Ahmadiyya Rechtszaak

Deel III van uit het boek

Home

 

 

 

 

Samengesteld door

Maulana Hafiz Sher Muhammad

en dr Zahid Aziz

 

Vertaald door

R. Ghafoerkhan

 

Copyright:

Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam

 

Deel III

 

Het Bewijs

 

 

Dit gedeelte bevat het schriftelijke bewijsmateriaal voorgelegd aan het hof tijdens de hoorzittingen in november 1985, namens de religieuze getuige-deskundige Maulana Hafiz Sher Mohammad. Er werd in de Uitspraak veel gewag gemaakt van dit bewijsmateriaal en de daarin voorkomende citaten zal men in dit Deel aantreffen met volledige bronvermeldingen. Het schriftelijke bewijsmateriaal werd ook mondeling in de rechtszaal gepresenteerd en als aanvulling werden ook enkele, zuiver mondelinge bewijzen gegeven (die hierin niet staan opgenomen).

 

Het schriftelijke bewijs bestaat in de vorm van afzonderlijke documenten, veelal Paragrafen genoemd, waarvan elk één vraagstuk behandelt. In dit boek hebben we aan het begin van elke paragraaf een korte Noot van de samensteller gegeven om aan onze lezers het doel en de relevantie van de daarin voorkomende bewijsstukken toe te lichten. Zonder een dergelijke toelichting zou het voor degenen die niet bekend zijn met de zaak moeilijk zijn de bewijsvoering te volgen.

 

We hebben de regel toegepast dat indien er binnen de citaten verklarende woorden van ons nodig waren, dan worden die tussen rechte haakjes gegeven, dus: […]. Het gebruik van ronde haakjes, d.i. (…), binnen een vertaalde citaat is om de oorspronkelijke woorden van de schrijver te laten zien, daar waar dit nodig was om de vertaling te verduidelijken.

 

 

Inhoud

 

 

 

1. Wie is een moslim?

 

1.1: De Heilige Koran

1.2: Hoe de Heilige Profeet mensen tot de islam bekeerde

1.3: Moslimautoriteiten over Wie is een moslim

1.4: De Heilige Profeet over uiterlijke tekenen van een moslim

1.5: Het verbod op takfīr

1.6: Een mu’awwil kan geen kāfir genoemd worden

 

Appendix bij paragraaf 1

 

2. De geloofsopvattingen van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad en zijn volgelingen

 

 


Paragraaf 1

 

Wie is een moslim?

 

Noot van de samensteller: Het meest fundamentele deel van onze bewijsvoering handelde over de vraag: Wat moet een persoon verklaren, praktiseren, of doen volgens de islamitische leringen teneinde als een moslim kenbaar te zijn? Het dient duidelijk te zijn dat het punt van discussie hier niet is wat vereist is voor een persoon om een complete en ware moslim in geloof en daad te zijn. De kwestie die relevant is voor de zaak is: Wat zijn de criteria neergelegd door de islam voor een persoon om als een moslim kenbaar, geïdentificeerd en behandeld te worden in zoverre het de zaken van burgerrechten en zijn sociale betrekkingen met ander moslims aangaat. Het bewijsmateriaal omtrent dit punt is in zes gedeeltes verdeeld:

(1) Uit de Heilige Koran; extracten die aantonen dat het geloof in God en Zijn Boodschapper een persoon tot een ‘moslim’ maakt.

(2) Uit de Hadies; voorvallen die aantonen dat mensen tijdens het leven van de heilige profeet Mohammed de islam omarmden door de kalima shahāda op te zeggen.

(3) De opinie van moslimautoriteiten, door de geschiedenis van de islam heen, wederom aantonende dat een persoon, om als moslim kenbaar te zijn en gerekend te worden tot de islamitische gemeenschap, slechts de kalima moet verklaren.

(4) Gezegdes van de heilige profeet Mohammed, waarin bepaalde uiterlijke tekenen van een moslim worden aangegeven, waardoor een persoon die die tekenen kenbaar maakt als een moslim behandeld moet worden.

(5) De Koran, Hadies en moslimtheologen over het verbod op takfīr (een moslim kāfir noemen).

(6) Opvattingen van moslimtheologen dat een persoon geen kāfir genoemd kan worden op grond van dat hij van mening verschilt met een algemeen geaccepteerde interpretatie van een bepaald religieus punt.

 

 

1.1: De Heilige Koran

 

De religie van de islam wordt samengevat door de twee frasen: lā ilāha ill-Allāh (er is geen god dan Allah) en Muhammad-ur-rasūl Allāh (Mohammed is de boodschapper van Allah). Door deze twee leerstellingen te aanvaarden, treedt een persoon de broederschap van de islam binnen.

 

Deze twee zinsdelen komen niet samen voor in de Heilige Koran zoals ze dat doen in de kalima, maar elk daarvan vormt een terugkerend thema van de Koran:

 

“Weet dat er geen god is dan Allah.” (47:19)

 

en

 

“Mohammed is de boodschapper van Allah.” (48:29)

 

De Koran zegt ook: “Geloof in Allah en Zijn boodschapper.” (4:171)

 

Met betrekking tot wie een moslim is, zegt de Koran:

 

1.        “Zeg: Aan mij is geopenbaard dat jullie God één God is. Zullen jullie dan moslims zijn?” (21:108)

 

2.        “Zeg: Wij geloven in Allah en in wat aan ons is geopenbaard, en in wat geopenbaard was aan Abraham en Ismaël en Izak en Jakob en de stammen, en in wat gegeven was aan Mozes en Jezus, en in wat gegeven was aan de Profeten van hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen wie ook van hen, en wij zijn moslims.” (2:136)

 

3.        En toen Ik tot de discipelen openbaarde, zeggende: Geloof in Mij en Mijn boodschapper, zeiden zij: Wij geloven, en getuig dat wij moslims zijn.” (5:111)

 

4.        “De woestijnarabieren zeggen, Wij hebben geloof’. Zeg tegen hen: ‘Jullie hebben geen geloof, maar zeg veeleer, wij zijn moslims – er is in jullie harten nog geen geloof binnengegaan.” (49:14)

 

5.        “Zeg niet ‘u bent geen gelovige’ tegen een persoon die as-sālamu alaikum tegen jullie zegt.” (4:94)

 

Deze verzen maken duidelijk dat een persoon die gelooft in de eenheid van God en het profeetschap van de heilige profeet Mohammed en gelooft in zijn openbaringen, een moslim is. Vers no. 5 gaat zover met te zeggen dat een persoon die de groet as-sālamu alaikum uitbrengt om te laten zien dat hij een moslim is, geen kāfir (ongelovige of niet-moslim) genoemd kan worden.

 

1.2: Hoe de Heilige Profeet mensen tot de islam bekeerde

 

1.       “Ibn Umar heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, heeft gezegd: De islam is gebaseerd op vijf dingen – getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper is van Allah, het onderhouden van het gebed, het geven uit liefdadigheid (zakaat), de bedevaart (hajj) en vasten in Ramadan.”

(Bukhari, Boek van Geloof; Boek 2, hfst. 1, p. 90 van gebruikte editie)

 

Noot: In deze hadies wordt de kalima gerekend tot een van de vijf fundamenten. Het basisfundament is de kalima, de andere fundamenten zijn daarop gebaseerd.

 

2.       “Ibn Abbas heeft verteld dat de Heilige Profeet Muaz naar Yemen zond [als gouverneur] en hem opdroeg: Nodig de mensen uit te getuigen dat er geen god is dan Allah en dat ik de Boodschapper van Allah ben; indien zij dit accepteren, vertel hen dat Allah vijf dagelijkse gebeden verplicht voor hen heeft gesteld; indien zij dit accepteren, vertel hen dat Allah hen verplicht heeft gesteld uit liefdadigheid te geven, wat van hun rijkdom wordt genomen en aan hun armen wordt gegeven.”

(Bukhari, Boek van Zakaat; boek 24, hfst. 1)

 

3.       “Toen het tijdstip van de dood van Abu Talib naderde, ging de Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, naar hem toe en trof Abu Jahl Ibn Hisham en Abdullah Ibn Abi al-Mughira bij hem aan. De Boodschapper van Allah zei tegen Abu Talib: O oom! Zeg ‘Er is geen god dan Allah’, ik zal hiervan voor u getuigen tegenover Allah.”

 

“Toen zeiden Abu Jahl en Abdullah Abi Umayya: O Aboe Talieb! Zult u zich afwenden van de godsdienst van Abdul Mutallib? De boodschapper van Allah bleef hem deze kalima voorhouden en de andere twee bleven herhalen wat zij hadden gezegd, totdat Abu Talib zijn laatste woorden tot hen sprak, dat hij de godsdienst van Abdul Mutallib volgde en hij weigerde te zeggen, Er is geen god dan Allah.”

(Bukhari, Boek van begrafenissen; Boek 23, hfst. 81, vol. 1, p. 511)

 

“Abu Bakr zei: O Boodschapper van Allah, wat is verlossing? De Heilige Profeet zei: Hij die de kalima accepteert die ik mijn oom [Abu Talieb] voorhield, maar die hij verwierp, dat is het middel tot verlossing.”

(Mishkāt al-Masābih, Boek van Geloof, hfst. 1, par. 3)

 

4.       “Anas heeft overgeleverd dat de Heilige Profeet heeft gezegd: Er is niemand die oprecht vanuit zijn hart getuigt dat er geen god is dan Allah, en dat Mohammed de boodschapper is van Allah, of Allah verbiedt het vuur van de hel voor hem.”

(Mishkāt al-Masābih, Boek van Geloof, hfst. 1, par. 1)

 

5.       “Van Abu Huraira is overgeleverd dat de Profeet, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, ruiters zond naar Najd. Zij brachten een man mee van de Bani Hanifa, wiens naam Sumama Ibn Usal was, en bonden hem vast aan een van de pilaren van de moskee. Toen kwam de Heilige Profeet naar buiten naar hem en zei: Maak Sumama los. De man ging naar een dadelboom vlakbij de moskee, nam een bad, ging terug naar de moskee en zei: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en Mohammed is Zijn boodschapper.”

(Bukhari, Boek van het gebed; Boek 8, hfst. 75, vol. 1, p. 243)

 

6.       “Abu Zarr heeft overgeleverd: “Ik zei tegen hem [de Heilige Profeet]: Leg mij de islam voor. En toen hij die had voorgelegd, werd ik terstond moslim. Hij zei tegen mij: ‘Abu Zarr! Houd deze zaak geheim en keer terug naar uw land. Wanneer onze triomf u ter ore komt, kom dan.’ Ik zei: ‘Bij Hem die U met de waarheid heeft gezonden, ik zal hen dit toeschreeuwen.’ En zo ging hij [Abu Zarr] naar de moskee en de Quraish waren daar. Hij zei: O volk van de Quraish! Ik getuig dat er geen god is dan Allah en ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is.”

(Bukhari, Kitāb al-Manāqib, Boek 61, hfst. 9, vol. 2, p. 335)

 

7.       In het welbekende verhaal over de bekering van Umar tot de islam, opgeschreven in Shibli’s beroemde biografie van de Heilige Profeet Sīrat an-nabi, staat verhaald dat toen Umar overtuigd was geraakt van de waarheid van de Koran, hij zijn bekering tot de islam verklaarde door uit te roepen: “Ik getuig dat er geen god is dan Allah en ik getuig dat Mohammed de boodschapper is van Allah.”

(Sīrat an-nabi, vol. 1, p. 225-226)

 

8.       Toen Abdullah Ibn Salam hoorde van de komst van de Heilige Profeet in Medina, ging hij daarnaar toe om hem te zien en zei: “Ik wil u drie dingen vragen waarvan alleen profeten kennis dragen.” De Heilige Profeet beantwoordde zijn vragen. Het verhaal loopt als volgt:

 

Hij [Abdullah] zei: Ik getuig dat u de Boodschapper van Allah bent. Hij zei toen: O Boodschapper van Allah! De joden zijn een volk die belasteren; indien zij erachter komen dat ik een moslim ben geworden voordat u hen over mij vraagt, zullen zij mij belasteren. En toen de joden kwamen, ging Abdullah het huis binnen. De Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, zei: Wat voor soort man is jullie Abdullah Ibn Salam? Zij zeiden: Hij is ons meest onderwezen geleerde, zoon van de meest geleerde en hij is de beste van ons, zoon van de beste. De Heilige Profeet zei: Wat indien jullie zien dat hij een moslim is geworden? Zij zeiden: Moge God hem hiervoor behoeden! Toen ging Abdullah naar hen toe en zei: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en ik getuig dat Mohammed de boodschapper van Allah is. Zij zeiden: Hij is de slechtste van ons, zoon van de slechtste. En zij begonnen hem te minachten.”

(Bukhari, Boek der Profeten; Boek 60, hfst. 1, vol. 2, p. 253)

 

9.       “Van Abu Salama is overgeleverd dat de laatste wens van zijn moeder was dat een moslimslavin namens haar in vrijheid moest worden gesteld. Aldus vroeg hij de Heilige Profeet hierover en vroeg zich af of hij een zwart slavenmeisje dat hij bezat in vrijheid moest stellen uit de stad van Nobiyya. De Heilige Profeet zei: Breng haar hier. Toen zei kwam, zei hij tegen haar: Wie is uw Heer? Zij zei: Allah. Hij zei: Wie ben ik? Zij zei: De Boodschapper van Allah. Hij zei: Ga en stel haar in vrijheid, zij is een gelovige.”

