Tja,
u treft hier natuurlijk altijd sprekers die u verzekeren dat de
cantate van vandaag iets heel bijzonders biedt. Maar zojuist hebt u
zelf kunnen constateren dat er wat bijzonders aan de hand is want u
mocht het slotkoraal (6) niet instuderen. Dat is u nog nooit overkomen,
en ik garandeer u: het zal niet weer gebeuren want we treffen hier de,
in Bachs oeuvre unieke situatie dat hij het slotkoraal niet zelf
harmoniseert, maar een 75 jaar oude zetting gebruikt van zijn verre
voorganger Johann Rosenmüller, Thomaskantor van 1642 tot 1655.
Dat koraal, dat u straks dus van ons zult horen, is in de eerste plaats
vijf- ipv vier-stemmig, dat bent u niet gewend. In de tweede plaats
zijn er hier en daar antifonale effekten, het lijkt wel twee-korig:
hoge en lage stemgroepen die op elkaar reageren; dat bent u ook niet
gewend. En er zit een maatwisseling in (van 4/4 naar 3/1, proportio tripla) waarbij het
laatste deel genoteerd is in een middeleeuwse mensuraal-notatie (brevis en
semi-brevis) die u zelfs niet zoudt kunnen lezen.
Deze ontlening aan werk van een voorganger doet Bach natuurlijk niet
zomaar. Denkt u niet dat hij even tijd tekort kwam of geen inspiratie
had, of dat hij zijn vorm nog moest vinden. Als hij in 1726 deze
cantate schrijft heeft hij er de afgelopen jaren al ongeveer 150
afgeleverd, meer dan twee jaargangen. Maar hij experimenteert lustig
door.
Rosenmüllers begrafeniskoraal op zichzelf genomen illustreert met
zijn de wisseling van een parmantige, zo niet martiale vierkwartsmaat
naar de dansante 3/4-maat natuurlijk prachtig het verschil tussen de
oorlog, strijd en opgeblazenheid in de wereld, en de vrede, rust en
vreugde in de hemel waarvan de tekst gewaagt.
Maar door zijn cantate met dit koraal te besluiten bereikt Bach
bovendien een speciaal effekt. Dit koraal moet op Bachs tijdgenoten een
onmiskenbaar archaïsche indruk hebben gemaakt, het is meer
renaissance dan barok, voor u weliswaar moeilijker te zingen maar toch
met ongecompliceerde harmonieën die een nostalgische hunkering
oproepen naar de eenvoudige, naïeve geloofszekerheid van vroeger
tijden. Daarmee introduceert Bach een effektief en verfrissend kontrast
met het gekwelde, laat-barokke doodsverlangen dat de rest van de
cantate karakteriseert.
Want waar gaat het in deze cantate eigenlijk over? Natuurlijk gaat het,
zoals altijd bij de mooiste muziek over de dood, maar wel op een heel
bepaalde manier.
De evangelielezing voor de 16e zondag na Trinitatis (6 oktober 1726) is
Lukas 7, de verzen: 11-17; waar wordt verteld dat, net wanneer Jezus de
stad Naïn wil binnengaan, een stoet de poort uitkomt om een jongen
te begraven, de enige zoon van een weduwe. Als Jezus de overleden
jongeling aanspreekt wordt deze weer levend.
De huidige cantate is de vierde die Bach voor deze dag, en naar
aanleiding van deze tekst schrijft (eerder deed hij dat in BWV161
(1715), BWV 95 (1723) en BWV 8 (1724)) en steeds geeft de cantatetekst,
van wie die ook afkomstig is, een merkwaardige, specifiek Lutherse
draai aan deze tekst. Wat je zou verwachten: een lebens-bejahende vreugde over de
terugkeer van de jongen in zijn aardse bestaan, maar de Lutheraan leest
deze tekst niet historisch maar symbolisch of allegorisch: als een
parabel voor de geloofszekerheid dat allen na hun dood door
Christus tot een eeuwig leven gewekt zullen worden, en dat mensen de
dood derhalve kunnen verwelkomen en begroeten als een noodzakelijke
maar verheugende stap die hen verlost van het lijden in het aardse
tranendal en dichterbij het hemels paradijs brengt. De dood wordt
daarmee gerelativeerd tot een kortstondige slaap, waarnaar met
verlangen kan worden uitgekeken, zoals ook andere cantate-titels tonen (Komm, du süße Todesstunde (161),
aria Ich freue mich auf meinen Tod
(82), en zinnen als Wohl denen die
im Sarge liegen (57/6)). Die gedachtengang volgt ook deze
cantate.
Even onconventioneel als het slot (6) is het openingskoor (1) maar
tegenover het simpele, naïeve slotkoraal staat een zwaar geladen,
somber openingskoor dat muzikaal uiterst complex is. Ik wil dat graag
even met u analyseren, opdat u hoort wat er te horen is.
Alleen al in het instrumentale voorspel en de begeleiding zijn drie
lagen te onderscheiden. Van onderaf:
1.de bas en de cello die, als de slinger van een klok het
onverbiddelijk doortikken van de tijd uitdrukken, men vergelijkt ze bij
wijlen met doodsklokken
2. hoort u van de kinstrijkers zwaar zuchtende figuren, die - even
meedogenloos - naar beneden, naar het graf wijzen; alleen aan het eind,
bij mach meinem Ende gut,
gaan ze even omhoog.
