor zich en werkte het alleen bij de KLM
Ik moest even aan hem wennen.
De eerste dag, binnenliggend in Mombasa, kwam ik voorbij ruim 3 en daar trof ik hem aan bovenop het winchplatform, hoog boven het ruim.
Hij hield in wit uniform, vol goud en daarboven zijn witte haardos druk met zijn armen zwaaiend, een vlammende toespraak tot de in het ruim aanwezige, zwetende, Keniaanse havenarbeiders.
Hij drukte hen op het hart toch vooral hard te werken en te bouwen aan de toekomst van Kenia.
Voorts goed te zorgen voor familie, hun moeders en kinderen.
Tijdens zijn redevoering smeet hij af en toe een paar sinaasappels in het ruim.
Deze waren overigens in overvloed door de vorige Hwtk in de slaaphut achter gelaten, die had wel wat beters te doen dan sinaasappels eten!.
Qua hard werken aan de toekomst van Kenia had dit echter het averechtse effect.
Ook Gerrit, de eerste stuurman, onderkende dit en onderbrak het schouwspel door de Kenianen weer aan het werk te foeteren en de assistent van Luns te verzoeken zijn redevoering te beëindigen.
Ook met koninginnedag wilde hij als gedreven spreker de tafelrede uitspreken en diende daartoe bij kapitein Spaans een verzoek in.  Die kende hem al wat langer en ging morrend accoord.
Vanwege de band met Indonesië (zijn geliefde Indië) en de aanwezigheid van onze vijf Indonesische onderofficieren bij deze barbecue was een deel van zijn redevoering in wat "roestig" Passar-Maleis.
"Ini Hari, Jang Hari, dan groot belang!", begon hij.
"Ini hari, Perjaardag dan Koningin Belandah."
"Ini Hari, tidah mau tjakap godperdommeh"
"Hidup dan koningin!..hiep,hiep,hiep,hoera!"(bis)
En ze begrepen het!.

 

 

59. Mentor


Het grote voordeel van de komst van JC voor mij was echter dat hij meteen mijn taak als mentor van Joop weer overnam.
JC had in de oorlog gevaren en had daardoor in die jaren niet naar school gekund hetgeen na de oorlog werd gecompenseerd en JC met een aantal collega's uiteindelijk was aangesteld tot hwtk, zonder In het bezit te zijn van het daarvoor vereiste diploma "C".
Ook om mentor te mogen zijn moest er een diploma "C" aan boord zijn, dus weer dispensatie voor JC!.
Joop was een goeie vent, die met een "VD" diploma aan boord was gekomen en al enige tijd had gewerkt.
Hij had in een kachelfabriek deurtjes aan haarden gezet en dit gold als werktijd.
Vlak voor Singapore kwam er een telegram aan boord waarin, in de bekende telegramstijl melding werd gemaakt van de plaatsing van een drietal ll-wtk's, er stonden tenminste drie namen in het bericht; Slooten, Berkelmans en Plat.
JC kankerde wel dat met Joop erbij (die werd overigens benoemd tot dienstdoend 5e wtk, vanwege de kachels!), het mentorschap wel een erg uitgebreide opgave ging worden.
Maar hij kweet zich in het bijzonder van deze taakuitbreiding.
Nog voor aankomst Singapore had hij alles voor elkaar.
Onder zijn persoonlijke en bezielende leiding, werden drie hutten Tiptop in orde gemaakt.
Hij had drie mappen met paperassen samengesteld over hoe zich te gedragen aan boord in de tropen met het andere geslacht etc.
Dit alles opgediept uit zijn eigen archief en ervaring, in drievoud opgemaakt, hetgeen in het précomputertijdperk voorwaar geen sinecure was.
Kortom niets was aan het toeval overgelaten.
Toch iets uit zijn gewone doen ijsbeerde hij van de dienstgang naar de gangway, in afwachting van het redebootje "Margriet" wat de driekoppige versterking aan boord zou afleveren.
Op het grote moment klommen er slechts twee jongetjes, voorzien van koffers, tegen de gangway omhoog.
Dit was de eerste en enige keer dat ik JC iets van zijn stuk en uit het lood geslagen zag.
Maar hij hervond zich snel en vroeg: "Wie is Slooten?".
"Ik ",zei de blonde.
"En wie is Berkelmans?".
"Dat ben ik!", zei de Indische jongen.
"En waar is Plat?". "Dat ben ik ook meneer!", antwoordde de donkerharige opnieuw.
Wel Verd.... sprak JC, ik had het wel kunnen weten toen ik je de gangway op zag komen, jongetjes met "Klap van molen" hebben vaak een dubbele naam, ondertussen demonstratief de derde voorlichtingsmap aan stukken scheurend.
In een van de eerste bargesprekken gaven de jongemannen aan wel eens een echte storm op zee te willen meemaken.
JC keerde bedroefd zijn ogen te hemel en vroeg waar hij dit aan verdiend had. "We hebben twee jonassen aan boord!", zuchtte hij.
Op weg naar Hongkong kregen we een stuk van de staart van een "typhoon" (Tai Phung=Kantonnees voor: Grote Wind!), te verwerken.
Ik heb zelden zulk slecht weer meegemaakt, de kleine "Lombok" werd een speelbal van de zee en met meer geluk dan wijsheid wisten we drie dagen lang "Het Machien" aan de praat te houden.
De leerlingen zagen groen van ellende.  Met "pikheet", om twaalf uur met de lunch en 's middags met "yam- chah", strompelden ze de trappen op en zegen uitgeput in hun vuile overalls neer op hun bank in de hut.
Als we weer naar beneden gingen, haalde JC ze uit hun vuil en dirigeerde ze weer naar de machinekamer, waar ze wild om zich heen kotsend de lange uren in droeve ledigheid doorbrachten.
In Hongkong moeten ze naar een vliegticket, enkele reis Schiphol hebben verlangd, vooral toen JC opmerkte: "Zo, dit was windkracht zeven, het schijnt dat we op weg naar Sjanghai pas echt storm gaan krijgen, ongeveer windkracht elf!"

 

 

60. Verhalen


Zo viel er met de "Grijze Wijze Baas" altijd wel iets te beleven.
De avonden aan de bar van de "Lombok" werden vaak doorgebracht met bridge.
Ongelofelijk, maar op dit schip verstonden 16 mensen de spelregels van deze edele sport onder de kaartspelen.
Binnenliggend werd er eens een toernooi georganiseerd, waarbij tegelijkertijd op vier tafels werd gespeeld.
Het hoeft geen betoog, dat JC hiervan de grote motivator en animator was.
Na afloop van het "bridgen" werd er altijd nog nagekaart onder het genot van een pilsje en vaak begeleid door een aantal sterke verhalen uit de oude doos met om beurten JC of het gezag als aangever, hier volgen er een paar:
De punctualiteit van de vooroorlogse KPM-lijndiensten is legendarisch.
Zo was er eens een collega, die al twee jaar op hetzelfde schip voer.
Op zekere dag stapte hij naar zijn gezagvoerder met de mededeling dat hij overplaatsing wilde.
De gezagvoerder viste naar de reden, het was toch een mooi schip, goede sfeer, mooie lijndienst en de collega had het toch ook goed naar de zin?.
Uiteindelijk kon de persoon in kwestie niet om de reden heen.
Hij woonde in Batavia met echtgenote en wilde graag gezinsuitbreiding.
"Oh als dat het probleem is, dan ga ik wel even langs!", sprak het gezag joviaal.
"Nee stil nou even!" ging het slachtoffer verder, "deze lijn is ongeschikt,..van vertrek tot aankomst Batavia precies 23 dagen, dan vijf dagen binnen en dan weer 23 dagen weg.
"Prachtig toch"!! sprak de bijna grootvader.
"Ja maar, eh...iedere keer als we weer terug zijn in Batavia, is mijn vrouw......eh....en ik weet wel, een goede zeeman vaart ook door de rode zee", stotterde de collega, "maar als je gezinsuitbreiding wilt!".
"En dat vertel je me nu pas, na twee jaar!, nu begrijp ik ook meteen waarom ze dit lijn-28 noemen!", sprak de kapitein, terwijl hij achter zijn schrijfmachine plaatsnam.
Ook legendarisch is de minder goede beheersing van de engelse taal door de meeste oudere KPM-ers.
Taal is meestal een kwestie van veel spreken.
Men kwam zelden buiten Indie en sprak derhalve hele dagen Maleis, maar Engels zelden of nooit.
Dit verhaal gaat over een gezagvoerder die door het klimmen der jaren op zeker moment geschikt werd geacht voor passagiersvaart en van de vrachtschepen werd overgeplaatst naar de "Plancius", om daar het laatste jaar voor zijn pensioen vol te varen.
Hij vertelde daar over tijdens een samenzijn met Engelstalige passagiers.
Een der dames maakte hem het compliment dat hij er nog zo goed uitzag, zo slank ook nog, helemaal niet als iemand die vlak voor zijn pensioen stond, daarbij keek zij schuin naar haar opgezwollen Australische echtgenoot.
De gezagvoerder antwoordde met zijn vertaling van het Nederlandse gezegde: "En goede haan is niet vet" en sprak: "a good cock is never fat!" (het Frans-Engelse woordenboek zegt: cocque=rooster)
Toen de stemming weer wat was hersteld vroeg men hem wat hij ging doen na zijn pensionering?
Zijn oprechte antwoord luidde: "I am going back to Holland, 'spit' in my garden and 'Fok' horses"
Een andere Engelstalige toehoorder werd het allemaal te veel.
"Pardon!??" sprak de "Pommey".
"Jaha.., Paarden!", zei het gezag.
De opmerking dat zijn lievelingsdrankje het jonge jenevermerk  "Wijnant Fockinck" was ging verloren in de hilariteit.  Wat ook ter sprake kwam, was de gewoonte van Engelstaligen een grote hoeveelheid titels en andere afkortingen te vermelden op visitekaartjes.
Een beetje Engelse werktuigkundige heeft er bijv. opstaan "b.e.", of "m.e.", vaak gevolgd door: "f.m.i.mar.e.", wat het ook allemaal moge betekenen.
JC had in dezelfde trant op zijn kaartje staan: "mb2/mb1/ma Bm en slg.", de eerste vier afkortingen, daar kwamen de meesten nog wel uit, zijnde de diverse wtk-diploma's, met het "slg", had men meer moeite.
Zijn antwoord was simpel: "slg,..staat voor sloepsgast!".
Veel oudere KPM-ers waren getrouwd met lokale meisjes, waarop je volgens JC alleen al verliefd zou worden, vanwege hun uitspraak van het Nederlands.
Door woorden van een zin in een andere volgorde te zetten, zorgen de Indische Nederlanders wel eens voor wat hilariteit.  Zo was er volgens JC de Indische vrouw van een 2e stuurman geweest, die had willen aangeven, dat haar man zijn wacht aan dek er bijna op zat, ze zei: "Mijn man, hij komt over een half uur klaar aan dek!".

 

 

61. Tropen Adel


Een volgend "Bar"-verhaal ging eveneens over een gezagvoerder,  maar had een iets andere strekking.
Dit keer betrof het een gezagvoerder uit het hoge noorden, met de bijnaam "Rooie" Terpstra.
Deze had zich zijn hele leven verzet tegen het varen op passagiersschepen en besloot, toen hij zijn laatste reizen op de "Ophir" moest maken, te gaan provoceren om zo de directie te bewegen hem weer op een gewoon vrachtschip te plaatsen. Hij zocht voor zijn provocatie eerst een slachtoffer uit. 
Een van de passagiers die deze reis het geluk had aan zijn tafel, de "Captains table", de maaltijden te mogen nuttigen was een "Assistent-Resident" van het koloniale bestuur.
Een hoge Nederlandse ambtenaar met tropen "adel"-allures, van het niveau; "Commissaris der Koningin".
Onze Groninger begon met deze VIP volkomen te negeren.
Dat gaf aan tafel wel eens spanning en meestal een sfeer om te snijden, zelfs na de uitgebreide Middagborrel.  Zo ook die zaterdag tijdens de speciale erwtensoeplunch.
Terwijl Terpstra stoïcijns zijn rookworst naar binnen werkte, trachtte de assistent-resident hem bij het tafelgesprek te betrekken
Dat scheen te lukken, want de "Rooie" richtte zich op boven zijn bord en zei: "Meneer de resident lijkt me wel een man met humor!".  "Ja natuurlijk, hmf..hmf..kerel, heb ik gevoel voor humor!".
"Nou", zei Terpstra," dan moet u voor de grap eens de linker broekzak van uw uniform volschijten!".
Die opmerking bleef lang hangen, tot ver in de zaterdagse pannenkoeken.
Langzaam kwam, met veel tact, het tafelgesprek weer op gang.
Opnieuw richtte het rode hoofd zich op en zei tot de hoge ambtenaar: "Ik ben blij dat meneer de resident, mijn als grap bedoelde opmerking zo sportief heeft opgevat en inderdaad over een goed gevoel voor humor blijkt te beschikken!".
Wat aarzelend klonk het antwoord:"Maar eh...natuurlijk hmf..hmf eh...beste kerel, dat.. Eh spreekt vanzelf".
"DAn zou ik als ik u was, de rechter broekzak ook maar voldoen", zei Terpstra, terwijl hij van tafel opstond. Dit nu mocht hij op het KPM-hoofdkantoor aan het Koningsplein in Batavia (Jakarta) komen uitleggen. Hij diende op het matje te komen bij een directeur met de mooie naam dhr.Evereijn.
De bijnaam was overigens het "Everzwijn van het Koningsplein", dus dat beloofde niet veel goeds.
Hij meldde zich bij de "Chef nautische dienst" die hem bij de deur van de directiekamer op het matje afleverde, hem een zet gaf en hij vervolgens zo glijdend over 2000 m2 parket, voor het bureau van dhr. Evereijn tot stilstand kwam.
Hij hoefde niet te gaan zitten en kreeg ze vervolgens staande uitgemeten, "viertjes,vijfjes,..niet te kort!".
Toen de hoogste baas was uitgeraasd en vlak voordat hij de elfstedentocht naar de deur weer ondernam, sprak Terpstra: "Ik ben toch blij dat ook u, heer Evereijn, over een gezonde dosis humor blijkt te beschikken!". "Opged.... Eruit!..en denk maar niet dat je overgeplaatst wordt!"


62. De "Ophir", Vliegende Hollander


De volgende gezagvoerder maakte het ook bont.
Hij werd compleet met schip en al uitgeleend aan de RIL, toen nog KJCPL en kwam zo voor het eerst van zijn leven in Zuid-Afrika.
Een hele onderneming, als je je hele carrière hebt kunnen navigeren op boomtoppen, eilandjes, vulkanen, riviermondingen etc.
Durban beviel hem best, waarschijnlijk ontmoette hij daar een voorgangster van Maaike "Rent a car"!.
Via East Londen en Port Elisabeth raakte hij steeds meer overtuigd van de charmes van Zuid-Afrika.
Helaas voor hem lag hij op zondag in Kaapstad binnen en dan is er per definitie in het "Nederduits-Gereformeerde" land weinig te beleven.  Wat verloren liep hij over het schip tot hij op de kade een blanke dame ontwaarde, van een aantrekkelijke leeftijd.
Hij liet er geen gras over groeien en binnen 10 minuten zat ze bij hem in de hut aan de koffie. Daarna volgde een, inderhaast door zijn bediende aangerukt hapje en een drankje.
Voortdurend was hij aan het woord en verhaalde over zijn reizen, om toch maar vooral indruk op haar te maken.  Op haar vraag, of hij op zee wel eens iets heel bijzonders had meegemaakt, reageerde hij met:.."Ja, toevallig gisterenavond voor aankomst nog!".
Gelukkig voor de KPM-er ging het gesprek in het Nederlands-Afrikaans, zodat hij op zijn praatstoel zittend, zijn verhaal goed kwijt kon.
"Gisterenavond in de schemering hebben wij de 'Vliegende Hollander' gezien, met 'Kapitein van der Deken' uit Terneuzen aan het roer!", sprak hij fluisterend, de spanning opvoerend.
Het viel hem nu op dat de jongedame in steno af en toe wat aantekeningen maakte, maar wie besteed daar verder aandacht aan, als je op de versiertoer bent!?.  Hoe zijn veroveringspoging verder is afgelopen, verteld de sage niet.  Wel werd onze "Don Juan" de volgende morgen gepord door een ietwat nerveuze Kaapstad-agent.  Deze had een exemplaar bij zich van het dagblad "The Cape Argus".
Waarschijnlijk was het komkommertijd in Zuid-Afrika, want op de voorpagina prijkte de kop: "Captain Dutch ship, eye to eye with Flying Dutchman near Capetown" met daaronder woordelijk zijn verhaal vertaald in het Engels.
De communicatie was nog niet zo snel in die tijd, maar toch lag er bij terugkeer in het verre oosten al een exemplaar van de "Cape Argus" op het bureau van "het Everzwijn van het Koningsplein".
Terug naar een klein schip in de archipel,luidde het oordeel!.
De volgende gezagvoerder dacht economisch!
Zijn schip had een storing aan het hoofdmachien en kon slechts met verminderd vermogen varen.
Om toch wat meer snelheid te maken had hij alle laadbomen buitenboord laten draaien, ieder voorzien van een reserve tarpaulin (van zeildoek) van de presennings van de luiken.
Aldus voor de wind redelijk zeilend, kwam hij voorbij het kantoor te Singapore, waar men altijd met verrekijkers de scheepsbewegingen volgde.
Ook dit mocht hij komen uitleggen op het koningsplein.

