J. S. Bach: Gottlob! nun geht das Jahr zu Ende (BWV 28)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Nee, niet "Goddank is dit jaar bijna voorbij", een dergelijk cynisme is de cantatedichter vreemd. Hij bedoelt: nu het jaar teneinde loopt is er alle reden om God te danken voor het afgelopen jaar, en hem om voorspoed in het nieuwe jaar te vragen. De tekst verwijst overigens niet naar de voor deze zondag voorgeschreven evangelietekst (Lucas 2: 33 - 40) waarin Jezus een verlossersrol wordt voorspeld.
De tekstdichter is trouwens interessant. In de cantatenloze adventsperiode van december 1725 werkte Bach aan zijn jaarlijkse Weihnachtsoratorium avant-la-lettre: maar liefst vijf feestelijke cantates voor drie Kerstdagen, Nieuwjaar en Driekoningen / Epifanie op teksten van de Darmstadter hofdichter Georg Lehms (1684-1717, hij schreef ook veel voor Graupner) toen hij werd verrast door een zondag (30 december) tussen Kerst en Nieuwjaar (dat was hem in Leipzig nog niet overkomen), een zondag waarvoor Lehms geen tekst schreef. Daarom wijkt Bach uit naar een tekst van Erdmann Neumeister. Deze theoloog (1671-1756) geldt wel als de uitvinder van de ‘gemengde cantate' waarin ook recitatieven en aria's voorkomen maar in feite propageerde de piëtistische Neumeister met zijn Geistliche Cantaten statt einer Kirchen-Music (1702) slechts deze gevoelsgeladen opera-genres in de plaats van de leerstellige bijbelteksten en koralen in de gebruikelijke kerkmuziek; pas later en schoorvoetend accepteerde hij de vermenging van al deze vormen. In 1714 dicht hij voor Telemann een complete jaargang cantateteksten, Geistliche Poesien mit untermischten Biblischen Sprüchen und Choralen auf alle Sonn- und Fest-Tage durchs gantze Jahr. Daaraan ontleent Bach de tekst van Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende.
In sopraanaria (1) zetten instrumentalisten vanaf maat 1 een toon van blijmoedige dankbaarheid: de drie kinstrijkers en drie hobo´s (waaronder een taille oftewel althobo c.q. hobo da caccia) functioneren als twee dialogerende driestemmige ´koren´. De sopraan roept aanvankelijk op tot een bedachtzaam gedenken alvorens zich met virtuoze melisma´s te voegen in de overheersende dansante vreugde. (NB Dit zal het enige deel van deze cantate blijken te zijn waarin de hoge strijkers en blazers concertant optreden.)
Bach symboliseert de in dit jaargetijde aktuele tegenstelling tussen oud en nieuw muzikaal door na de aria met zijn moderne symfonische en operatische technieken te vervolgen met een archaïserend vierstemmig koraalmotet (2) in oude polyfone stijl, stile antico: geen zelfstandige maar slechts colla parte meespelende instrumentale partijen, uitsluitend rustige halve en kwartnoten waarmee de drie onderstemmen de cantus firmus van de sopraan - frase voor frase - begeleiden. Zoals gebruikelijk zingen de begeleidende stemmen motiefjes die nu eens vooruitwijzen naar de komende sopraanmelodie en dan weer specifieke woorden illustreren: schrijnende chromatiek op Sünd, een glijvlucht van de Adler, brede gebaren en een zelfverzekerde kwartsprong bij Der König schafft recht. Het zelfstandig opererende continuo laat de reiche Trost stromen als uit een hoorn des overvloeds. Conform de oude motet-traditie kan men - ad libitum - de vocale stemmen ook nog versterken met koperblazers (cornetto, trombones). Doordat de koraaltekst (Johann Gramann, 1530, vers 1) maar liefst twaalf regels omvat ontstaat een zeer uitgebreid motet, '174' maten noteert Bach aan het slot in de partituur, alsof hij er zelf van opkijkt. Later bewerkte hij het, met de tekst van vers 5 tot het zelfstandige motet Sei Lob und Preis mit Ehren dat nu als BWV 28/2a te boek staat maar aanvankelijk samen met thans aan Telemann toegeschreven delen terecht kwam in een onder Bachs naam gecompileerd (pasticcio) motet BWV 231 Jauchzet dem Herrn.
Met de oudtestamentische tekst van Jeremia (32: 41) kondigt de bas, zoals gewoonlijk de Vox Christi, Israëls verlosser aan (3) boven een ostinaat continuo-motief. Bach onderstreept de tekst door herhalingen (arioso).
De tenor (4), reagerend op deze voorspelling, meet Gods goedheid breed uit, in een door strijkers feestelijk versierd recitatief.
Scherp contrasterend met het bezonken koraalmotet (2) zingen alt en tenor ten slotte in duet, als een Thomasvaer en Pieternel, een vrolijke en lichtvoetige nieuwjaarswens (5), boven een sobere continuo-begeleiding. Dat deze cantate hierdoor evenzeer geschikt lijkt voor de eerste januari wordt nog onderstreept door het - eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde - slotkoraal dat als vers 6 fungeert in het nieuwjaarslied Helft mir Gotts Güte preisen (Paul Eber, 1580).