Tot zover, zou je kunnen zeggen, de objektieve kant v/d zaak.
Boven deze begeleidende figuren geven de twee hobo's uitdrukking aan de
subjektieve menselijke
ervaring, met een introvert, klaaglijk duet, met voortdurende seufzer die zo kenmerkend zijn voor
de toenmalige opkomende galante of empfindsame stijl.
En nu hebben we het alleen nog maar over de instrumentale begeleiding.
Denkt u vooral niet dat ik er maar wat
speculatief op los interpreteer. Zó conceptueel componeerde
Bach: welke associaties heb ik bij dit thema, en hoe druk ik die in
muziek uit!
Maar na 12 maten verschijnt dan toch
het koor en het zingt - regel voor
regel - een koraal, met de titeltekst en melodie die u zojuist ook hebt
ingestudeerd en die u wellicht herkent als van het meer bekende Wer nur den lieben Gott làsst walten.
De sopranen worden daarbij gesteund door een hoorn, maar de andere
stemmen versieren deze melodie met vaak heel gewrongen harmonieën,
vol schrille, van doodsangst doortrokken dissonanten.
BWV 27 lijkt daarmee op de
koraalcantates uit Bachs tweede jaargang maar behoort daar toch niet
toe omdat tekst noch melodie van het koraal verderop terugkeren.
Maar na de eerste zin wacht ons alweer
een nieuwe verrassing, alweer
uniek in Bachs oeuvre: de koraalzinnen worden driemaal gelardeerd met
uitleggende, verklarende zinnen die niet tot het koraal behoren, in
recitatiefvorm (achtereenvolgens door S, A en T). Die twee geheel
verschillende typen vocale muziek worden tot één stuk
bijeengehouden door de doorgaande instrumentale begeleiding, waardoor
we de unieke figuur krijgen van een ritmisch recitatief, in 3/4-maat
bovendien (recitatieven staan altijd in 4/4-maat) en met full-blown
concertante begeleiding. Dat we hier slechts drie recitativische
invoegingen horen, en géén van de bas is niet
verwonderlijk: de bas vertolkt immers vaak de Vox Christi en dat zou
niet op zijn plaats zijn in dit zorgelijke gebed.
Tussen begin- en slotkoor liggen twee recit./aria-paren, maar de
inhoudelijke wendingen liggen precies daartussenin.
Het tenor-recitatief (2) Mein Leben
hat kein ander Ziel, Als dass ich möge selig sterben kun je
natuurlijk lezen als een depreciatie, een minachting, ontwaarding v/h
leven. Ik ben meer geneigd volgende regels te onderschrijven: Ich lebe allezeit zum Grabe fertig und
bereit: leef zo dat je, wanneer je hoorde dat je morgen of over
drie maanden zult sterven, je niet plotseling iets anders hoeft gaan
doen dan je al deed.
Oftewel: doe de dingen die er uiteindelijk toe doen.
De echte inhoudelijke wending v/d cantate ligt tussen (2) en (3), een
wending die de Lutherse uitleg van de opwekking te Naïn
veronderstelt. De dood wordt nu niet meer gevreesd maar aanvaard, ja
verwelkomd (Willkommen (3) en
‘was ik alvast maar in de hemel' (4)
Alt-aria (3) is een kwartet met een instrumentale bezetting die -
opnieuw - uniek te noemen is: naast de alt en het continuo (waarin we
nog weer de oktaafsprongen v/h beginkoor horen) de melancholische
alt-hobo (hobo da caccia, hier gespeeld op een Engelse hoorn) en een
sprankelende rechterhand v/h orgel, die karakteristiek is voor de
periode dat Bach zijn zoon Wilh. Friedemann, inmiddels 16, regelmatig
inzette.
Ook sopraan-recitatief (4) vertolkt het idee "laat mij maar vlug
sterven" met de woorden Flügel
her = Geef mij vleugels, en ik vloog naar de hemel. En let even
op hoe Bach die vlucht illustreert.
Na de hunkering naar de hemel van de twee middelste delen, vertolken de
laatste twee delen de bereidheid het leven te verlaten en afscheid te
nemen v/d aarde (Gute Nacht en
Welt, Adé)
De tekst van aria (5) maakt duidelijk dat de Weltflucht vooral het Getümmel (gewoel, tumult)
betreft en - in het koraal (6) - de Krieg,
Streit en Eitelkeit. Dat laat in elk geval
ruimte voor de wat seculierder, diesseitiger
en aktivistischer interpretatie die met de opheffing van aardse
ellende, lijden en nood en de vestiging van vrede, rust en heelheid
liever niet zou willen wachten tot na onze dood.
Deze bas-aria (5), met strijkersbegeleiding, is gebouwd op de telkens
abrupte afwisseling tussen twee sferen: een vredig, lyrisch bezonken,
rustig sarabande-achtig slaapliedje Gute
Nacht dat in het middendeel overheerst, en een rusteloos,
heftig, geagiteerd en tumultueus Weltgetümmel.
(Inleiding
voor de Utrechtse
Bach-cantatediensten, 1 oktober 2006)