(De Swaen, 28-29/9/2008)
J. S. BACH: Vereinigte
Zwietracht der wechselnden Saiten
(BWV 207)
De wereldse cantate
Vereinigte
Zwietracht der wechselnden Saiten (BWV 207) schreef Bach in 1726
in opdracht van het studentenmuziekgezelschap
Collegium Musicum waarvan hij zelf
in 1729 de dirigent zou worden. Het is een huldigingsmuziek voor de
jonge, 28-jarige Dr Gottlieb Kortte (1698 - 1731) die op 11 december
met zijn inaugurele rede zijn bevordering tot hoogleraar Romeins Recht
aan de Leipziger Universiteit aanvaardde. Het stuk zal kort na die
elfde december, of misschien zelfs ´s avonds zijn uitgevoerd
onder leiding van de toenmalige dirigent van het
Collegium Musicum, de organist van
de Neukirche, Balthasar Schott. De jonge Kortte was zeer populair bij
zijn studenten; het ietwat overdadig aandoende eerbetoon dat hen - mede
gezien de bezetting - veel geld moet hebben gekost, krijgt wat meer
relief door een kritisch traktaat uit 1742 dat in het facultair
docentencorps nogal wat hooggeleerde luiwammesen en profiteurs
signaleert.
Vereinigte Zwietracht wordt,
met een aantal andere wereldse cantates zoals BWV 205, 206, 213, 214 en
215, omschreven als een
Dramma per
Musica, de toenmalige aanduiding voor ‘opera'. De solisten
vertolken er rollen van allegorische personages, in dit geval resp.
Geluk (sopraan), Dankbaarheid (alt), Vlijt (tenor) en Eer (bas). Er is
tussen de personages evenwel zo weinig interactie dat het resultaat
meer beschouwelijk dan dramatisch blijft.
De instrumentale bezetting is luxueus: drie trompetten, pauken, drie
hobo's, twee fluiten, strijkers en continuo.
Op de omslag van de partituur is een, niet tot de eigenlijke cantate
behorende
Marche genoteerd
die mogelijk pas is toegevoegd bij de latere (1735) bewerking van BWV
207 tot
Auf schmetternde Töne
der muntern Trompeten (BWV 207a), maar in elk geval moet zijn
gespeeld tijdens een aan de uitvoering voorafgaande optocht door de
stad, wellicht om Korttes
schläfrige
(zie nr 8) collega´s uit hun middagslaapjes te wekken.
Struktureel omkaderen in BWV 207 twee koren drie recitatief/aria-paren,
die op hun beurt symmetrisch zijn gerangschikt rond de duet-delen voor
de twee uiterste stemmen, bas en sopraan, waardoor elk van de solisten
een gelijk aandeel toevalt, in een grote verscheidenheid van vormen.
De eerste twee woorden en titel van de cantate
Vereinigte Zwietracht, eensgezinde
tweestrijd, is een combinatie van tegendelen (oxymoron) die het
muzikale ideaal (samenspel van wedijverende strijkers) verbindt met het
intellectuele ideaal van
concordia
discors, gemeenschappelijk twistgesprek.
Tot een klaterend openingskoor
(1)
bewerkte Bach het derde deel van zijn Eerste Brandenburgs Concert (BWV
1046), geschreven in zijn Köthense periode (1721). Hij
transponeerde het stuk van F naar D, verving de twee hoorns door drie
trompetten met pauken, voegde twee traverso's toe maar schrapte de
concertante
violino piccolo
en hing er een vierstemmige koorpartij in: niet zomaar akkoordisch maar
volwaardig polyfoon uitgewerkt. Wegens het metrum van de tekst moest
hij het thema van een opmaat voorzien; slechts tweemaal, bij de woorden
denen mit emsig ergebenen Söhnen,
is hij gedwongen twee maten door vier andere te vervangen. Het geheel
klinkt alsof het nooit anders is geweest, terwijl u het Eerste
Brandenburgs toch ook reeds als een voltooide compositie beschouwde.
Een verbluffend meesterstukje.
