J. S. Bach: Halt im Gedächtnis Jesum Christ (BWV 67)

Beluister deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys
(De Swaen, 29-30/3/2008)
Nadat Bach op Goede Vrijdag 8 april 1724 voor het eerst zijn Johannes-Passion heeft uitgevoerd, behelpt hij zich voor de drie Paasdagen met bewerkingen van reeds bestaande cantates uit zijn Weimarer en Köthener periode. Voor de zondag na Pasen (zondag Quasimodogeniti, 16 april) schrijft hij weer een gloednieuwe cantate, BWV 67, die zelfs door de gereserveerde Bacholoog Alfred Dürr beschouwd wordt als één van de großartigsten und originellsten Kantaten.
Deze rijke en compacte, slechts ongeveer een kwartier durende cantate is één van de weinige die al vroeg, voor de Tweede Wereldoorlog, een zekere populariteit genoot. Er zijn solo's voor alt, tenor en bas, niet voor een sopraan. In de instrumentale bezetting vallen, naast continuo, strijkers en twee hobo's d'amore, een traverso op en een corno da tirarsi. De traverso is alleen in historisch perspektief opmerkelijk: BWV 67 is de eerste cantate waarin Bach hem gebruikt; tien dagen eerder, in de eerste versie van de Johannes-Passion ontbrak hij nog, zoals Jos van Veldhoven met de Bachvereniging onlangs liet horen. Bach gebruikt de traverso hier nog wat onwennig, feitelijk slechts als tutti-instrument.
Van een corno da tirarsi, naar analogie van de tromba da tirarsi te vertalen met schuif-hoorn, zijn geen exemplaren of afbeeldingen meer bekend. Bach schrijft hem slechts driemaal voor (BWV 46, 162 en 67, in de jaren 1723/24). Het instrument heeft waarschijnlijk een uitschuifbaar mondstuk of een schuifbare U-bocht gehad, zodat er niet alleen natuurtonen maar alle chromatische tonen op konden worden gespeeld, en is het experimentele stadium nooit ontgroeid. Wij spelen deze partij op de - verwante - schuiftrompet, een tromba da tirarsi.

De kerk leest op deze zondag uit het evangelie van Johannes, hoofdstuk 20:19-31, het verhaal van de apostel Thomas die Christus´ opstanding uit de doden (Pasen) niet ongezien wilde geloven en zo symbool werd voor alle twijfelende gelovigen. Geïnspireerd door deze 'ongelovige Thomas‘ schrijft de Thomaskantor een hecht gestruktureerde, symmetrisch opgebouwde cantate over de thema´s hoop, onzekerheid en twijfel betreffende het centrum van het christelijk geloof, Christus´ verrijzenis, waarin de tegenstelling tussen geloof en ongeloof gaandeweg wordt gedramatiseerd.
De onbekende tekstdichter begint in het ritmische en vitale openingskoor (1) een verbinding met Pasen te leggen via het motto Halt in Gedächtnis Jesum Christ, der auferstanden ist von den Toten (2 Timotheus 2: 8). De twee teksthelften hebben eigen muzikale thema´s die fugatisch met elkaar woren gecombineerd en veel woorduitbeelding bevatten. In het eerste een opvallend lang aangehouden noot (Houd vast!) direct vanaf het begin in de corno, gevolgd door een vermanend vingertje dat naar Jesum Christ wijst, waarbij de melodie herinnert aan het O Lamm Gottes unschuldig; het koor scandeert ook nog die andere betekenis van Halt: stop! Het tweede thema verbeeldt Auferstanden met een opstijgende figuur en Gedächtnis met syncopes, over de maatstreep getilde lange noten. De afwisseling en combinatie van instrumentale en vocale passages verloopt volgens een fraaie symmetrische architektuur.
Begeleid door strijkers en hobo d´amore verwoordt de tenor (2) de discrepantie tussen het weten van de opstanding (vlot loopje omhoog) en aarzeling of onwil om daar van ganser harte op te vertrouwen (een verschrikt, hortend, zoekend motiefje).
De centrale delen (3) tot (5) volgen een doorlopende gedachtengang en vormen dus eigenlijk één geheel: een slechts door continuo begeleid (secco) alt-recitatief waarin opgenomen de herinnering aan een Paaskoraal (Nikolaus Hermann, 1560), die in vierstemmige tutti-zetting is uitgecomponeerd. De alt citeert in (3) de profeet Hosea (13:14): Jezus heeft mijn vijanden (dood, hel, satan) wel overwonnen maar mij intimideren ze nog steeds. De alt richt onze blik op de Friedefürst die zich vervolgens in (6) ook daadwerkelijk als Vox Christi meldt met de vredesgroet "Friede sei mit euch" waarmee hij zich na zijn verrijzenis aan de verzamelde apostelen deed kennen toen zij, twijfelend tussen vreugde en verslagenheid achter gesloten deuren bijeen waren (Johannes 20: 19).
"Aria" (6), het meest theatrale deel van deze cantate, is veeleer een dialoog tussen bas en driestemmig koor. Een woeste bataglia (veldslagmuziek in snelle vierkwartsmaat, inclusief opschietende vuurpijlen) van de strijkers vormt het decor voor de strijd van de gelovigen tegen dood en ongeloof waarin zij Christus' hulp verbeiden. Daarin verschijnt tot viermaal toe Christus met zijn vredesgroet, voorgedragen in een wiegend pastorale driekwartsmaat met een bovenaardse begeleiding van houtblazers. In de vierde en laatste tumultueuze sectie wordt het visioen werkelijkheid: Christus mengt zich in het strijdgewoel terwijl in de laatste pastorale passage de strijkers aan de gepunkteerde begeleiding van de blazers gaan deelnemen. Het verbaast niet dat Bach veertien jaar later dit tafereel vol dramatische contrasten bewerkte tot het - iets minder dramatisch geladen - Gloria van zijn Lutherse Mis in A (BWV 234).
BWV 67 eindigt (7) met een opmerkelijk eenvoudig (ouderwets) en rustgevend geharmoniseerd koraalvers van Jakob Ebert (1601); het schept een verstilde vrede, vergelijkbaar met het O Herr, laß dein lieb Engelein aan het slot van de Johannes-Passion.
omhoog