 

 

63. Zuurpruim


Ook minder vrolijke mensen kwamen een enkele keer voor bij de RIL en dan bedoel ik niet de mensen van het type "Norse Leo", maar echte zure mensen zoals de aflosser van Leentje Spaans, een gezagvoerder Kramer genaamd.  Alles aan deze man was zuur, hij lachte nooit, zeker niet om de grappen van JC.
Ook het nakaarten aan de bar werd daardoor wat minder gezellig, omdat de "Grijze Wijze Baas" zijn klankbord en sparringpartner kwijt was.
Steeds vaker dronken we met een paar man een pilsje in de hut van ons hoofdwerktuig JC.
Kapitein Kramer had ook de nare gewoonte om aan zijn administratieve taken te beginnen als alle anderen waren afgenokt.
Overdag bracht hij zijn tijd door met lezen in de zon, om dan 's avonds drie, vier keer bij JC langs te komen met intelligente vragen over bijv. "Gissen buitenboord".
Wij hoorden hem dan reeds van verre aankomen, want hij was niet alleen zuur, maar ook langzaam en volgens JC te lui om zijn poten goed op te tillen : slof..slof..slof..., klonk het dan in de dwarsgang.
"We zullen hem dit eens afleren", sprak JC toen we hem, gezeten in JC zijn hut, voor de .....tigste keer hoorden aankomen.
"Jongelui...ik ben er niet!", ging hij verder terwijl hij zich verstopte achter het naast de ingang van zijn hut, gedrapeerde gordijn. Slof...slof.. stopte het, met vervolgens de lijzige stem van de gezagvoerder: "Eh...iis de haweteka er nieiet..?". Op dat moment gooide JC het gordijn vol open stapte in de deuropening met zijn witte haar door de war en riep: "Woehoeoe!!!!".
Gelukkig bleek Kramer over een sterk hart te beschikken, er waren overigens ook berichten dat hij helemaal geen hart zou hebben, anders had het fataal voor hem kunnen aflopen.
Het resultaat was wel,dat we hem ‘s avonds zelden meer zagen.
Terug in Oost Afrika gingen JC en ik samen met verlof.
Helaas voor hem vlogen we met "Alitalia", dus zijn "Luns truc" ging dit keer niet op.
Op schiphol namen we afscheid en ik heb hem nooit meer gezien. Voor mij wachtte de school weer.
De brief waarin hij als "B-baas", op 56-jarige leeftijd ook studieverlof had aangevraagd voor volledig diploma-"C" bleef overigens onbeantwoord door personeelszaken!.

 

 

64. Maritiem instituut de Ruijter


De school had intussen een naamswijziging ondergaan.
In het kader van de herstructurering van het hoger onderwijs en de bijbehorende salarisaanpassing van de leerkrachten, was de oude vertrouwde zeevaartschool een "HBO" opleiding geworden.
Voor ons als "bevarenen" hield dat nog niet zoveel in, alleen was als facultatief vak "Hogere wiskunde" ingevoerd.
We waren er toch voor "C-1", een theoretisch diploma, dus dat kon er nog wel bij. (alhoewel "lagere wiskunde" voor mij al hoog genoeg was!).
"C-1" was voor veel collega's een struikelblok en ook voor ons, we reden met zijn vieren van uit Zuid-Beveland op en neer naar Vlissingen, hebben er allemaal 7-8 maanden over gedaan.
Die pendeldienst van 8 maanden had zijn charmes. Één van de collega's was mijn "Haagse maat", Gerard.
We reden om beurten kostenbesparend met een auto daardoor konden de niet chauffeurs, ‘s morgens op weg naar Vlissingen wat langer slapen.
Tijdens een van deze trips zat Gerard blijkbaar bijna zonder benzine en terwijl de rest doorsliep, stopte hij bij het "Shell"-station van Lewedorp. Het was winter en zijn ruitensproeier was niet in orde, dus vroeg hij de pompbediende er gelijk even naar te kijken.  Met drie "snurkers" in de auto in de winter zonder ventilatie, beslaan de ruiten onmiddellijk, zodat Gerard niet kon zien wat onze "prezelf-tank" medewerker uitspookte.
Plotseling klonk een oorverdovende knal, die ons in paniek de auto deed verlaten.
Het technisch "pomp" vernuft bleek geprobeerd te hebben met werklucht de ruitensproeier door te blazen en had daarbij het vloeistofreservoir onder de motorkap uit elkaar doen spatten.
Een collega zat nog in de auto en was door de knal heengeslapen, maar die voer bij "Shell" en had net de ontploffing op de tanker "Metula" meegemaakt, dan bouw je blijkbaar resistentie op!.
De meeste collega's waren intussen getrouwd en hadden kinderen, toch waren er nog een aantal verstokte vrijgezellen. Zoals het onafscheidelijke koppel Wanning en van de Poel.
Die deden al vanaf de eerste cursusdag, midden '63, alles samen. Zelfs hun eerste term bij de RIL hadden ze twee jaar met zijn tweeën op één en hetzelfde schip doorgebracht.
Vanwege uiterlijke verschillen waren hun bijnamen Tom & Jerry.
Tijdens de studie voor dit diploma manifesteerden ze zich voornamelijk door iedere avond in de Vlissingse binnenstad rond te hangen in de gezellige kroegen o.a.de concurrent, Atlanta(zaal!)
En in nog wat, nu niet meer bestaande, gelegenheden.
Zij verplaatsten zich per rijwiel, om te voorkomen dat rijbewijzen in het geding zouden komen.
Op één van hun barre terugtochten, met Jerry achterop en Tom op de pedalen, werden zij aangehouden door een overijverige nachtelijke politiesurveillant.
"De heren hebben gedronken", zo begon hij en: "verstandig de auto thuis laten staan, zie ik!", "jaah…!" beaamden T & J in koor.  "Maar ook per fiets deelnemen aan het verkeer is een overtreding die het rijbewijs kan kosten", vervolgde de agent. "Dus u mag uitsluitend te voet verder!".
"Oh dan lopen we die laatste drie kilometer naar de Irislaan wel even", zei het "T & J dronkezakke koor" in koor.  "Ja..ja..", ging de politiepsycholoog verder.
En voordat T & J in de gaten hadden wat er gebeurde, draaide "Oom agent" de beide ventiels uit de banden van hun vervoermiddel en verdween met zijn collega per dienstauto in de donkere nacht.
Weinig keus dus voor T & J, dan maar te gaan lopen.
Vlak voor hun flat ontwaarden zij een half uurtje later de achterlichten van de politieauto en kregen zij hun rechtmatige eigendommen weer terug.  Blijkbaar kende de wijkagent T & J beter dan andersom.
Ook het huizenbezit onder de getrouwde collega's begon toe te nemen.
Een van hen, Willem Koppert, verbouwde ook meteen zelf en bleef regelmatig enkele dagen van school weg als hij weer een klus onder handen had, die aaneensluitend geklaard diende te worden.
Na een van die afwezigheidperiodes meldde hij trots, dat de c.v. nu ook was aangesloten.
De eerste les was nauwelijks begonnen of de toenmalige, zeer markante concierge dhr.Dulk, kwam melden dat Willem zijn vrouw aan de telefoon was.
Toen hij terugkomend in het leslokaal, zijn boeken dichtsloeg en zijn tas begon in te pakken, zijn buurman: "Lekkage??".  De blik in de ogen van Willem sprak boekdelen.

 

 

65. Napier


Het eerste wat me van de "Straat Napier" te binnen schiet, is het geborduurde wapen van de stad Napier in Nieuw Zeeland.  Het hing in de salon en was vervaardigt en geschonken door Mevr.v/d Ven, de echtgenote van een collega, woonachtig en afkomstig uit die mooie plaats.
Vervolgens dat het schip een zusje was van de "Nassau" en dus was uitgerust met een "onbemande" machinekamer.  We kwamen gevieren, net voor de dokking, in Yokohama aan boord.
De nieuwe hwtk, "Pikkie" van Doorn, vloog in uit Australië.
De nieuwe marconist Rob, een eersteklasser, dus ook "hoge druk" kwam per trein vanuit Kobe, waar hij woonde.  Dikke Willem, de nieuwe eerste stuurman en oude bekende van de "Boissevain" en ikzelf kwamen ‘s morgens vers uit Nederland.
Dikke Willem en Pikkie hadden ook al eerder met elkaar gevaren, maar de rest was nieuw en moest aan elkaar wennen.  Dat ging echter snel.
De gezagvoerder Wienese was iemand van het ietwat nerveuze type, vooral als er bijzondere dingen te gebeuren stonden.
Nu is het binnenvaren van een dok en het "dokken" zo’n bijzondere gebeurtenis, derhalve was hij misschien daardoor een beetje uit zijn gewone doen.
Tijdens die eerste lunch keek hij aandachtig naar Willem en zei plotseling, zonder enige aanleiding: "Stuurman, wat heb jij een vreemde kop!".
Nu leek Willem een beetje op Toon Hermans met dezelfde olijke oogjes, maar ja, zo: "Out of the blue"!???.
Willem werd er echter niet koud of warm van, hij keek de gezagvoerder guitig aan en zei: "Dat kan wel zijn kapitein maar ik had een oom, die had net zo'n gezicht als u,...alleen die zat er op!".
Pikkie had net een aardappel in zijn mond, die kwam er meteen weer uit en stuiterde vervolgens sierlijk bij Rob in zijn schoot.
Bulderend gelach volgde, brak meteen het ijs en werd zo het begin van een van de gezelligste reizen uit mijn loopbaan.
Pikkie noemde Willem vanaf de eerste dag trouwens: "Sleutel"-Willem, inplaats van "Dikke"-willem, zoals ik hem kende. Dat bleek zijn oorzaak te hebben in een voorval dat had plaatsgevonden tijdens de vorige reis die ze samen hadden gemaakt op een"A"-schip.
Die reis werden er als lading een honderdtal nieuwe auto's aan boord gehesen, het toezicht werd door Willem hoogstpersoonlijk gedaan.  IJverig als altijd stekkerde Willem ruim in en ruim uit.
Iedere keer als er weer een auto op zijn plaats stond, haalde hij de set sleutels eraf, draaide het portier op slot en stak de bos voorzien van labels met het chassis-/motornummer in zijn zak.
Als zijn broekzakken vol waren liep hij naar zijn slaaphut en deponeerde de sleutelbossen daar, in een speciaal voor dit doel bij de "hofjood" opgehaalde nieuwe grijze plastic prullenbak om toch vooral te voorkomen dat er sleutels zouden verdwijnen of kwijtraken.
Maar ook Bantu bedienden kunnen wel eens overijverig zijn, de eerste morgen op zee moet deze man ongetwijfeld gedacht hebben; "The chief-mate produced a hell of a lot rubbish today!" en gooide de inhoud van de prullenbak "over the side",...tam soi!.
Het heeft Willem een hoop werk, uitleg en een nieuwe bijnaam bezorgd.


 

66. De Straat Napier( Dirk van Lopik ), Oversteek


De dokking en de aansluitende kustreis verliepen voorspoedig, er bleven alleen nog wat restwerkzaamheden over, die bij de RIL onder de noemer "eigen werk" bekend stonden.
In dit geval ging het om een honderdtal luikmotoren met een te lage isolatieweerstand die allemaal aan een opknapbeurt toe waren.  Nauwe samenwerking met Willem was derhalve erg belangrijk, hij moest ten slotte pogen er voortdurend een aantal vrijgestuwd te houden zodat we er bij konden om er aan te kunnen werken.
Gelukkig had Willem veel gevoel voor techniek, zodat we samen een soort "vroege voorlopers" waren van "geïntegreerd varen".
Daar ik een vroege vogel ben en Willem noodgedwongen vanwege zijn 4-8 wacht dat ook moest zijn, zagen we elkaar ‘s morgens op de oversteek naar Zuid-Afrika rond een uur of zes.
We lulden wat over het werk, dronken koffie en gingen vervolgens over op "ouwehoeren".
Wienese, de gezagvoerder, was meestal ook vroeg uit de veren, volgens Willem omdat hij een "bedplasser" was.  Hij vond onze morgengesprekken blijkbaar interessant, want hij kwam steeds vroeger op de brug.
Dit was nu niet direct onze bedoeling en Willem had zo zijn eigen methode om dat aan iemand duidelijk te maken.
Ik kwam die morgen weer om zes uur de brug op, buiten was het van dat druilerige weer.
Even later kwam Wienese binnen: "Goede morgen stuurman, goede morgen secund", "niet veel weer vandaag,...weinig horizon!".  "Heb je nog een bestek?" ging hij verder.
"Ja tegen vijven was het even redelijk helder, dus ik heb nog wat kunnen schieten" was het antwoord van Willem.  

"En klopte het een beetje?" vroeg het gezag.  "Jaah..,alles door een punt..!" ging Willem verder.
"Oh dat is mooi stuurman,...hoeveel had je er....?   "Twee!" klonk het droog vanachter de radar.
Wienese keek of zijn "jongeheer" in brand stond en ik zag hem denken: "hij heeft niet alleen een rare kop, maar het is ook een rare vent!".
Een andere vogel die wel eens "acte de presence" gaf op dit vroege uur was Pikkie, ons hoofdwerktuig.
Hij kwam echter onregelmatig, dit had alles te maken met "the night before".
Van hem had je geen last, hij zei geen woord en zat op een kruk in een hoekje van het stuurhuis, de kop tussen de schouders en de handen diep in de zakken van zijn overall.
Willem noemde dit: "Pikkie zit met zijn handen in het haar".
Pikkie zelf noemde het "Suffering"!. Pikkie had (ondanks dit alles) wel een regelmatige stoelgang.
Om zeven uur scherp ging hij naar zijn hut.  Per toeval had ik ontdekt,..naar zijn toilet.
Onze slaaphutten en toiletten grensden aan elkaar en zo'n enkel stalen schot in het toilet is nogal gehorig, vandaar. Twee weken lang verliet ik kort na hem ook de brug.
Ik stelde me zodra ik Pikkie de bril hoorde verlaten met de "flushknop" in de hand op naast mijn toiletpot en flushte op het moment dat Pikkie ook doortrok.
Na twee weken volhouden zei hij: "Dat is toch wel sterk ook he, dat jij iedere morgen precies op hetzelfde moment......, hoe is het toch mogelijk!???".


