swaentje Barokensemble De Swaen25/26 november 2006




J. S. Bach: Nun komm, der Heiden Heiland (BWV 62)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Het kerkelijk jaar begint met de Adventstijd, de vier zondagen omvattende periode voor Kerstmis, waarin de komst van Christus (Kerstmis) wordt afgewacht; een periode van inkeer en bezinning want slechts door ‘s mensen zondigheid was de komst van Christus noodzakelijk geworden. In Bachs Leipzig werd gedurende deze periode dan ook geen concertante (‘figurale') kerkmuziek gemaakt, wat de cantor gelegenheid bood zijn voorbereidingen te treffen voor de zware Kerst-twaalfdaagse, van Eerste Kerstdag tot en met Driekoningen, waarin, afhankelijk van de weekdag waarop Kerstmis viel, op maximaal zeven zondagen cantates moesten worden uitgevoerd, waarvan vijf met feestelijke allure.
Alleen op de eerste Adventszondag werd nog een cantate uitgevoerd. In het jaar van zijn koraal-cantates kiest Bach voor 3 december 1724 het eerste koraal uit de Lutherse gezangbundel (die ook het kerkelijk jaar volgt): Nun komm, der Heiden Heiland. Dat lied is een omdichting door Martin Luther (1524) van een oud- kerkelijke, niet-gregoriaanse hymne, geschreven door Ambrosius (339-397, bisschop van Milaan); het wordt wel beschouwd als het oudste kerstlied. De eerste regel, Veni redemptor gentium, maakt duidelijk dat Heiden hier niet ‘heidenen' betekent maar ‘volkeren'. Tien jaar eerder, 1714 in Weimar, schreef Bach al een cantate die dezelfde titel heeft omdat het openingskoor het koraal volgt; deze cantate kreeg het BWV-nummer 61. In BWV 62 volgt Bach, conform zijn koraal-cantateprocedure, alle acht verzen van het koraal: het eerste en laatste vers letterlijk naar tekst en melodie in openings- en slotkoor, en de ´binnenverzen´ in vrije omdichtingen in aria's en recitatieven. Bachs tekstdichter, vermoedelijk de voormalige conrector van de Thomasschule, Andreas Stübel, raadpleegde klaarblijkelijk ook Ambrosius' origineel dat hij soms dichter benaderde dan Luther.
De koraalmelodie is opmerkelijk symmetrisch. De eerste regel is identiek aan de vierde en laatste, de twee tussenliggende  regels zijn elkaars spiegelbeeld.
De koraalfantasie (1) waarmee BWV 62 opent is feestelijk maar, aan het begin van deze bezinningstijd, met mate: geen trompetten en pauken als met Kerstmis, maar slechts een hoorn die de sopraan versterkt. Aan de koraalmelodie wordt voortdurend gerefereerd: al bij de inzet van het continuo in maat 3 (na twee continuoloze openingsmaten), en dan vlak voor de koorinzet door de hobo's, en vervolgens zingt de sopraan de koraalmelodie zoals gebruikelijk als cantus firmus in lange noten. De overige stemmen gaan de sopraan voor met zogenoemde voor-imitaties van de koraalzin (1e en 4e regel) of volgen met vrijere tegenstemmen, waarbij het alle Welt (‘iedereen'!) met zoveel mogelijk nootjes wordt in beeld gebracht. De instrumentale begeleiding verbindt de koraalzinnen en omlijst die met een voorspel dat ten slotte in zijn geheel wordt herhaald. Contrasterend met de tamelijk gedragen koraal-vertolking door het koor volhardt het orkest in zijn concertante begeleiding met vreugde-motieven (pa-pa-pam, pa-pa-pam).
Op het beginkoor volgen twee aria/recitatief-paren, waarvan Bach de meest eisende ariapartijen, zoals steeds in het najaar ‘24, aan zijn tenor- en bassolisten toevertrouwt.
Het volledige instrumentale ensemble begeleidt de tenor in een lange maar levendige en lichtvoetige da-capoaria (2). De dansante driekwartsmaat (formeel 6/8) suggereert een menuet of passepied, en onderstreept het vreugdevol en aards karakter van de ophanden geboorte van Jezus terwijl de lange melisma's van de tenor (een sliert noten op één klank) op de woorden höchste en Beherrscher de grandeur daarvan belichten.
In het bas-recitatief (3) grijpt Bach zijn kans tot muzikale schildering van de woorden laufen (loopje omhoog), Gefall'ne (septiemsprong omlaag) en heller Glanz (een flonkerende hoogste noot). Het Held aus Juda, één van de oud-testamentische kwalifikaties voor de verwachte Messias, vormt de brug naar de martiale aria (4) die daardoor kan contrasteren met de lieflijke tenoraria (2); de twee aria's belichten zodoende de twee complementaire aspekten van het verbeide Christuskind: kwetsbaarheid en heldendom.
De stoere bas-aria (4) wekt zijn indruk van robuuste krachtdadigheid niet alleen door de krijgshaftige melisma's van de bassolist maar ook door de hoekige, fanfare-achtige melodie en de simpele primaire harmonieën van de instrumenten; een sfeer die nog wordt versterkt door een - wat Handeliaans - speciaal effekt: terwijl deze aria eigenlijk een continuo-aria is omdat de enige instrumentale melodische lijn van het continuo komt, laat Bach de kinstrijkers deze baslijn unisono en geoctaveerd meespelen. Alleen de verwijzingen naar de zwakke menselijke aard (Fleisch) krijgen een harmonisch wat complexere kleuring (chromatiek).
Deel (5) bereidt ons nog weer een genre-verrassing: een door strijkers begeleid (accompagnato) recitatief, maar nu voor twéé zangers: de sopraan en de alt, die vaak de ideale en de weifelende gelovige representeren, maar hier, innig verstrengeld in parallelle tertsen en sexten namens alle gelovigen danken voor de komst van de Messias, in opvallend helder oplichtende toonsoorten. Zo blijft het heroïsche optreden van de bas c.q. Held
ingebed in tederheid.
Het laatste vers van Luthers koraal besluit deze cantate, in de gebruikelijke eenvoudige vierstemmige harmonisering (6).

