(De
Swaen, 24/4/2005)
Voor vier van de zes delen van zijn Mis in g-klein (BWV 235, volgende
maand
in dit programma) ontleende Bach de muziek aan de cantate van vandaag,
'Es wartet alles auf dich' (BWV 187); d.w.z. hij hergebruikte er alle
delen
van, behalve de voor een mis categorisch ongeschikte recitatieven en
het
koraal. Bach rekende deze cantate blijkbaar tot zijn meest geslaagde
composities,
waard om in meer bestendige vorm voor het nageslacht behouden te
blijven.
En met goede reden.
Reeds de kwaliteit van het libretto stijgt uit boven de teksten van
tijdgenoten waarmee Bach gewoonlijk werkte. Bach ontleende de tekst van
deze - en enkele andere cantates van medio 1726 - aan een bundel van
een
onbekende dichter uit 1704 die door Bachs verre achterneef Johann
Ludwig
uit Meiningen was gebruikt voor een cantatejaargang waaruit Bach in het
voorjaar 1726, zijn eigen cantateproduktie tijdelijk onderbrekend, maar
liefst 18 cantates uitvoerde.
De reeks 'Meininger cantates' waartoe BWV 187 (met o.m. BWV 102, hier
op 28 november j.l.) behoort heeft als gemeenschappelijk kenmerk dat ze
bestaan uit twee delen die voor en na de preek werden uitgevoerd: een
oud-testamentische
en een nieuw-testamentische bijbeltekst, elk gevolgd door een
recitatief
en een aria. Zo ontstaan uit zeven nummers bestaande cantates, met een
symmetrische struktuur en de nieuw-testamentische tekst in het midden:
Bijbel OT - Recit. - Aria - Bijbel NT
- Aria - Recit. - Koraal
BWV 187 schreef Bach voor de zevende zondag na Trinitatis, 4 augustus
1726, waarvoor de evangelietekst (Marcus 8:1-9) verhaalt hoe Jezus met
zeven broden en een paar visjes een menigte van 4000 mensen te eten
geeft,
waarna er nog zeven manden restanten overblijven. Dit verhaal komt in
de
cantate niet expliciet aan de orde maar geeft de tekstdichter in Deel I
aanleiding God in het algemeen te prijzen voor de vruchtbaarheid van de
aarde, een tekst met enige aktualiteit in tijden van hollende
milieuvernietiging.
Deel II roept de gelovige op tot een onbezorgd Godsvertrouwen (deel
II).
Het uitgebreide openingskoor
(1)
behandelt de verzen 27 en 28 van
Psalm
104, waarin de overvloedigheid van Gods schepping wordt bezongen. Het
stuk
heeft vier vocale passages, respectievelijk op de eerste halfzin, de
hele
eerste zin, de tweede zin en een recapitulatie van de gehele tekst. Elk
van die tekstdelen heeft een eigen thema dat polyfoon (imitatief,
fugatisch,
canonisch etc) wordt verwerkt en/of met tegenstemmen gecombineerd.
Daardoor
zouden vier nogal heterogene muziekstukken ontstaan als niet de, veelal
onafhankelijke instrumentale begeleiding deze stukken tot een geheel
maakte
door middel van telkens terugkerende motieven die in de uitvoerige
inleidende
sinfonia worden geïntroduceerd: oude polyfonie in
modern-concertante
verpakking. Wanneer de zangers de tekst recapituleren herhalen de
instrumenten
letterlijk de tweede helft van hun openings-sinfonia ('koor-inbouw').
Zo
onstaat een struktuur die je met een schoolbord en een halfuur
spreektijd
fraai in beeld zou kunnen brengen; er gebeurt - kortom - veel meer dan
je tijdens één enkele beluistering gewaar kunt worden.
Herhalingen
in slow-motion zijn in de muziek helaas nog niet uitgevonden. Maar
doorheen
alle compositorische hoogstandjes ontstaat er bovenal een buitengewoon
aantrekkelijk muziekstuk, een hoogtepunt in Bachs vocale oeuvre, dat
als
slotkoor van de Mis in g zal terugkeren.
In het slechts door continuo begeleide ('secco') recitatief voor de
bas
(2) heeft de tekstdichter
zich verder door Psalm 104 laten
inspireren.
De vriendelijke en ontspannen alt-aria
(3)
heeft een symmetrische,
da-capostruktuur:
veel ruimte en tekstherhaling voor de hoofdgedachte, en een compact
middendeel
voor de drie overige zinnen. Het thema, geïntroduceerd door viool
en hobo unisono, lijkt, met zijn opmerkelijke syncope, de aarzelingen
van
de wankelmoedige gelovige te verbeelden. De driedelige maat suggereert
ook een dans, maar de vorm bevestigt dat niet.
Deel II opent met
(4) de
nieuw-testamentische tekst, de verzen 31 en
32 van Mattheus 6, een passage uit de Bergrede van Jezus, die dan ook
door
de bas, als 'vox christi' wordt gezongen. Door de vele tekstherhalingen
en uitgebreide instrumentale inleiding lijkt het stuk een aria; de
kenmerken
van een arioso overwegen echter: een rijmende noch metrische
prozatekst,
een begeleiding die bestaat uit de voortdurende herhaling (door de twee
violen unisono) van één kort, plastisch motief, en een
tekstbehandeling
waar alleen het woord 'Heiden' met een coloratuur (: veel noten op
één
lettergreep) speciaal wordt uitgelicht. De onbezorgde, van dankbaarheid
getuigende sopraanaria
(5) is,
evenals de altaria, driedelig,
waarbij
de aanvankelijke thematiek - een 'Adagio' met plechtig gepunkteerd
ritme
en een sierlijke hobosolo - aan het eind terugkeert, maar slechts
instrumentaal.
Het middendeel echter, dat de tweede teksthelft behandelt ('Weicht, ihr
Sorgen'), is nu scherp contrasterend: het heeft een volkomen
afwijkende,
driedelige maatsoort, het tempo is 'Allegro' en de hobo speelt slechts
luchthartig gebroken akkoorden.
In het recitatief
(6) spreekt
de sopraan die zich geborgen weet in
strijkersakkoorden voor de individuele gelovige die zich voorneemt niet
meer te piekeren maar te vertrouwen. In het slotkoraal
(7), waarvan
maar
liefst twee verzen worden gezongen, bevestigt de christelijke gemeente
dat, in hetzelfde dansante, driedelige ritme dat we al enkele malen
tegenkwamen
en zo karakteristiek is voor de sfeer van deze cantate als geheel. De
keuze
van de twee verzen - die immers uit een bestaande, beperkte voorraad
kerkliederen
moest geschieden - verdient speciale waardering: vers 1 resumeert de
scheppingsrijkdom
van Deel I, en vers 2 de dankbaarheid van de gelovige in Deel II.