In een lang, slechts door continuo begeleid (
secco) recitatief
(2) prijst de tenor, Vlijt, de
energieke jonge geleerde; de weinig beeldrijke taal van de onbekende
librettist - zeker geen Picander - heeft Bach niet kunnen inspireren.
Begeleid door strijkers vermaant Vlijt in zijn aria
(3) de studenten hun leermeester te
volgen op zijn kronkelige, moeizame pad (
Weg, Straße),
geïllustreerd door het syncopisch ritme, de tegendraadse
stappen (
sauren Tritte) die
daarvoor nodig zijn.
Onafhankelijk van elkaar introduceren bas (Eer) en sopraan (Geluk)
zichzelf in hun secco-recitatief
(4):
slechts een doornig pad leidt naar een
Lorbeer, lauwerkrans, en zelfs geluk vergt inspanning en vlijt.
Alleen het woord
Wollust kan
Bach niet ongemerkt laten passeren.
Maar ook in hun slechts door continuo begeleide duet
(5) treden bas en sopraan minder
samen op dan je zou verwachten. Niet alleen etaleren ze in het -
feitelijk éénstemmige - middendeel van deze
da-capo-aria beurtelings en
afzonderlijk verschillende motieven voor hun gezamenlijke lofzang, ook
waar ze, in het hoofddeel, elkaar imiterend, samen zingen verschillen
hun teksten. Het continuo reikt de zangers aanvankelijk het thema aan
maar beperkt zich vervolgens tot on-thematische begeleiding.
Dit duet loopt - verrassenderwijs - uit in een feestelijk
Ritornello dat er thematisch en qua
bezetting geheel los van staat. Bach arrangeerde hiervoor het laatste
deel van zijn Eerste Brandenburgs Concert: de twee hoorns uit het
oorspronkelijke
Trio zijn ook
hier vervangen door twee trompetten, de maat gaat van 2/4 naar 4/4, het
bassetje (een continuo-vervangende baslijn) van de drie hobo's is
gehandhaafd maar krijgt telkens in de herhaling gezelschap van met
strijkers geïnstrumenteerde continuoakkoorden. Bach voorkomt met
dit ongebruikelijke instrumentale intermezzo het optreden van drie
achtereenvolgende continuo-delen want ook het recitatief
(6) is slechts secco. Daarin is het
de alt (Dankbaarheid) die de studenten (
angezündeten Kerzen) maant hun
geliefde leraar te volgen op diens pad, leidend naar de tempel van
Astraea, godin van gerechtigheid. In de recitatieftekst blijkt alleen
het woord
Flammen Bachs
fantasie te hebben geprikkeld.
Dankbaarheids aria
(7) is in
wezen een kwartet voor vier gelijkwaardige stemmen: continuo, twee
traverso's en de alt wiens (c.q. wier) vocale lijn hier en daar
bloemrijk is versierd; het kwartet wordt echter doorschoten met
hardnekkige gepunkteerde toonherhalingen van de unisono optredende
strijkers: in
Marmor wordt
veeleer eentonig gehakt dan geëtst.
Het slotkoor wordt voorafgegaan
(8)
door een uit opera-finales bekende
licenza:
in een door strijkers en hobo's begeleid recitatief komen alle vier
solisten (concertisten) nog eens langs om, trouw aan hun personage, hun
bijdrage samen te vatten dan wel een gelukwens uit te spreken. Een
dergelijke epiloog herinneren we ons ook uit de Matthäus-Passion
en het Weihnachtsoratorium.
Het slotkoor
(9) is een
uitgelaten en helder gestruktureerde mars of dans in
tweetelsmaat; het lijkt primair instrumentaal gedacht, met daarin
ingebouwde koorpassages. Twee identieke (
da-capo) delen van 2 x 2 x 16 maten
omlijsten een dynamisch bescheidener middendeel waarin de solisten nog
hun duit in het zakje doen.
Helaas bleken de Kortte toegewenste
ungezählte Jahren er slechts vijf te worden: hij overleed
in 1731 op 33-jarige leeftijd.
Bij de parodiering van BWV 207 in 1735 tot huldigingscantate voor
August II (BWV 207a) wist Bach deze lofrede op intellectuele
integriteit moeiteloos te transformeren tot een betoon van onderdanige
inschikkelijkheid.