(Tarjuman as-Sunna, vol. 2, p. 128)

 

10.    Abu Huraira heeft overgeleverd dat hij de Heilige Profeet vroeg te bidden om leiding voor zijn moeder. Hij bad: O Allah! Schenk leiding aan de moeder van Abu Huraira. Abu Huraira vertelde toen:

 

“Toen vertrok in tevredenheid vanwege het gebed van de Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem. Toen ik de deur van mijn huis naderde, was het gesloten. Toen mijn moeder het geluid van mijn voetstappen hoorde, riep zij uit: Blijf waar je bent Abu Huraira. Ik kon het geluid van gespetter van water horen. Ze had een bad genomen, trok haar overkleding aan en haastte zich met de hoofdbedekking. Toen opende zij de deur en zei: O Abu Huraira! Ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is. Ik spoedde mij terug naar de Boodschapper van Allah, terwijl ik tranen van vreugde stortte. Hij prees Allah en sprak goed over haar.”

(Muslim, Boek van deugden. Vol. 5, p. 163-164)

 

11.    “Baraida Ibn al-Hasib heeft overgeleverd dat zij op een dag bij de Heilige Profeet zaten toen hij tegen zijn metgezellen zei: Laten we onze zieke joodse buurman gaan bezoeken. En toen de Heilige Profeet naar binnen ging om hem te zien, trof hij hem bijna dood aan. Hij vroeg hoe het met hem ging en zei toen tegen hem: Getuig dat er geen god is dan Allah en dat ik de boodschapper van Allah ben. De jood keek naar zijn vader, die niets zei. [De Heilige Profeet herhaalde toen zijn verzoek.] De vader zei: Getuig daarvan. Aldus zei de jongen: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper is van Allah. De Heilige Profeet zei: Alle lof komt Allah toe, Die via mij deze man gered heeft van het vuur van de hel.”

(Bukhari, Boek van begrafenissen. Zie ook Mishkāt, Kitāb al-Fitn,  hfst. Namen van de Heilige Profeet, par. 3, zie v. 3, p. 134-135)

 

12.    Toen de Heilige Profeet onder een boom sliep, kwam een woestijnarabier naar hem toe met een zwaard. Het verhaal gaat verder:

 

“Hij [de bedoeïen] zei: Wie kan u nu van mij redden? De Heilige Profeet zei: Allah. Het zwaard viel uit zijn hand. De Heilige Profeet raapte het op en zei: Wie kan u nu van mij redden? De man zei: Wees een betere zwaardvechter [de betekenis is: vergeef mij]. De Heilige Profeet zei: Getuigt u dat er geen god is dan Allah en dat ik de Boodschapper ben van Allah. Hij zei: Nee, maar ik beloof dat ik u niet zal bestrijden, noch partij zal kiezen voor degenen die u bestrijden. Aldus liet de Heilige Profeet hem gaan.”

(Mishkāt al-Masābih, hfst. Vertrouwen op God en geduld, par. 3)

 

13.    Een man kwam tot de Heilige Profeet terwijl er een strijd gaande was. Hij zei: Zal ik eerst tegen de ongelovigen strijden en dan moslim worden, of eerst moslim worden en dan strijden? De Heilige Profeet zei: Word eerst moslim, en strijd daarna. De man zei: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat u Zijn dienaar en boodschapper bent. Hij ging toen en streed totdat hij werd gedood.

(Tuhfāt al-Akhyār, p. 394)

 

14.    Adi Ibn Hatim, een metgezel van de Heilige Profeet, heeft overgeleverd: Toen de Heilige Profeet mij zag, zei hij: Adi, waarom loopt u weg van lā ilāha ill-Allāh [Er is geen god dan Allah]? Is er iemand anders dan Allah waard aanbeden te worden? Waarom weigert u te zeggen Allāhu Akbar? Is er iemand groter dan Allah? Deze woorden maakten zo’n indruk op mij dat ik onmiddellijk de kalima opzegde en moslim werd.

(Tafsīr Ibn Kasier, Urdu, onder vers 1:5)

 

 

1.3: Moslimautoriteiten over ‘Wie is een moslim’

 

1. Abu Bakr

 

Toen Abu Bakr de eerste kalief werd, schreef hij een brief naar enkele afvallige stammen en legde hen uit hoe hij moslim was geworden:

 

“Ik loof de ware God, buiten Wie niemand aanbeden wordt. Ik verklaar dat Allah Eén is, zonder deelgenoot en Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is. Wij bevestigen de boodschap van Allah die hij tot ons bracht. Hij die het ontkent, is een kāfir.”

(Tārikh Tabari, Urdu-vertaling, vol. 1, deel 4,  p. 38)

 

2. Hoe een afvallige stam moslim werd

 

Toen de stam van Abdul Qais afvallig werd na de dood van de Heilige Profeet, verzamelde een lid van deze stam hen bijeen en bracht hen terug tot de islam. Hij verklaarde:

 

“Mohammed is gestorven zoals de vorige profeten zijn gestorven. Ik verklaar dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is.”

 

Zijn stam zei:

 

“Ook wij getuigen dat er geen god is dan Allah en Mohammed zeker Zijn dienaar en boodschapper is.”

 

Zo bleven zij standvastig in de islam.

(Tārikh Tabari, vol. 1, p. 94-95. Hoofdstuk over de afvalligen van Bahrein)

 

3. Imam Ghazali (gest. 1111 n.C.)

 

Ghazali, een van de grootste filosofen van de islam, schreef:

 

i.         “Hij die zegt, Er is geen god dan Allah en Mohammed is zijn Boodschapper’, met de tong, maar dit niet in zijn hart bevestigt, er bestaat geen twijfel over dat hij in het Hiernamaals gerekend zal worden tot de ongelovigen en de hel zal binnengaan. Maar het lijdt ook geen twijfel dat, in zoverre het de zaken van deze wereld aangaat, de religieuze en seculiere autoriteiten hem zullen rekenen tot de moslims, omdat het niet bekend is wat er in zijn hart is en wij zijn verplicht te accepteren wat op zijn tong ligt.”

(Ihyā al-Ulūm, p. 97)

 

ii.       In zijn biografie over Ghazali schrijft Maulana Shibli:

“Wat waren de islamitische leerstellingen volgens Ghazali? Het grondbeginsel van de islam bestaat uit slechts twee zinnen: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah. Echter, tijdens het nader verklaren van de bijzonderheden hiervan ontstonden er meningsverschillen en verschenen er vele sekten.”

(Al-Ghazali door Shibli, p. 102)

 

4. Imam Ibn Taimiyya (gest. 1327 n.C.)

 

De imam, een vooraanstaande theoloog, beschouwd als de mujaddid van zijn tijd, schrijft:

 

“Het bewijs van iemands islam dient gebaseerd te zijn op iets wat bij allen gelijkelijk herkenbaar is. Indien dit bepaald werd door de kennis die de boodschapper van God bezat, dan zouden alle huichelaars gerekend zijn geweest tot de ongelovigen. Indien zij op die grond waren gedood, zouden zij geen mogelijkheid hebben gehad de islam in diskrediet te brengen door te zeggen dat de Heilige Profeet zijn eigen vrienden doodde. Derhalve werd louter de verklaring van de kalima met de tong als criterium gemaakt om de islam te omarmen en het begin en het einde van een oorlog tegen ongelovigen werd van slechts deze kalima afhankelijk gemaakt.”

(Kitāb al-Imān, p. 172 zoals naar verwezen in Tarjuman as-Sunna, voetnoot, vol. 1, p. 471, Delhi, 1948)

 

5. Shah Wali Ullah van Delhi (gest. 1763 n.C.)

 

Shah Wali Ullah, een wereldvermaarde Indiase moslimgeleerde, theoloog en filosoof, heden erkend door alle moslims van India en Pakistan, heeft geschreven:

 

“Toen de geboden werden geformaliseerd door de sharia, werd het woord imān (geloof) toegepast op de twee getuigenissen’ en het woord kufr (ongeloof) op de ontkenning van deze twee. Waneer we deze terminologie in gedachten houden, kunnen we zeggen dat imān het bevestigen met de tong is en kufr het ontkennen van deze twee met de tong is.”

(Al-Khair al-Kasīr,  p. 440, uitgegeven in Karachi)

 

Met de “twee getuigenissen” wordt de kalima shahāda bedoeld.

 

6. Een andere opvatting van Shah Wali Ullah

 

“De Heilige Profeet heeft het geloof omschreven als uit twee soorten te bestaan. De ene is die welke afhankelijk is van de geboden met betrekking tot deze wereld, zoals de onschendbaarheid van leven en bezit en wat men moet doen bij zaken van uiterlijke gehoorzaamheid. De Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Het is mij geboden tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn boodschapper is, het gebed verrichten en in liefdadigheid uitgeven; en wanneer zij dat doen, zijn hun leven en bezit veilig voor mij’. En wat innerlijk ongeloof betreft, Allah zal hen daarvoor ter verantwoording roepen. De Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Hij die ons gebed bidt, onze qibla als zijn qibla neemt en ons geslachte vlees eet, hij is een moslim voor wie het verbond [of bescherming] van Allah en Zijn boodschapper geldt; schend dus niet het verbond van Allah.’ En de Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Drie dingen vormen de basis van ons geloof: hij die de kalima opzegt met de tong, noem hem geen kāfir voor enige zonde, noch verdrijf hem uit de islam voor enig wangedrag.”

(Hujjat Ullah al-Baligha, vol. 1, hfst. Het tweede soort van geloof, p. 322)

 

7. Imam Raghib’s Mufradāt

 

In het standaardwoordenboek van de Heilige Koran, de Mufradāt van Imam Raghib, wordt islam als volgt gedefinieerd:

 

“Volgens de sharia zijn er twee graden van [een persoon’s toewijding aan] de islam. De ene [mate van belijdenis van] islam staat beneden het niveau van geloof en dat is de verklaring met de tong en het opzeggen van de kalima. Dit stelt het leven veilig. In dit geval is de kwestie van de juistheid van geloof niet aan de orde. Het Koranische vers dat wijst op deze graad van islam is: ‘De woestijnarabieren zeggen, Wij hebben geloof. Zeg tegen hen: Jullie hebben geen geloof, jullie moeten slechts zeggen: wij zijn moslims’.”

 

“De andere graad van islam is die welke boven het niveau van geloof staat en dat is dat er, naast het betuigen van de kalima met de tong, geloof in het hart moet zijn en de persoon trouwheid moet tonen in het in praktijk brengen van en zich onderwerpen aan de geboden van God. Op deze graad van islam wordt gewezen in de volgende vermelding van Abraham: ‘Toen zijn Heer tegen hem zei: onderwerp u, zei hij: ik onderwerp mij aan de Heer der werelden’. En er wordt op gewezen in het volgende: ‘Waarlijk, de religie bij God is de islam.”

(Mufradāt van Raghib)

 

8. Lisān al-Hukām

 

De auteur van het klassieke Lisān al-Hukām schreef:

 

“Er staat geschreven dat indien een atheïst, of een afgodenaanbidder, of iemand die in goden naast de Ene God gelooft, louter zou zeggen, Er is geen god dan Allah, hij de islam binnentreedt. Of indien hij zou zeggen, Ik geloof dat Mohammed de boodschapper van God is, treedt hij de islam binnen. Dit is zo omdat de verwerpers van de islam weigeren deze twee formules op te zeggen. Vandaar dat indien hij zelfs maar een van deze twee geboden verklaart, zal hij uit de categorie niet-moslims genoemd gehaald worden en als een moslim beschouwd worden.”

(Lisān al-Hukām, p. 204)

 

9. Imam Shafi’i

 

Shafi’i, stichter van een van de vier scholen van jurisprudentie in de soennitische islam, vertelt het volgende:

 

“Tegen Umar, de tweede kalief, werd betreffende een zekere man verteld dat hij geen gelovige in zijn hart was, maar louter een moslim in uiterlijke zin. Umar vroeg hem: ‘Is het niet waar dat u slechts uiterlijk een moslim bent en geen moslim in werkelijkheid en dat uw enige reden voor het omarmen van de islam is om islamitische rechten te verkrijgen?’ Hij vroeg aan Umar: ‘Heer, berooft de islam die mensen van hun rechten die de islam slechts in de uiterlijke zin volgen en laat die geen weg voor hen open?’ Umar zei: ‘De islam heeft een weg voor hen opengelaten, en zei verder niets meer.”

(Kitāb al-Um, vol. 6, p. 154)

 

10. Sharh Fiqh Akbar

 

In zijn gezaghebbend werk over islamitisch recht schrijft Imam Abu Mansur:

 

“Hij die wenst gerekend te worden tot de gemeenschap van de heilige profeet Mohammed, moet met zijn tong zeggen, Er is geen god dan Allah en Mohammed is de boodschapper van Allah, en de betekenis daarvan in zijn hart bevestigen. Hij is dan een moslim, zelfs hoewel hij niet bekend hoeft te zijn met de plichten en verboden.”

