J. S. Bach:  Brich dem Hungrigen dein Brot (BWV 39)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir
(Nijmeegse Bachcantatediensten, 14 juni 2009)

Bach componeerde zijn cantate 39 voor de 23e juni 1726, dat jaar de eerste zondag na Trinitatis (Drievuldigheidszondag), de zondag waarvoor hij drie jaar eerder de eerste cantate na zijn aantreden als Thomaskantor in Leipzig had geschreven. Terwijl Bach in zijn eerste ambtsjaren wekelijks een cantate componeerde en dus na twee jaar over twee complete cantatejaargangen beschikte, halveerde hij zijn tempo vanaf Trinitatis 1725 zodat BWV 39 tot zijn derde jaargang behoort.
Aan Brich dem Hungrigen dein Brot kleefde lang de legende dat zij zou geschreven zijn toen een groep van 1800, door een verlate contra-reformatie uit Salzburg gevluchte protestanten in 1732 onderdak in Leipzig zocht; de correcte datering van BWV 39 weerlegde dit sprookje.
Het libretto voor deze cantate ontleent Bach aan een bekende, al wat oudere bundel cantateteksten, in 1704 aan het hof te Meiningen ontstaan en wellicht door de hertog Ernst Ludwig zelf geschreven, waarin voor het eerst koraal- en bijbelteksten werden gecombineerd met uit de Italiaanse opera afkomstige recitatieven en aria's op vrij gedichte teksten; uit deze bundel putte ook de aan het hof te Meiningen werkzame Johann Ludwig Bach (de "Meininger Bach", 1677-1731), een verre achterneef van Sebastian, wiens cantates Bach zozeer bewonderde dat hij er zelf in 1726 achttien van uitvoerde te Leipzig. Deze cantates hebben een vaste vorm: twee delen, uit te voeren vóór en na de preek, elk ingeleid door een oud- resp, nieuwtestamentisch bijbelwoord en gevolgd door een recitatief/aria-combinatie en besloten met een koraal. Door verwisseling van de recitatief/aria-volgorde in het tweede deel hebben ze een symmetrische struktuur rond het nieuwtestamentische schriftwoord.
De evangelielezing voor deze eerste zondag na Trinitatis is Lucas 16: 19-31, een door Jezus uitgesproken gelijkenis over de rijke man en de arme Lazarus wier rollen na hun dood pijnlijk verwisseld blijken. In twee eerdere cantates concentreerde Bach zich resp. op het onderscheid arm/rijk (Die Elenden sollen essen, BWV 75, 1723) en een oproep tot boetvaardigheid (O Ewigkeit, du Donnerwort I, BWV 20, 1724); in 1726 ligt de nadruk op het verlenen van materiële hulp aan behoeftigen en de van God ondervonden barmhartigheid.
De uit het oude testament afkomstige tekst van het imponerende openingskoor (1) is Jesaja 58:7-8, een tekst van maar liefst acht regels; de componist moet zorgen dat alle verschillende noties daarvan tot hun recht komen zonder te vervallen in een struktuurloze opeenvolging van stukjes. Bach doet dat door (zie het schema) de tekst te verdelen in drie delen waartussen de maat wisselt: van een driekwartsmaat via een 4/4 (¢) naar een snelle 3/8. Het middendeel (II) is ‘t kortst; de omliggende hoekdelen zijn qua muzikale vormgeving elkaars gespiegelde: (I) is een fuga, geflankeerd door twee homofone (akkoordische) gedeelten op eenzelfde tekst en met eenzelfde instrumentale begeleidingsvorm, terwijl in (III) een homofoon gedeelte wordt geflankeerd door twee thematisch verwante fuga's.
DEEL/
maatsoort

maten
tekst
sinfonia 1 - 22 instrumentaal
I
(3/4)
homofoon
23 - 47
Brich dem Hungrigen dein Brot,
und die, so im Elend sind, führe ins Haus,
FUGA
47 - 70
idem
homofoon
70 - 94 herhaling 23 - 47 (gemodificeerd)
II
(4/4)
homofoon 94 - 106
so du einen nacket siehest, so kleide ihn
und entzeuch dich nicht von deinem Fleisch.
