Toen de Saksische keurvorst August der
Starke zich,
ter verwerving van
de Poolse koningskroon in 1696 tot het katholicisme bekeerde, bleef
zijn vrouw
Christiane Eberhardine het lutheranisme trouw. Zij werd daarom in
Saksen, en vooral in Leipzig op handen gedragen, als ‘Landesmutter'
vereerd en na haar dood op 5 september 1727 diep betreurd. Toen
kerkelijke rouwplechtigheden wegens het formeel katholieke karakter van
het koningshuis onmogelijk bleken verkreeg de adellijke en bemiddelde
Leipziger student Hans Carl von Kirchbach (1704-1753) op persoonlijke
titel koninklijke toestemming voor een herdenking; hij bewoog de
universitaire autoriteiten tot een representatieve akademische
rouwplechtigheid in de universitaire St Paulikirche op 17 oktober 1727,
die hij uit eigen zak financierde. Hij vroeg de filosoof en dichter
Prof. Johann Christoph Gottsched (1700-1766), een literair-politieke
coryfee van de Leipziger universiteit om de tekst van een Trauer-Ode te
dichten, en Bach om daarbij de muziek te schrijven. Beide verzoeken
zijn opmerkelijk. Als genoegdoening voor Bachs ‘inbraak' in het
universitaire domein moest het prerogatief van de universitaire
director musices Gottlieb
Görner, na diens protesten, voor twaalf
daalders worden afgekocht. En van Bachs 'samenwerking‘ met de vermaarde
Gottsched is opmerkelijk dat deze niet vaker plaats vond. Terwijl Bach
zijn teksten placht te betrekken van de conservatieve
gelegenheids-poëet Picander, voorzag de eminente Gottsched,
voorvechter van de vroeg-Duitse Verlichting, hem van één
van de beste teksten die Bach ooit mocht toonzetten. Of dat genoegen
wederzijds was blijft echter de vraag. Gottscheds verheven-lyrische
Trauer-Ode bestaat uit negen identieke, acht-regelige strofen, een vorm
waarvoor Bach geen muzikaal equivalent ter beschikking stond. Dus
maltraiteert Bach de strenge strofische opbouw; hij hakt vijf van de
negen coupletten doormidden en voegt sommige kwatrijnen met andere
samen tot een tiendelige cantatetekst,
im Italienischer Stil opgebouwd
uit koren, recitatieven en aria's. Zo behandelde hij trouwens ook de
strofische koraalteksten van veel koraal-cantates. Gottsched, overigens
één van Bachs supporters, heeft zijn ode nooit meer
gepubliceerd.
Bachs Trauer-Music, met het opschrift
Tombeau
de S.M. la Reine de
Pologne heeft een sterk van zijn cantates afwijkende,
uitzonderlijk
grote en opvallend Frans aandoende bezetting: buiten de gebruikelijke
vierstemmige vocale en strijkers-koren en continuo telkens twee
traverso's, hobo's d'amore, viola's da gamba en luiten; instrumenten
wier zachte timbres niet alleen zeer geschikt zijn voor een plechtige
treurmuziek maar wier aantal ook het enthousiasme en de
bereidwilligheid weerspiegelt waarop Bach kon rekenen bij de
studenten en alumni van het seculiere C
OLLEGIUM M
USICUM
waarvan hij
twee jaar later dirigent zou worden.
BWV 198 bestaat uit twee delen, bij de
première onderbroken door de, door Von Kirchbach uitgesproken
‘lof- en treurrede'. De uitvoering,
mit
Clave di Cembalo, welches Herr
Bach selbst spielete, vond plaats voor een uitgelezen schare
universitaire, adellijke en burgerlijke autoriteiten uit binnen- en
buitenland, waaronder personen die de Leipziger Messe bezochten en
eine
große Anzahl vornehmer Dames. Ze is één der
hoogtepunten in Bachs carrière geweest. De sombere, dreigende
sfeer van de muziek gelijkt, niet verwonderlijk, op die der passies;
Bach hergebruikte de muziek dan ook in de verloren gegane (maar
daardoor onlangs reconstrueerbaar gebleken) Markus-Passion van 1731.
De BWV-catalogus nummert deze treurmuziek, bij toeval maar
terecht, op de grens tussen wereldlijke en geestelijke cantates. De
verlichter Gottsched was zeker geen religieus dichter maar gebruikt wel
christelijke noties als eeuwig leven, de oud-testamentische ideale stad
Salem, het heiligen-aureool en
de troon ‘
des Lammes' (=
Christus).