(p. 34 van de editie gepubliceerd door Da’irāt al-Mu’ārief van Egypte)

 

11. Sayyid Muhammad Ismail Shaheed (gest. 1831 n.C.)

 

Deze beroemde religieuze en militaire leider van noordwest India bekeerde als volgt twee Sikhs tot de islam. Het verhaal is genomen uit zijn biografie van de bekende hedendaagse schrijver Abul Hasan Ali Nadawi.

 

“Tijdens zijn verblijf in Panjtar kwamen twee Sikh-spionnen bij Shah Ismail Shaheed om hem te ontmoeten. Hij vroeg hen de reden van hun komst. Zij zeiden dat zij alleen gekomen waren om hem te ontmoeten. Hij zei: ‘Jullie zijn onze gasten, blijf zolang als jullie willen.’ Na ongeveer tien dagen zeiden zij op een dag: “Heer, wij hebben zoveel dagen bij u verbleven, geluisterd naar wat u heeft gezegd en we hebben bemerkt dat u datgene wat we gehoord hebben van de mensen betreffende uw prijzenswaardige eigenschappen en innemende zeden overtreft. Wij bewonderen uw levenswijze en godsdienst zeer en wij zouden graag willen dat u ons daar naartoe leidt.’ De Sayyid was zeer verheugd en liet hen onmiddellijk de kalima opzeggen en moslims worden.”

(Jab Imān ki Bahar A’ee, Lucknow, India, 1974, p. 139-140)

 

12. Prediking van de Islam

 

Dit is een beroemd geschiedenisboek dat een nauwkeurig verslag doet van de verspreiding van de islam, geschreven aan het einde van de negentiende eeuw door de vooraanstaande oriëntalist sir Thomas Arnold. Het is vrij populair in de moslimwereld en is in het Urdu beschikbaar als Da’wat-i Islam. De auteur citeert een antwoord geschreven door de Shaikh al-Islam van Constantinopel in 1888 op een vraagsteller die moslim wilde worden. Het antwoord luidde:

 

“In werkelijkheid is de grondslag van de islam dat men moet geloven dat God één is en geloven in het apostelschap van de heilige profeet Mohammed. Dat wil zeggen, men moet dit in zijn hart geloven en het via woorden betuigen zoals die van de kalima: Er is geen god van Allah en Mohammed is Zijn boodschapper. Elke persoon die deze kalima verklaart, wordt moslim zonder iemands goedkeuring te verkrijgen. Indien u, zoals u in uw brief heeft geschreven, de kalima heeft geaccepteerd, d.w.z. u erkent dat er slechts één God is en dat Mohammed Zijn boodschapper is, dan bent u een moslim en heeft u onze goedkeuring niet nodig.”

(Da’wat-i Islam, editie gepubliceerd in Karachi, 1979, Appendix 4, p. 350)

 

13. ‘Romeinse prinses omarmt de islam’

 

In Da’wat-i islam staat onder de bovenstaande kop opgetekend:

 

“Om de islam te omarmen, was het enige wat vereist was het erkennen van de kalima: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah.”

(Ibid., p. 143-144; zie ook The Preaching of Islam, Engelse editie, herdrukt door Renaissance Publishing House, Delhi, 1984, p. 160)

 

14. ‘Eenvoud van het omarmen van de islam’

 

In hetzelfde werk staat geschreven:

 

“De meest belangrijke van alle redenen voor het succes van de verspreiding van de islam is de eenvoud van de kalima van de islam: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah. Deze zijn de enige twee punten die een bekeerling tot de islam moet verklaren. Men kan nergens in de geschiedenis van de theologie van de islam aantreffen dat de Ulama van de islam een of ander gecompliceerde en ingewikkelde formule hebben bedacht, in de plaats van deze duidelijke kalima, voor de leiding van de massa.”

(Ibid., p. 319; zie ook The Preaching of Islam, op. cit., p. 413)

 

15. Maulana Ashraf Ali Thanvi (gest. 1943)

 

Deze beroemde theoloog, een toonaangevende Deoband-geleerde van het begin van deze eeuw,  verhaalt:

 

“Ik ging eens naar Jaunpur op verzoek van een slager en logeerde als zijn gast. Daar ontving ik een brief die een gedicht bevatte dat vier dingen over mij vertelde. … Het derde was: ‘U bent een kāfir’. … Ik behoef niets te zeggen over dit derde punt, omdat ik niet de vroegere toestand hoef te bespreken dat ik een kāfir was of een moslim. Op dit moment zei ik de kalima op in aanwezigheid van iedereen: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en Mohammed de boodschapper is van Allah. Nu ben ik dus een moslim.”

(Majlīs Hakim al-Ummat, samengesteld door Maulavi Mufti Muhammad Shafi, voormalig Hoofdmoefti van Pakistan, gepubliceerd door Dārul Ishā’at, Karachi, p. 196-197)

 

16. Maulana Abul Kalam Azad (gest. 1958)

 

Hij was een moslimtheoloog, geleerde en auteur van deze eeuw in India, die ook hoge politieke en ministeriële posten bekleedde in de republiek India. In zijn bekende Urdu-commentaar van de Koran schrijft hij:

 

“Hier richten wij de aandacht op slechts één zaak. Wat de islam tot basisuitdrukking heeft gemaakt van zijn lering is bij iedereen bekend – Ash-hadu an lā ilāha ill Allāh, wa ash-hadu anna Muhammad-an abduhā wa rasūlu-hū. Dat wil zeggen, ik erken dat er niemand aanbeden dient te worden behalve God en ik erken dat Mohammed de dienaar van God en Zijn boodschapper is.”

(Tarjuman al-Qurān, Delhi, 1931, vol. 1, p. 119)

 

17. Maulana Shibli (gest. 1914)

 

Shibli, een vermaarde Indiase moslimgeleerde, schrijver en historicus van de islam, heeft in zijn boek over theologie en filosofie geschreven:

 

“De grondbeginselen die de basis vormen van de islam zijn tauhīd [geloof in de Eenheid van God] en nubuwwah [geloof in het profeetschap van de Heilige Profeet Mohammed]. Wie dan ook Lā ilāha ill-Allāh zegt, hij treedt de tuin [van de islam] binnen. Dit is de islam – simpel, duidelijk en beknopt. Deze eenvoud is het onderscheidende kenmerk van de islam vergeleken met andere godsdiensten, en een Europese geleerde heeft zijn mening weergegeven over deze eenvoud in de volgende woorden: Indien een christelijke denker een blik zou werpen op de lange en gecompliceerde geloofspunten van zijn godsdienst, dan zou hij uitroepen, Waarom kon mijn godsdienst niet zo duidelijk en simpel zijn dat ik een gelovige kon zijn door [zoiets simpels als] het geloof in één God en in Zijn boodschapper Mohammed te verklaren. In feite waren deze de enige twee verklaringen, door die op te zeggen en het geloof daarin te uiten, waardoor een kāfir een moslim werd, een slechterik rechtschapen werd, een boosaardige veelbelovend werd en een verworpene een gekozene werd.”

(Ilm al-Kalām aur al-Kalām, Karachi, 1976, p. 273)

 

18. Maulana Shabbir Ahmad Usmani

 

Deze hedendaagse theoloog schrijft:

 

“Het woord moslim betekent slechts dat iemand die daartoe gerekend wordt beweert tot de islam te behoren en de heilige kalima opleest: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah.”

(Khutbat Sadarat, p. 15)

 

19. Qari Muhammad Tayyib

 

Het hoofd van de Jamī’a Qasimiyya, Dārul Ulūm, Deoband, India, heeft  geschreven:

 

Derhalve, bij het introduceren van een bekeerling tot de islam, kan van hem verlangd worden de kalima tayyiba of de kalima shahāda op te zeggen. In beide gevallen zal hij de islam binnentreden.”

(Kalima Tayyiba, Deoband, 1369 n.H., p. 66)

 

20. Maulavi Muhammad Yusuf Banori

 

De Shaikh al-Hadies (grote geleerde van de Hadies) aan de Jamī’a Islamiyya in Dabhail, schrijft:

 

“Het is spijtig te moeten weten dat heden een nieuwe zorg op verbazingwekkende wijze de kop opsteekt. Namelijk, de kalima van de islam, Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah, wat de basisleerstelling van de islamitische godsdienst is en de scheidslijn tussen ongeloof en islam, is nu het onderwerp van discussie.”

(Ibid., p. 2-3)

 

21. Dr. sir Muhammad Iqbal (gest. 1938 n.C.)

 

Deze grote dichter-filosoof van het moslimse India en een nationale held van Pakistan heeft geschreven:

 

“Eens vertelde de heilige profeet Mohammed, onder invloed van een zekere geestelijke drang, aan een van zijn metgezellen: Ga en zeg tegen de mensen dat wie ook in zijn leven ook maar éénmaal met zijn tong zegt, Er is geen god dan Allah, hij moet weten dat hij het paradijs zal ingaan.’ De Heilige Profeet liet opzettelijk het tweede zinsdeel van de kalima weg, d.i. Mohammed is de boodschapper van Allah, waardoor een persoon zonder die te betuigen geen moslim kan worden, en hij achtte enkel het betuigen van de Eenheid van God als voldoende.”

(Khilāfat Islamia, Lahore, 1923, p. 9-10)

 

22. Sayyid Abul Ala Maudoodi (gest. 1979)

 

Maulana Maudoodi is de meest bekende religieuze leider van Pakistan en stichter van de machtige Jamā’at-i Islami politieke partij.

 

i.         In een verzameling van zijn preken heeft hij geschreven:

 

“Broeders in de islam! Jullie weten dat een mens de schoot van de islam ingaat door een bepaalde zin op te zeggen. En zelfs die zin is niet erg lang, maar slechts enkele woorden: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah. Door deze woorden met de tong te uiten, verandert een persoon helemaal. Hij was een kāfir en nu is hij een moslim. Hij was onrein en nu is hij rein.”

(Khutbut-i Maudoodi, Pathankot, India, 1940, p. 24)

 

ii.       “In deze hadies heeft de Heilige Profeet de constitutionele wet van de islam uitgelegd. En dat is dat wanneer een persoon de Eenheid van God en het apostelschap van de Heilige Profeet verklaart, hij de schoot van de islam ingaat en een burger van de islamitische staat wordt. Wat betreft of hij een ware gelovige is of niet, alleen God kan dat beoordelen. Het is ons niet toegestaan dit te beoordelen vanwege de woorden [van de Heilige Profeet]: ‘Het is mij niet bevolen de harten van de mensen open te snijden en hun innerlijke wezen te onderzoeken.’ Waarborg van leven en bezit wordt louter door het betuigen van Eenheid en apostelschap tot stand gebracht.”

(Tafhimāt, Pathankot, India, 1942, p. 164)

 

iii.     “Ieder persoon weet dat aan het betuigen van de Eenheid van God (tauhīd) en het profeetschap van de Heilige Profeet (risālat) de naam geloof (imān) is gegeven. Indien een persoon dit verklaart, dan is voldaan aan het wettelijke vereiste om de schoot van de islam binnen te treden en verdient hij het als een der moslims behandeld te worden.”

(Tahrīk Islam ki Ikhlaqi Bunyaden, d.i. Morele grondslag van de islamitische beweging, p. 39)

 

23. Ghulam Ahmad Pervez

 

Deze bekende hedendaagse Pakistaanse moslimdenker, auteur en stichter van de Idāra Tulū-i Islam schrijft in zijn Urdu-commentaar van de heilige Koran:

 

“Het is vereist gesteld dat elke persoon die deze orde [de islam] wenst binnen te treden twee punten dient te bevestigen. Het ene is lā ilāha ill-Allāh – ik getuig dat er niemand is behalve Allah om voor te buigen. Ten tweede, ash-hadu anna Muhammad-an abdu-hū wa rasūluh – Mohammed, die de centrale plaats inneemt in deze orde, is de dienaar en boodschapper van Allah.”

(Mu’ārif al-Qurān, vol. 4, p. 613)

 

24. Chaudhary Afzal Haque

 

De voorzitter van de Ahrar politieke moslimbeweging in India heeft voor de opdeling geschreven:

 

“Welke mate van kennis men ook bezit over de islam, men moet dat aan niet-moslims overdragen. Men mag niet denken dat men slechts weinig kennis heeft. De kennis van de islam bestaat uit slechts enkele woorden, waardoor een persoon door die te begrijpen de islam binnentreedt. Buiten Allah is er niets waard te aanbidden – geen jinn, man, graftombe of begraafplaats – en Mohammed is de apostel van Allah. Enkel hierdoor openen de deuren van rechtschapenheid zich voor de mens, werden de verdorvenen rein en werden de slechten goed.”

(Khutbut Ahrar, Lahore, 1944, p. 61)

 

25. Dagblad Azād, orgaan van de Ahrar

 

“Zolang een persoon zich strikt vasthoudt aan de twee grondbeginselen van de islam, d.i. tauhīd en risālat [Eenheid van God en profeetschap van Mohammed], kan geen geestelijke of priester hem uit de schoot van de islam verdrijven, ongeacht hoe verkeerd en misleid de opvattingen van die persoon over de Koran en de sharia ook mogen zijn.”