67. Kouwe grond


Door onze vroege ochtendgesprekken leerde ik Willem nog wat beter kennen dan op de "Boissevain".
Zo wist ik voordien bijvoorbeeld niet dat hij een "kouwegronder" was.
Dit hield in dat iemand al "voor de mast" had gevaren. Vaartijd werd dan behaald door ergens als matroos te varen en daarna werd pas de zeevaartschool bezocht, om direct de derde Rang te behalen. (een latere variant waren de zgn."aspro's").
Over het algemeen waren deze mensen wat meer praktisch ingesteld en dit gold zeker ook voor Willem.
Willem had ruim een jaar als lichtmatroos gevaren op het ms. "Jan", een kustvaarder en kon daar smakelijk over vertellen.
In het begin van de jaren vijftig en ook daarna was het nog niet echt pluis boven de waddeneilanden.
Bepaalde stukken waren "geveegd" en ontdaan van Duitse mijnen door een ijverige mijnen-opruimdienst van de Koninklijke Marine. Deze geveegde stukken waren in de betreffende zeekaarten te zien als veilige routes en doorgangen.
De kapitein van het ms. "Jan" vond sommige van deze doorgangen nogal ver omvaren.
Bovendien kende hij, als geboren Terschellinger, het gebied als zijn broekzak en sneed derhalve, om tijd en brandstof te besparen, wel eens een stukkie af.
Zo ook op een vroege zomermorgen met Willem half dagdromend als roerganger.
Hij werd hardhandig wakker geschud door een enorme explosie, stuurboord naast de opbouw.
Het scheepje werd door een grote waterzuil uit de zee omhoog getild en viel, krakend in al zijn voegen, weer terug in het water.
Voor Willem had dit als resultaat dat hij met stuurkolom en al, het stuurwiel nog in de hand, tegen het onderdeks werd gekwakt.
Toen hij weer bij de tijd kwam zaten ze in de roeiboot en waren zo'n vijftig meter van de "Jan" verwijderd.
Op dat moment kwam het zwart besmeurde gezicht van de kok boven het potdeksel uitdie riep: "He, waar gaan jullie naar toe…?, mijn kachel is alleen maar ontploft!!!".
Ze hebben toch maar rechtsomkeert gemaakt en de kok van boord gehaald.
Later onderzoek aan de wal bracht voor Willem een hersenschudding, een forse hoofdwond, twee blauwe ogen en twee gekneusde heupen aan het licht.
"Het had erger gekund" zei hij, "Er zijn uit de oorlog ook dergelijke gevallen bekend met twee heupen uit de kom waardoor iemand ineens een halve meter korter wordt".  Dit laatste heb ik nooit geverifieerd bij onze scheepsmedici!
In Durban kwamen Willem zijn kisten aan boord, ze hadden sinds zijn vorige boot daar opgeslagen gestaan.
De hele oversteek was hij bezig geweest over zijn kisten, wat daar....allemaal niet in zat!.
Hij maakte zich echter zorgen over zijn vogeltje, een groene parkiet.
Gerda, de goedlachse vrouw van de derde wtk uit het oosten des lands, wist niet goed wat ze er van moest denken.  "Als t'ie nou nog maar leeft!" herhaalde Willem steeds.
"Ik had water en eten in het kooitje gedaan voor drie maanden!"
"Maar ja..., nu met deze lange oversteek er bij kon het wel eens iets te weinig zijn geweest!!??".
Toen Willem de eerste avond, binnenliggend in Durban zijn kisten ging openschroeven bleef Gerda toch in de buurt en keek om een hoekje toe, hoe Willem een,uiteraard leeg vogelkooitje uit de kist haalde.
Toen hij daarbij nog uitriep, "Oooch...hij is dood...!, kon ze zich niet langer inhouden.
Ze rende hard weg, uitroepend: "Ach...jij gemiene diernbeul!....


68. Walnoten


In Zuid-Afrika ging Wienese met verlof en werd afgelost door een in Zuid-Afrika woonachtige gezagvoerder, met de prachtige bijnaam "Orkaan Freddie".
Trouwens, gevraagd naar de reden van deze bijnaam gaf Freddie desgewenst een ruwweg tiental verschillende verklaringen af.  Het was afhankelijk van wie de vraag stelde.
Ik kon het vanaf het begin meteen goed vinden met Freddie.
Hij sprak altijd geïmiteerd "Bekakt" en noemde mij dus: "Waerde collegae".
Dit had zijn oorzaak in het feit dat we veelal een eensluidende mening hadden, wanneer het edele gezelschap aan de bar een onderwerp aansneed en de wereld verbeterde.
Bij twijfel trokken wij ons overigens terug op de gang of in het toilet overlegden even en keerden terug naar de discussie.
Freddie opende dan altijd met de woorden: "Mijn waerde collegae Dirk en ikzelf,.....zijn van mening,..."
Ook binnen de rest van de "hoge druk" en door de "lage druk" werd de komst van Freddie als positief ervaren. Hij had echter ook een nadeel.
Normaal dronk Freddie niet of nauwelijks, alleen...als...hij op het oorlogspad ging, dan ging hij ook goed door...op dat pad!  Hij zocht dan altijd wel een kompaan, want alleen drinken vond hij zoals zovelen, niet gezellig.  Het eerste slachtoffer deze reis was Rob onze marconist.
Daar hij als laatste negatief reageerde op de aan het eind van de lunch door Freddie gestelde vraag; "Wat denken de heren van een Drambuitje bij de koffie?" (wat later overigens bleek "Het oorlogssignaal" te zijn) plus het feit dat hij op hetzelfde dek woonde, deed dit Freddie die middag zeer plakkend in de hut van Rob belanden.
Vraag twee was: “Heb jij nog iets onder de kurk?” (ik weet dit, omdat ik in de maanden die volgden ook een keer net ietsje te laat in overall naar de machinekamer vertrok. Willem kwam die middag overigens een paar maal langs, achter de rug van het gezag, vanuit mijn deuropening een lange neus trekkend).
Blijkbaar had Rob iets onder de kurk, want nadat Willem en ik om half zes samen het diner hadden genuttigd en we vervolgens op zoek gingen naar de rest van de club, (ook Pikkie was nergens te vinden!) troffen we het edele drietal in lichtelijk verheugde toestand in de hut van Rob aan.
We kregen meteen iets te drinken aangeboden. De drie van het eerste uur had besloten niet aan tafel te gaan.
Rob haalde ter compensatie een grote zak walnoten (wallnuts!) te voorschijn die hij in Zuid-Afrika had gekocht. Hij leverde er zelfs een notenkraker bij!.
Aldus genoeglijk keuvelend, drinkend en knabbelend begon de avond.
Op zeker moment vond Pikkie het noten kraken te langzaam gaan, hij had een snellere methode!.
Hij gooide de zak op de grond, danste er een minuutje met zijn honderd kilo op en inderdaad..., de meeste noten waren verpulverd.  Rob, de rechtmatige eigenaar van de noten, had ongetwijfeld gepland langer met zijn voorraadje te doen en reageerde dan ook wat narrig.
Dit was voor Willem en mij het sein om ons terug te trekken.
Veel verstandige woorden kwamen er niet meer uit en het dreigde een "verloren avond" te worden.

 

69. Kerstfeest op zee


Kerst op zee is voor de meesten een verlangen naar huis.
Zelfs voor de taaiste rakkers onder ons hoefde kerst op zee eigenlijk niet zo nodig en mochten die dagen snel voorbij zijn.  Met de club van de "Napier" was het net zo, maar we besloten toch om kerst uitgebreid en met de volledige groep te vieren.
1e kerst ’s morgens, na de koffie, begonnen we met het uitpakken van presentjes van het comité "Kerstfeest op zee", hier en daar al begeleid door een kleine alcoholische versnapering, vervolgens een lichte lunch met bijbehorend middagdutje. Tegen vijven iedereen weer verzamelen in de bar, gekleed in "Langwit", met om zes uur aansluitend het kerstdiner.  De keuken had erg zijn best gedaan.
Freddie had in Kaapstad prima wijn laten aanrukken, dus tegen negenen na de koffie begon men redelijk dorstig te worden.   Het complete gezelschap verdween naar de bar.
Willem en ik besloten die avond achter de kist te gaan staan om ook de leerlingen, die meestal de klos waren bij zulke gelegenheden, een vrije avond te bezorgen.
Het gaf Willem tevens de gelegenheid een eerder door Pikkie gedane uitspraak "Dat hij 'Johnny Walker' uit duizenden zou herkennen", te checken.
Pikkie was een echte whiskydrinker, dus de kans dat hem dat inderdaad zou lukken was aanwezig.
Willem had het tegendeel beweerd, maar durfde er toch eigenlijk geen weddenschap op af te sluiten.
Om Pikkie te testen had hij die morgen in de keuken al een lege "Johnny Walker" fles met thee gevuld.
Telkens als Pikkie met een breed gebaar om een nieuwe vulling vroeg, goot Willem na de ijsblokjes, een schot kouwe thee in het whiskyglas.
Na er zo zes genuttigd te hebben kwam Pikkie blijkbaar toch weer wat bij de tijd en vroeg me: "Dirk, wat zit er toch een laf smakie aan die whisky!?".
Willem knipoogde en fluisterde: "Ik durf die weddenschap toch wel aan hoor!".
Aangezien ik de wacht had verliet ik het feest tegen twaalven.
De volgende morgen tijdens mijn wachtwerkzaamheden, werd ik gebeld in de machinekamer: Freddie aan de lijn.  Aan zijn stem te horen nog niet helemaal fris: "Dirk kun je even bij mij komen,want ik moet even ernstig met je praten".  Net na koffietijd zocht ik hem op.
Hij zat in zijn Japanse badkimono op de bank en had een ijszak op zijn hoofd.
"Het is gisterenavond uit de hand gelopen" zo begon hij. "En je weet, dat ik dan wel eens last heb van vallende ziekte".
Pikkie kwam net binnen hoorde de laatste opmerking en sprak; "Je bedoelt dat je van je kruk bent gelazerd,...niks epilepsie!".
"Eh..bemoei je er niet mee!", ging Fred verder, "maar dat is het ergste nog niet, ik ben erg teleurgesteld in een aantal jongelui waaronder jouw leerling-wtk.!".
"Mijn derde stuurman wilde mij in horizontale houding boven van de trap laten vallen, daar heb ik intussen al een hartig woordje mee gesproken, maar jouw man heeft tegen mijn deur staan zeiken!".
Ik kon het mij niet voorstellen, ik kende Cees als een zeer nette, rustige jongen.
"Ik wens dit toch tot op de bodem uit te zoeken en wel onmiddellijk!" ging Freddie verder.
"Dus haal hem maar hier!" en tegen Pikkie; "Dan nemen wij vast een "hair of the dog that bit us last night!".
Tegen beter weten in ging ik op zoek naar Cees. Ik trof hem in de gang en vroeg wat er nu precies was gebeurd. Mijn vermoeden bleek te kloppen.
Toen Freddie zijn "epilepsie"-aanval kreeg, besloten Cees en de 3e stuurman zich op te offeren en sjouwden de 90 kilo zware zoutzak vier dekken op naar boven.
Op de laatste trede werd het gewicht hen bijna te veel, hetgeen Joop de derde stuurman deed hijgen: "Zullen we hem naar laten pletteren!???".
Dit deed Freddie een oog openen en de gedenkwaardige woorden uitspreken; "Dat... zou ik maar niet doen!". Vervolgens bleek de deur van Freddie op slot te zitten.
Niemand sloot normaliter op zee zijn deur af, maar het was meer een voorzorgsmaatregel geweest van Freddie, om eventuele diefstal van drank en bijbehorend "misbruik?" door onze Bantu's tegen te gaan!!!!.
Freddie werd rechtop tegen de deurpost gezet, terwijl Joop zijn zakken afklopte, op zoek naar de sleutel.
Volgens Cees, zei Freddie op dit moment: "Niet zo hard kloppen..!, Ik moet heeeeel...nodig..!.
"Maar daar hebben wij niet meer op gewacht!" sprak hij, die nog veel moest leren. "Maar nu beweert Freddie,....dat jij Cees....!".
"Wat.....? Is-t-ie helemaal mesjogge!" sputterde Cees tegen.
"Rustig nu maar, iedereen kent de toedracht, zeg maar niks en laten we kijken of er nog wat te lachen valt, het is ten slotte nog kerst!" sprak ik hem vaderlijk toe.
Het college van rechters was intussen uitgebreid met Willem en Rob.
Het viertal zat met ernstige gezichten achter de tafel in de hut van Freddie, die met de ijszak nog stevig op de kop en gehuld in de badkimono, op van Gullik's "Rechter Tie" leek.
"Nee, nee, nee, blijven jullie maar staan!" sprak Pikkie, toen Cees en ik aanstalten maakten om op de bank te gaan zitten.
"Juist collega" sprak Rob, "het is een goede gewoonte dat de beklaagde en zijn verdediger blijven staan".
Freddie opende: "Beste Cees, waarom sta jij ‘s nachts altijd tegen mijn deur te zeiken?".
Het feit stond intussen al niet meer op zichzelf! En Cees begon er nu ook de humor van in te zien. "Weet jij wel, dat dit heel vervelende gevolgen kan hebben!" ging Freddie verder, "Zo stond ik deze morgen vroeg al tot mijn enkels in het nat voor mijn deur!", "kun je je voorstellen hoe naar of dat is?".
Ja, dat kon Cees zich wel voorstellen!.
Ik, als verdediger, mocht het woord niet meer voeren.
Cees werd veroordeeld tot het openen van zes bier uit de koelkast van Freddie en moest beloven voortaan altijd van het toilet gebruik te zullen maken,....."Cees dispissed!".

 

70. Oud en Nieuw


Zoals meestal na kerst duurt het niet lang voordat het "Oud en Nieuw" is en dat was dit jaar op de "Napier" geen uitzondering.
Nog voor aankomst Zuid-Amerika stond ook dit feest op de rol. Na het grote succes van de kerstviering, besloten we ook oudejaarsavond groots aan te pakken.  De sfeer was goed, gezellige mensen, dus wat wil je nog meer?.  Já, oliebollen!.
Willem, als telg uit een oud bakkersgeslacht, en ik besloten ons daar over te ontfermen.
Dit om te voorkomen dat onze Hongkongkok zich er mee zou gaan bemoeien en er weer een soort van "Boissevain-Oilballs" op tafel zouden komen.
Oliebollen en appelflappen bakken daar zit een hoop werk aan.
Goed beslag maken wat wil rijzen is zo eenvoudig nog niet.
De eerste appelflappen die ik bakte resulteerden dan ook in losse appels en losse flappen.
Daarna tijdens het echte bakken en na aanpassing van het beslag was er, zeker aan het handje van Willem, geen fluit aan.  Telkens als er weer een schaal vol was, bracht Willem de dampende bollen of flappen naar de bar, waar zich eind van de middag al een redelijk publiek had gevormd.
Het was dan ook bakken tegen de bierkaai, iedere keer als Willem met een volle schaal de bar in kwam, was de vorige al weer leeg.  Zo schiet je lekker op!
We besloten dan ook de volgende ladingen in de keuken achter te houden.
Na het bakken pakten Willem en ik voor het "mandiën" nog even vlug een kouwe "pijp" aan de bar.
Op het moment dat we binnen kwamen zat de stemming er al goed in.
We vielen net in een uitleg van Freddie, waarom ze hem de bijnaam "Orkaan" hadden gegeven.
Hij gaf, blijkbaar op verzoek van Pikkie, het zoveelste lulverhaal ten gehore over hoe hij een orkaan had trachten te ontwijken en er uiteindelijk middenin was gekomen.
Hij eindigde met: "Maar jij Pikkie, hoe heet jij ook alweer met je echte naam?".
"Jan" klonk het kortaf. "Oh ja, Jan,...dat staat ook op de monsterrol".
"Hoe ben jij eigenlijk aan je bijnaam,'Pikkie' gekomen?".
Voordat Jan kon antwoorden, zei Willem: "Hij heb een heeeel klein Piepie kapitein!".
"Willem houdt je muil!" klonk het nog korter.
"Ik kom uit Gouda en omdat ik vroeger goed kon priksleeen"....."Niet waar hoor kapitein! Hij heb een piepklein piepie!"....."noemden ze mij 'prikkie' maar toen ik voor het eerst met een schip uit Nederland vertrok".......
"Zijn vrouw heeft het me zelf verteld.....,zooo.. Klein...!".
....en werd afgedouwd door een paar maten, die me bij mijn bijnaam noemden".......
"Het stelt echt niks voor kapitein..,zo'n..dingetje!".
.....was er een of andere lul, die 'pikkie' verstond, in plaats van 'prikkie!!!!'".
"Van a-tot-z gelogen hoor kapitein, ik was er zelf bij!".
"Nog sterker, het is jouw schuld…!" bulderde "Prikkie?".
Het werd tijd om te gaan douchen.
De avond werd verder doorgebracht met het zingen van een groot aantal bekende en minder bekende nette en minder nette strijdliederen, hier en daar doorspekt met sterke verhalen van het bekende soort.
Op verzoek van Freddie zou ik om twaalf uur scheepstijd het oude jaar uitluiden, door de "the last post" te spelen op mijn, ooit in Sjanghai aangeschafte trompet.
Helaas had ik het instrument de hele avond onbeheerd in de salon naast de oliebollen laten liggen.
Blijkbaar hadden Willem en "P(r)ikkie?" (geen muziekliefhebbers!) in mijn afwezigheid een weddenschap afgesloten; "Hoeveel oliebollen kun je in een trompet proppen?". (Dus dat spelen werd afgelast.)
Op nieuwjaarsdag in de werkplaats, na veel gemuggel met werklucht, kwamen wij tot tien stuks!.
Het instrument heeft nadien de Hoge-"C" nooit meer gehaald.
"Happy Newyear!".