Het statige openingskoor
(1),
met veel schrijnende dissonanten en
voorhoudingen, smeekt de overleden koningin nog éénmaal
haar stralende schoonheid te tonen. Een gepunkteerd ritme herinnert aan
het begin van Franse ouvertures waarop de koning placht binnen te
schrijden. Het compacte polyfone weefsel van de elf instrumentalisten,
veelal opererend in vijf concerterende groepen, laat het koor slechts
ruimte voor een tamelijk homofone, tweevoudige declamatie van de
rouwklacht. In het klaaglijke alt-recitatief
(2) illustreren de
strijkers eerst
erstarrt met
kortaffe akkoorden om vervolgens de tranen
golvend te laten vloeien. [Meissen is de stad waar Christiane
Eberhardine aanvankelijk haar toevlucht zocht, alvorens jarenlang te
leven (en uiteindelijk te overlijden) in Pretzsch (zie nr. 9), ver van
het maitresse-huishouden van haar katholieke gemaal.] De strijkers
geven erg letterlijk gehoor aan de oproep van de sopraan
(3) Verstummt
ihr Saiten; met de da-capo-achtige herhaling van die frase zal
Gottsched niet blij zijn geweest. Alle instrumentale groepen luiden,
van hoog tot laag, op eigen wijze de doodsklokken in het imposante,
slechts elf maten lange accompagnato-recitatief van de alt
(4). Hij
bezingt vervolgens de stervensmoed van de overledene in een sobere
triosonate
(5) met de twee
gamba's, rouw-instrumenten bij uitstek,
boven een door de luiten donker getimbreerde continuo: zonder blazers
en kinstrijkers, het muzikaal intiemste gedeelte. Na een door de hobo's
met zich herhalende motiefjes begeleid tenor-recitatief
(6) eindigt
het eerste deel van deze
Trauer-Music
met een koor
(7). Niet alleen
de
positie van dit koor, middenin een cantate, is opmerkelijk, ook
stilistisch lijkt het verdwaald: een koor-fuga in oude kerkstijl, met
colla parte spelende, de
koorstemmen verdubbelende instrumenten.
Tweemaal introduceren alle vier stemmen achtereenvolgens het thema,
maar in een instrumentaal tussenspel ontpoppen de - tot dan toe
zwijgende - traverso's zich zelfstandig themavoerend en ze voegen aan
de tweede thema-expositie unisono een vijfde stem toe.
Het tweede deel (
Nach gehaltener
Trauer-Rede) behandelt niet meer de
dood maar het benijdenswaardig eeuwig leven dat nu voor de koningin is
aangebroken. In de stralende tenor-aria
(8) concerteren fluit, hobo en
tenor voor een kleurrijk decor van violen, gamba's, luiten en continuo
die gezamenlijk eigenlijk slechts een uitgeïnstrumenteerde
continuofunktie vervullen.
Voor de bas
(9) zijn
vervolgens twee volledige strofen (16 regels) van
Gottscheds tekst beschikbaar; waarschijnlijk had Bach hier ook een aria
voorzien die er door tijdgebrek niet is gekomen. De eerste strofe
klinkt als onbegeleid recitativo secco. Het volgende kwatrijn, waarin
de vijf rivieren in het rijk van de gestorvene langs komen, gaat
(‘stromend') als een ritmisch arioso waarbij het continuo het land tot
in alle uithoeken lijkt te doorkruisen. Het laatste kwatrijn,
refererend aan haar laatste residenties, is een veel statischer, door
de blazers begeleid accompagnato. (NB Niets over Dresden!)
De Trauerode eindigt ontegenzeggelijk opgewekter dan hij begon
(10):
met een weemoedig lied in dansvorm voor het gehele ensemble. In
12/8-maat, als een gigue, symmetrisch opgebouwd met voor- en naspel en
twee herhaalde kwatrijnen, en een daarbij passende, veel transparanter
orkestklank. Het grafschrift van de dichter (Gottsched!) wordt unisono,
als een citaat gedeclameerd.
Omdat de originele tekst ons thans niets meer te zeggen zou hebben,
vervaardigde Wilhelm Rust, redacteur van de oude Bachausgabe, in 1865
een christelijke "Umdichtung" (
Laß,
Höchster, laß der Hoffnung Strahl etc), waarbij hij
het werk bovendien met vier koralen lardeerde. Deze vertaling figureert
in de
klavieruittreksels
van de oude Bachausgabe.
Johann David Heinichen (1683-1729),
alumnus van de Leipziger Thomasschule onder Bachs voorganger Kuhnau,
was vanaf 1717 kapelmeester van de vermaarde Hofkapelle aan het
katholieke hof van Koning/keurvorst August der Starke te Dresden, waar
hij, na sluiting van de opera, als protestant zijn compositorisch
talent in dienst stelde van katholieke kerkmuziek. Hij was bovendien
een vermaard theoreticus, auteur van het standaardwerk
Der General Bass
in der Composition (1728). Tijdens zijn lange ziekte,
voorafgaande aan
zijn vroege dood (1729) en de langdurige vacature daarna verving
Zelenka hem, zonder daar overigens ooit voor te worden beloond.
Nisi
Dominus is de tekst van Psalm 127, één van de
vesperpsalmen en derhalve veelvuldig op muziek gezet; en zoals
gebruikelijk wordt de, hier uit 5 verzen bestaande psalmtekst gevolgd
door de lofprijzing (‘doxologie')
Gloria
Pater etc. Heinichen, die deze
tekst al eerder op muziek zette voor sopraan, bas, hobo en kamerorkest,
componeert hem in 1723 als solo-motet, voor sopraan of tenor, hobo en
basso continuo.