(23 mei 1952)

 

26. Sayyid Abu Zarr Bukhari

 

De zoon van de welbekende Ata Ulla Shah Bukhari en hoofd van de commissie van de Ahrar, heeft in een interview gezegd:

 

“Wij geloven dat het verkeerd is om onze posities van het uitvaardigen van religieuze vonnissen te gebruiken om op onwettige wijze een persoon uit de schoot van de islam te verdrijven. Niemand heeft het recht die mensen kāfir te noemen die met hun eigen tong beweren moslims te zijn.”

(Dagblad Nawa-i Waqt, Lahore, 12 maart 1969, voorpagina)

 

27. Maulana Amin Ahsan Islahi (een leider van de Jamā’at Islami):

 

“De grondslag van de islam is de kalima: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah.”

(Haqīqat-i Shirk, voorwoord, p. 5)

 

28. Dr. Israr Ahmad

 

Hij is een bekende geleerde van de Heilige Koran in Pakistan die frequent in de kranten over de islam schrijft. Hij schrijft.

 

“Alleen die persoon kan op deze wereld een moslim genoemd worden die met de tong de kalima shahāda betuigt en uit.”

(Nabi Akram se Hamare Taluqāt ki Bunyaden, Lahore, 1978, p. 6)

 

29. Muhammad Rafiq, M.A., M.Ed., Cadet College, Kohat, Pakistan:

 

“17 – Wat is de kalima tayyiba?

Antwoord – In de kalima tayyiba betuigt een persoon met zijn tong en bevestigt hij met zijn hart de eenheid van God en het apostelschap van de heilige profeet Mohammed en voegt hij zich bij de broederschap van de islam. De kalima tayyiba is: Lā ilāha ill-Allāh, Muhammad-ur Rasūl Allah, d.i. hij zegt dat er niets aanbidden dient te worden behalve Allah en Mohammed is de boodschapper van Allah.”

(Imān-o Amal, Lahore, 1968, p. 19-20)

 

30. Dhr. Qadir ud-Dib, ex-magistraat, West-Pakistaans Hooggerechtshof

 

Hij zei in een kranteninterview:

 

“Gelukkig zijn alle sekten verenigd rondom God, Mohammed, de Koran en aanbidding. Dit is de grondslag van het geloof. Om deze reden is de definitie van moslim die vanaf het begin is gegeven dat het hij is die met de tong en het hart en de ziel bevestigt dat er geen god is dan Allah en Mohammed de boodschapper is van Allah. In de tijd van de Heilige Profeet zelf was dit het eigenste teken van een moslim en door de kalima vanuit het hart te aanvaarden en met de tong te bevestigen werd de grootste ongelovige een moslim.”

(Dagblad Jang, Karachi, 16 mei 1976)

 

 

MOSLIMOPVATTINGEN IN RECENTE ENGELSE BOEKEN

 

1. Islam and Contemporary Society – Islamic Council of Europe

 

Dit is een verzameling van artikelen van verschillende hedendaagse moslimgeleerden, uitgegeven in 1982 door de Islamic Council of Europe (Longman Publishers,  Londen). Het artikel De islam en de vijf zuilen van zijn geloof door dr. Ebrahim al-Khouly (p. 47-61) begint als volgt:

 

“Via deze uitdrukking wordt de islam gevisualiseerd als een gebouw gedragen door vijf zuilen. De primaire zuil is de getuigenis van de eenheid van God, wat het fundament en de bron is van de islamitische beginselen, waarden, bepalingen en stelsels die de maatschappij en alle zaken in het leven leiden. Andere zuilen omgeven dit basismiddelpunt: Het gebed … Vermogensbelasting van de gemeenschap (zakaat) … vasten … de bedevaart … Alle vijf zuilen staan op het stevige fundament dat God de Heer van de hele schepping is en dat de mensen Zijn dienaren zijn.” (p. 47)

 

En aan het einde van zijn bespreking over de eerste zuil concludeert hij:

 

“De keuze van het woord shahāda (getuigenis) om het geloof in God en het profeetschap van Mohammed uit te drukken, betekent dat de gelovige zijn geloof moet verklaren, net zoals een getuige zijn getuigenis naar voren brengt. Het verbergen van een getuigenis betreffende wereldlijke zaken is zondig; met het verbergen van de shahāda wordt een persoon niet meer als moslim beschouwt totdat hij het bekendmaakt.” (p. 49)

 

2. Islam, its meaning and message – Khurshid Ahmad

 

Dit boek is uitgegeven door Khurshid Ahmad, die ten tijde van de publicatie directeur-generaal van de Islamic Foundation, Leicester, Engeland, was. Hij heeft zich vaak tegen de Ahmadiyya Beweging uitgesproken en was een getuige tegen ons in deze rechtzaak. In het tweede hoofdstuk, Islam: grondbeginselen en kenmerken, zegt Khurshid Ahmad:

 

“Een man voegt zich bij het geloof van de islam door oprecht te geloven in en het uiten van het geloof in de eenheid van God en het profeetschap van Mohammed (vrede zij met hem). Deze beide geloofspunten worden belichaamd door de kalima:

Lā ilāha ill-Allāh, Muhammad-ur Rasūl Allah (‘Er is geen god behalve Allah, Mohammed is Zijn profeet’).

Het eerste gedeelte van deze kalima presenteert het concept van tauhīd (eenheid van God) en het tweede gedeelte ervan bevestigt het profeetschap van Mohammed (vrede zij met hem).”

(Islam, its meaning and message, Islamic Foundation, Leicester, Engeland, 1975, pagina 29)

 

 

1.4: De Heilige Profeet over uiterlijke tekenen van een moslim

 

Tijdens het leven van de heilige profeet Mohammed, toen de islam zich snel begon te verspreiden, bestond er soms twijfel of een bepaalde bekeerling oprecht was in zijn belijden van de islam of niet. De Heilige Profeet onderwees daarom zijn volgelingen dat indien zij bepaalde specifieke kenmerken in het gedrag van een persoon aantroffen (zoals de moslimse wijze van bidden, het zeggen van assālamu alaikum als groet), dan moesten zij hem als moslim beschouwen. Hieronder citeren we hadiesen die moslims tonen hoe men een moslim door zijn handelingen kan herkennen.

 

1.       Abu Huraira heeft overgeleverd dat een man bij de Profeet kwam en hem vragen stelde. Hij zei: “O Mohammed, vertel me wat islam is?” De Profeet zei: “Islam is dat u alleen Allah moet aanbidden en niets met Hem moet verenigen, het gebed onderhouden, uitgeven in liefdadigheid (zakaat), de bedevaart (hajj) verrichten en vasten tijdens Ramadan.”

 

Hij vroeg: “Als ik dit alles doe, word ik dan een moslim?” De Profeet zei: “Ja.”

(Sunan Nasa’i, vol. 3, p. 366 van gebruikte editie)

 

2.       Umar vertelde dat de engel Gabriël bij de Heilige Profeet kwam en zei: “O Mohammed, vertel me wat islam is?” De Heilige Profeet zei:

 

“Islam is dat u getuigt dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper is van Allah, en het gebed onderhoudt, uitgeeft in liefdadigheid (zakaat), vast in Ramadan en de bedevaart (hajj) verricht indien u daartoe in staat bent.”

(Muslim, Boek van geloof, p. 76 van gebruikte editie)

 

3.       “Een man zei tegen Ibn Umar: Waarom verricht u niet de jihad? Hij zei: Ik heb de boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, horen zeggen, de islam is op vijf zaken gebaseerd: getuigen dat er geen god is dan Allah, het gebed onderhouden, uitgeven in liefdadigheid, de bedevaart en vasten in Ramadan.”

(Muslim, Boek van geloof, vol. 1, p. 93)

 

4.       Anas heeft overgeleverd dat een man kwam bij de Heilige Profeet en zei: “Uw afgezant was bij ons gekomen en zei dat u beweert dat Allah u heeft gezonden.” De Heilige Profeet antwoordde: “Hij heeft de waarheid gesproken.” Hij zei: “De afgezant beweerde dat er vijf dagelijkse gebeden verplicht zijn gesteld voor ons.” De Heilige Profeet antwoordde: “Hij heeft de waarheid gesproken.” De man zei: “Heeft Allah dit u geboden?” De Heilige Profeet zei: “Ja.” [De man stelde de Heilige Profeet op dezelfde wijze vragen over liefdadigheid, het vasten en de bedevaart]. De man maakte toen aanstalten te vertrekken, zeggende: “Bij Hem die u heeft gezonden, ik zal niets meer en niets minder doen dan dat.” De Heilige Profeet zei: “Indien hij de waarheid heeft gesproken, zal hij het paradijs ingaan.”

(Muslim, Boek van geloof, vol. 1, p. 86-87)

 

5.       De Heilige Profeet heeft gezegd: “Wie ook de gebeden verricht zoals wij dat doen en zich naar onze qibla richt en het door ons geslachte vlees eet, hij is een moslim, voor wie het verbond van God en het verbond van de boodschapper van God geldt, schend dus niet het verbond van God.”

(Bukhari, Boek van gebed,  Boek 8, hfst. 28, vol. 1, p. 222)

 

6.       De Heilige Profeet heeft gezegd: “Wie ook getuigt dat er geen god is dan Allah en zich tot onze qibla richt en bidt zoals wij bidden en het door ons geslachte vlees eet, hij is een moslim die de rechten heeft van een moslim en de plichten van een moslim.”

(Bukhari, Boek van gebed,  ibid.)

 

7.       Niet alleen in de hadiesboeken die door de Ahl as-Sunna worden geaccepteerd, maar ook in de verzamelingen geaccepteerd door de shia’s wordt een zeer overeenkomstige definitie van een moslim gegeven. Ali, de vierde kalief, kondigde tijdens zijn bestuur aan:

 

“Hij die zich tot onze qibla richt en het door ons geslachte vlees eet en gelooft in onze Profeet en getuigt van onze getuigenis [d.i. de kalima] en onze godsdienst binnentreedt, wij zullen op hem de wet van de Koran en de islamitische grenzen toepassen en geen enkel persoon zal superieur zijn aan een ander [wat betreft rechten].”

(Faruh Kafi, vol. 3, Boek van verwerping, p. 166)

 

8.       Een man sprak zeer onbeschaamd tegen de Heilige Profeet. Het verslag vervolgt:

 

Khalid Ibn Walid zei: O Boodschapper van Allah, zal ik zijn nek eraf slaan? De Heilige Profeet zei: Nee, misschien zegt hij zijn gebeden [d.w.z. is hij een moslim]. Khalid zei: Er zijn vele verrichters van het gebed die met hun tong zeggen wat niet in hun hart is. De Heilige Profeet zei: Het is mij niet geboden de harten van de mensen te openen en hun binnenste open te snijden [om te zien wat hun intenties zijn].”

(Bukhari, Boek van expedities; Boek 64, hfst. 63, vol. 2, p. 657)

 

9.       “Usama heeft overgeleverd: De Heilige Profeet stuurde ons op expeditie tegen de Huraqa. Wij vielen hen in de morgen aan en versloegen hen. Ik en een man van de Ansār troffen een van hun mannen aan. Toen wij hem omsingelden, zei hij: Er is geen god dan Allah. Hierop hield de Ansari in, maar ik stak de man met mijn speer totdat ik hem had gedood. Toen we terug waren gekeerd en dit bericht de Heilige Profeet had bereikt, zei hij: Usama, u heeft hem gedood nadat hij heeft gezegd, ‘Er is geen god dan Allah?’ Ik zei: Hij probeerde zijn leven te redden. Maar de Heilige Profeet bleef dit herhalen totdat ik begon te wensen dat ik vóór die dag geen moslim was geworden.”

(Bukhari, Boek van expedities, Het sturen van Usama naar de Huraqa, Boek 64, hfst. 47)

 

Dit laat zien dat het opzeggen van de kalima voldoende is voor een persoon om als een moslim beschouwd te worden. Het herhalen van de reprimande door de Heilige Profeet, zelfs na de uitleg van Usama, laat zien dat indien er zelfs maar een reden is om te vermoeden dat een persoon onoprecht is in zijn betuiging van de kalima, moet hij nog steeds als een moslim beschouwd worden.

 

10.    “Ibn Abbās heeft overgeleverd dat een man uit de Banu Sulaim-stam een groep van de metgezellen van de Heilige Profeet [op expeditie] passeerde en geiten bij zich had. Hij zei salām [assalāmu alaikum] tegen hen. … Zij zeiden, hij heeft salām gezegd om zijn leven te redden. Daarom stopten zij en doodden hem en namen zijn geiten in bezit. Zij brachten deze naar de Heilige Profeet en aldus openbaarde Allah: ‘O jullie die geloven! Wanneer jullie erop uitgaan [om te strijden] op de weg van Allah, pleeg onderzoek, en zeg niet tegen wie ook die tegen jullie assalāmu alaikum zegt, u bent geen gelovige’.”

