'Ik ruik het als mensen nerveus zijn'


NOORDWIJKERHOUT - Louis Matthijsse is een van de gasten op het doofblindencongres in Noordwijkerhout, dat nog duurt tot vandaag. Twee tolken staan hem met vingerspelling terzijde. "Ik hoop dat ik mag houden wat ik nog heb."

Louis Matthijsse heeft het syndroom van Usher. Vanaf zijn geboorte is hij doof. Toen hij 27 werd kwam daar een oogaandoening bij. In zijn geval betekent het dat hij zeer slecht ziet. Hij volgt nauwgezet alle verrichtingen op het doofblindencongres in congrescentrum Leeuwenhorst in Noordwijkerhout, geïnteresseerd als hij is in de nieuwste ontwikkelingen.

"We zijn een vergeten groep. De regering geeft ons nauwelijks aandacht. Voorzieningen die voor ons essentieel zijn, worden vaak afgewezen, omdat er een groot gebrek aan kennis is." Hij doelt op inductiefornuizen, speciale zonnebrillen, aangepaste computerapparatuur, brailleregels en alarmapparatuur.

De communicatie met Matthijsse gaat via twee tolken, zijn vriendin Janet Achterberg en Leonie Velzenboer. In het begin is het wennen om via de vrouwen de vragen te stellen. Ze pakken dan steeds zijn hand vast en vertalen de vraag via de methode van het vingerspellen.

Dit neemt veel tijd en aandacht in beslag, omdat iedere letter wordt 'vertaald' door een teken in de hand. Matthijsse zet die tekens weer om in taal. Zijn antwoorden zijn aanvankelijk voor een buitenstaander moeilijk verstaanbaar, omdat de taal van een dove monotoon is, maar gaandeweg het gesprek wordt het beter.

De twee tolken wisselen elkaar af, want het vingerspellen is zo intensief dat het niet lang achtereen gedaan kan worden. "Het is gewoon te zwaar, want je vertaalt echt letter voor letter en het kost je op den duur je vingers", vertelt de vriendin van Matthijsse.

Hij is nu veertig jaar en woont in Sint-Michielsgestel. Tot zijn 27ste werkte hij als administratieve kracht, maar toen hij eenmaal slecht ging zien, werd zijn tempo zo laag dat hij werd afgekeurd. "In het begin was ik daar erg verdrietig over, maar dat is nu over. Wat ik wel erg vind, is dat ik nu in bijna alles afhankelijk ben. Vroeger kon ik mij met liplezen nog aardig redden, maar dat gaat nu niet meer. En omdat er te weinig tolken zijn, raak je steeds verder geïsoleerd. Niet meer zien is erger dan niet horen."

Desalniettemin blijft Matthijsse redelijk op de hoogte van de wereld om hem heen. Hij leest goed braille en middels een loep en een speciale bril kan hij op de televisie en het internet het nieuws volgen. "Dat kost altijd veel inspanning, maar ik zou het echt vreselijk vinden als mijn gezicht nog verder achteruit zou gaan en ik deze dingen zou moeten missen. Ik hoop dat ik mag behouden wat ik nog heb."

Matthijsse hoopt dat er snel een expertisecentrum komt. Dit betekent dat de inspanningen die de vijf instellingen die momenteel de zorg en opvoeding van doofblinden behartigen, worden gebundeld. Alles is nu zo verbrokkeld en mensen weten niet waar ze hulp moeten zoeken."

Als hem de vraag wordt voorgelegd wat zijn grootste persoonlijke wens is, weet hij snel het antwoord: "Gelukkig met mijn vriendin blijven." Janet pakt zijn hand en spelt 'gekkie'. Aan de manier waarop iemand hem vingerspelt, legt hij even later uit, voelt hij zijn of haar gemoedstoestand.

"Ik voel dat Janet nu een beetje opgewonden is, ze spelt hard en snel. Als Janet last van reuma krijgt, voel ik de spanning in haar spieren, terwijl ze dat zelf nog niet weet. Aan de manier waarop iemand spelt voel ik of hij of zij boos, verdrietig of blij is. Want iemand die boos is, spelt echt veel harder, terwijl een verdrietig persoon mij een slap handje geeft."

Daarnaast is ook zijn reuk erg goed ontwikkeld. "Ik ruik bijvoorbeeld als iemand zenuwachtig is, maar dat laat ik niet merken, want dan zou ik mensen beledigen."

Tekst: Irene Nieuwenhuise. Bron: Leidsch Dagblad (27 juli 2001)

Terug naar Artikelen