 

 

71. Petrobraz


Pikkie was zeventien jaar niet in Zuid-Amerika geweest.
Maar vanaf het schip bekeken zag Rio er nog nagenoeg hetzelfde uit, zei hij.
Meer zouden we er die eerste avond ook niet van zien, want het was meteen "bunkeren" geblazen.
"Spreken die kerels nog een beetje Engels?" vroeg hij bezorgd, "want mijn Spaans is niet meer wat het geweest is".
Toen ik hem vertelde dat het nog erger was en ze hier Portugees spraken zonk de moed hem helemaal in de schoenen.   "Als ze maar op tijd stoppen!" ging hij verder.
"Ik sta aan dek bij de slangen en ga er geen moment vandaan" beloofde ik hem, dat deed hem deugd.
Het bunkeren verliep op rolletjes en om één uur ‘s nachts lagen we allemaal in ons mandje.
Tegen een uur of vier werd ik wakker van gebons op mijn deur en commotie op de gang.
Voor mijn deur stond Pikkie met een Braziliaans uitziend tiep.
"Die vent staat al een uur op mijn deur te bonzen en roept 'Pedro' ", zo begon Pikkie, "en ik probeer hem uit te leggen dat ik Jan heet en jij Dirk en dat er op dit dek verder niemand woont die 'Pedro' heet!".
"Pedro?" vroeg ik het tiep. "Si...Petro-Braz!" was het antwoord.
"Dat is hier de nationale oliemaatschappij, hij komt waarschijnlijk om de bonnen te laten aftekenen" stelde ik Pikkie gerust.
Die avond wilde hij toch wel even de wal op en we besloten samen te gaan. Op het laatste moment meldde Willem zich ook. In Brazilië zijn de mensen altijd vrolijk, of ze nu arm zijn of  rijk, gelukkig of ongelukkig.
Als je daar zo rondwandelt komt dat altijd op je over, of je moet wel een erge zuurpruim zijn.
Dat waren we geen van drieën, dus we slurpten de gezelligheid en de uitbundige sfeer die er nog hing van de nieuwjaarviering gretig op.
Brazilianen hebben weinig aanleiding nodig om feest te vieren en het is ook erg moeilijk voor ze, om een eenmaal ingezet feest af te kappen.
Zodoende ijlt de Kerst-Nieuwjaarweek nog minimaal een weekje na.
Aan het einde van de avond werd de kennis van Pikkie omtrent de lokale taal opnieuw op de proef gesteld.
Hij had wat trek gekregen en wilde iets eten.
"Laat hem maar aanmodderen hoor" zei Willem hardvochtig.
Maar nadat ik Pikkie in diverse eettentjes een imitatie van een koe had zien doen, hij gebruikte daarbij zijn wijsvingers als horens, deed zijn kop omlaag en schraapte met zijn rechtervoet over de tegels, al roepend; "broodje buffalo" zette ik koers naar "Wimpy".
Daar hadden ze wel niet precies een "broodje buffalo", maar een
"Hamburguesa" en een "Perro Caliente" kwamen het dichtst in de buurt.
De volgende avond gingen we vroeg naar bed en maakten een "boerennacht", volgens Willem het tegenovergestelde van de vorige,
Die hij klasseerde als een "hoerennacht", het scheelt maar een letter!.

 

 

72. Koeien


In Argentinië was de eerste haven niet, zoals gebruikelijk Buenos-Aires of ook wel "BA", maar San Nicolas.  Al met al een dag de "Rio de la Plata" opvaren.
Aan het einde van die middag waren we dwars van Buenos-Aires en het volgende stuk op de hierna steeds smaller wordende rivier, voeren we in het donker onder loodsaanwijzing.
Daar de rivier nogal onbetrouwbaar is en er regelmatig gemanoeuvreerd of bij laag water zelfs geankerd diende te worden, voeren we met dubbele bezetting zowel op de brug als in de machinekamer.
Pikkie en ik liepen zes-op- zes-af, evenals de derde en de vierde.
De volgende morgen om half zes werd ik gepord, het was nog steeds donker en we lagen ten anker op de rivier.
Tien minuten later was ik op de brug, alwaar ik Pikkie en Willem aantrof gebogen over de kaart van de rivier.  We liepen gedrieën naar buiten en genoten van de stilte.
Dromerig zei Willem: "..Ik hoor een koei…!".
"Dat is echt weer iets voor Willem hoor...! Hij hoort een koei!" sprak Pikkie sloom.
"Nee echt" zei Willem, "Ik hoor een koei loeien!".
Tien minuten later was het al wat lichter geworden en in de schemering zagen we aan bakboord op een eilandje, vijftig meter van het schip, half in het water niet één "Koei…", maar wel duizend.
"Zie je nou wel!" zei Willem.
Over een "Broodje Buffalo" gesproken!.
Binnenliggend in San Nicolas bracht Freddie de scheepspost rond. Ik zat net bij Pikkie in de hut.
"Ik heb slecht nieuws en slecht nieuws" begon hij, "Wat willen jullie eerst horen?".
"Doe eerst het slechtste nieuws maar!" zei Pikkie.
"Je gaat straks in Durban naar huis en wordt afgelost door de heer Dirkse".
"Dat is veel te vroeg!", zei Willem die ook net binnenstapte,
"je bent gelijk met ons aan boord gekomen!".
"Niks te vroeg" zei pikkie, die net onder de douche vandaan kwam, "ik keek net nog even vlug in de spiegel en de patroontassen zijn al langer dan het geweer!".
"Zie je wel kapitein, hij heb zo..'n klein piepie!!" zei Willem.
"Houdt je muil Willem!" en "wat is het andere slechte nieuws?" ging Pikkie licht geïrriteerd verder.
"We krijgen in Durban hoog bezoek, er zit een fusie aan te komen met Nedlloyd en één van onze directeuren, dhr. Dirkzwager, komt daar de voordelen van uitleggen!" sprak Freddie lichtelijk opgewonden.
"Stel je voor, wij als de: -'bij Indie-betrokken-rederijen'-, samen met die gasten van de 'Hollandse-vaart', dat komt nooit goed!!".
Hij moest even uitblazen en er over nadenken.
Vervolgens sprak hij nog peinzend: "Dan hebben we straks meneer Dirkse, jij Dirk, de 2e stuurman heet ook Dirk, van wie zou die man toch een zwager zijn?".
Zo had Freddie iets met namen, hij zei ooit met een 4e wtk te hebben gevaren die "Vliegen" heette, met als voornaam "Sietze".
"Sietze Vliegen, hoe komen die ouders er op?" zei hij dan, "zijn pa werkte zeker bij de KLM!?".
Trouwens over de naam van onze vijfde wtk. had hij ook wat te zeggen, hij vond dat onze Drent, Meine Seinen, beter marconist had kunnen worden: "Meine...Seinen! Meine...Seinen!"

 

 

73. Sleutels


Pikkie ging in Durban naar huis en werd zoals gezegd afgelost door de heer Dirkse, een oude bekende van de "Nassau".  Op de oversteek concentreerden Willem en ik ons o.a. op zijn hobby, waaraan hij ook zijn nieuwe bijnaam dankte..”sleutels”!.
Zoals op ieder schip tref je in de hut van de tweede wtk. maar ook in die van de eerste stuurman, een lade aan met "Onbegrepen Stukken" deze stukken bestaan uit onderdelen of-deeltjes, zekeringen, smeernippels, boutjes, moertjes, schroefjes, te veel om op te noemen, maar ook sloten zonder sleutels en sleutels waarvan niemand meer het slot weet te vinden.
Willem en ik besloten ons (part-time), voornamelijk op die twee laatste categorieën te concentreren.
Als je met zoiets aan de gang gaat komen er ineens uit allerlei hoeken en gaten nog meer sloten en sleutels voor de dag, ongeacht de leeftijd van het schip. Van een groot aantal vonden we de herkomst en deze werden op enigerlei wijze weer in ere hersteld of in sleutelkastjes gehangen. Er bleef echter ook een restant over, waarvan de herkomst niet was vast te stellen.
Hiervan had Willem de hangsloten verzameld in een lege bierdoos.
In Japan nam hij de doos onder de arm mee de wal op en deponeerde die op de toonbank van de eerste de beste "Mr. Minute" die hij tegenkwam met de woorden: "Please make keys for these padlocks!".
Één van de voordelen van Jappen is dat ze uiterst hoffelijk zijn, ook tegen "Gaijin" en dat ze niet vloeken.
Ook dit verbouwereerde exemplaar bleef vriendelijk, maar bracht Willem toch duidelijk aan zijn verstand dat zelfs hij niet kon toveren, zelfs niet als "Mr Hour" en dat hij toch echt sleutels nodig had om duplicaten te kunnen maken.
"Stomme Jappen", kankerde Willem en omdat dit al zijn tweede negatieve Japan-ervaring van de dag was, besloten we maar een glaasje bier te gaan kopen. De bierdoos lieten we achter bij "Mr.Minute".
Tijdens het eerste biertje vertelde hij zijn eerdere ervaring.
Het betrof onze vierde stuurman, die onverrichter zake was teruggekeerd van de dokter.
Hij was daar door Willem heen verwezen, vanwege zweetvoeten.
Als je langs de hut liep van deze ongelukkige Limburger, kreeg je meteen een "blauwe tong" van de stank volgens Willem.  Bij zijn terugkomst van de dokter vroeg Willem: "En???".
"Terwijl ik er zat kwam de dokter met een hele lange stok met een haak er aan binnen", sprak de patiënt benepen.

"Deed het veel zeer?", vroeg Willem.
"Nee, hij deed een raampje open en zei dat hij me niet kon helpen", gniffelde het slachtoffer van de gangbare grap: "Het is zwart, het stinkt en het zit onder de grond".
"Dan blijft er alleen een paardemiddel over", sprak Willem somber.
"En dat is?" uit een toch hoopvol lachende, Limburgse mond.
......"Wassen!", brulde willem, "Stomme Jap!".
Vanuit Mauritius vlogen Willem en ik naar huis.
Bijna was het niet doorgegaan, want tijdens het "inchecken" kwam men tot de ontdekking, dat wij tot Reunion "overbooked" waren.
Zo hebben wij het eerste stuk van onze thuisvlucht, gezeten op onze koffers, in de 1e klas "pantry" doorgebracht. ("Giscard- d'Estaing" was jammer genoeg niet aan boord!)
Een echte "Air France" oplossing!. Wij waren er overigens erg blij mee, want ook onze patroontassen waren intussen langer geworden dan het geweer.

 

 

74. Straat Magelhaen


Ik was al eens door "Straat Magelhaen" gevaren met de "Cook" en mocht nu varen op het schip dat indirect was vernoemd naar de Portugese ontdekkingsreiziger met de Hollands aandoende naam.
Het schip was een echt RIL-schip van het oude type met de hoge masten. Goed onderhouden met de standaard B&W hoofdmoter.
Geen problemen dus, het schip voer op West-Afrika en het zou mijn laatste reis worden op dit gebied.
De sfeer was uitstekend. Het schip had een goed onderhouden zeilbootje, "Maggeltje" en twee barretjes, waarvan één aan dek.
De bar aan dek was bekend als een van de oudste barretjes van de club en had min of meer tot voorbeeld gediend voor de bar die we tijdens afwezigheid van "Snikkel Erik" gedurende een reis op de "Lombok" hadden gebouwd.
Met dit verschil dat op de "Lombok" het barretje binnen was gebouwd, voorzien van nachtclubverlichting, glitterbol, etc.
Bij terugkeer aan boord van schip, zei Erik dan ook deels terecht: "Het lijkt hier wel een hoerenkot!" (het sprak hem overigens wel aan!")
Alle ingrediënten om deze reis tot een succes te laten worden waren aanwezig en het lukte ook.
De Hwtk, dhr.van Marle (de JC.van de "Lombok"!), was net van boord en zijn geest waarde nog rond over het schip in de vorm van de diverse (sterke?)verhalen, die mij bekend in de oren klonken.
Hij was afgelost door dhr.Schols, iemand die zijn roeping was misgelopen.
Dhr.Schols, helaas te vroeg overleden, was het meest muzikale mens dat ik in mijn vaartijd heb meegemaakt. (niets ten nadele van Norse Leo en mijn "broer Max" hoor!) .
Hij uitte dat o.a. door uit het blote hoofd en op gehoor op zijn prachtige zwarte "Scandelli" accordeon iedere soort muziek te spelen die hem voor de knoppen (geen toetsen!) kwam.
Van klassiek tot marsen, van "Crooners" tot Nederlandstalig en van Parijse "Musette" tot Russische steppenmuziek aan toe.   Hij was daarmee de grote initiator en animator van ons scheepsorkest.
Wij beschikten over drie zangers, vier gitaristen, een synthesiser en een klarinettist.
Ikzelf probeerde naast het zingen af en toe wat jazz mee te toeteren op mijn "Oliebollen-trompet".
Iedere amateur-musicus, of dacht daarvoor te kunnen doorgaan, had min of meer zijn eigen muzieksoort, maar de accordeon speelde altijd.
De rest van het officierenkorps speelde mee, met inderhaast aangekochte tamboerijnen en sambaballen (of waren het rumbakogels?).
Tijdens de oversteek van de Far-east naar Afrika was het iedere avond oefenen in wisselende samenstellingen met als vast publiek onze, in Zuid-Afrika woonachtige, gezagvoerder van Bever.
Hij speelde zelf niet mee, maar bedacht de verzoeknummers en stond via zijn achternaam model voor de naam van het orkest, "Circus van Bever".
Aan het einde van zo'n oefensessie, als het peil in zijn (of onze?) "Johnny Walker" fles al behoorlijk was gedaald, werd het gezag sentimenteel en dat uitte zich dan steevast in zijn verzoek een nummer te spelen speciaal voor hem.
Probleem was dat niemand het nummer kende, zelfs dhr.Schols niet. Iedere keer liet het gezag zich verleiden tot het zingen van de eerste regel: "Oooh..
You do'nt need a baromeeeeeter,...to pick out a rrrainy day...h!", maar zelfs dat hielp niet.
Mopperend over zoveel onwil en onbegrip verdween hij dan zwalkend naar zijn hut en mandje, maar meldde de volgende morgen dat hij weer een schitterende avond had gehad.
Wij ook trouwens!

 

75. Fruitgum special


Net voor vertrek Zuid-Afrika hielden we een generale repetitie met het orkest, daartoe organiseerden we een feest.
Het feest was ter gelegenheid van de verjaardag van één der vijfde wtk's, een vriendelijke vogel met de naam Hans.
Hij ging echter als "Loek" door het leven, omdat ooit een illustere oom van hem met die voornaam ook bij de RIL had gevaren.
Voorafgaande aan het feest brouwde Loek met de heer Schols een soort van vruchtendrank, waarin naast alle van de banken uit de diverse hutten geroofd fruit, ook alle aan boord bekende sterke dranken waren verwerkt.
Het geheel werd wat verdund met diverse vruchtensappen, een paar dagen laten staan en voorzien van de prachtige verkoopnaam: "Lou's Fruitgum Special".
De avond werd een groot succes, diverse nieuwe nummers werden herontdekt voor dit orkest.
Het viel mij op dat dhr. Schols door de "Fruitgum Special" de eerste uren steeds beter ging spelen. Vervolgens kwam er echter een kentering in zijn, dus ook in ons, spel.
Ik testte de kwaliteit regelmatig, door de "Radetski-mars" te vragen; toen dat op zeker moment niet meer lukte hebben wij de avond afgesloten. Nu nog spelen voor een echt publiek!.
Die gelegenheid diende zich vanzelf aan.
Op dit schip werd ook veel aan "Deck-golf" gedaan, zodat het spel en de baan in topconditie verkeerden.
De houten hamers stonden altijd standby in een kast op het bardek buiten.
De avond na aankomst op de rede van Lagos werden we in de bar verwittigd door de Chinese bootsman dat er een bootje onder de bak langszij was gekomen, waaruit een aantal verdachte figuren langs touwen omhoog was geklommen.
Het kwam in die tijd veelvuldig voor dat schepen door deze piraten werden overvallen, schietpartijen waren daarbij geen uitzondering geweest. Derhalve was het animo om poolshoogte te gaan nemen niet groot.
Onze gezagvoerder van Bever, met de bijnaam "Old Nick", vond echter dat hij dit niet over zijn kant kon laten gaan.
Dhr.Schols, de 2e stuurman en ik vonden dat we hem niet alleen naar het voorschip konden laten gaan, dus verlieten we met zijn vieren de bar.
Zonder dit te hebben afgesproken, pakten we aan dek alle vier een deckgolf-hamer en daalden de trappen af naar het hoofddek.
De rest van het gezelschap bleek zich intussen te hebben verzameld op de brugvleugel, want een onverlaat (ik denk aan Loek!) riep: "He kapitein..., gaan jullie deckgolven?".
Op het voorschip aangekomen bleken de vogels reeds te zijn gevlogen, na wel eerst twee containers en een "locker" te hebben opengebroken en grotendeels te hebben leeggeroofd.
Deze soort van piraterij heeft nog jaren voortgeduurd op de rede en in de haven van Lagos.
Men bleek over het algemeen goed te zijn geïnformeerd, containers met potgrond werden bijv. zelden of nooit opengebroken.  Wat reders en afschepers ook bedachten, de Nigeriaanse maffia vond altijd weer de oplossing.
Zelfs het verschepen van alle linker schoenen in een container op schip "A" en alle rechter, in een container op het volgende schip werkte maar één keer, want dat is een "Oud" Afrikaans Gebruik, zo wisten wij sinds de "Lombok". Van dergelijke voorvallen werd, in die dagen, nog een scheepsverklaring opgemaakt.
Dat gebeurde normaliter op een consulaat of ambassade.
Daar wij de volgende morgen echter al weer opdracht kregen "anker op" te gaan en naar de eerste loshaven Monrovia te varen, werd in dit geval de scheepsverklaring pas daar opgemaakt.
"Old Nick" nam Loek mee als "deckgolf" getuige, omdat die toevallig vrij was na zijn aankomstwacht.
Nadat het officiële gedeelte achter de rug was, nodigde de Nederlandse ambassadeur onze gezagvoerder uit voor de lunch (Loek mocht ook mee-eten!).
Tijdens de lunch maakte "Old Nick" melding van het orkest: "Circus van Bever" en toen Loek vernam dat de beide studerende dochters van de ambassadeur met vakantie uit Nederland over waren, wierp ook hij zich vol loftuitingen over het orkest in de strijd.
Het uiteindelijk resultaat was dat de ambassadeur toezegde die zaterdagavond met zijn gezin en nog wat leden van de Hollandse Gemeenschap aan boord te zullen komen voor een koud buffet met aansluitend, in zijn bewoordingen, een "Crew-Show".