(Tirmizi, hfst. Tafsīr al-Qurān, onder soera 4; zie Arabisch-Urdu editie van Maulana Badi uz-Zaman, Muhammad Ali uitgeverij, Karachi, vol. 2, p. 416; zie ook Bukhari, Boek van commentaar van de Koran, Boek 65, hfst. 18 onder soera 4, vol. 2, p. 764)

 

In al deze hadiesen wordt onderwezen dat het niet nodig is om de geloofsopvattingen die een persoon heeft grondig te onderzoeken om te bepalen of hij een moslim is. Men hoeft slechts te kijken naar enkele aspecten van zijn uiterlijke gedrag. Wanneer men ziet dat hij bidt op de wijze van het moslimse gebed, in de richting waarnaar moslims zich wenden, of wanneer men hem, bijvoorbeeld, de kalima heeft horen verkondigen, dan is hij een moslim.

 

 

1.5: Het verbod op takfīr

 

Takfīr, of de veroordeling van een moslim tot kāfir door een andere moslim, is strikt verboden in de Koran, de Hadies en de werken van vele vooraanstaande moslimautoriteiten.

 

I. DE HEILIGE KORAN

 

Wanneer volgens de heilige Koran een persoon assalāmu alaikum zegt om aan te geven dat hij een moslim, dan kunnen we niet tegen hem zeggen “u bent geen gelovige.” (4:94)

 

Het tweede dat we uit dit vers leren, is dat indien een persoon, die tot niet-moslimse personen behoort, ons aanspreekt met assalāmu alaikum, dan is dat voldoende bewijs dat hij een moslim is. Toen zulke voorvallen plaatsvonden tijdens het leven van de Heilige Profeet, vermoedden sommige moslims soms dat zo’n persoon niet oprecht was. Maar de Heilige Profeet zei in zulke gevallen tegen hen: “Hebben jullie zijn hart opengereten om te zien wat zich daarin bevindt?”

 

Ten derde, het hierboven aangehaalde vers vervolgt met te zeggen: “Jullie waren voorheen zelf zo.” Dat wil zeggen, ook jullie omarmden de islam op deze wijze en wat voldoende was voor jullie is dus voldoende voor hen.

 

II. DE HADIES

 

1.       “Ibn Umar heeft verteld dat de Heilige Profeet heeft gezegd: Indien een moslim iemand anders kāfir noemt, dan, indien hij een kāfir is, laat het zo zijn; anders is hij [degene die dat zegt] zelf een kāfir.”

(Abu Dawud, Boek van Sunna, editie uitgegeven door Quran Mahal, Karachi, vol. 2, p. 484)

 

2.       “Abu Zarr heeft overgeleverd dat de Heilige Profeet heeft gezegd: Geen mens beschuldigt een ander mens een zondaar of kāfir te zijn, of het slaat op hem terug indien de ander niet is zoals hij hem noemt.”

(Bukhari, Boek van ethiek, Boek 78, hfst. 44)

 

De lering die deze hadies bevat heeft de bedoeling moslims te weerhouden elkaar benamingen te geven zoals zondaar en kāfir.

 

3.       “Houd [jullie tongen] in tegen degenen die zeggen Er is geen god dan Allah’ – noem hen geen kāfir. Wie ook een opzegger van ‘Er is geen god dan Allah een kāfir noemt, hij is eerder een kāfir dan hijzelf.”

(Tabarani, overgeleverd van Ibn Umar)

 

4.       “Noem de mensen van jullie qibla [d.i. degenen die zich naar de Kabah in Mekka wenden voor het gebed] geen kāfir.”

(An-Nihaya van Ibn Kasir, vol. 4, p. 187)

 

5.       “Niets bant de mens uit het geloof behalve de ontkenning van hetgeen waardoor hij die binnentrad [d.i. de kalima].”

(Madjma az-Zawa’id, vol. 1, p. 43)

 

6.       “Drie dingen zijn de basis van het geloof. [Een is] zich inhouden tegen iemand die zegt ‘Er is geen god dan Allah’ – noem hem geen kāfir om enige zonde, noch ban hem uit de islam om enig wangedrag.”

(Abu Dawoed, Boek van Jihad, 15:33)

 

Er zijn vele andere hadiesen die verbieden dat het “volk van de qibla” de benaming kāfir wordt gegeven. Het is zo’n grote zonde dat de Heilige Profeet de waarschuwing verkondigde:

 

7.       “Wie ook kufr [ongeloof] toeschrijft aan een gelovige, hij is als zijn moordenaar.”

(Tirmizi, tekst en Urduvertaling gepubliceerd in Karachi,  vol. 2, p. 213)

 

III. ISLAMITISCHE RECHTSGELEERDEN UIT KLASSIEKE TIJDEN

 

De takfīr van moslims wordt ook verboden in de klassieke standaardwerken van de islamitische wet (fiqh) en geloofsovertuigingen (aqa’id) die door de Ahl as-Sunna worden geaccepteerd.

 

1.       “En tot de leerstellingen van de Ahl as-Sunna behoort dat niemand van het volk van de qibla een kāfir genoemd kan worden.”

(Sharh Aqā’id Nasfi, p. 121)

 

2.       Over Imam Abu Hanifa, de stichter van het Hanafi-systeem van de islamitische wet, dat meer volgelingen heeft dan elk ander systeem in de islam, staat geschreven:

 

i.         “Hij noemde niemand uit het volk van de qibla kāfir.”

 (Sharh Mawāfiq,  vijfde deel)

 

ii.       Hij zei: “Niets bant de mens uit het geloof behalve de ontkenning van wat hem die deed ingaan.”

(Rad al-Mukhtar, vol. 3, p. 310)

 

3.       Het is buitengewoon ernstig om een moslim uit het geloof te bannen.”

(Sharh Shifa, vol. 2, p. 500)

 

4.       “Er mag geen uitspraak van takfīr tegen een moslim gedaan worden indien het mogelijk is zijn woorden positief te interpreteren.”

(Rad al-Mukhtar, Boek van Jihad,  hfst. over Afvalligheid)

 

5.       “Wat betreft verklaringen van takfīr die men in boeken van vonnissen (fatwa) aantreft, zijn deze geen bewijs indien de auteurs onbekend zijn en de argumenten ontbreken, omdat in geloofszaken geloofsopvattingen afhankelijk zijn van overtuigende bewijzen, en de takfīr van een moslim gaat vergezeld met allerlei moeilijkheden.”

(Sharh Fiqh Akbar, door Mulla Ali Qari)

 

6.       Allama Sayyid Jalal ud-Din heeft geschreven:

 

“De takfīr van het volk van de qibla is op zichzelf een daad van ongeloof.”

(Dalā’il al-Masā’il)

 

7.       Ibn Abu Hamra, een heilige, heeft geschreven:

 

“Er is reeds gesteld dat het vonnis van de Ahl as-Sunna is dat zij niemand van het volk van de qibla kāfir noemen, of menen dat hij voor eeuwig naar de hel gaat.”

 

8.       “De Imams hebben duidelijk gemaakt dat indien er enige grond is om geen takfīr uit te spreken, dan dient er geen uitspraak van takfīr gedaan te worden, zelfs wanneer die grond zwak is.”

(Raf al-Ishtiba an Ibarat al-Ishtiba, p. 4, gepubliceerd in Egypte)

 

9.       “Sommige bevooroordeelde personen van de Ashari’s noemen de Hanbali’s kāfir en sommige Hanbali’s noemen de Ashari’s kāfir. Maar het is niet correct dat zij elkaar kāfir noemen, want de geloofsopvatting van de betrouwbare Imams van de Hanafi’s, Shafi’i’s, Hanbali’s en de Ashari’s was dat niemand van het volk van de qibla een kāfir genoemd kan worden.”

(Miftāh Dār as-Sa’ada wa Misbāk as-Sayyida, vol. 1, p. 46)

 

10.    “Het gros van de theologen en rechtsgeleerden zijn het erover eens dat niemand van het volk van de qibla een kāfir genoemd kan worden.”

(Al-Mawāfiq, gedrukt in Cairo, p. 600)

 

11.    De beroemde achttiende eeuwse heilige van Delhi, Khwadja Mir Dard (gest. 1785 n.C.), schreef:

 

“Wij noemen niemand van het volk van de qibla kāfir, ook al volgt hij leugens of nieuwe opvattingen in de meeste zaken, omdat de acceptatie van de eenheid van God en de bevestiging van het profeetschap van Mohammed en het zich richten tot de qibla hen niet als zodanig uit het geloof bannen. Hij zal dus tot diegenen behoren die latere nieuwigheden en leugens volgen onder de moslims. De Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Houd jezelf in inzake het volk van de qibla, dat jullie hen geen kāfir noemen’.”

(Ilm al-Kitāb, p. 75)

 

IV. ZELFS 99 REDENEN VOOR ‘KUFR’ WORDEN DOOR 1 REDEN VOOR ISLAM OVERSTEMD

 

1. Mulla Ali Qari in Sharh Fiqh Akbar

 

“Zij zeggen met betrekking tot het vraagstuk van kufr dat indien er negenennegentig redenen zijn om iemand als kāfir te beschouwen en slechts één reden daartegen, dan zijn de moefti en de rechter verplicht te handelen volgens die ene reden voor het nietig verklaren van de kufr.”

(p. 46)

 

2. Sayyid Muhammad Abidin

 

“Indien er vele redenen zijn omtrent enige zaak voor de toepassing van kufr [iemand als kāfir beschouwen] en één reden voor het afwijzen daarvan, dan moet de rechter neigen tot de reden die de takfīr afwijst en de moslim het voordeel van de twijfel geven.”

(Sil al-Hisan al-Hindi, p. 45)

 

3. Husain Ahmad Madani

 

Deze bekende Deobandi-theoloog van deze eeuw heeft in zijn autobiografie Naqsh-i Hayāt geschreven:

 

“Alle grote geleerden zijn unaniem in hun mening dat indien van de honderd onderdelen van het geloof van een bepaalde moslim, er negenennegentig van ongeloof zijn en louter één van waar islamitisch geloof, dan is het niet toegestaan hem kāfir te noemen, noch wordt zijn leven of bezit schendbaar. In feite stelt Hazrat Gangohi [een stichter van de Deoband religieuze school] duidelijk in zijn Anwār al-Qulūb dat de uitspraak van de rechtsgeleerden over negenennegentig gronden geen limiet stelt en dat indien 999 van de duizend geloofspunten van een moslim ongeloof (kufr) zijn en slechts één waar geloof is, zelfs dan kan hij geen kāfir genoemd worden.”

(Naqsh-i Hayāt, Bait at-Tauhīd, Karachi, 1953, vol. 1, p. 126)

 

Met die “ene reden” van de honderd of de duizend wordt bedoeld de bevestiging van de kalima door de betreffende persoon, terwijl het overgrote deel van zijn geloofsopvattingen neer kan komen op kufr.

 

4. Sayyid Abul Ala Maudoodi (gest. 1979)

 

Hij heeft in zijn bekende tijdschrift Tarjuman al-Qurān geschreven:

 

“Het doel van deze bevelen is dat er net zoveel voorzichtigheid betracht moet worden wanneer een moslim kāfir wordt genoemd als bij het uitspreken van een doodvonnis tegen iemand. In feite is deze zaak zelfs ernstiger, omdat bij het doden van een persoon geen risico aanwezig is dat iemand een kāfir wordt, maar die risico bestaat wel indien men een moslim kāfir noemt wanneer die man in werkelijkheid geen kāfir is. Mocht er zelfs een jota islamitisch geloof in het hart van die man aanwezig zijn, dan zal de belastering van kufr op de beschuldiger terugslaan. Derhalve, hij die vrees in zijn hart heeft voor God en zich enigszins bewust is van het grote gevaar van betrokken te raken bij kufr, zal het nimmer wagen een moslim kāfir te noemen voordat hij een diepgaand onderzoek heeft ingesteld en zich volledig ervan heeft vergewist dat zo’n persoon een kāfir was. Er wordt zoveel voorzichtigheid betracht in deze zaak dat indien er een persoon is wiens gedrag duidelijk onoprechtheid vertoont en wiens toestand duidelijk laat zien dat hij geen moslim in zijn hart is, indien hij enkel maar de kalima met zijn tong opzegt, dan is het niet toegestaan hem kāfir te noemen en hem als een kāfir te behandelen.”

(Tarjuman al-Qurān, uitgave van de maand Jumadi al-Awwal, 1355 n.H., omstreeks 1936, vol. 8. p. 5)

 

 

1.6: Een mu’awwil kan geen kāfir genoemd worden

 

(Een mu’awwil is een persoon die een interpretatie geeft van bepaalde woorden van de Koran, of van een religieus gebod, die verschilt van de algemeen geaccepteerde interpretatie.)

 

1. Imam Razi

 

Deze belangrijke klassieke commentator van de Koran schrijft in zijn vermaarde commentaar:

 

“Degenen die anders interpreteren, kunnen geen kāfir genoemd worden.”

(Tafsīr Kabīr, deel 1, p. 172)

 

2. Imam Shafi’i (gest. 820 n.C.)

 

Een van de vier grote stichters van islamitische jurisprudentie; hij heeft gezegd:

 

“Ik noem degenen die, bij vergissing, anders dan de klaarblijkelijke betekenis interpreteren, geen kāfir.”

