(Bach Cantates Nijmegen, 12 april 2009)
Toen Bach voor de Tweede Paasdag (2 april) 1725 de cantate schreef die
door de oude Bachgesellschaft als zesde zou worden gepubliceerd, had
hij negen maanden lang uitsluitend koraalcantates gecomponeerd,
gebaseerd op een van de bekende Lutherse kerkliederen. Vermoedelijk
door het plotseling overlijden van zijn tekstschrijver komt in de
vastentijd 1725 een abrupt einde aan die reeks, die ongetwijfeld een
complete jaargang had moeten worden. Op Eerste Paasdag redt Bach zich
nog door, behalve het
Osteroratorium
(BWV 249) een koraalcantate van het ouderwetse type uit zijn kast te
halen, BWV 4, gecomponeerd in 1707.
Maar voor Tweede Paasdag keert hij terug naar een cantatetype uit zijn
eerste Leipziger jaar: met een openingskoor over een bijbeltekst,
ontleend aan de voorgeschreven evangelielezing.
Voor de Tweede Paasdag is die lezing Lucas 24: 13-35, het verhaal
van de twee "Emmaüsgangers", volgelingen van de enkele dagen
eerder te Jeruzalem gekruisigde Jezus, in wie zij de verwachte Messias
meenden te hebben gezien. Terwijl zij, op weg naar het naburige dorpje
Emmaüs, de teleurstellende gebeurtenissen bespreken, loopt een
vreemdeling met hen op die daarvan niet op de hoogte blijkt. Nadat zij
hem voor de avondmaaltijd hebben uitgenodigd (
Bleib bei uns) herkennen zij in hem
de opgestane Christus wanneer hij het brood met hen breekt.
In dit tafereel dat tientallen schilders inspireerde, waaronder
Rembrandt, Caravaggio maar ook Han van Meegeren, is de invallende
duisternis symbool geworden voor twijfel, ongeloof en zonde, terwijl
Christus er kan figureren als licht en leidsman voor hen die ‘in
duisternis wandelen'. Bachs onbekende tekstdichter gaat voorbij aan het
verhalende element in de evangelielezing en concentreert zich op de
uitnodiging, als bede om verlichting.
Hoewel het derde en het zesde (en laatste) deel van deze cantate
koraal(bewerkingen) zijn, is er geen aanwijzing dat Bach de cantate als
tweedelig, uit te voeren voor en na de preek, heeft bedoeld.
In het grote, driedelige openingskoor
(1)
vormt de bezorgde invitatie van de onbekende reisgenoot (Lucas 24: 29)
de enige tekst voor twee langzame hoekdelen in concertant-homofone
stijl, en een sneller polyfoon middendeel in motetstijl.
De orkestrale inleiding roept de sombere sfeer op van een landschap in
schemering waarover zware schaduwen vallen. Er spelen drie
instrumentale koren: drie hobo's, waaronder de lage hobo da caccia,
vormen de melodiestemmen, unisono gevoerde strijkers verzorgen een
pulserende begeleiding met donkere en slepende toonherhalingen, en een
waar mogelijk zwaar bezette continuogroep legt het harmonisch
fundament. Na twintig maten inleiding neemt het koor de melodiefunctie
over, afgewisseld met instrumentale tussenspelen. De zwaarmoedige sfeer
van deze liedachtige sarabande herinnert terecht aan het slotkoor,
Ruht wohl, van de Johannes-Passion
die drie dagen eerder, op Goede Vrijdag voor de tweede keer had
geklonken: zij verwijst naar hetgeen de Emmaüsgangers met elkaar
bespraken.
Na deze smekende opening krijgt dezelfde tekst in het snellere en
fugatische middendeel een nadrukkelijker en eisend karakter, vooral
door de aandringende toonherhalingen. Drie thema's worden terstond met
elkaar gecombineerd, achtereenvolgens op de zinsneden "
Bleib bei uns", "
denn es will Abend werden" en "
und der Tag hat sich geneiget". In
het tweede en derde thema valt op dat zowel de
Abend als
geneiget met een emotioneel geladen
verminderde kwint ‘vallen'. Zoals gebruikelijk begint de koorfuga
a cappella, slechts door een
zelfstandig continuo begeleid; na negen maten voegen de instrumenten
zich in, met een koorstemmen verdubbelende (
colla parte) rol. In Bachs praktijk
zouden vanaf dit punt waarschijnlijk ook de ripienisten (steunzangers)
meedoen. Het middendeel eindigt tenslotte met een insisterend unisono
Bleib bei uns, over de hele vocale
toonruimte; er klinken G's in vier octaven. Dan keert het eerste deel,
in een verkorte vocale versie weer terug, maar nu afsluitend in majeur.
