(De Swaen, 29-30/11/2008)

J. S. Bach: Ich armer Mensch, ich Sündenknecht (BWV 55)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir
In zijn derde en vierde seizoen te Leipzig, 1725/26 en 1726/27, schrijft Bach, anders dan in zijn eerste jaren, niet meer wekelijks nieuwe cantates maar bij elkaar wel ongeveer zijn "derde jaargang". In de herfst van 1726 ontstaan regelmatig zogeheten solocantates waarin de rol van het koor beperkt blijft tot een slotkoraal, en soms zelfs dat niet. Van die solocantates, soms voor meerdere stemmen, is er slechts één voor tenor: BWV 55, geschreven voor 17 november 1726, de 22e zondag na Trinitatis, in de periode dus waarin het einde van het kerkelijk jaar nadert en de kerk zich oriënteert op de dood. De evangelielezing voor deze zondag is uit Mattheus 18, de verzen 23-35, de gelijkenis van de ondankbare knecht die, nadat hem zelf grote schulden zijn kwijt gescholden, op zijn beurt meedogenloos optreedt tegen een collega van wie hij nog iets tegoed heeft, en daarvoor ter verantwoording wordt geroepen. Daarmee is het thema voor deze cantate gegeven: de ‘eindafrekening', barmhartigheid vs harteloosheid,  Gott ist gerecht, ich ungerecht. Die tegenstelling struktureert deze korte cantate: twee delen, een aria en een recitatief, over de schuld van de zondaar en zijn verdiende straf, gevolgd door een aria plus recitatief over Gods barmhartigheid en de schuldsanering door Christus' lijden.
De tenor wordt in zijn eerste aria (1) - behalve door continuo - begeleid door een traverso, een hobo d'amore en twee violen, een ensemble waarin opmerkelijk ontbreekt de altviool, de ‘tenor-strijker', het instrument dat opereert in hetzelfde register als de vocale solist die daarmee alle ruimte krijgt voor zijn veeleisende en zeer hoog liggende, herhaaldelijk tot bes' reikende solopartij. In sombere moll-toonsoorten - overheersend g-klein - scheppen de instrumentalisten een klaaglijke sfeer; houtblazers en violen volgen elkaar paarsgewijs in terts- en sextparallellen langs droefgeestige Seufzer over hele en halve toonsafstanden. Het instrumentale kwintet wordt met de entree van de tenor uitgebreid tot een compact polyfoon sextet waarin de tenor, als een zich in alle bochten wringende zondaar, zich beklaagt over zijn uitzichtloze positie. Eenzaam, door alle begeleiders verlaten, verschijnt hij ten slotte mit Furcht und Zittern en schrijnende chromatische stappen voor Gods rechtbank.
De tekst van het secco recitatief (2) verklaart de status van Sündenknecht: hij heeft tegen Gods wil gehandeld. Zijn uitzichtloze situatie schetst de onbekende tekstdichter aan de hand van Psalm 139:7-10: de aarde noch de verste zeeën, de hel noch de hemel bieden vluchtwegen voor Gods blik.
De vertwijfelde gelovige rest slechts een beroep op Gods barmhartigheid; aria (3) zowel als recitatief (4) beginnen daartoe met de aanroeping Erbarme dich, die Bach nog geen halfjaar later weer zal gebruiken in de beroemd geworden altaria waarmee het - inhoudelijk, Petrus' verraad behandelende - eerste deel van de Matthäus-Passion eindigt, aldaar eveneens gevolgd door het koraal Bin ich gleich von dir gewichen.  En in aria (3) klinkt het Erbarme dich ook op dezelfde smekende sext-sprong als in de Matthäus-Passion. De tenor wordt hier begeleid door de traverso die met slepende nootjes (Seufzer) de tranen van de boetvaardige zondaar illustreert en met wilde uithalen diens radeloze ziel. Met een plotselinge stilte op het laatste stillen wordt de terugkeer van het Erbarme dich dramatisch onderstreept. De suggestie van zijn tekstschrijver voor een driedelige struktuur (A-B-A), met een da-capo terugkeer naar het Erbarme dich, vervangt Bach door een tweedeling, met een herhaling van het Erbarme dich na elke twee regels.
Het fraaie, door lange akkoorden van de strijkers (nu inclusief altviool) begeleide recitatief (4) heeft alle onrust achter zich gelaten. Het begint en eindigt weliswaar in majeur (Bes-groot) maar het hier nog eens herhaalde Erbarme dich klinkt door zijn septiem-sprong des te dringender. Zo zingt dat ook de alt in de Matthäus-Passion wanneer Jezus tot de kruisdood is veroordeeld (nr 51).
Het zesde couplet van Rists uit 1642 daterende koraal Werde munter, mein Gemüte dat Bach ook na het Erbarme dich in de Matthäus-Passion laat volgen, is hier (5) uitermate rustgevend vierstemmig geharmoniseerd: een notenbeeld waarin vrijwel alle toevallige verhogingen (kruizen en mollen) ontbreken impliceert afwezigheid van elke harmonische excursie en daarmee van elke verstorende emotie.
omhoog