(Shawāhid al-Haq, door Shaikh Jusuf Ibn Ismail, p. 125)

 

3. Imam Shaukani

 

“De ulama zijn het erover eens dat hij die de gebruikelijke betekenis verwerpt en zelf overgaat tot interpretatie, geen kāfir of een zondaar genoemd kan worden.”

 

4. Allama Ibn Hajar

 

In commentaar op de bittere oorlog tussen twee groepen van de metgezellen van de Heilige Profeet tijdens het bewind van de vierde kalief, zei hij:

 

“De metgezellen kunnen vanwege deze strijd niet uit de islam gezet worden. Beide groepen zijn in deze gelijk. Bij geen hen is er een zonde of gebrek aanwezig, omdat we hebben laten zien dat elk van beide een dusdanige interpretatie gaf [van een Koranisch gebod] dan geen van beide interpretaties met zekerheid verkeerd genoemd kon worden.”

(Al-Asalīb al-Badia, door Shaikh Jusuf Ibn Ismail, p. 68)

 

5. Abdul Wahhab Shi’rani

 

Hij schreef als volgt:

 

i.         “Sommige ulama hebben het gewaagd een mu’awwil kāfir te noemen, maar de meerderheid is tegen deze beslissing.”

(Al-Yawāqit wa-l-Jawāhir, deel 2, p. 111)

 

ii.       Het argument van degenen die zeggen dat de mu’awwils geen kāfir genoemd kunnen worden, is omdat zij de kalima ‘Er is geen god dan Allah en Mohammed is de boodschapper van Allah’ hebben opgezegd; hun eer, leven en bezit genieten bescherming en we zien geen enkel bewijs dat een fout in het interpreteren gelijkstaat aan kufr.” (Ibid.)

 

iii.     “Abul Mahasin ar-Rawayani en andere ulama van Baghdad zeggen dat niemand die tot de godsdienst van de islam behoort een kāfir genoemd kan worden, omdat de Heilige Profeet heeft gezegd dat hij die zijn gebeden zegt zoals wij doen en zich naar onze qibla richt en ons geslachte vlees eet, hij heeft dezelfde rechten en plichten die wij hebben.” (Ibid., p. 112)

 

 

APPENDIX

 

A.  Wie is een moslim?

 

 

Naast de citaten in paragraaf 1, van vooraanstaande, hedendaagse moslims, kan het volgende ook vermeld worden.

 

1. Sayyid Abul Ala Maudoodi

 

Een Engelse vertaling van Maudoodi’s Khutbat werd door de Islamic Foundation van Leicester, Engeland, in 1985 onder de titel Let us be Muslims uitgegeven. We halen hieronder zijn opvattingen aan over de kalima en het gebruik van moslims tot kāfir verklaren:

 

“Broeders in de islam! Jullie worden moslims door enkele woorden op te zeggen, de kalima genoemd:

Lā ilāha illa ’llāh Muhammadu ’r rasūlu ’llāh

Er is geen god dan Allah; Mohammed is de Boodschapper van Allah.

 

Door deze woorden uit te spreken wordt een mens verondersteld radicaal veranderd te zijn. Hij was een Kāfir, nu is hij een moslim; hij was onrein, nu is hij rein. …

 

Op een meer concreet niveau, in het maatschappelijke leven, wordt deze kalima de basis om onderscheid te kunnen maken tussen de ene mens en de andere. Zij die het opzeggen, vormen één natie, terwijl zij die het verwerpen een andere vormen. … indien een volslagen vreemde de kalima opzegt en zich in een moslimgezin huwt, dan komen hij en zijn kinderen in aanmerking voor erfenis [van de moslimfamilieleden].” (p. 69)

 

Een ander relevant extract uit deze vertaling staat hieronder:

 

“De ene persoon kan de geboden van de sharia op de ene wijze begrijpen en een ander persoon op een andere wijze en beiden kunnen die naleven naar hun eigen begrip. Hoe breed zij ook van mening mogen verschillen, beiden zullen zichzelf dienaren kunnen noemen. Want beiden zullen handelen in het bewustzijn dat zij hun Meester’s bevelen uitvoeren.

 

“Welk recht heeft een dienaar, in zo’n geval, te zeggen dat alleen hij de echte dienaar is en dat de andere dat niet is? Het hoogste wat hij kan beweren is dat hij de correcte betekenis van zijn Meesters bevel heeft begrepen en de ander niet. Maar dit geeft hem niet het gezag de laatste uit de schoot der dienaren te bannen, dat wil zeggen, hem een Kāfir te noemen. Een ieder die een dergelijke vermetelheid toont, neemt als het ware de status van de Meester aan. …

 

“Om juist deze reden heeft de Profeet, zegeningen en vrede zij met hem, gezegd: Wie ook onrechtmatig een moslim als Kāfir brandmerkt, zijn oordeel zal op hem terugkaatsen’ (Bukhari, Muslim). Want, God heeft de onderwerping aan Zijn leiding tot de toetssteen gemaakt of iemand wel of geen moslim is. Een persoon die een dergelijke gehoorzaamheid van zijn eigen interpretatie en beoordeling eist en zich de macht tot uitbanning toeeigent, ongeacht of God zelf iemand uitbant of niet, zegt in feite dat God niet alleen God is, maar dat hijzelf ook een kleine god is. Een ieder die een dergelijke aanmatigende bewering doet, loopt het gevaar een Kāfir te worden, ongeacht of de andere moslim in werkelijkheid wel of niet als een Kāfir heeft gehandeld.” (p. 130-131, cursieve letters zoals in het origineel)

 

2. Sayyid Abul Hasan Ali Nadwi

 

Hij is een internationaal bekende Indiase moslimtheoloog, historicus en auteur, die veel tegen de Ahmadiyya Beweging heeft geschreven. Tijdens een tour door de V.S in 1977 heeft hij in een speech gezegd:

 

“Een vriend van mij zei eens tegen een ontwikkelde hindoeheer, ‘Mijn broeder, indien aan een moslim gevraagd wordt wie een moslim is, dat antwoordt hij prompt dat iedereen die de heilige kalimalā ilāha illallāh, Muhammadur rasūlullāh, opzegt en daarin gelooft een moslim is. Deze bevestiging vat de hele islam samen. Nu, wat zal uw antwoord zijn indien dezelfde vraag aan u wordt gesteld betreffende een hindoe?’ “

(Muslims in the West, verzameling van lezingen van Abul Hasan Ali Nadwi in het Westen, bewerkt door Khurram Murad, Islamic Foundation, Engeland,  1983, p. 137-138)

 

3. Rechter Muhammad Munir in From Jinnah to Zia

 

Een 1979 schreef rechter Muhammad Munir, een vooraanstaande opperrechter van Pakistan, een boek in het Engels met bovenstaande titel over de politieke geschiedenis van Pakistan. In dit boek verwijst hij uitvoerig naar het rapport van een beroemd overheidsonderzoek in Pakistan, gepleegd in 1953-1954, dat in zijn handen was. Het onderzoek werd op touw gezet om de oorzaken te onderzoeken van de openbare verstoringen, aangewakkerd door enkele religieuze leiders die eisten dat de overheid Ahmadi’s tot niet-moslims moest verklaren. In zijn toelichting over de omvang van het onderzoek schrijft rechter Munir in dit boek:

 

“De vraag Wie is een moslim was een van de fundamentele vragen die voor ons lag, vanwege de eenvoudige reden dat indien de Ahmadi’s, volgens de Ulama, geen moslims zijn, dan mag men aannemen dat de Ulama weten wie wel een moslim is en wat de gronden zijn waarop zij vroegen de om Ahmadi’s buiten de grenzen van de islam te plaatsen. De vraag was essentieel voor het onderzoek en was niet voor de eerste maal gerezen. Er bestonden verschillende gezaghebbende oordelen over deze punten, inclusief een oordeel van de vooraanstaande moslimrechter dhr. Mahmud, een ander door sir Abdur Rashid, de auteur van Family Laws Ordinance, verschillende oordelen door Engelse rechters, inclusief de Hoge Raad waarbij de raad had beslist dat datgene wat in ogenschouw moet worden genomen indien een persoon beweert een moslim te zijn, is of hij betuigt te geloven in de kalima, lā ilāha ill-Allāh, Muhammad-ur rasūl-Allāh, en niet of hij wel of niet daadwerkelijk daarin gelooft. Dit was in overeenstemming met wat de koran zelf zegt in hfst. 4:49: “Zeg niet tegen iemand die jullie groet, u bent geen gelovige’. Hoewel dit vers verband houdt met een specifieke gelegenheid, is de toepassing ervan echter algemeen. Een van deze precedenten had betrekking op Ahmadi’s zelf die, vanwege hun geloof in de kalima, voor moslims werden gehouden. …

 

“Ons werd niet verzocht de Ahmadi’s tot moslims of niet-moslims te verklaren. Dit lag buiten de taken van ons onderzoek en we moesten de definitie van een moslim aan de Ulama vragen, omdat indien zij geen enkele definitie konden geven die de Ahmadi’s buiten de islam sloot, dan hadden zij geen reden voor de opschudding die zovel doden en verwoesting van bezit had veroorzaakt … de term moslim bleef zonder twijfel ongedefinieerd door de Ulama die voor ons verschenen.”

(From Jinna to Zia, Vanguard Books Lrd., Lahore, 1980, p. 67, 70 en 72)

 

Met betrekking tot de Pakistaanse constitutionele amendement van 1974 die Ahmadi’s tot niet-moslims classificeerde en de beweegredenen van premier Bhutto voor het laten aannemen hiervan, merkt rechter Munir het volgende op:

 

i.         “Via een amendement van de grondwet verklaarde hij Ahmadi’s tot een niet-moslimse minderheid. Dit alles werd met een politiek motief gedaan – om steun te verkrijgen van en populair te worden bij het volk.” (p. xix)

ii.       “En we weten dat ongeveer twintig jaar later niemand minder dat dhr. Bhutto de koe bij de horens vatte en via een constitutionele amendement de Ahmadi’s tot niet-moslims verklaarde. Maar zelfs hij kon een moslim niet definiëren en schoof de eenvoudige definitie, welke voor de afscheiding [van India] door vooraanstaande moslimrechters van verschillende Hooggerechtshoven en de hoge Raad was gegeven, terzijde.” (p. 45)

iii.     “Tegen het einde van zijn regime bracht dhr. Bhutto, om de moslims te behagen, enkele onbeduidende veranderingen aan in de grondwet en het wetsstelsel voor politieke doeleinden. Via een constitutionele amendement verklaarde hij Ahmadi’s tot niet-moslims zonder te zeggen wie een moslim was …” (p. 96)

 

4. Zulfiqar Ali Bhutto

 

Dhr. Bhutto werd in 1977 ten val gebracht door generaal Zia ul-Haq en daarna voor het gerecht gebracht wegens samenzwering tot moord op een politieke tegenstander. Na schuldig bevonden te zijn, werd hij in april 1979 terechtgesteld. Tijdens het verloop van zijn proces trok de openbare aanklager zijn oprechtheid als moslim in twijfel. Dhr. Bhutto verdedigde zich als volgt:

 

“Hij zei dat het een erkend beginsel is dat de persoon die de kalima opzegt een moslim is en niemand het recht heeft hem een niet-moslim te noemen. Door een voorval aan te halen, zei voorzitter [van de People’s Party] Bhutto dat Abu Sufyān, een grote vijand van de Heilige Profeet, naar hem toe werd geleid. Hij beweerde de kalima te hebben opgezegd, maar de metgezellen van de Heilige Profeet stelden dat hij dat niet met zijn hart had gedaan en wilden hem doden. Maar de Heilige Profeet zei dat aangezien hij de kalima had opgezegd, hij nu een moslim was en niet kon worden gedeerd.”

(Urdu-dagblad Masawat,  Lahore, woensdag 20 december 1978, voorpagina, kolom 1)

 

5. Dhr. M.A. Jinnah, de stichter van Pakistan

 

In 1944 gaf dhr. Jinnah, tijdens een persconferentie in Srinagar, Kashmir, zijn zienswijze over het vraagstuk of Ahmadi’s uit bepaalde moslimorganisaties verstoten moesten worden. Een Ahmadi journalist die daar aanwezig was, dhr. Abdul Aziz Shura, redacteur van Roshni, legde een gezworen verklaring af, gedateerd 15 januari 1988, over de gebeurtenissen tijdens deze conferentie. We citeren hieruit hieronder:

 

“Ik, Abdul Aziz Shura, beter bekend als Aziz Kashmiri, redacteur van het dagblad Roshni, Srinagar, Kasjmier, leg de volgende verklaring onder ede af:

 

Een delegatie van de Kashmir Press Conference, Srinagar, waaronder verschillende vooraanstaande journalisten, ontmoette Qaid-i Azam Muhammad Ali Jinnah, leider van de Muslim League, op het door hem bepaalde tijdstip op 23 mei 1944, 11.00 a.m. te ‘Koshik’, Srinagar en stelde hem verschillende vragen.

