In de maand november, de ‘late
Trinitatistijd' loopt het kerkelijk jaar
ten einde en richt de kerk haar aandacht op de
eschatologie, de laatste dingen,
de dood en wat eventueel daarna komt. Luther had weliswaar
Allerheiligen en Allerzielen afgeschaft, zijn volgelingen stelden daar
in de negentiende eeuw
Totensonntag,
de laatste zondag van het kerkelijk jaar, voor in de plaats. De
evangelielezing voor de 24e zondag na Trinitatis is Mattheüs 9:
18-26, waarin Jezus het zojuist overleden twaalfjarig dochtertje van de
synagoge-overste Jaïrus uit de dood opwekt. Het verhaal is
meerduidig: Jezus maakt zich boos over het misbaar dat men maakt rond
de dood, die volgens hem toch slechts een tijdelijke slaap is, maar
vindt het leven - dat hij met de tekstdichter van vandaag zeker als
flüchtig en
nichtig beschouwde - toch
belangrijk genoeg om het meisje naar terug te halen. Zoals andere
opwekkingsverhalen interpreteerde Bachs Lutheranisme dit verhaal
symbolisch, als vooruitzicht op de eigen opwekking tot een eeuwig leven
van de gelovige, na zijn dood.
In zijn eerste jaar te Leipzig schrijft Bach voor deze zondag (7
november 1723) de sombere cantate 60,
O
Ewigkeit, du Donnerwort. Het volgend jaar (19 november 1724), in
het kader van zijn jaargang op koralen gebaseerde cantates, vraagt hij
zijn tekstdichter om een bewerking van het lied
Ach wie flüchtig, ach wie nichtig, waarvan
tekst en muziek in 1652 waren geschreven door Michael Franck
(1609-1667), gediplomeerd bakker te Coburg. Hij schreef in 1651 een
berijmde geschiedenis van de Dertigjarige Oorlog (1618 - 1648) en
componeerde diverse liederen.
Ach
wie flüchtig kreeg - sneller dan het werk van zijn
uiteindelijk veel beroemder tijdgenoot Paul Gerhardt - een grote
verspreiding en populariteit omdat het de verschrikkelijke
oorlogservaringen van zijn generatie onder woorden bracht. Bachs
tekstdichter handhaafde zoals in koraalcantates gebruikelijk het eerste
en laatste couplet en reduceerde de tussenliggende 11 (!) coupletten
tot teksten voor twee aria/recitatief-paren; met name in recitatief
(3) grijpt hij in door zeven
coupletten in zeven regels samen te vatten.
BWV 26 is een sombere preek over de eindigheid van het leven en de
vergankelijkheid van alle aardse ambities; snelle tempi staan hier niet
voor vrolijkheid maar voor vluchtigheid. De beklemmende sfeer wordt pas
in de allerlaatste regel doorbroken:
Wer
Gott fürcht', bleibt ewig stehen.
(1) Zonder een bepaald thema
schetst het orkest met korte akkoorden en haastige toonladderfiguren,
rusteloos op en neer jagend, een decor waarin men
voortijlende wolkenflarden en mistslierten (
Nebel) mag zien. Gesteund door een
hoorn zingen sopranen de koraalmelodie als
cantus firmus in lange noten,
begeleid door gebroken (!) akkoorden op snelle noten van de
onderstemmen die elke zinsnede unisono afsluiten, ongeacht de tekst op
de noten van
Ach wie flüchtig,
ach wie nichtig die er dusdoende nog eens extra ingehamerd
worden. De motieven voor deze koraalfantasie ontleende Bach aan het
koraalvoorspel BWV 644 in zijn
Orgelbüchlein
van 1713-1715 waarvan de titel trouwens luidde
Ach wie nichtig, ach wie flüchtig.
Even jachtig als de voorgaande is de begeleiding door traverso en
soloviool van de tenor in zijn schier eindeloze da-capo-aria
(2): als een ruisend beekje vlieden
onze levensdagen heen. Pas wanneer - in een kort middendeel - de stroom
tot druppels verbrokkelt, desintegreert ook de begeleiding even.
Na een korte coloratuur op
Freude komt
de nu al twee delen aanhoudende jachtigheid eindelijk tot rust in het
secco recitatief van de alt
(3) waarin
- zoals gezegd - zeven van Francks coupletten worden samengevat. In
hoge liggingen bezingt de alt
Schönheit,
Stärke, Ehr en
Ruhme,
lage noten blijven gereserveerd voor verwelken, verzwakken en
natuurlijk
das Grab.
Basaria
(4) illustreert (nog
eens, want het probleem doet zich vaker voor) dat van een negativum
geen muziek te maken valt. En dus schrijft Bach, wanneer de tekst
irdische Schätze afwijst een
statige hofdans, een bourrée, een profaan pronkstuk dat je in
een wereldlijke cantate zou verwachten, luxueus geïnstrumenteerd
met drie hobo's, maar wel in een mineur toonsoort, e-klein; hij
ver'toont‘ wat afgewezen wordt. Op
töricht
(dwaas) wendt ook de bas zich, met gekwelde halve tonen, af van de
pralende sfeer. Dat de totale vernietiging om de hoek
ligt blijkt wel in het middendeel wanneer door alarmerende zestienden
van het continuo het zelfverzekerde spierballenvertoon omslaat in een
macaber visioen. Men heeft in deze ‘galanterie' ook wel een Jeroen
Bosch-achtige dodendans willen zien.
Nadat de sopraan in seccorecitatief
(5)
nog enkele tegenstellingen aan de collectie heeft toegevoegd (
Herrlichkeit, Pracht, Hoheit tgov
Nacht, Staub en
Asche) komen alle uitvoerenden in
een gezamenlijke vierstemmige harmonisering van het slotkoraal
(6) uiteindelijk tot de conclusie
Wer Gott fürcht', bleibt ewig stehen.
(Nijmeegse
Bach Cantates, 9/11/2008)