Reeds door Albert Schweitzer werd dit inleidend drieluik aangemerkt als
"een muzikaal poëtisch meesterwerk".
In de eerste aria
(2) wordt de
- zoals vaak: devote - alt begeleid door de lage hobo da caccia (die
Bach in een latere versie door een altviool verving); door deze
combinatie van twee stemmen in een laag register klinkt deze
persoonlijke bede, niettegenstaande zijn dansant ritme en pizzicato bas
in een gedekt, schemerig coloriet.
Hochgelobt
krijgt een gebaar omhoog,
niederlegen
steeds een dalende toonreeks. Wegens de opmerkelijke
ABB-struktuur, waardoor de laatste zin tweemaal volledig wordt
verwerkt, horen we ook tot tweemaal toe hoe de
Finsternis invalt met een prachtige
reeks van drie lange dalende tonen.
Het obligate (solo-)instrument in koraalbewerking
(3) is de
violoncello piccolo, een door Bach
geliefd (en wellicht ook door hemzelf bespeeld) instrument dat vier of
vijf snaren heeft maar in elk geval beschikt over een hoge E-snaar en
daarmee het midden houdt tussen een alt-viool en een cello; ook de
vraag of het nu tussen de benen (
da
gamba) of vanaf de schouder (
da
spalla) werd bespeeld moet onbeantwoord blijven. Boven een
rustig basfundament (waarin dus een normale cello fungeert) verzorgt de
piccolo een levendige, rijk
versierde en ritmische begeleiding in het tenorregister waarin
men de flonkerende sterren aan de avondhemel kan herkennen. Het begin
van de virtuoze piccolo-solo is een omspeling van de vijf eerste noten
van de koraalmelodie die vervolgens in strakke lange noten, als
cantus firmus, tweemaal in zijn
geheel door de sopraan wordt voorgedragen. De tekst
Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ
is van Nikolaus Selnecker (1572), die daartoe de hymne
Vespera iam venit van zijn
leermeester Philipp Melanchton in het Duits vertaalde en van een tweede
couplet voorzag. De muziek van deze aria kreeg groter bekendheid in
zijn latere (1748) bewerking tot orgelkoraal, één van
Bachs zes
Schübler-Choräle
(BWV 649).
Het enige recitatief in deze cantate is een
secco, uitsluitend door continuo
begeleide boetepreek van de bas
(4)
die op vermanende toon de oorzaken van de
Finsternis bloot legt. De
umgestossen Leuchter (kandelaar)
aan het slot verwijst naar de evangelist Johannes' boodschap aan de
gelovigen te Efese in het boek Openbaringen (2:5) : waar God wordt
verzaakt dooft het licht. De baslijn daalt hier over bijna twee octaven.
Laten we onze blik op Jezus richten, neemt de tenor zich voor in zijn
optimistische en vertrouwensvolle aria
(5);
hij wordt begeleid door strijkers die meteen duidelijk maken wat die
blikrichting inhoudt

door in hun eerste acht noten tweemaal een karakteristiek
kruisvormig thema (zie het muziekvoorbeeld) te spelen. Ze vervolgen met
motieven die - blijkens de teksten van de tenor - vooral de zware
stappen in beeld brengen van een vermoeide reiziger die, onzeker
struikelend langs een kronkelig pad, dreigt af te glijden op
Sündenwegen.
Licht en
scheinen worden speciaal belicht
door hoge noten en een stralende coloratuur.
Het slotkoraal
(6) vormt
een eenvoudige vierstemmige harmonisering
(met
colla parte begeleidende
instrumenten) van het tweede couplet van Martin Luthers lied "
Erhalt' uns, Herr, bei deinem Wort".
Ter compensatie voor de superlatieven die u van mij nooit zult horen,
tracteer ik u op het commentaar van Maarten 't Hart:
Een prachtwerk. Openingskoor grandioos.
Alt-aria met hobo-begeleiding wonderschoon. Koraalbewerking voor
sopraan en cello piccolo boven alle lof verheven. Tenor-aria ook
schitterend.