 

Ik vroeg aan Qaid-i Azam, wie kunnen zich aansluiten bij de All-India Muslim League? Hierop zei dhr. M.A. Sabir, redacteur van Al-Barq, dat de achtergrond van deze vraag waarschijnlijk is dat de Ahmadi’s in Kashmier geen toestemming hebben zich bij de Muslim Conference aan te sluiten. Qaid-i Azam glimlachte en verhaalde zijn antwoord als volgt:

 

‘Er is mij een verontrustende vraag gesteld, nl. welke moslim lid kan worden van de Muslim Conference. Het is in het bijzonder gesteld betreffende de Qadiani’s.  Mijn antwoord is dat zover het betrekking heeft op de statuten van de All-India Muslim League, bepalen deze dat elke moslim, zonder onderscheid in geloofsovertuiging of sekte, lid kan worden, mits hij de standpunten, beleid en programma van de Muslim League accepteert, het formulier van lidmaatschap tekent en contributie betaalt. Ik doe een beroep op de moslims van Jammu en Kashmier geen sektarische kwesties op te werpen, maar in plaats daarvan zich op één platform onder één banier te verenigen. Hierin ligt het welzijn van de moslims. Op deze wijze kunnen niet alleen de moslims op effectieve wijze politieke en sociale progressie boeken, maar ook andere gemeenschappen en ook de staat Kashmier als geheel.’

 

Dhr. M.A. Sabir probeerde zo hard als hij kon de Qaid-i Azam over te halen de Qadiani’s buiten de schoot van de islam te verklaren. Maar de Qaid-i Azam hield resoluut vast aan zijn standpunt en bleef antwoorden: ‘Welk recht heb ik een persoon tot niet-moslim te verklaren, wanneer hij beweert een moslim te zijn’.

 

De gebeurtenissen van deze persconferentie zijn, uit mijn hand, gepubliceerd in de Riyasati van die tijd en de Lahore dagbladen, in het bijzonder Inqilab, Shahbaz, Zamindar, Siyasat etc.”

 

Een kort verslag van deze persconferentie staat in het Urdu-boek Tahrik Hurijjat Kashmir, door Rashid Taseer, uitgegeven door Muhafiz Publications, Srinagar, in deel 2 die de periode 1936-1945 beslaat op de pagina’s 290-291. Hierin staat dhr. Jinnah’s antwoord op de Ahmadijyya-kwesties als volgt vermeld:

 

“Journalisten stelden hem een vraag over Ahmadi’s, dat zij geen toestemming hadden zich bij de Muslim Conference aan te sluiten, omdat zij als niet-moslims werden beschouwd. Wat was zijn zienswijze daaromtrent? Dhr. Jinnah zei: ‘Wie ben ik om een mens die zichzelf moslim noemt, tot niet-moslim te verklaren?’ Het was hierna dat bijna alle Ahmadi’s van Kashmier zich bij de Muslim Conference aansloten.”

 

In een voetnoot wordt een opsomming gegeven van de verschillende journalisten die deze persconferentie hadden bijgewoond. Tussen deze namen bevinden zich: dhr. Ghulam Muhiyy ud-Din, redacteur van Nūr, Khawadja Sadr ud-Din Mujahid, redacteur van Khalid, dhr. Muhammad Ayub Sabir, redacteur van Al-Barq en dhr. Abdul Aziz Shura, redacteur van Roshni.

 

 

 

 

Paragraaf 2

 

De geloofsopvattingen van

Hazrat Mirza Ghulam Ahmad

en zijn volgelingen

 


Noot van de samensteller: Deze paragraaf biedt gedetailleerde passages uit de werken van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad, waarin hij op krachtige wijze verklaart een moslim te zijn, waarbij hij duidelijk stelt dat hij in alle leerstellingen en gebruiken van de islam gelooft zoals erkend door de Ahl as-Sunna en waarin hij zijn volgelingen aanspoort zich naar hun beste vermogens vast te houden aan de religie van de islam.


 

1.       “De kern en essentie van onze godsdienst is: Er is geen god dan Allah en Mohammed is de Boodschapper van Allah.”

(Izala Auhām, p. 137)

 

2.       Onze kalima is: Er is geen god dan Allah en Mohammed is de Boodschapper van Allah. Ik geloof in Allah, de engelen, de boodschappers, de geopenbaarde Boeken, paradijs en hel en de Dag der Opstanding. Ik accepteer de Heilige Koran als het Boek van Allah en Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) als de ware Profeet. Ik maak geen aanspraak op het profeetschap. En ik beweer niet (God verhoede het) dat de Heilige Koran, zoals die aan ons door de heilige profeet Mohammed (v.z.m.h.) is gegeven, enige toevoegingen of weglatingen bevat. En ik getuig dat hij de laatste der Profeten is en de grootste van alle profeten en een bemiddelaar voor zondaars.”

(Anwār al-Islam, p. 34)

 

3.       “Hoe groot de haat ook is die de afkerige Ulama tegen ons hebben gecreëerd bij de mensen en ons tot kāfirs en verstoken van geloof hebben verklaard en trachten de moslims te doen geloven dat ik, samen met al mijn volgelingen, afgedwaald ben van de islamitische geloofsovertuigingen en grondbeginselen van het geloof. Dit zijn allemaal verzinsels van die jaloerse Maulavi’s. Niemand met zelfs een greintje vrees voor God in zijn hart kan het wagen zich schuldig te maken aan dergelijke zaken. Alle vijf fundamenten van de islam vormen ook ons geloof. Wij houden ons vast aan het Boek van Allah, aan welke men geboden is zich vast te houden. Wij geloven dat niets aanbeden dient te worden behalve Allah en dat onze leider Hazrat Mohammed Muestafa (v.z.m.h.) Zijn Boodschapper en de Laatste der Profeten is, en wij geloven dat engelen, het opwekken van de doden, de Dag der Opstanding, hemel en hel, allemaal waarheden zijn. Wij geloven dat wat Allah, de Hoge, ook in de Heilige Koran heeft gezegd en wat onze Profeet (v.z.m.h.) ook heeft verklaard, allemaal waar is zoals hierboven gesteld. Wij geloven dat wie ook zelfs maar ter grootte van een atoom wegneemt uit of toevoegt aan de islamitische sharia, of wegwerpt wat verplicht is en toestaat wat verboden is, zonder geloof is en afgeweken is van de islam. Ik spoor mijn volgelingen aan dat zij moeten geloven in de heilige kalima, uit het diepst van hun harten, namelijk, dat er geen god is behalve Allah en dat Mohammed Allah’s Boodschapper is, zelfs tot hun dood, dat zij geloven in alle profeten en alle geopenbaarde Boeken, waarvan de authenticiteit vastgesteld wordt in de Heilige Koran, en dat zij het vasten, bidden, het armengeld (zakaat) en de bedevaart en alles wat als verplicht is voorgeschreven door de verheven Allah en Zijn Boodschapper als verplicht aanvaarden en dat zij alles wat verboden is als verboden aanvaarden en zo de islam in de ware zin volgen.

 

Samenvattend, het is verplicht in al die zaken te geloven waarover consensus bestond inzake geloof en praktijk onder de vrome mannen uit de vroege dagen van de islam en die geacht worden de islam uit te maken via de consensus van de Ahl-i Sunna. Ik roep de hemel en de aarde aan tot getuige dat dit mijn geloof is en wie ook iets aan mij toeschrijft tegengesteld aan deze godsdienst, hij uit laster tegen mij en neemt afstand van vrees voor God en eerlijkheid. En op de Dag der Opstanding zal ik mijn argument tegen hem hebben wat betreft of hij mijn borst heeft opengesneden en gezien heeft dat ik, in plaats van mijn bovenstaande verklaring, in werkelijkheid in mijn hart tegenover deze verklaringen sta. Opgepast, inderdaad, de vloek van Allah is over de leugenaars en verzinners.”

(Ayyām as-Sulh, p. 86-87)

 

4.       “En broeders, jullie weten dat de verkondigingen van ongeloof [tegen mij] niet gebaseerd waren op een goed onderzoek en zelfs geen spoor van waarheid bevatten. Integendeel waren al die verklaringen louter verzinsels gebaseerd op bedrog, onrechtvaardigheid en leugens, uit persoonlijke jaloezie. Deze mensen weten zeer goed dat ik een gelovige ben en zij hebben met hun eigen ogen gezien dat ik een moslim ben, dat ik geloof in de Ene God bij Wie er geen deelgenoot is, dat ik de kalima betuig: Er is geen god behalve Allah, dat ik het Boek van Allah, de Koran en zijn Boodschapper Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) als de laatste der Profeten accepteer, en ik geloof in de engelen, de Dag der Opstanding, hemel en hel, dat ik de gebeden en het vasten verricht, dat ik behoor tot de Ahl-i Qibla [zij die zich wenden tot de moslimse gebedsrichting], dat ik alles als onwettig beschouw wat de Heilige Profeet als onwettig heeft verklaard en als wettig beschouw alles wat hij wettig heeft verklaard, dat ik niets toegevoegd heb aan, noch weggenomen heb uit de sharia, zelfs niet ter grootte van een atoom, en dat ik alles wat ons via de Boodschapper van Allah (v.z.m.h.) heeft bereikt, accepteer, of ik het geheim ervan begrijp of niet, en dat ik door Allah’s gratie een gelovige en unitariër ben.”

(Nūr al-Haq, vol. 1,  p. 5)

 

5.       “Er werden op alle mogelijke manieren pogingen ondernomen om mij te vernietigen en weg te vagen. Allerlei vonnissen van kufr [ongeloof] werden tegen ons opgesteld. Wij werden zelfs beschouwd slechter dan christenen en joden te zijn, hoewel wij met onze lichaam en ziel geloven in de kalima tayyiba: Er is geen god behalve Allah en Mohammed is de Boodschapper van Allah. Wij beschouwen de Heilige Koran als God’s ware en volmaakte Boek en accepteren dit Boek met alle oprechtheid van het hart als het laatste der Boeken en met alle oprechtheid van het hart geloven we dat de Heilige Profeet (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) de laatste der Profeten is. We zeggen dezelfde gebeden, richten ons tot dezelfde qibla, vasten op dezelfde wijze in de maand Ramadan. Er is geen verschil aanwezig in onze hajj en zakaat. Men kan derhalve niet begrijpen wat de redenen waren waarom wij verklaard werden slechter te zijn dan zelfs de joden en de christenen. Het dag en nacht uitschelden van ons werd beschouwd als iets wat hemelse beloningen opbracht. Immers, er bestaat zoiets als edelheid van karakter. Het pad van onze lasteraars wordt alleen door diegenen gevolgd, wiens geloof weggerukt is en wiens harten zwart zijn geworden.”

(Commentaar op soera Fatiha, p. 297-298)

 

6.       “Wie weet niet dat het een zeer gevoelige zaak is om iemand tot kāfir te verklaren die een unitarische moslim is en behoort tot de Ahl-i Qibla, vooral wanneer die moslim via zijn geschreven werken en lezingen herhaaldelijk verklaart dat hij een moslim is en dat hij gelooft in Allah en Zijn Boodschapper en in de engelen en de Boeken en de boodschappers van Allah, de Hoge, en in het leven na de dood zoals duidelijk is gemaakt door Verheven Allah en Zijn Boodschapper (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) in hun leringen; en daarnaast is hij gebonden aan alle geboden betreffende het vasten en het gebed zoals uiteengezet door Allah en Zijn Boodschapper (v.z.m.h.). Zo’n moslim tot kāfir, nee, een grote kāfir en Antichrist verklaren, is het werk van die mensen die zich niet voor het kwaad hoeden en God niet vrezen en die niet de gewoonte hebben gunstig over anderen te denken.”

(Aina Kamalāt Islam, p. 33)

 

7.       “Deze mensen bedriegen de massa en leiden hen tot de fout te denken dat wij een nieuwe kalima of een nieuw gebed hebben bedacht. Welk antwoord kan ik geven op zulke verzinsels? Via soortgelijke verzinsels hebben zij een eenvoudig menselijk wezen in de Drie-eenheid geplaatst. Kijk, wij zijn moslims en behoren tot de umma [volgelingen] van Mohammed. Bij ons is het bedenken van een nieuwe vorm van gebed, of de qibla de rug toe keren daden van kufr [ongeloof]. Wij accepteren alle geboden van de Heilige Profeet en geloven dat het veronachtzamen van zelfs het geringste gebod gelijkstaat aan slechtheid. Mijn aanspraak is onderworpen aan het Woord van Allah en het woord van de Heilige Profeet. Wij hebben geen nieuwe kalima geïntroduceerd, geen nieuwe vorm van gebed, geen nieuwe hajj of een aparte moskee voor onszelf uit veronachtzaming van gehoorzaamheid aan de Heilige Profeet. Onze missie is het dienstbetoon van deze godsdienst [islam], deze alle godsdiensten te doen overwinnen en het volgen van de Heilige Koran en de tradities, waarvan bewezen is dat die afkomstig zijn van de Profeet van God. Wij achten het noodzakelijk zelfs een zwakke hadies te volgen indien die niet in strijd is met de Heilige Koran. Wij beschouwen Bukhari en Muslim [twee hadiesverzamelingen] als de meest betrouwbare boeken na het Boek van Allah [de heilige Koran].”