 

76. De baron


Die zaterdag stond in het teken van de voorbereidingen. Een geplande zeiltocht met "Maggeltje" werd er zelfs voor uitgesteld.  Alles moest vlekkeloos verlopen, zo luidde de stelling.
Op vrijdag hadden we vernomen, dat het in totaal om een dertigtal gasten zou gaan.
Gelukkig werd een deel van het koud buffet door de ambassade geregeld, anders was onze keuken er niet op tijd gereed mee geweest.
Voor een gezelschap van in totaal bijna vijftig mensen was de binnenbar in de salon te klein, zodat werd uitgeweken naar de bar aan dek.
"In de tropen mag dat geen probleem zijn", zo sprak "Nick".
Iedereen was, keurig in uniform, op tijd om de gasten te ontvangen.
Om half zeven werd de avond geopend met een speech van ons gezag, Waarin hij iedereen simpelweg welkom heette, beantwoordt door een korte toespraak van de ambassadeur, de Baron van Zwenderen.
Hij ging in het kort in op het unieke van deze avond, omdat het voor hem en zijn familie de eerste keer was voet te zetten aan boord van een schip onder Nederlandse vlag.
Het koud buffet was voortreffelijk en na het innemen van wat vloeibare versterkingen door het orkest (er was nog wat "fruitgum Special" over), kon het feest beginnen.
Ik had de eer om afwisselend met de heer Schols de nummers te mogen aankondigen, gebaseerd op verzoekjes die door de 1e stm. werden genoteerd in een soort "balboekje".
Nadat we een uur hadden gespeeld was er een kleine pauze en gingen vervolgens over op dansmuziek en "crooners".
De baron en de overige leden van het gezelschap hadden het prima naar de zin en de drank vloeide rijkelijk (vanwege het dansen in de vochtige buitenlucht zullen we maar denken!!).
Op zeker moment vroeg de Baron wederom het woord.  "Verdorie" sprak hij, "nu dacht ik aan boord van een schip te zijn en wel een aantal minder nette liedjes te horen te krijgen, maar niks hoor!", "Kennen jullie zeelieden niet wat schuine teksten?".
"Dat ken gebeuren hoor meneer de Baron!", sprak Schols en zette de bekende medley "Mosselen, mosselen, hele fijne mosselen" in van "Bolle Jan".
Na deze medley van de vader van Rene Froger, was het volledige scala van "Paketvaart" strijdliederen, waaronder "Lieve Leentje", "Jan curaçao", "Daar komt de Paketvaart" en ga zo maar door, aan de beurt.
Helaas kende ik als enige zanger nagenoeg alle teksten zodat we, met mij als een soort van "Manke Nelis" en de heer Schols als "Johnny Meyer", ruim een uur aan het woord zijn geweest.
Pieter, onze klarinettist, die normaal alleen met "jazzie"-nummers aan bod kwam probeerde ons te helpen en "pepte" ter ondersteuning af en toe een stukje mee. Dit zeer tot ongenoegen van één van de aanwezige dames. "Hou nou eens op met dat rotding!", zei ze.
De arme Pieter,"in zijn eer aangetast", schroefde verongelijkt het "ding" meteen uit elkaar en borg hem op.
Meneer de Baron genoot en kraaide van plezier, toen hij walsend met een van zijn dochters voorbij kwam,  "Dat is nog eens echte Nederlandse folklore" riep hij, over een mooie schouder.
Het hoeft geen betoog dat de avond een daverend succes was, Nederlandstalige muziek doet het blijkbaar opperbest met een groep Nederlanders in het buitenland.
Om een uur of drie hebben we nog geprobeerd "Oh you don't need a baromeeeter, to pick out a rainy day..h!" te spelen, maar meneer de Baron kende het lied ook niet.
De "Fruitgum Special" had intussen zijn verwoestende werk ook al gedaan ten aanzien van de "Radetski-mars", dus....afscheid nemen en iedereen naar bed.
De volgende middag zijn we toch nog met "Maggeltje" gaan zeilen, het animo was niet groot en het duurde lang voordat ze was op- en afgetuigd.
Ook de zeiltocht beperkte zich tot het havenbasin, toch waren er van de vier zeilers nog twee zeeziek!.
We hebben nadien nooit meer "Fruitgum Special" gemaakt of gedronken.

 

 

77. NUCHTER


In Kaapstad namen we vervroegd afscheid van onze kapitein, hij woonde te Durban en was er derhalve vanuit gegaan, daar te worden afgelost en niet in Kaapstad.
Hij kreeg hierdoor ook wat weinig tijd, om zoals hij het zelf noemde; "Af te kicken" en nam zijn laatste whisky nog op de dag voor aankomst Kaapstad, net nadat hij zijn aflostelegram had ontvangen. Dus inderdaad niet veel tijd om op te drogen.
Tijdens aankomst Kaapstad op de 4-8 ’s morgens zat alles tegen.
Er brak een tros op de sleepboot waardoor we tegen de kade ramden, daardoor viel de gangway een stuk naar beneden en was behoorlijk beschadigd.
De 1e stuurman die poolshoogte ging nemen gleed uit en viel bijna in het water, zich flink bezerend.
Ik kwam "Old Nick" na al dat onheil tegen in de gang op weg naar zijn ontbijt.
"Goeie morgen, kapitein, hoe gaat het?" vroeg ik vriendelijk.
"Huh,..ben je ook eens een keer nuchter!", was het korte antwoord.
Het deed me denken aan een verhaal van JC, wiens geest zoals gezegd, nog op dit schip rondwaarde.
Het ging in dat verhaal over een KPM-gezagvoerder die op zekere dag bij de opmerkingen in het scheepsjournaal schreef: "Heden,.. ..1e stuurman dronken!".
Maar de eerste stuurman, ook niet van gisteren ,schreef er onder: "Heden,..gezagvoerder nuchter!".
Zo waren er wel eens controverses en meningsverschillen.
Ook op dit schip was er een dergelijke vete en ging tussen de derde wtk. en zijn vijfde, Jacob, een jongen van Ambonese afkomst.
Het speelde ten tijde van de treinkapingen in Nederland, voor onze zeer rustige Jacob een beladen onderwerp. Martin, de derde, was iemand van het plagerige type. Hij bedoelde het niet kwaad, maar toch!.
De dag na vertrek Durban was Jacob jarig, hij liep de 0-4.
Ik lag net in mijn mandje, telefoon...!,hup..licht aan en ik keek op mijn horloge,...vijf over twaalf.
Ik kreeg een zeer benepen sprekende Jacob aan de lijn.
"Goede morgen Jacob, van harte gefeliciteerd met je verjaardag!", zei ik vriendelijk, ondanks het vroege uur. De verjaardag van Jacob was immers nog maar vijf minuten oud.
"Ik..,ik...heb een groot probleem met Martin", hakkelde hij.
"Kom maar even naar boven, dan praten we erover" zei ik, al trachtend de ernst van de situatie in te schatten.
"Nee, ook een probleem", zei hij, "Ik kan hier niet weg!".
"Vraag dan of Martin even naar boven komt?", ging ik verder.
"Nnnee,..dat..is..het..probleem..juist", stotterde Jacob,
"Hij ligt languit gestrekt op de plaat, voor de lessenaar!".
"Dan kom ik zelf wel even naar beneden", beëindigde ik het telefoongesprek.
Beneden bij de lessenaar aangekomen overzag ik het probleem in een oogopslag, op de grond lag het verjaardagscadeau van Martin aan Jacob, half uitgepakt.
Een speelgoedmachinegeweer! Martin lag er heel vredig naast.
Gelukkig had onze nieuwe gezagvoerder, met de bijnaam "Kapitein Piep", een goed ontwikkeld gevoel voor humor.
Toen hij de volgende dag, naar aanleiding van het blauwe oog van Martin, mij vroeg naar de oorzaak, sprak hij wijs: "R.M.S. betekent ook: Recht Maakt Sterk"!.

De geest van J.C.

Kapitein "Piep" was eveneens een KPM-er met een zekere bekendheid, ook over hem deden zich de wildste verhalen de ronde.
Zo zou hij lid zijn van de CPN, in die dagen "not done", zeker niet in een korps gezagvoerders waar een aantal vanwege het "Reserve-officier" zijn, der Kon. Marine, een eigen vlag voerde.
Geen Friesche vlag in de voormast, zoals een bekend gepensioneerd KPM-er van Friesche origine placht te doen, maar achterop een Nederlandse vlag, in het midden voorzien van een goudkleurig anker.
Waar of niet waar, kapitein "Piep" viel uit de toon, al was het alleen maar vanwege zijn jeugdhobby.
Hij was namelijk ooit ook balletdanser geweest en had daar heel magere spillebenen aan overgehouden, die er mogelijk ooit gespierd hadden uitgezien.
De benen waren altijd duidelijk zichtbaar vanwege de korte uniformbroeken die hij droeg. Broeken van het type "Coen Moulijn", hetgeen wil zeggen dat hij tientallen (schijn)bewegingen kon maken zonder dat de broek bewoog.
Boven de benen had zich, door het jarenlange goede leven, een enorme bierbuik ontwikkeld.
Normaliter viel dit niet zo op, maar toen ik eens aan de zijkant van een trap met Martin stond te praten kwam hij inderdaad trapsgewijs voorbij schuiven hetgeen Martin de opmerking ontlokte: "Goh kapitein, wat kleedt zo'n broek lekker slank af!".
Lenig was hij wel. Regelmatig rende hij de bar binnen, maakte een spagaat, gevolgd door een halve salto en kwam dan in handstand op een barkruk tot rust, het kale hoofd steunend op de bar!.
Doe dat maar eens na en dan nog aansluitend rustig om een pilsje vragen!.
Tijdens deze gehele operatie overigens, bleef de broek ook stijl overeind.
Het aardigste was echter dat hij ook bevriend was met JC. Regelmatig schoot hij me aan met in zijn hand een brief gelicht uit de file "uitgaande brieven", geschreven door JC en gericht aan het kantoor te Hongkong.
"Even lachen secund?", zei hij dan en dit lukte altijd.
Zoals om het antwoord van JC. op een officiële directie-uitnodiging, de Koninginnedagviering , s'avonds bij te komen wonen.
Hij schreef een hele lange brief waarin hij alles en iedereen bedankte, dat het hem een eer was om in een dergelijk select gezelschap enz.enz.
Het einde van de brief luidde dat hij alleen "acte de presence" kon geven, als hem schriftelijk werd bevestigd dat er de bewuste avond ook gelachen mocht worden.
Of de vele pagina's tellende briefwisseling, die ging over het schoonmaken van de, intussen tot sludge-buffertank (invloed van "green-peace"!) verheven, achterpiek-tank.
De man van de technische dienst die van kantoorzijde het betoog voerde, zag je in gedachten grijzer en kwader worden.
Zijn laatste brief was erg kortaf: "Zo en zo en zo gaat het gebeuren en daar mee uit!" stond het er ongeveer.
JC. was echter niet voor niets de "Grijze Wijze Baas".
Hij besloot zijn laatste drie pagina's lange, eindbetoog met een p.s., dat luidde:..."Houdt goede moed.... ,ik zit hier goed!"
Zoals gezegd, zijn geest waarde nog rond!.

 

 

78. BRIDGE


De "Straat Agulhas" was mijn volgende schip mijn eerste en enige "A"-schip, normaliter slechts weggelegd voor "Stork-Werkspoor"- specialisten, maar dit keer mocht ik er ook op varen, waarschijnlijk door mijn uitgebreide "Stork-Hotlo"-ervaring?
De "Agulhas" voer ook op de ASAS, de herenlijn.
Voor het eerst in tijden ook weer een schip waar precies voldoende mensen aan boord waren om te kunnen bridgen.
Naast mezelf: Willem Wiegman de gezagvoerder, Appie Bergsma de hwtk en Flip van Zanten, de 2e stuurman.
Flip was een Amsterdammer van zeer goede komaf die, geboren in een nest van procureurs, advocaten, chirurgen, enz. eigenlijk per ongeluk aan boord van een schip verzeild was geraakt.
Als deel van zijn opvoeding had men hem, naast dansen en autorijden, verplicht "bridgen" geleerd.
"Kaarten", daar had hij echter geen kaas van gegeten.
Het spel begon altijd direct na tafel, omdat Flip vroeg moest gaan slapen, ten einde ‘s nachts fit en wakker de 0-4 te kunnen lopen.  Flip rookte tijdens het spel zijn onafscheidelijke pijp of: "Stronthoorn", zoals zijn bridgemaat uit het hoge noorden het ding noemde. "Tswee rotkoppn op een steel" zei hij dan liefkozend.
In de eerste week gebeurde het regelmatig dat Appie behoorlijk uit zijn slof schoot als zij als koppel een spel maakten met twee-a-drie slagen boven het bod.
"Wij hebbn veel te laag ingezet met ons bod Flip, hoe is dat nou toch gvd....mogelijk?".
Het was mijn maat Willem en mijzelf al een aantal malen opgevallen dat dit gebeurde zodra Flip zijn kaarten op volgorde in zijn hand had gesorteerd en vervolgens een aantal malen, kort achtereen, nerveus aan zijn pijp trok: "pf.,pf.,pf.,pf!".
Waarschijnlijk wist hij niet goed hoe te bieden met meer dan 14 punten in de hand en Appie had dit duidelijk niet in de gaten.
Flip begon na een week steeds meer tegensputterend aan het dagelijks terugkerend "bridge"-ritueel.
Daar Willem en ik ons broodnodige uurtje denksport in het gedrang zagen komen besloten we voor te stellen van partner te wisselen.
Vanaf dat moment speelde ik met Appie, mijn "baas".
De tweede avond klonk het plotseling: "pf.,pf.,pf.,pf!" links van mij, gevolgd door..."één ruiten!?!".
Appie paste, waarna Willem, begeleid door een vette knipoog in mijn richting, het bod afmaakte met "drie sans!", met appie zeer verbouwereerd en ongelovig in zijn kaarten kijkend na mijn:"ik pas!".
Willem haalde het glansrijk, ondanks dat de sterkte op tafel lag.
Appie snapte er niks van, "Hoe kun je nou met maar zeevn puntn in de hand drie sans zeggn op zijn: een ruitn, verdomme!?".  Hij is er nooit achter gekomen.
Om toch wat meer zekerheid te hebben over het doorgaan van ons dagelijks "kaartje" leggen, besloten we zodra Flip ging slapen, een nieuwe vierde man op te leiden.
Het gewillige slachtoffer, een redelijk klaverjasser, was onze Limburgse vierde stuurman Alfons.
Alfons droeg een bril, zeer bijzonder in die tijd, vooral een met de dikte van glazen, zoals Fons die bezat.
Een soort "jampot-bodems".
Het intrigeerde Appie blijkbaar, want hij vroeg hem de eerste avond, nadat Fons zich een keer had vergooid: "Je hebt zeker wel verdraaid goeie oogn, dat je door zulke dikke glaazn kunt kijkn?".
Fons antwoordde in het plat, zangerig Limburgs:
"Ja mijn oghen daer mekeert ut niet aen, als kiind keek ik schjeel, dan hebbe ze mij op zekerg mement aen de oogspjier geopereeer he, die hebbe ze ingekorgt, maer dan hebbe ze er waarschijnlijk te veul afgesneje en nu kijik ik twee kajnten op, darum mot ik deze bril draghe he, het is een soorgt van kurreksie-bril".
Appie knikte voortdurend van ja, maar ik heb later in de bar nog ongeveer een uur nodig gehad om het verhaal via het Nederlands in zijn Groningse oren te krijgen.