G. Ph. Telemann: Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende (TWV 1 : 671)

Georg Philipp Telemann (1681-1767) begon als rechtenstudent in Leipzig enkele cantates te schrijven, richtte er het Collegium Musicum op en besloot componist te worden. Hij leert J.S.Bach kennen, treedt in 1714 op als pleegvader van Bachs zoon Carl Philipp Emanuel maar werkt dan al sinds 1712 in Frankfurt. In 1721 wordt hij tenslotte muziekdirecteur in Hamburg. Telemann schrijft ongeveer 20 (twintig!) jaargangen cantates. De theoloog Erdmann Neumeister (1671-1756) dicht in 1714 voor Telemann een complete jaargang cantateteksten Geistliche Poesien mit untermischten Biblischen Sprüchen und Choralen auf alle Sonn- und Fest-Tage durchs gantze Jahr. Daaraan ontleent Telemann in 1721 (en Bach vier jaar later) de tekst van Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende, gepubliceerd onder zijn Frankfurter anagrammatische pseudonym MELANTE. Neumeister geldt wel als de uitvinder van de ‘gemengde cantate' waarin ook recitatieven en aria's voorkomen maar in feite propageerde de piëtistische Neumeister met zijn Geistliche Cantaten statt einer Kirchen-Music (1702) slechts deze gevoelsgeladen opera-genres in de plaats van de leerstellige bijbelteksten en koralen in de gebruikelijke kerkmuziek; pas later en schoorvoetend accepteerde hij de vermenging van al deze vormen. Vandaar dat vandaag beide cantates op zijn tekst met een aria beginnen.
Het valt op dat Telemann de twee koraalteksten in het libretto op identieke, sobere wijze slechts vierstemmig harmoniseert, met colla parte begeleidende instrumenten. Bach echter blaast het eerste koraal op tot muzikale hoofdschotel.

J. S. Bach: Orkestsuite no 2 in b (BWV 1067)

Van Bachs vier orkestsuites is de tweede waarschijnlijk als laatste ontstaan, omstreeks 1738/39; in juni hoort u hier ook nog de derde suite.
De kern van een suite vormt een reeks Franse dansen, in tamelijk gestileerde vorm. In zijn Franse en Engelse suites en partita's voor clavecimbel houdt Bach zich nog vrij strikt aan de standaard-Franse reeks allemande - courante - sarabande - gigue; in zijn orkestsuites maakt hij een veel vrijere keuze uit het repertoire aan dansvormen. De dansen worden voorafgegaan door een karakteristiek Franse ouverture: driedelig, met hoekdelen in een langzaam tempo en gepunkteerd ritme, en een snel fugatisch middendeel. Bach noemde deze orkestcomposities, naar hun dominante eerste deel, ouvertures.De tweede suite eindigt met een badinerie (‘geintje') wat geen dansvorm is maar meer een karakterstuk. De traverso speelt een dankbare solorol, maar verdubbelt ook veelvuldig de eerste viool. Een meer oorspronkelijke versie van deze suite, in a-klein voor soloviool, werd onlangs gereconstrueerd.
(De Swaen, 30/31 december 2006)
omhoog