(Ruhani Khazā’in, no. 2, verzameling van toespraken en verhandelingen van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad,  vol. 7, p. 138)

 

8.       “Onze godsdienst is dezelfde islam. Het is niet nieuw. Er zijn dezelfde gebeden, hetzelfde vasten, dezelfde bedevaart en dezelfde zakaat. Maar er is wel dit verschil, dat deze plichten [nu] slechts uiterlijke vormen hebben aangenomen, zonder enige ware geest daarin; wij willen de geest van oprechtheid daarin blazen. Wij willen dat deze plichten op dusdanige wijze worden uitgevoerd dat ze resultaten opleveren die op dit moment ontbreken.”

(Ruhani Khazā’in, no. 2, vol. 9, p. 312)

 

9.       “Jullie, die de eed uit mijn handen hebben afgelegd, dienen te begrijpen dat jullie plechtig hebben beloofd de godsdienst boven het wereldse leven te stellen. Denk er dus aan dat deze eed van jullie bij Allah is. Wees zoveel als mogelijk standvastig in deze eed, blijf trouw aan het gebed, vasten, de hajj, het armengeld (zakaat), de geboden van de sharia en mijd elk kwaad en alles wat op zonde lijkt. Onze Jamā’at moet een zuiver model voor anderen zijn. Lippenbelijdenis is zinloos indien die niet vergezeld gaat met juiste daden.”

(Ruhani Khazā’in, no. 2, vol. 5, p. 453)

 

10.    “Profeten komen met het doel de religie te veranderen, de qibla [richting waarin de mensen bidden] te veranderen, sommige van de [bestaande] geboden op te heffen en sommige nieuwe geboden in te voeren. Maar in mijn geval is er geen aanspraak op een dergelijke omwenteling. Er is dezelfde islam als tevoren, dezelfde gebeden als tevoren, dezelfde Gekozen Profeet als tevoren en dezelfde Heilige Koran als tevoren. Men hoeft geen enkele zaak uit het oorspronkelijke geloof weg te laten, wat zo’n verbijstering teweegbrengt. De aanspraak de Beloofde Messias te zijn zou gevaarlijk zijn geweest en iets om voorzichtig mee om te gaan indien er, met deze aanspraak, bepaalde veranderingen – God verhoede het – zouden zijn in de geboden van het geloof, zodat onze praktijkhandelingen enigszins zouden verschillen met die van andere moslims. Aangezien er hier geen sprake van is en het enige onderwerp van discussie het leven of de dood van Jezus is, waarbij de aanspraak de Beloofde Messias te zijn slechts een uitvloeisel van dit vraagstuk is, en deze aanspraak geen verandering in de praktische handelingen van het geloof betekent, noch beïnvloedt die de grondbeginselen van de islam negatief, is het dan nodig dat er een groot wonder of teken zichtbaar wordt gemaakt zodat deze aanspraak wordt geaccepteerd, welke eis hiervoor een oude gewoonte is van de mensen in geval van een aanspraak op het profeetschap? Is het voor een eerlijk en Godvrezend persoon moeilijk om een moslim te aanvaarden die God gezonden heeft ter ondersteuning van de islam en die de doelstellingen heeft dat hij de schoonheden van de islam openbaar maakt aan de mensen en bewijst dat de islam vrij is van de bedenkingen van de moderne filosofie en de moslims doet neigen naar liefde voor Allah en de Boodschapper?

 

“Indien de aanspraak de Beloofde Messias te zijn enige bevelen met zich meer zou brengen die de geboden en geloofspunten van de sharia negatief zouden aantasten, dan zou dat inderdaad verschrikkelijk zijn geweest. Wat men dient te bekijken is welke islamitische waarheid heb ik veranderd met mijn aanspraak en bij welke geboden van de islam heb ik zelfs maar een jota toegevoegd of weggenomen? Inderdaad, ik heb een profetie geïnterpreteerd op een wijze die Almachtige Allah in dit tijdperk aan mij heeft geopenbaard. De Heilige Koran is getuige van de juistheid van deze interpretatie en dat zijn ook de betrouwbare tradities van de Heilige Profeet. Waarom is er dan zo’n grote ophef?”

(Aina Kamalāt Islam,  p. 339)

 

11.    “Het is absurd te denken dat er door mijn aanspraak te aanvaarden enige vrees bestaat dat het geloof wordt geschaad. Ik kan niet begrijpen wat zo’n schade zou kunnen veroorzaken? Er zou alleen schade worden toegebracht indien deze nederige man de mensen had gedwongen nieuwe leringen te volgen, tegengesteld aan de leringen van de islam, bijv. als ik een wettig ding tot verboden zou verklaren of vice versa, of toevoegingen of weglatingen zou invoeren inzake het vasten, het gebed, de bedevaart, het armengeld (zakaat), etc., welke door de sharia voorgeschreven plichten zijn. Bijvoorbeeld, indien ik tien of twee gebeden in plaats van de vijf dagelijkse gebeden zou voorschrijven, of twee maanden van vasten in plaats van één maand zou opdragen, of minder dan een maand vasten, dan zou er sprake moeten zijn van een compleet geestelijk verlies en eerder nog van ongeloof en verwoesting. Maar aangezien de situatie zulks is dat deze nederige man slechts herhaaldelijk dit zegt, O broeder, ik heb geen enkel nieuwe religie noch enige nieuwe lering gebracht, maar ik ben een van jullie en een moslim als jullie en er is voor ons moslims geen ander boek te volgen behalve de Heilige Koran, noch is er enig ander geopenbaard boek waartoe wij andere uitnodigen dat te volgen, en aangezien ik bevestig dat er afgezien van de Arabische Ahmad, de Laatste der Profeten (v.z.m.h.), niemand is om ons te leiden en er niemand is die door ons wordt gevolgd en er niemand is van wie wij graag willen dat anderen hem volgen, waarin ligt dan het risico voor een godsdienstige moslim om mijn aanspraak te accepteren, die op een openbaring van Allah gebaseerd is?

(Izala Auhām, p. 181-182)

 

12.    “Het is een volkomen verzinsel van Muhammad Husain dat hij aan mij toeschrijft dat ik de wonderen van de Profeten (vrede zij met hen) ontken, of dat ik zelf aanspraak maak op het profeetschap, of dat, Allah verhoede het, Hazrat Mohammed Mustafa (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) niet beschouw als de Laatste der Profeten, of dat ik niet geloof in de engelen of de basisgeloofsartikelen van de islam zoals de Opstanding, etc., of dat ik de fundamenten van de islam zoals het vasten en het bidden onbelangrijk doe schijnen of ze niet noodzakelijk acht. Nee, de Almachtige Allah is getuige dat ik in dit alles geloof en dat ik iemand die niet gelooft in deze basisbeginselen en praktijken beschouw als een vervloekte en een verliezer op deze wereld en in het Hiernamaals.”

(Anjām Atham, p. 45)

 

13.    “Men dient te begrijpen waarom een moslim een moslim wordt genoemd. Een moslim is iemand die zegt dat de islam waar is, Hazrat Mohammed (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) de Profeet is en de Koran het Hemelse Boek is. Het houdt in dat hij aanvaardt dat hij deze geloofsovertuiging niet zal verlaten, noch in geloof, noch in aanbidding, noch in daden, en dat al zijn uitspraken en daden binnen die perken zullen blijven.”

(Ruhani Khazā’in, no. 2,  vol. 5, p. 163)

 

14.    “Elk ding waarvan men geen spoor of teken kan aantreffen in de Heilige Koran en de Hadies en dat veeleer in strijd is daarmee, is naar mijn mening een overtreding en ongeloof. Maar weinigen slechts geraken tot de bodem van het Heilige Woord en begrijpen de subtiele geheimen van de Goddelijke profetieën. Ik heb noch iets toegevoegd aan, noch iets weggehaald uit de religie [van de islam]. Broeders, mijn godsdienst is dezelfde als die van jullie, dezelfde edele Profeet is mijn leider zoals van jullie en dezelfde Heilige Koran is mijn Leiding, mijn geliefde en mijn Testament, waarvan geloof daarin ook voor jullie verplicht is.”

(Majmu’a Ishtiharat, vol. 1, p. 232)

 

15.    “Denk eraan dat ons pad exact hetzelfde is als dat van de Heilige Profeet (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) en van zijn eerbiedwaardige metgezellen.”

(Ruhani Khazā’in, no. 2,  vol. 10, p. 107)

 

16.    “Door de betekenissen in mijn boeken te verdraaien en te veranderen, zoals de joden, en door een heleboel irrelevante zaken erbij te halen, zijn er honderden bezwaren tegen mij geuit, alsof ik aanspraak maak op het werkelijke profeetschap, alsof ik de Heilige Koran verlaat, alsof ik de Profeten van God beschimp en hen uitscheld en alsof ik de wonderen ontken. Ik leg dus mijn zaak bij de Verheven Allah en ik weet zeker dat Hij via Zijn gratie ten gunste van mij zal oordelen, omdat ik degene ben die onrecht is aangedaan.”

(Chashma-i Ma’rifat, p. 319)

 

17.    “De mensen begrepen mijn uitspraak niet en zeiden dat deze man het profeetschap opeist. Maar God weet dat deze uitspraak van hun een duidelijke leugen is. Er zit geen greintje van waarheid in, noch enige grond daarvoor. Zij hebben deze laster gesmeed om de mensen op te stoken om mij tot kāfir te verklaren, om mij te beschimpen, om mij te vervloeken en mij vijandig te zijn en om onenigheid onder de gelovigen te creëren. Bij Allah, ik geloof in Allah en Zijn Boodschapper en ik geloof dat hij de Laatste der Profeten is.”

(Hamāmat al-Bushra, p. 81, nieuwe editie, p. 289)

 

18.    “Indien men zorgvuldig alle Boeken van de Verheven Allah zou inkijken, dan zal men zien dat alle Profeten dit hebben onderwezen: Geloof dat de Verheven God Eén is, zonder deelgenoot, en geloof ook in ons apostelschap’. Dit is waarom aan de hele umma de kern van de islamitische lering in deze twee zinnen werd onderwezen: Er is geen god behalve Allah en Mohammed is de Boodschapper van Allah.”

(Haqiqat al-Wahy, p. 111)

 

19.    “Een man uit de Noordwestelijke Grensprovincie stelde de vraag: Welke tekortkoming was in de religie [van de islam] overgebleven, welke u kwam herstellen?’ Hazrat Mirza Ghulam Ahmad antwoordde:

 

‘Er zijn geen tekortkomingen in de geboden. Ons gebed, vasten, bedevaart, qibla, zakaat en kalima zijn dezelfde. Na verloop van tijd kruipt er matheid in het naleven van deze geboden. Vele mensen beginnen de volmaakte Eenheid van Allah te vergeten. Daarom stelt hij een dienaar aan die de mensen opnieuw aan de sharia doet vasthouden. Na honderd jaar treedt er lusteloosheid in. Ongeveer honderdduizend moslims zijn reeds afvallig geworden en jullie denken dat er toch niemand [d.i. een hervormer] nodig is? Mensen verlaten de Heilige Koran. Zij hebben niets van doen met de sunna van de Profeet. Zij denken dat hun gewoonten hun godsdienst is. Nog steeds denken jullie dat er niemand nodig is’.”

(Ruhani Khazā’in, no. 2, vol. 10, p. 451)

 

Dit voorval vond plaats in Lahore op 25 mei 1908, één dag voor Hazrat Mirza’s overlijden.                                                                     

 

20.    Tenslotte, nogmaals verklaar ik tegenover het publiek dat ik bij de Almachtige Allah zweer dat ik geen kāfir ben. Mijn geloof is: Er is geen god dan Allah en Mohammed is de Boodschapper van Allah. En aangaande de Heilige Profeet, ik geloof [in het vers van de Koran]: Hij is de Boodschapper van Allah en de Khātam an-nabiyyīn. Ik zweer zovele malen dat deze verklaring van mij waar is als dat er heilige namen van God bestaan, en zovele malen als dat er letters in de Heilige Koran staan, en zovele malen als dat er deugden zijn van de Heilige Profeet in de ogen van God. Geen van mijn geloofsovertuigingen is tegengesteld aan de geboden van Allah en de Heilige Profeet. Wie dan ook iets anders denkt, begrijpt het zelf verkeerd. Wie dan ook mij zelfs nu als een kāfir beschouwt en niet ophoudt met takfīr [een moslim kafier noemen], laat hem er zeker aan denken dat hij na zijn dood ondervraagd zal worden. Ik zweer bij de Verheven Allah dat ik een dusdanig geloof heb in Allah en de Heilige Profeet, dat indien al het geloof van dit tijdperk op een weegschaal zou worden geplaatst tegenover mijn geloof, dan zal mijn geloof, door de gratie van de Hoge, zwaarder wegen.”

(Karamāt as-Sādiqīn, p. 25)

 

§    Inhoud Ahmadiyya Rechtszaak Dl. III

§    Enkele verschillen tussen de Lahore- en de Qadian-groep

§     Literatuur over de splitsing