III
 (3/8)
FUGA
106 - 138
Alsdenn wird dein Licht herfürbrechen wie die Morgenröte,
homofoon 138 - 145
und deine Besserung wird schnell wachsen,
149 - 164 und deine Gerechtigkeit wird für dir hergehen,
FUGA 167 - 207 und die Herrlichkeit des Herrn wird dich zu sich nehmen.
De instrumentalisten bereiden de koorinzet voor met een sinfonia die vervolgens als begeleiding van het eerste deel zal dienen; door telkens twee akkoorden toe te wijzen aan achtereenvolgens de twee blokfluiten, de twee hobo's en de twee violen brengt Bach het verdelen van brood onnavolgbaar in beeld. Het koor op zijn beurt illustreert het broodbreken door een gefragmenteerde vertolking van de eerste woorden: Brich (rust) dem Hungrigen (rust) dein Brot. Ook overigens wordt er veel tekst geïllustreerd: bij führe in das Haus maakt de gebroken begeleidingsfiguur plaats voor langere lijnen, Elend gaat gepaard met schrijnende halve tonen (chromatiek), Morgenröte krijgt een uitgebreide stralende coloratuur etc. In alle delen, ook waar de meeste instrumenten in de fuga's slechts colla parte met de vocale stemmen meespelen, blijft er een zelfstandige rol voor de blokfluiten, het "armelui's instrument" (Bach beschikte immers intussen over uitstekende traverso-spelers), als voortdurende herinnering aan de behoeftigen waarom het hier gaat. Met een uitbundige fuga die de Herrlichkeit des Herren bezingt, eindigt dit ongewoon lange openingskoor waarin we Bach op de toppen van zijn kunnen zien.
In het slechts door continuo begeleide (secco) recitatief (2) legt de bas uit hoe Gods barmhartigheid jegens ons, ons op onze beurt tot daadwerkelijke naastenliefde verplicht. Tot die navolging bekent zich de alt in haar aria (3), een gracieus kwartet met continuo, hobo en viool: een, vergeleken met het openingskoor kleinschalige en intieme bezetting. Het ritme (in 3/8 maat) herinnert aan een menuet of een passepied. De aria heeft (evenals straks nr.5) geen da-capostruktuur: drie vocale passages - de tweede zin wordt tweemaal behandeld - worden omkaderd en afgewisseld door vier instrumentale ritornello's.
Het tweede deel van de cantate ("na de preek") opent (4) met het nieuw-testamentische schriftwoord, Hebreeën 13:16. De bas, die ook altijd als Vox Christi optreedt, vertolkt de vergelijkbaar belerende tekst, slechts sober begeleid door het continuo dat twee telkens doch gevarieerd terugkerende (ostinate) motieven speelt. Bij gebreke van een madrigale, vrij gedichte tekst kan het stuk niet als aria worden beschouwd. Vrijwel alle woorden worden op hun beurt geaccentueerd: gefállen (m.19 & 39), Gott (m.23 & 43), Opfer (m.19, 25, 47).
Begeleid door twee unisono spelende blokfluiten relativeert de sopraan deze strenge onderwijzing enigszins met haar lieflijke aria (5): van echte offers kan natuurlijk geen sprake zijn want alles wat wij hebben is ons reeds door God gegeven.
Terwijl het - symmetrisch gestruktureerde - solistengedeelte van deze cantate begon met een rationele uitleg van de bijbelse boodschap, zo besluit de alt (6) het met een hoogst persoonlijke dankbetuiging, in de vorm van een recitatief dat haar woorden door een strijkersbegeleiding speciale glans verleent. Ze gebruikt haar laagste noten ter illustratie van de woorden Armut, een grote (overmatige) dalende sextsprong, en den schwachen Leib der Erd.
BWV 39 eindigt met een eenvoudige vierstemmige harmonisering van het zesde couplet van David Denickes lied Kommt, lasst euch den Herren lehren (1648); zoals de tekst Selig sind die aus Erbarmen doet vermoeden parafraseert dit lied  Jezus' zaligsprekingen uit Mattheus 5. Het wordt gezongen op de bekende melodie van Freu dich sehr, o meine Seele; instrumenten versterken de vocale stmmen colla parte.