 

79. OCHO HERMANOS


Fransje, onze vierde wtk, maakte zijn eerste Zuid-Amerikareis.
Hij had vooraf al dikke verhalen gehoord en stelde er zich derhalve veel van voor.
De eerste haven was Buenos Aires, ik had de wacht.
Frans mocht mee de wal op in het kielzog van Appie en Jaap, de derde wtk.
Tegen zevenen vertrokken ze, in een walm van "after shave".
De volgende morgen was het voor mij weer vroeg dag, er moest verstoomd worden van Darsena "A" naar Darsena "B".
Volgens goed gebruik stuurde ik bij een half uur voor manoeuvreren Willem, de vijfde wtk, naar boven om Appie, het hoofdwerktuig te porren.
Ik gaf hem de boodschap mee: "Net zo lang volhouden tot hij voor je staat, want het zal wel laat geworden zijn!".
Een half uur later was Willem pas weer terug, "Dat kostte moeite" zei hij, "En volgens mij is hij niet helemaal okselfris, ik heb wel tien minuten op zijn deur staan rammen, uiteindelijk met mijn bahco, toen deed hij pas open", ging hij verder. "Hij zag me eerst helemaal niet staan en vroeg uiteindelijk: “Wat kan ik voor je beteekn.... Jaap?" besloot hij zijn verslag.
Bij de eerste telegraafbel stond Appie plotseling achter mij.
Hij zag er niet goed uit, "Ik heb een kop als een ketel" sprak hij bedroefd. “Het komt allemaal door die 'Argen-tsering-tsijn', met zijn 'Ocho- Hermanos' “ ging hij verder.
"Had hij acht broers?" vroeg ik.
"Nee, zo heette dat spul, wat hij ons te drinkn gaf, een soort likeur,..Bah!"..hartgrondig dit keer.
Met horten en stoten kwam er een verhaal over een lokale man die ze in de "Boca" tegen het lijf waren gelopen en goed de weg wist, "Maar drie flessn van dat vieze spul haddn we nooit moetn leegdrinkn!".
"Ja, de andern hebbn het ook op", beantwoordde hij mijn vraag.
Rond acht uur kwamen Fransje en Jaap ook binnendwarrelen.
Frans zag er uit alsof hij door een tram was overreden.
Hij ging meteen aan het werk en nam zijn klusje van de vorige dag weer ter hand, het uitgloeien van een zeer bochtige, hogedruk-brandstofleiding van een hulpmotor.
Het onding moest in een bankschroef van de werkplaats worden geklemd.
Vanuit de controlekamer konden we, door het raam, de ongelijke strijd goed volgen.
Normaliter had Fransje glansrijk moeten winnen, maar doordat er "Acht Broertjes" in zijn kop aan het werk waren, dreigde hij het onderspit te delven.
In zijn half-onderbewustzijn kreeg hij op zeker moment in de gaten, dat hij door drie paar ogen werd bespied.
Hij onttrok zich even aan de vechtpartij en bleek de vorige avond ten minste een Spaans woordje te hebben geleerd, hij spreidde de armen ten minste wijd, zoals het Christusbeeld op de "Corcu Vadu" in Rio en sprak: "Que?".
Met pikheet sprak hij het vermoeden uit dat alle acht broertjes ook handwerkslieden moesten zijn.
Afgaande op de herrie in zijn hoofd, dacht hij aan:steenhouwer, koperslager, hoefsmit, bankwerker, klinker, straatmaker, plaatwerker en timmerman.

 

80. KAAPSTAD


Verder verliep de Zuid-Amerika reis zonder kleerscheuren, alhoewel er bij terugkomst in Kaapstad toch een tweetal naar de dokter ging.
De reden wist je nooit, want ook de 1e stuurman had in dit opzicht zijn medisch ambtsgeheim.
Die morgen wandelde ik zijn kantoor binnen, terwijl daar net de "Afrikaans" sprekende waterklerk zat.
De waterklerken werden vanuit het Kaapstad kantoor, aangestuurd door een eveneens Afrikaans sprekende operationsmanager met behulp van "walkie talkies".
Er was juist een gesprek gaande over één van de patiënten en ik hoorde uit de radio een aantal keren het woord "penicilline" komen.
Nu had deze alleraardigste operationsmanager een gebrek, bij de geringste opwinding ging hij hakkelen en stotteren.
Waarschijnlijk legde de waterklerk het daar een beetje op aan, want terwijl wij duidelijk hadden verstaan welk geneesmiddel werd genoemd vroeg hij: "Wil jij die naam van die medicijn nog een keer herhaal Jack?"
Vermoedelijk wond dit Jack op, want het bleef even stil en toen klonk het krakerig: “Penis..
penis... penis... penicilline.. Damn it!"
"Ja dat klopt", zei de 1e stuurman, "daar is het voor en het is ook het goede medicijn".
In Durban lagen we samen met twee zusterschepen. Het bleek een goede gewoonte te zijn bij elkaar te gaan buurten.
Dat buurten gebeurde ook tussen andere schepen, maar meestal alleen als er goede bekenden aan boord zaten.  Tussen de "A-schepen" onderling was er in Durban een soort van stilzwijgende afspraak dat er altijd bezoekjes over en weer werden afgelegd, ongeacht of er kennissen aan boord waren of niet.
Wij kwamen als laatste van de drie zusjes binnen, dus voordat we uit de machinekamer boven waren, zat de bar al vol.  Een ander illuster gezelschap zat al bij Appie in de hut en bestond uit collega-hwtk's en tweede's.
Hij sprak zuinig op zijn Gronings :"Dat gaat mij weer veel geld kostn".
Het werd gezellig en de plakkers bleven lang.
Nadat de laatste was vertrokken hielp ik Appie met opruimen en liep vervolgens naar mijn hut.
Terwijl ik net de sleutel ronddraaide riep Appie: "Dirk moet je nou eens koomn kijkn!".
Vredig slapend lag het hoofdwerktuig van een zusterschip in Appie zijn mandje, zijn kleertjes keurig opgevouwen over de stoelleuning, die schepen leken ook zo op elkaar!
De volgende morgen trof ik Appie snurkend op zijn bank aan. Helemaal fris was hij nog niet; "Kijk er is ook nog iemand zijn schoen’n vergeetn ", kraaide hij, maar die bleken later zijn eigendom te zijn.
Die dag namen we afscheid van onze gezagvoerder, hetgeen betekende dat we weer een nieuwe "bridger" moesten opleiden.  Ook namen wij afscheid van Jaap, onze derde wtk.
Tijdens zijn afscheidsborrel maakte Jaap bekend, dat hij in het aanstaande verlof in het huwelijk ging treden.
"Trouwn!!" reageerde Appie, als door een slang gebeten "zou je dat nou wel doen, Jaap?".
"Ja het wordt onderhand tijd” sprak de aanstaande bruidegom, “ik ken haar alweer zo'n jaar of drie en het gaat nog steeds goed!”.
"Het gaat nog steeds goed?".."Het gaat nog steeds goed..?" ging Appie verder, "man....je bent nooit thuis!".
"Weet je wat je moet doen?" sprak hij wijs :"Heb je al eens saamn een kamer behangn?, of saamn op vakantie naar Frankrijk geweest en haar laatn kaartleezn?".
Nee, dat had Jaap niet!.
"Dan zou ik dat eerst doen voordat je al te drastische beslissingn neemt!" besloot Appie.
Ik heb later gehoord dat Jaap toch met de bruid van zijn keuze in het huwelijk is getreden.
Of ze ooit samen zullen behangen? We lezen het misschien nog wel eens in de almanak van de PZC!!?.

 

81. MAANDVERBAND


Karel, de nieuwe 3e wtk., bracht uit Nederland Hanneke de vrouw van Flip de 2e stuurman mee.
Ze had nog nooit gevlogen en vond het bijzonder geslaagd dat ze onder geleide van Karel deze lange reis mocht maken.
In haar zenuwen had ze vooral bij het landen en opstijgen haar ogen stijf dicht gehouden en Karel keihard in zijn arm geknepen.
Omdat ze ook tijdens de vlucht uit haar gewone doen bleef, kletste ze het hele eind honderduit. Soms hartsgeheimen blootleggend die normaal door iemand zonder vliegangst, alleen met echtgenoot of andere naaste familie worden gedeeld.
Karel was ook getrouwd en derhalve wel het een en ander gewend,
Maar had toch even vreemd opgekeken bij haar mededeling; "Dat ze tot overmaat van ramp, nog ongesteld was ook!".
Toen Karel haar, na zijn aan boord komen, veilig had afgeleverd bij echtgenoot Flip en ze weer wat tot zichzelf was gekomen bleek Hanneke een zeer rustig type te zijn en een aanwinst voor de sfeer aan boord.
Mede door deze vliegreis ontstond er ook een zeer innige verstandhouding tussen Karel en Flip, die zich blijkbaar toch ook wat zorgen had gemaakt over de eerste grote reis van zijn echtgenote.
Na zes weken ging Hanneke weer naar huis, omdat haar plichten als onderwijsgevende haar weer riepen.
De goede relatie tussen Karel en Flip bleef.
Dat uitte zich o.a.een aantal dagen na haar vertrek, toen Flip mij wat benepen kwam melden, dat zijn toilet verstopt zat.
Hij had niet naar een betere expert kunnen komen. (al sinds de "Boissevain!!).
De voorbereidingen waren eenvoudig, een vel dik pakkingrubber, een stuk spaanplaat en drie uit de kluiten gewassen mannen was alles wat we nodig hadden.
Fransje en Karel boden zich spontaan aan en ikzelf completeerde het drietal.
We klommen met zijn drieën op de spaanplaat, met daaronder het rubber en de toiletpot, terwijl flip de "Flushknop" zou bedienen,
Aldus 3 bar sanitairwaterdruk op onze constructie zettend.
Blijkbaar zat onze afdichting wat scheef. Na de eerste poging had de blauwe uniformbroek van Flip een horizontale bruine streep net boven de knie, zoals ook kleermakers met een "rokspuit" wel eens een krijtstreep aanbrengen om de plaats van een zoom te markeren.
Flip bleef bij de tweede poging derhalve wat verder uit de buurt en stelde zich achter de deur op.
Deze poging lukte, na afloop bleef er een "Corpus Delicti" achter in de pot in de vorm van een stuk maandverband.
"Ja..eh..toen ze aan boord kwam, ....had ik niet de tijd, ...om... ...haar uit te leggen"...., stotterde Flip wat verlegen, met een rood hoofd.
"Geeft niet hoor!" sprak Karel, "dat kan de beste overkomen".
Een week of zes later ging Flip met verlof, hij zat breeduit grijnzend alvast vooruit genietend van zijn aanstaande verlof aan de bar tijdens zijn afscheidsborrel.
Karel die nog drie maanden te gaan had, was jaloers op die grijns, "Wat zit je nou te lachen man?" begon hij.  "Er valt voor jouw morgen toch niets te genieten", ging hij verder, terwijl hij met zijn rechterhand het bekende gebaar van duim tussen wijs- en middelvinger maakte.
"Hoe weet jij dat?" gaf Flip zich, volkomen verbaasd, bloot.
"Jaha.....", be-knipoogde Karel zijn, deels gegokte opmerking, "Dat zou je wel eens willen weten he!!??".
Die avond verliet Karel de bar vrij vroeg met de woorden: "Good- Night", maar het klonk wel anders..

 

82. EINDEXAMEN


De laatste keer naar de "de Ruyterschool" want zo bleven, ondanks de naamswijziging, de meeste oudgedienden (en dat waren we intussen!) de school bij haar oude naam noemen.
Diploma "C" was voor ons wtk's de afronding, noem het maar eindexamen, wat de eerste rang was voor de stuurlieden. De sfeer was erg relaxed, ook in de klas tijdens de lessen.
Veel bekenden, ook een aantal nieuwe gezichten.
Dat laatste kwam eigenlijk door de leeftijdsopbouw van de groep.
Door de band genomen kon je stellen dat we het overblijfsel waren van een tiental jaargangen, met een enkele uitschieter naar boven of naar beneden.
Daardoor liepen de leeftijden uiteen tussen de dertig en de vijftig jaar.
De laatsten waren dan vooral mensen die lange tijd hadden gedaan over de theoretische examens "B1" en "C1". "C2" betrof echter een praktijkdiploma waar zelden iemand voor zakte.
Een van de bekenden was onze Surinamer Paul, die dit keer helemaal op zijn sloffen kon meedoen.
Studeren hoefde volgens hem absoluut niet, "Want welke examinator durft het nu aan, mij een onvoldoende te geven?" sprak hij monter.
Het was voor hem in ieder geval een excuus om, zoals voorheen, volop deel te nemen aan het bruisende Vlissingse "stapleven".
Mede daardoor was het wel eens nodig dat Sam de Wijs, een andere oudgediende, hem bij het binnenkomen van de heer Kodde, de motorenleraar, wakker moest maken met: "He Paul!...we krijgen nu motoren, dat zijn van die dingen die doen: Boem....boem...boem", daarbij wilde bewegingen makend met armen en benen in zijn imitatie van een "Stork-Hotlo".
Bij het onderwerp stralingswarmte voor het vak ketels kwam o.a. een "Volledig zwart lichaam" ter sprake, hetgeen onze Paul een bulderende, aanstekelijke lachbui ontlokte.
Tijdens het examen had Paul het toch zwaarder dan hij had gedacht.
Zijn laatste vak op het mondelinge gedeelte was...ketels, met als onderwerp: "stralingswarmte".
Het liep niet echt lekker, tien minuten voor het einde stelde de examinator hem een vraag, waarvoor hij een algemeen bekende formule nodig had. Parate kennis was niet Paul zijn sterkste kant om bekende redenen.
Om tijd te winnen, in een alles of niets poging, stelde hij dat hij altijd moeite had formules te onthouden, maar dat hij ze meestal wel kon afleiden en beredeneren.
Dat mocht dit keer en het lukte hem ook na veel zweten. De tijd was bijna om.
De "bijzitter" vond het maar een moeilijke manier: "Het is toch veel eenvoudiger om formules uit het hoofd te leren", stelde hij.
"Dat lukt me niet", zei Paul, "Met getallen heb ik hetzelfde probleem".
"Zo ken ik bijvoorbeeld maar één getal uit mijn hoofd" ging hij overmoedig geworden verder.
"En dat is?" vroeg de examinator geïnteresseerd.
"Het getal vier en twintig!" zei Paul.
"Vier-en twintig?" herhaalde de "bijzitter" nadenkend.
"Ja" zei Paul," mijn vriendin stuurt me wel eens om de boodschappen naar Albert Heyn, ik moet dan ook altijd een krat bier meebrengen, zo kan ik controleren of ze er wel allemaal inzitten!".
Na de diploma uitreiking liepen Paul (allemaal zessen, incl.het vak ketels!) en ik samen naar de uitgang.
Voor ons liepen, druk pratend, een aantal examinatoren.
Waar het gesprek precies over ging, konden we niet volgen, we vingen slechts een aantal flarden op.
Daarin kwam overigens wel een aantal malen het getal "Vier en twintig" voor, gevolgd door gelach.
Paul knipoogde slechts, boven een brede grijns.