Op het internet zijn via YouTube nog twee andere uitvoeringen van het openingskoor te beluisteren: Leonhardt/Harnoncourt en nog een ander ensemble.

J.L. Bach: Cantate Mache dich auf, werde licht.

Johann Ludwig Bach (1677-1731) was van 1711 tot zijn dood kapelmeester aan het hof Saksen-Meiningen. Hij was een zeer verre achterneef van Sebastian maar wel het door deze muzikaal meest gewaardeerde lid van de grote Bach-familie, getuige het feit dat Sebastian in 1726 te Leipzig maar liefst 18 cantates van de "Meininger Bach" heeft uitgevoerd in plaats van eigen composities. Deze in het handschrift van Sebastian overgeleverde kopieën zijn de enig resterende cantates van Ludwig, die vanwege dat handschrift lang als werk van Sebastian werden beschouwd; één werd zelfs opgenomen in de Bach Werke Verzeichnis voor hij werd ontmaskerd (BWV 15).
Ludwigs cantates hebben een karakteristieke tweedelige vorm. Elk deel begint met een bijbelcitaat (resp. oud- en nieuw-testamentisch) dat wordt gevolgd door een aria-recitatiefpaar, in tegengestelde volgorde; als slot klinkt een koor c.q. koraal.
Mache dich auf werd door Sebastian als eerste van zijn Ludwig-reeks uitgevoerd op 2 februari 1726, het feest van Maria Lichtmis (Duits: Mariä Reinigung) maar tegelijk van de introduktie van de 40 dagen oude Jezus in de tempel, een gelegenheid waarbij een man, Simeon, aanwezig zou zijn geweest die daarop een lofzang aanheft (Canticum Simeonis) ‘Nu ik het licht heb gezien, kan ik verder leven' (Nunc dimittis). Dat is de tekst van tenoraria (5) uit Lucas 2:29-32 die de cantate ook geschikt maakt als Adventscantate. De begintekst is van de profeet Jesaja, de verzen 1-3 uit hoofdstuk 60; hij wordt hier verdeeld over een aria (1) en een duet (2). Aan het slot horen we een eigenaardige vorm: een koor, beginnend met een lyrische, vrij gedichte zin, gevolgd door twee coupletten (5 en 9) van het koraal Durch Adams Fall ist ganz verderbt, door het koor gezongen in eenvoudig vierstemmige harmonisering en door het orkest concertant omspeeld.

Terug naar homepage van De Swaen
 of van Eduard van Hengel