(De Swaen, 26/2/2006)
Bachs wereldse solocantate
Weichet
nur, betrübte Schatten is één van de eerste
cantates die - getuige opnamen van vóór de Tweede
Wereldoorlog - weer op het repertoire terugkeerden. Het is ook
één van Bachs vrolijkste cantates, een bruiloftscantate,
dus niet geschreven voor een plechtige kerkelijke huwelijkssluiting
maar voor het feest na afloop. Hij dateert waarschijnlijk uit Bachs
Köthense periode (1718-1723), die hij later de gelukkigste van
zijn leven zou noemen. De bescheiden, kamermuzikale bezetting - een
solosopraan, begeleid door hobo, strijkers en continuo - suggereert dat
het hier een huwelijk betreft in de hogere burgerij of lagere landadel;
dat suggereert ook de luchthartige tekst: te oneerbiedig voor een
prins- of koninklijk huwelijk. Ook het gemiddelde 'stijlniveau‘ is
daarmee in overeenstemming: hoger dan de wat boertige Jagd-, Bauern- of
Kaffeecantates maar lager dan bijvoorbeeld de vorstelijke feestcantates
die (zoals het
Tönet, ihr Pauken
(BWV 214) van twee maanden geleden) in het Weihnachtsoratorium
geparodieerd konden worden. Voor zulke sacrale parodieën is
Weichet nur, betrübte Schatten
te lichtzinnig.
Het betreffende huwelijk moet in het voorjaar zijn gesloten want de
tekst vergelijkt het ontwaken van de lente met het opbloeien van de
liefde. Dat - gezien de ontstaansdatum - Bachs tweede vrouw, Anna
Magdalena, met wie hij in 1721 was getrouwd de sopraansolist zou kunnen
zijn geweest, kan slechts een interessante speculatie blijven.
Merk op hoe Bach, met de bescheiden beschikbare middelen de door vier
recitatieven gescheiden vijf sopraanaria's toch geheel verschillend
weet te instrumenteren: tussen de hoekdelen voor allen (
tutti) spelen achtereenvolgens
cello, viool en hobo een solopartij.
Voor een feestcantate is het impressionistische begin van de eerste
aria
(1) wat droefgeestig: uit
optrekkende winterse mistflarden doemt
een smeltende hobotoon op, en even later ontluikt ook de sopraan totdat
bloemenkoningin Flora een heel boeket bij elkaar heeft. Het
secco-recitatief
(2) begint
ritmisch vrij maar gaat over in een ritmisch arioso: een stijlkenmerk
van de jonge Bach dat we later in Leipzig nauwelijks meer aantreffen,
maar hier in alle vier recitatieven. Met rusteloos hoefgetrappel snelt
zonnegod Phoebus in de tweede aria
(3)
op vrijersvoeten (als
Buhler)
langs de hemel, en ook Amor
(plaatje van de maand) ontwaakt
(4).
Op zoek naar prooi, twee verliefde
harten, sluipt hij rond
(5);
het
piano
en
pianissimo in de vioolsolo
heeft Bach - bij hoge uitzondering - eigenhandig in de partituur
aangetekend. Intussen stijgt de stemming: op een dansant ritme
onderstreept de obligate hobo in de vierde aria
(7) dat liefde
bestendiger is dan verwelkende bloesem. In het laatste recitatief
(8)
wendt de sopraan zich persoonlijk tot het jonge paar; ongeluk en donder
verschrikken alleen nog de cello. En dan kan het bal beginnen, met een
vrolijke en statige gavotte
(9).
Johann Adolf Hasse (1699- 1783),
geboren te Hamburg, was Europa's
beroemdste componist van het midden van de achttiende eeuw. Hij
ontwikkelde zich aan het hof te Napels tot componist in het toen
toonaangevende genre van de Italiaanse opera seria. In de bloeiperiode van
Saksen onder Friedrich August II (1733-1763) was hij kapelmeester van
de Dresdense opera, een functie die hij wist te combineren met het
muziekdirectoraat aan het Venetiaanse Ospedale
degli Incurabili; de ‘ospedali' of ‘conservatoria' voor wezen en
vondelingen te Napels en Venetië waren beroemd om hun
muziekonderricht en de vrouwenkoren die daaruit voortkwamen. Van huis
uit protestant was Hasse terwille van zijn huwelijk met de Venetiaanse
primadonna Faustina Bordoni tot het katholicisme bekeerd.
Behalve 63 opera's componeerde Hasse - vooral in zijn laatste jaren -
veel kerkmuziek, maar o.m. ook 80 fluitsonates voor de beroemde
fluitist Frederik de Grote (Berlijn). De ironie wil dat toen Frederik
in 1760 het beleg sloeg voor Dresden niet alleen de Saksische
Staatbibliotheek en de Kreuzkirche in puin gingen maar ook het huis van
Hasse waar op dat moment al zijn composities persklaar lagen voor wat
de eerste, door Breitkopf uit te geven, ‘verzamelde werken' van de
muziekgeschiedenis hadden moeten worden.
Hoewel Hasse door wederzijdse banden van waardering en vriendschap met
Bach was verbonden, was hij stilistisch diens volstrekte tegenpool:
wars van de barokke harmonische complexiteit en contrapuntische
kunststukken was hij, met zijn eenvoudig toegankelijke muziek,
overzichtelijk notenbeeld en aan het italiaanse belcanto verwante
soepel zingbare vocale lijnen een wegbereider van de klassieken. Bach
liet waarschijnlijk alleen in familiekring het achterste van zijn tong
zien als hij, wanneer Dresden weer een nieuwe Hasse-opera had
geagendeerd tot zoon Friedemann placht te zeggen "wollen wir nicht die schönen
Dresdener Liederchen einmal wieder hören?"
Hasse componeerde zijn Miserere
in c-klein omstreeks 1730 voor het vierstemmig vrouwenkoor van het
Venetiaanse internaat, en bewerkte het na 1760 voor Dresdens gebruik,
en voor wat wij nu ‘gemengd koor' noemen, maar in feite natuurlijk een
mannen- en jongenskoor was. De tekst van een Miserere is Psalm 51 (in de
katholieke Vulgata nr.50), een boetepsalm die liturgisch een plaats
heeft in de Stille Week voor Pasen, evenals trouwens de Lamentaties die
u hier volgende maand zult horen. De relatie tussen tekst en muziek in
dit Miserere van Hasse toont
dat we de barok ver achter ons gelaten hebben. Hier geen gedetailleerde
muzikale illustraties zoals schrijnende harmonieën of gewaagde
chromatische gangen op kernwoorden als zonde, ongerechtigheid of overtredingen. Hasse's muziek lijkt
slechts in dienst te staan van één overkoepelend
basisaffekt: de vertroosting die de boetvaardige mag verwachten.