 

 

83. NEDLLOYD CUMBERLAND


Dit schip, een zusje van de "Chatham", had oorspronkelijk natuurlijk ook "Straat" geheten en werd gekscherend wel eens "Cucumberland" genoemd, vooral in Australië en andere Engelstalige gebieden.
Het verbasteren van namen gold wel voor meer schepen, zo was er ooit een KPM (later RIL) -schip geweest met de naam "Maetsuycker". Die heette in Australië de "Meatsucker".
Of de "Straat Rio", met een beetje fantasie stond er R.10, hetgeen staat voor een Zuid-Afrikaans biljet van tien rand, vandaar de verbastering "Straat Ten Rand"
De "Cumberland" zou mijn laatste schip worden waar passagiers op meevoeren, er was accommodatie voor twaalf en deze reis waren er zes aan boord.
De sfeer was erg ongedwongen, de passagierssalon was intussen omgetoverd tot bar voor algemeen gebruik waar iedereen welkom was ongeacht status, rang of leeftijd.
Ik kreeg de indruk dat vooral de oudere passagiers, allen Zuid-Afrikanen, het prettig vonden om te mixen met de jongeren.  Er was ten minste een uitgebreid sociaal leven.
En wat belangrijk was, ook voldoende bridgers!.
Na het kaarten bleven de meesten in de bar hangen en kregen dan kortelings gezelschap van een wat ouder echtpaar, dat al een hele rondreis aan boord zat en die opnieuw hadden geboekt voor de volgende reis.
Het was me in de eerste dagen dat ik aan boord was opgevallen dat ze altijd erg opgewekt en vrolijk waren.
Nadat ik een week aan boord was kwam "Mary" naast me zitten aan de bar."How do you like the ship so far?",vroeg ze. Ik gaf haar beleefd antwoord, dat het me beviel en dat ik het goed naar mijn zin had.
"We love it here" zei ze, "Sebastian and I have already booked for the next voyage".
"So I heard", antwoordde ik haar.
"Your name is Djirk isnt'it?".
"Yes madam Dirk it is, not Jerk!".
"You may call me Mary then!", ging ze verder.
Vervolgens bestelde ze een "dubbele gin", gevolgd door: "easy on the tonic!" en "that goes for Sebastian as well!"   Ze draaide zich weer naar mij toe en zei: "Do you mind if i ask you a personal question?".
"Be my guest" antwoordde ik.
"What has, in your life, been the longest period that you have been intoxicated in one stretch?".
De vraag overviel me en ik moest in gedachten terug naar de "Nieuw Holland" tijdens mijn aan boord komen: "Well, ....about 48 hours", antwoordde ik, enigszins terughoudend.
"Oh that's nothing", zei ze, "my Sebastian retired as a sollicitor in Pretoria 15 years ago, and we have been drunk eversince!".
"Isnt'it dear?", vroeg ze een glazige Sebastian.
"May I ask you a personal question too, Mary?" vroeg ik haar.
"Of course Djirk!,..of course!".
"Do you always call your husband in full: -'Sebastian'-?".
"Most of the time yes!, But if I am sweet on him I sometimes call him 'Bassie', on other occasions, I sometimes call him 'Bastard'!".
Ik vierde die week ook mijn koperen jubileum als zeeman.
Als aandenken kreeg ik een bord met daarop een paar, goudkleurig gespoten, oude machinekamerschoenen gespijkerd, voorzien van de spreuk: "Twaalf en een half jaar sloffen voor de RIL".
De letters waren geschilderd door Joop, de derde wtk, een amateur-kalligraaf.
Het uitleggen van dergelijke teksten aan Engelstalige passagiers is normaal al moeilijk, maar aan een "intoxicated Mary & Bassie" bleek het geheel onmogelijk.
De volgende spreuken kostten minder moeite.
Joop had ook nog een wandbordje voor me gemaakt, daar stond op: "Goh, Dirk werk jij hier.., ik dacht dat jij zo goed kon leren!".
Ik vond hem ook een beetje op het randje, maar het verhaal ging dat Joop vóór mijn voorganger een "Oud-Confuciaanse" spreuk van het ABC (Algemeen Beschaafd Chinees) in het Engels had vertaald en op een wandbord had gezet.
Die spreuk luidde: "Man with head in clouds, cannot keep feet on ground, unless very tall man!".
Doe mij dan toch maar die eerste spreuk!
"The bastard" vond de laatste leuker.
De avond werd overigens ook besloten door Sebastian, die trachtte het woord "mississippi" te spellen: em-ai-es-es-ai-es-es-ai-pi-pi-ai.., mississippi, met bij de "essen" veel, langs zijn slecht passende kunstgebit, ontsnappende lucht.
We zijn maar gaan slapen!.

 

84. WHAT'S IN A NAME?


In Singapore werd onze hwtk afgelost door een "heuse" hwtk van de Nedlloyd, dhr.A.Hol.
Voordat we zijn echte voornaam kenden was die al, terecht of onterecht, omgetimmerd tot "Alco", dat paste zo leuk bij "Hol". Onze gezagvoerder heette trouwens Bruin.
Dat viel me pas echt op, toen de twee zich aan elkaar voorstelden, "Bruin", "Hol", aangenaam!.
Weer een grapje van de indelers bij vlootpersoneel, dacht ik nog.
Verder hadden zij weinig gemeen.
Één van de eerste twistpunten betrof de temperatuur in de accommodatie.
Dit is op ieder schip een gevoelig onderwerp en met passagiers er bij nog wat lastiger.
Maar dit keer kwam daar ook het verschil in lichaamsbouw bij.
Dhr. Hol, redelijk corpulent, en de gezagvoerder van het type dat per dag duizend keer springt met een springtouw (ook binnenliggend in Singapore..daar helpt een pajong niet tegen!).
Die eerste dag werd de stand van de airconditioning vier maal bijgesteld.
Twee maal kouder op verzoek van de hwtk. en twee maal warmer, op verzoek van de gezagvoerder.
Die stond blijkbaar "op zijn strepen", want daarna werd er niet meer aan de thermostaat gedraaid.
"Het is hier al net zo als bij de VNS!" zei Alco.
De gezagvoerder kwam om vijf uur de bar binnen en strooide nog wat zout in de wonde met de woorden: "Zo, nu is het pas een lekker temperatuurtje, he meneer Hol!?".
"Lekker temperatuurtje...., lekker temperatuurtje..., ik zit hier zo sachies aan te verkole!", was het antwoord van het slachtoffer. Aldus was dhr.Hol meteen gewend bij ons aan boord.
Het varen met passagiers, was al sinds zijn VNS-tijd geleden, maar hij paste zich moeiteloos aan."Zuid-Afrikaanders blijven Zuid-Afrikaanders, of ze nu meevaren op een VNS-schip of op een Schip van de RIL", was hij van mening.
Één van de eerste avonden zat Alco naast "Mary" aan de bar.
Waarschijnlijk had ze hem gevraagd of ze een "personal question" mocht stellen want ik (deze avond als barkeeper) hoorde hem uitleggen, dat "Alco" eigenlijk zijn "nickname" was.
Mary legde nu ook het verband met zijn achternaam en ging het op haar beurt uitleggen aan Sebastian.
"I like that name!", zei Bassie.
"Want je heet eigenlijk 'Arie'", kwam de gezagvoerder, die blijkbaar ook meeluisterde en de monsterrol had bestudeerd, tussenbeide.
"Ja, en ik heb dat mijn vader altijd kwalijk genomen, ik voel me soms als 'the boy named Sue' uit het liedje van 'Johnny Cash'" antwoordde Arie nog steeds ietwat timide vanwege de AC.
"Maar hij heeft die fout gelukkig maar één keer gemaakt", ging Arie verder, "want ik heb nog drie broers, die heten allemaal Jan, behalve Piet dan, die heet Klaas!".
"What did he say Djirk!" vroeg Mary, die net klaar was met "Alco"-"Hol" aan Sebastian uit te leggen.
"Doe maar vlug een rondje op mijn naam Dirk!", deed dhr A.Hol zijn naam eer aan, "voordat het hier uit de hand loopt!".
Mary en uiteraard ook "Bassie", snapten er inderdaad geen bal van.
Door al dat denken had Sebastian weer dorst gekregen en hij accepteerde gretig de door "Alco" aangeboden versnapering.  Hij bracht in dit, zeldzame heldere moment zelfs een toast uit;
"To our wives and sweethearts, may they never meet!", kraaide hij overmoedig.
Het bezorgde hem meteen een dreun met "Mary's handtasje".
"So what's in a name? "KPM; RIL.; VNS of Nedlloyd?.
De “Maatschappij Nederland” en de “Rotterdamse Lloyd”, die hadden drie zusters die heetten allemaal VNS, behalve de KPM dan, die heette RIL!.

 

85. NEDLLOYD FUKUOKA


Dit schip was eigenlijk een fusie op zich.
Ooit gebouwd naar een ontwerp van het VNS-bouwbureau, voor rekening van de KPM onder de naam "Sloterkerk".
Lange tijd, tot de fusie die leidde tot de NSU, gevaren voor KPM-dochter NTPM, bemand door (ex-) KPM-ers in VNS-verband.  Vervolgens nog een aantal jaren, na te zijn verlengd, in NSU-verband en daarna vanwege sterk expanderende RIL-activiteiten, als "Straat Fukuoka" in dienst van diezelfde RIL.
En nu dus weer "Nedlloyd Fukuoka" of "Nedlloyd fuck you okay" zoals derde wtk. Leo Rijnman haar oneerbiedig noemde.
Leo had op die manier ook een keer problemen met de messroombediende gehad omdat hij, volgens eigen zeggen, duidelijk om "four coffee" had gevraagd, maar de steward had "fock-offy" verstaan.
Weer eens een schip met een Chinese bemanning dus, afkomstig uit "Fukien" en niet uit Hongkong zoals we bij de RIL gewend waren.
Geen Cantonees dus deze reis,.."mgan yew ah!", maar verder waren er weinig verschillen.
Het smokkelen ging op dezelfde manier en ook de lijndienst leende zich er voor.
Het schip voer, om in "RIL-termen" te blijven, op de "Lacas".
Vrij vertaald betekende dit: Verre Oosten, naar de oostkust van Zuid-en Midden-Amerika, vanaf Mexico tot en met Cili, dan de Grote (Pacific) oceaan weer over en via Manilla terug naar Hongkong, Taiwan en Japan.
Een mooie reis, die ik al eens voor een stuk had gemaakt met de "Magelhaen" en "Circus van Bever".
Die reis waren we erg opgehouden, omdat vlak voor onze aankomst in Buenaventura, Colombia, een ander schip van de club, de "Wonorato", in brand was gevlogen.
We lagen een aantal dagen "double-banked", om een deel van haar lading over te nemen en hebben toen, om het gezakte moraal van haar bemanning weer wat op te krikken, een laatste optreden van ons scheepsorkest verzorgd.
Dit alles resulteerde er in dat ik maar een kort stuk van de kust meemaakte en in Callao, de havenplaats van de Peruaanse hoofdstad Lima, al met verlof was gegaan.
Deze reis kwam ik echter in Manzanillo (Mexico) aan boord en zou als alles meezat, twee Zuid-Amerikaanse kustreizen meemaken.
Mijn voorganger heette van Doorne en had als bijnaam; "Dafje".
"De accommodatie is matig" zei hij, "maar je kunt ook in een passagiershut gaan zitten, die worden toch niet meer gebruikt".
Dat leek mij nogal eenzaam, twee dekken hoger dan de rest, dus ik besloot te blijven waar hij was.
Om de airconditioning in zijn hut wat te verbeteren, had "Dafje" een groot inspectieluik van de AC-koker aan het onderdeks afgehaald, precies boven zijn wasbak.(het VNS-bouwbureau voorzag nog geen plafonds in de hutten in de zestiger jaren!).
Daar "loeide" nu inderdaad de gekoelde lucht door naar binnen en het leek me toe, dat er voor de rest van de bewoners van de gang weinig lucht meer overbleef.
Dat bleek ook, toen Leo me na enige dagen kwam vragen dat gat weer dicht te maken.
"Dafje" had dat categorisch geweigerd.
Zelfs een noodmaatregel van Leo had niet mogen baten.
Hij had ‘s nachts eens een paar uur in de gang gezeten wachtend op het moment dat "Dafje", (een gekend "wabapi", ofwel:wasbakpisser, die te lui is om s'nachts het hele eind naar het "Schijthuisplein" te lopen!), uit bed ging om zijn overtollige bier in de wasbak te lozen.(een streepje licht onder de deur was voor Leo voldoende indicatie geweest!).
Op dat moment had hij, met een hamer, een klap op de luchtkoker in de gang gegeven. Op die manier pikzwart stof van jaren losmeppend. Het stof, roest en andere ongerechtigheden was samen met de loeiende lucht op "Dafje" terechtgekomen.
(Slaap?)dronken als hij was had hij niets gemerkt en was, zo zwart als de kolen, weer in zijn bed  gekropen met alle gevolgen vandien.
Ik kon me daar het een en ander bij voorstellen en heb het gat die dag nog dichtgemaakt!.

 

86. HUT


Mijn hut op de "Fukuoka" herbergde nog meer eigenaardigheden.
Zoals gezegd was het schip verlengd, dat hield in dat er bij die verbouwing voor de accomodatie een extra ruim met een 25-tons-kraan voor containers was aangeplakt, het nieuwe ruim vier.
Op zee, na vertrek Manzanillo, keek ik door mijn poort naar buiten en ontwaarde op het "nieuwe" luikhoofd een stuk plastic, zo te zien vastgeplakt met tape.
"Binnenliggend, kun je je gordijnen wel dichthouden, want dan komt het luik tot tegen je raam en wordt het toch aardedonker", had "Dafje" nog gezegd bij zijn afscheid.
In Acapulco wilde ik toch nagaan of dit inderdaad zo was en schoof de gordijnen open.
Het stuk plastic folie zat precies voor mijn raam.  Er in verpakt zat "Playmate february" uit de Playboy van die maand van dat jaar, met daaronder geschreven: "Dirk, goede reis, Dafje!".
Gelukkig ben ik ook een vroege vogel, want iedere morgen scherp om zes uur begon de bediende in de pantry naast de hut het afgewassen aardewerk van de vorige dag weer terug in het "kommaliewant", wat tegen het tussenschot was geplaatst, te gooien.  Slapen was er dan niet meer bij.
Het schip zelf was zeer bewerkelijk en er werden nogal wat overuren gemaakt.
Pas aan boord gekomen maakte ik, zoals te doen gebruikelijk, een aantal uitgebreide rondes over het schip. Pratend met o.a.eerste stuurman, hofmeester, chef-kok, enz. voortdurend mankementen en werkzaamheden noterend.  Zo kwam ik op een van die rondes ook in de, onder mijn hut gelegen wasserij en kwam daar ook meteen achter de reden, waarom ik in mijn hut niet op blote voeten kon lopen.
In een wolk van stoom trof ik daar een hevig transpirerende en mopperende Chinese wasbaas aan.
Hij wees me, in de warme mist, wel honderd plaatsen aan waar het hete water en de stoom uitspoot.
Ik beloofde hem actie te zullen nemen, niet in de laatste plaats uit eigenbelang.
Maar er was dusdanig veel werk op het schip, dat ik er de eerste weken niet aan toe kwam om de wasserij onder handen te nemen. Bovendien was ik intussen al redelijk gewend aan het altijd dragen van slippers.
Tel daarbij op dat het best aangenaam was in de winter in Chili wat extra hutverwarming te hebben, dan verdwijnt zo'n gemaakte belofte langzamerhand naar de achtergrond.
Wasbazen hebben echter zo hun eigen methodieken om mensen aan hun beloften te herinneren.
Na een maand, kreeg ik een paar gekrompen sokken terug uit de was.
De week nadien gevolgd door een paar roze gekleurde uniformkousen, die oorspronkelijk wit waren geweest. Het werd derhalve hoog tijd een aantal mensen een paar dagen de wasserij in te sturen.
Vanaf dat moment waren we weer vrienden, de wasbaas en ik, hij perste voortaan zelfs mijn stapbroeken!.
De moraal: "Never ignore a 'smaller?', 'Less influential?' man!".

 

87. EXPATRIATES


Na een lange middag inkopen doen in Hongkong wil een mens wel eens dorstig zijn.
Dat overkwam mij en mijn "baas" ook deze reis.
Hij wist een goede gelegenheid in een van de vele hotels, die volgens zijn zeggen veel werd bezocht door locale Europeanen of: "Expats".
Zo kwamen wij in "The Olde Brewery" terecht.
Het was blijkbaar nog vroeg, want we waren de eerste klanten.
We waren samen ook wel eens de laatsten geweest, maar dat was bij het sluiten van een andere gelegenheid.
Van de drie hoefijzervormige barretjes was er nog maar één bezet door een barkeeper.
We schoven aan en bestelden een "Koude Rakker"-:..Draught.
Die siste er in en we bestelden een tweede.
Tijdens het tappen meldde zich een volgende klant, een echte koloniale Engelsman. Pijp, grijzend haar, RAF-snorretje en gestoken in een safaripak van onbestemde kleur met een krant onder de arm.
Nadat onze bestelling was uitgeserveerd bestelde hij een "Ale".
Hij nam tegenover ons plaats aan de andere poot van het hoefijzer, nam een slok van zijn bier en vouwde zijn avondkrant open.
Aan het einde van ons tweede pilsje ging de deur opnieuw open. Dit keer voor, zeer duidelijk, twee Amerikaanse echtparen. Wij schatten: ...vader, moeder, dochter en schoonzoon.
De twee dames onderhielden vanaf binnenkomst een gesprek op zeer luide toon in dat vreselijke nasale Amerikaans "Yep,yep,yep,yep..." klonk het en het hield niet op.
Ze namen al "Yeppend" plaats in de vrije ruimte tussen Nederland en Engeland.
De heren bestelden voor het gezelschap wat te drinken en de dames gingen onverdroten voort over hun "shopping"-avonturen, het was gedaan met de rust.
Blijkbaar vond onze engelse "Expat" dat ook, want na een aantal malen verstoord van zijn bier en krant te hebben opgekeken stond hij op van zijn kruk, nam al zijn tijdelijke bezittingen op, wees op een onbezet hoefijzer aan de andere kant van de zaal en vroeg de barkeeper: "Do you mind,...if I sit overthere?".
Toen de barkeeper aangaf daartegen geen bezwaar te hebben, draaide hij zich om en zei al weglopend over zijn schouder: "Because I can't stand.., loud.., female.., American voices!".
Het was ons uit het hart gegrepen en er daalde een stilte neer.
De zelfbeheersing van Amerikaanse zijde was overigens te prijzen. Hollanders hebben over het algemeen minder zelfbeheersing.
Dat ondervond Norse Leo, toen hij al provocerend met een blik oranje menie en een kwast, in Acajutla aan boord ging van een KNSM-schip.
Het was die dag bekend geworden, dat een overname van KNSM en Kon.Holl.Lloyd. door Nedlloyd een feit was.
Hij raakte verzeild in de bar van de bemanning en werd daar onverkort weer uitgemept toen hij zijn boodschap kenbaar had gemaakt: "Dit is om een van de witte strepen in jullie schoorsteen over te schilderen, ik dacht zo, jullie zullen wel zwarte, maar vast geen oranje verf aan boord hebben!?".
Twee blauwe ogen, met daaronder oranje spetters, het stond hem wel.
Ook bij de KNSM lag de overname blijkbaar gevoelig!.

 

 

88. OCHTENDHUMEUR


Bij onze tweede keer Valparaiso kwam mijn opvolger aan boord.
Het was een oude bekende uit het Zeeuwse land, waar ik het jaar daarvoor nog mee in Vlissingen op school had gezeten. Koos was een verstokt vrijgezel van zeer klein postuur.
Daar hij ook heen en weer reed naar Zuid-Beveland, haalden we hem wel eens in op de snelweg.
De eerste keren dachten we met een onbemand voertuig van doen te hebben, omdat hij nauwelijks boven het stuur en het zijruitje van zijn Peugeot 504 uitstak.
Een ander kenmerk van Koos was dat hij s'morgens niets zei, duf voor zich uitstaarde en pas tegen de middag wat begon te praten.
Dat praten was overigens in het "Plat-Zuid Bevelands", tegen "Rillands" aan.
Tevergeefs had een aantal leerkrachten op lagere en hogere scholen getracht hem a.b.n. te leren spreken, zonder resultaat.  Hij bediende zich derhalve, ook op het examen, van het Zeeuws.
Er werden hem dan minder vragen gesteld, omdat hij volgens eigen zeggen, wel eens iets twee keer moest uitleggen op het mondeling.
Ook in Chili bleef de voertaal Zeeuws.
Zijn eerste zorg was echter zijn stille begin van de dag.
"Oe is die haweteka?" begon hij, "moe jie d'r smorreges vroeg a langst?" ging hij bezorgd verder.
"Ik gae savez noga laete slaepe, dan bingk sochez nie al te fris"
"ik staan weh bietieds op, dan pak ik un bak koffie en dan gaank gewoon in mun stoel bie zitt’n trekken, ant de mense moge d'r gin last van hebbe".
"Op m'n vorige schip voer ik mee 'n haweteka, die sting geliek voh mun neus a'k sochez de deur open dee".
"Mah dat hek un vlot affeleerd".
" Oh ja Koos hoe dan?" onderbrak ik zijn relaas.
"De twidden dag dee'k mun deur open, schoof ut gerdien d'r vooh, of daer oorden ik um al aan komme".
"Ik liep gedorie nog in mun onderbroek!".
"Ik bin krom voorover gebogen meh mun onderbroek omlaag, achter ut gerdien gaan staan", die schoof t'et gerdien open, mee: 'goeie morge secund', keek recht in mun klompenkotje en ik heb un nooooit meer zo vroege gezien!" besloot hij.
Terugvliegend vanuit Zuid-Amerika, maakte ik een grote fout.
In Bogota werden de stoelen naast mij ingenomen door een kinderloos echtpaar van de Veluwe, dat in Colombia een baby'tje van een paar maanden oud had geadopteerd.
We raakten in gesprek en ik ontdekte dat ze net zo reageerden als een echtpaar dat via de natuurlijke weg een eerste kindje krijgt,  ...'bezorgd en onwennig'.
'S morgens vroeg, voor aankomst schiphol zag ik dat ze, inclusief reiswieg en tassen met pampers, zoveel handbagage hadden dat ze dit nooit met z’n tweetjes konden mannen.
Daar ik het als een goede gewoonte beschouw juist met zo weinig mogelijk handbagage te vliegen, bood ik aan een deel van hun bagage naar de uitgang te dragen.
Ik voegde er aan toe dat ik dan wel vooruit zou lopen om alvast te kunnen zwaaien naar mijn familie achter het glas.  Ik stond een minuut of tien in het "aquarium" bij de bagagebanden alvorens ik het gezinshoofd van de Veluwe weer terugzag.
Ik voelde meteen nattigheid...hij had zich helemaal verkleed, als:..."Clint Eastwood".
Een "poncho" rond gedaan, met daarboven een grote Mexicaanse "sombrero" en eronder een paar cowboylaarzen met sporen.
Ik gaf hem zijn rechtmatige eigendommen terug en voelde hoe vier paar douaneogen op dat moment in mijn rug priemden.
Ze lieten me ook niet meer los, want toen ik even later vrolijk fluitend met mijn karretje door: "niets aan te geven" wilde lopen, werd ik tegengehouden met: "Meneer,wilt u mij even volgen!".
Dat kostte een uur. Alles uit de koffers. Ieder stukje bagage werd minutieus onderzocht, vervolgens uitkleden en uitgebreid visiteren,...zo keken ze ook in mijn "klompenkotje"!.
Goed dat er douane is..? Je zou er een ochtendhumeur van oplopen!

 

89. HOLLANDERS


De eerste; "bemanning-hollander" en: "niet-officier", of met een duur woord ook wel "lid van de equipage" genoemd, ontmoette ik op Schiphol.  Het was meteen een pracht exemplaar.
We vlogen met zijn drieën naar Los Angeles, naar de "Nedlloyd Kimberley".
Roel van Elzen, de nieuwe 2e stuurman, was een goedlachse vogel van Antilliaanse komaf.
Het pracht exemplaar heette Jan Dekker en was een echte Egmonder, of "Derper", zoals hij dat zelf noemde.
Jan was de nieuwe bankwerker en had al eerder op het schip gevaren.
"U bent van de RIL?" vroeg hij, "Uuuuh... Ik ril al!!" ging hij verder nadat ik zijn eerste vraag bevestigend had beantwoord. In de lucht was hij wat minder spraakzaam, hij had vliegangst.
Dat uitte zich door hyperventilatie, zodat hij het eerste uur in de lucht voortdurend in een plastic zak zat te ademen, ten einde het koolzuurgehalte in zijn bloed op peil te houden.
We praatten af en toe wat op hem in, bestelden een pilsje en voor hem een jonge borrel, daarna kwam hij een beetje los.  "De naam Dekker komt bij ons op het dorp nogal veel voor", zo begon hij.
"Mijn moeder heet ook Dekker van haar meisjesnaam, mijn vader uiteraard ook, dus eigenlijk ben ik een soort van "DubbelDekker". "Ik dacht dat je vliegangst had?", kwam Roel ertussen.
"U komt zeker uit Suriname he?", vroeg Jan wat gepikt.
"Nee, van Curaçao" zei Roel, "maar we wonen als gezin al sinds eind jaren vijftig in Limburg", ging hij verder.
"Ja toen werd er nog niet gediscrimineerd", zei Jan nadenkend.
"Nee dat klopt", zei Roel, "we zijn eens gevraagd als gezin voor de omslag van een kerst-lp van meneer Johnny Hoes, hij kwam het persoonlijk bij ons aan de deur vragen!".
"Er zou een foto van ons gemaakt worden in de sneeuw, maar mijn vader vond het niet zo'n goed idee".
"Daar moet je tegenwoordig eens om komen!".
"Ik heb ook zo'n ervaring", vervolgde Jan.
"Ik kom oorspronkelijk van de 'Maatschappij Nederland' en heb negen jaar achter elkaar op het ms. 'Senegalkust' in de HWAL-dienst op West-Afrika gevaren".
"Ik kreeg in Monrovia kennis aan een vrouw en heb ze op een gegeven moment mee naar huis genomen, een unicum in die dagen!".
"Als ik dan met m'n 'negeres' in Egmond over het dorp liep, dan zeiden de mensen: 'Kiek d'r hei je Black en Dekker'". "Dat is ook mijn bijnaam op het dorp geworden trouwens, want met zoveel Dekkers, moeten ze je toch op een of andere manier aan kunnen duiden als ze over je lullen!", ja zo gaat dat op een dorp.
"Het voordeel van Egmond is wel dat ik er mijn hele leven kan blijven wonen, want als ik met pensioen ga en mijn moeder mocht niet meer leven, 'De Prins Hendrikstichting', het bejaardentehuis voor oud-zeelieden is bij mij om de hoek, dus daar kom ik ooit nog eens terecht", ging hij verder.
"Ik kom er nu al wel eens, want er zitten intussen al een aardig stel waar ik nog mee heb gevaren!".
"Even lachen, oude verhalen ophalen en een borreltje drinken!"."Die zitten daar prima hoor!".
"Laatst is er een die ik kende overleden".
"Toen ik thuis kwam van de reis ben ik even naar het kerkhof gegaan, bleken ze hem te hebben begraven onder een paaltje met een nummer er op!".
"Dat vond ik te gortig, ik heb er een mooi steentje op laten plaatsen!", "Simon heette hij..,Simon van de Laar". "Hij had zijn hele leven gevaren en er goed van geleefd, dus weinig gespaard".
"Ik ben eens met Simon, die een hazelip had, na een jaar op dezelfde boot te hebben gevaren afgelost in Amsterdam; we waren met zijn vieren". "Om ons tegoed in geld op te halen moesten we naar de Prins Hendrikkade". "Contant geld hadden we niet veel meer, dus we namen een taxi tot aan de eerste de beste tramhalte,  Simon had namelijk nog een knipkaart van het jaar ervoor, toen de reis begon".
"Met een breed gebaar stapte hij als eerste in en vroeg aan de trambestuurder 'Whaaar isz dhe chondhuctheurn?'".  "Meneer, conducteurs sein dit jaar afgeschaft geworden", zei de Amsterdammer.
"Oh, dhan mhag jhij.. vhier mhaal khnipphu, jhonghu!", sprak Simon.
De trambestuurder begon een heel relaas dat, in het kader van de reorganisatie van het Amsterdamse openbaar vervoer, waarin conducteurs het loodje hadden gelegd, ook de knipkaart was vervangen door een strippenkaart.
Simon begon dorst te krijgen en onderbrak hem halverwege, met: "Houwhehoer nhie zhovheel.....hen khnip vhier mhaal!".
"Knipkaarten zijn niet meer geldig meneer!", zei de man aan de knoppen.
"Ik zheg hut nhog heen kheer, zheun..,vhier...mhaal...khnippu!!!!, vherdhommuh!!!!".
De kleine Amsterdammer schudde nee en had het volgende moment een dreun voor zijn kanus en was op weg naar een blauw oog. De politie kwam er aan te pas en binnen de kortste keren was het binnen en buiten de tram een vechtpartij van jewelste.
"Wij dolven het onderspit", zei Jan "en zaten de rest van die dag en de nacht in een politiecel".
"Hals-t'ie hnou mhaar ghewhoon, vhier mhaal had gheknipth!!!", herhaalde Simon steeds.
"Ik kon zo'n man toch moeilijk onder dat paaltje begraven laten liggen!??".

 

90. U.S.A.


Los Angeles was mijn eerste kennismaking met de USA en het viel mij, eerlijk gezegd, niet tegen.
Jan en Roel waarschuwden echter dat de "Westcoast" heel anders is dan de rest van Amerika.
Zo zouden de mensen er veel gemoedelijker zijn dan in het toch wat hardere oosten.
We moesten een paar dagen in een hotel omdat het schip vanwege "easter" vertraging had opgelopen in San Francisco. We maakten van de gelegenheid gebruik om de omgeving van LA (eigenlijk Long-each) wat te verkennen. Hollywood, Disneyland en een bezoek aan de, als hotel ingerichte, "Queen Mary".
De "Kimberley" was een degelijk schip, in Japan gebouwd voor een andere rederij, op Amerikaanse leest geschoeid en qua accommodatie, voortgeborduurd op het ontwerp,"Victory" en "Liberty".
Alles in de hutten was van staal en behoudens de airconditioning, leek het of sinds de "Tjipondok" de tijd had stilgestaan. De machinekamer was in orde en de sfeer aan boord was prima.
Naast Jan Dekker, waren ook de kok en de timmerman, "Hollander".
De Hollandse bootsman en de Hollandse elektricien, waren er net af en vervangen door Indonesiërs, conform de rest van de "crew".  Ook de timmerman, Jaap Groen, was een aparte vogel.
Zijn opvolger was eigenlijk ook al aan boord, eveneens een Indonesiër en Jaap moest hem de kneepjes van zijn vak leren.
Het peilen van tanks en vullingen had Jaap hem zo geleerd. Zijn assistent-opvolger had er aardigheid in en kon, zeer tot tevredenheid van Jaap, al alleen de peilrondes maken en het peilingen-boekje invullen.
Dat gaf Jaap de gelegenheid, zich bezig te houden met zijn hobby: "slapen tijdens werktijd" in het, speciaal voor dit doel op een schap in zijn werkplaats van poetslappen gemaakte bed.
Om ontdekking te voorkomen had hij hier en daar wat vislijnen gespannen die, lopend via railingen ,bij aanraking een leeg bierflesje deden omvallen, naast zijn slaapplaats.
Dan sprong hij uit zijn "bed", pakte zijn klaarliggende schaaf en begon te schaven aan een voor dit doel gereedstaande, ingeklemde plank. "Chuuuh...,chuuuh...,chuuuh...!", klonk het dan.
De vloer lag bezaaid met houtkrullen, die hij s'avonds keurig bijeen veegde, in een jute zak deed en de volgende morgen weer door de werkplaats strooide. Dat zag er zeer professioneel uit!.
Op de vraag, waar de plank voor bestemd was, klonk steevast zijn antwoord: "De wegering van ruim 3".
De kapitein, "Wilde Bill Hickok", maakte een aantal malen per dag een wandeling over het schip en trof Jaap altijd bezweet aan.
Toch was Jaap niet helemaal gerust op zijn beveiligingsinstallatie. hij breidde hem uit, gebruik makend van één der eigenschappen of deugden van het gezag, namelijk zijn zuinigheid.
Daartoe legde jaap op een aantal strategische plaatsen wat losse bouten en moeren neer op het achterdek.
Als "Wilde Bill" er dan een vond, op een van zijn wandelingen, raapte hij hem op spoedde zich richting timmermanswerkplaats, al van verre roepend: "Jaaaap.., ik heb er weer een hoor!", binnen twee tellen stond Jaap dan weer te schaven en werd nooit betrapt.
Ik trof Jaap bij toeval wel een keer slapend aan toen ik ook een bout had gevonden, vlak voor de neus van het gezag. "Breng hem naar naar Jaap" zei hij, "die heeft er een hele drum van staan!".

 

 

91. BANKWERKER


Volgens Jan hield deze functie aan boord van de "Kimberley" veel meer in, dan de naam deed vermoeden.
In de eerste plaats was hij ook "Dankwerker", daar ook hij een Timorese leerlingbankwerker als assistent had en van Jan werd verwacht deze knaap op te leiden, wat zeer dankbaar werk was.
Reke was een aardige jongen, die nog veel moest leren. Hij sprak alleen Maleis.
Ook Jan beheerste deze taal goed, maar sprak met Reke af hem al doende ook de Engelse taal bij te brengen.  Dat was