(Utrechtse Bachcantatediensten, 7 juni
2009)
Bach schreef zijn cantate 176 voor zondag 27 mei 1725, de zondag na
Pinksteren waarop het feest van de heilige drieëenheid (God Vader,
Zoon en Heilige Geest) wordt gevierd, Trinitatis; daarmee begint het
vrijwel feestloze tweede deel van het kerkelijk jaar dat 27 zondagen na
Trinitatis kan omvatten. Aangezien Bach zijn wekelijkse
cantateproduktie direct na zijn indiensttreding als Thomaskantor begon
met de eerste zondag na Trinitatis in 1723 besluit BWV 176 dus Bachs
eerste twee dienstjaren waarin hij wekelijks een cantate componeerde.
En van nu aan zal hij het wat rustiger aan doen: hij halveert zijn
compositie-tempo en doet ongeveer twee jaar over zijn volgende jaargang.
BWV 176 is tevens de laatste cantate in de reeks van negen op teksten
van de Leipziger dichteres Christiane Mariane von Ziegler (1695-1760)
en opnieuw blijkt - getuige Von Zieglers eigen publicatie - Bach
regelmatig haar teksten te wijzigen: om het ritme te stroomlijnen, te
bekorten of soms te verlengen uit muzikale behoeften, soms zelfs ten
koste van grammaticaliteit.
De voorgeschreven evangelielezing voor deze zondag is Johannes 3: 1-15,
het verhaal van Nicodemus, een hooggeplaatste jood (Farizeeër) die
alleen ‘s avonds, beschermd door de duisternis, met Jezus kontakt durft
opnemen. Von Ziegler herkent in deze combinatie van vastbeslotenheid en
angst een algemeen menselijke trek, die in het oud-testamentische boek
van de profeet Jeremia (17: 9) wordt omschreven als
Es ist ein trotzig und verzagt Ding um
aller Menschen Herze: ‘s mensen hart is koppig en bang. (Het
heeft weinig zin te onderzoeken of Luther deze Jeremia-woorden wel
correct heeft vertaald; dit waren nu eenmaal de woorden waarover Bach
en Von Ziegler beschikten. Nederlandse vertalingen spreken van
arglistig & verderfelijk, onbetrouwbaar & onverbeterlijk, een
beentjelichter &
ongeneselijk, etc).
Conform de klassieke status van de tekst kiest Bach als muzikale vorm
een ouderwets-strenge fuga, een koorfuga
(1). Het fugathema (zie het
muziekvoorbeeld)

loopt als een
grote symmetrische boog van tonica (C) naar tonica, en drukt de
tegengestelde affekten uit die verbonden zijn met de adjectieven
trotzig en
verzagt. Allerlei details
illustreren deze hoofdwoorden:
trotzig
met een doortastende en zelfverzekerde gebroken drieklank, gevolgd door
een opvliegende, hemelbestormende toonladder naar de none (Des resp
As), waarna het
verzagt na
een kort harmonisch avontuur in aarzelende, zuchtende halve tonen
(chromatisch) bangelijk zo gauw mogelijk terugzakt naar de tonica,
zodat enkele
trotzige
sprongen de harmonische voorwaarden voor de volgende thema-inzet moeten
redden. In het vervolg horen we op
aller
Menschen regelmatig de oktaafsprongen die - alle tonen omvattend
- vaak symbool staan voor
alles.
Bachs cantates beginnen wel vaker met een koorfuga, vooral wanneer
schriftwoorden de tekst vormen. En steeds hebben instrumenten daarin
een ondergeschikte rol; zij volgen meestal
colla parte de zangpartijen. Deze
ondergeschikte rol vervullen hier het continuo en de blazers, twee
hobo's en een hobo da caccia (bij Bach
taille genaamd, bij ons althobo).
Uitzonderlijk voor dit beginkoor is echter dat de strijkers een
zelfstandige partij hebben. Wanneer de fuga eenmaal in zijn
vierstemmigheid is opgebloeid spelen zij merendeels harmonische rust
gevende lange noten maar juist in het begin ondersteunen ze de
expressie van het fugathema door een opgewonden figuur,
forte, vol toonherhalingen (vgl het
begin van het Vijfde Brandenburgs concert) tijdens het
trotzig en bescheidener noten,
piano, bij het
verzagt. De hoogst ongebruikelijke
gelijktijdige inzet van koor en volwaardig orkest bezorgt deze cantate
een overrompelende entree. Na tien inzetten van het nogal turbulente
fugathema, veelal van de bas uitgaand langs de andere stemmen omhoog,
blijft de uiteindelijke indruk meer
trotzig
dan
verzagt (Dürr).
In het alt-recitatief
(2)
illustreert Von Ziegler de begrippen
trotzig
en
verzagt met een
vergelijking tussen de licht-schuwe Nicodemus, ongeduldig de
zonsondergang afwachtend alvorens in actie te komen, met de
oudtestamentische koning Jozua, die juist God verzocht de zon te doen
stilstaan opdat hij bij dag zijn overwinning op de Amorieten kon
afmaken (Jozua 10:12).
Sopraanaria
(3) stelt in een
luchtige gavotte Nicodemus present, met zijn, voor alle gelovigen
geldende ambivalentie. Terwijl hij behoedzaam voortstapt op het
doorgaande ritme schetsen de strijkers Gods
hell beliebte Schein in de
stralende triolen waarop de sopraan de woorden
Gott en
göttlich zal zingen, en die
hier (Trinitatis!) dus naar de goddelijke drieëenheid verwijzen.
In de tweedelige tekst ontmoeten we eerst de timide Nicodemus die zich
wat minder licht wenst, en vervolgens de hardnekkig belijdende die - in
zijn eigen, aan de evangelietekst ontleende woorden - de wonderdoener
Jezus erkent als degeen op wie Gods geest rust, het
ruhn onderstrepend met een eerst
vijf en vervolgens zelfs zeven maten durende lange noot. (Kitsch?)
In het
secco, slechts door
continuo begeleide bas-recitatief
(4)
komt opnieuw Nicodemus aan het woord. Hier vulde Bach Von Zieglers
tekst aan met de laatste regel
Weil
alle..., de bekende zin (Joh.3:16b) die net buiten de pericoop
van de dag valt maar behoort tot - en dus verwijst naar - de
evangelietekst van Tweede Pinksterdag,
Also hat Gott die Welt geliebt...,
waarop enkele dagen eerder BWV 68 had geklonken; wellicht omdat hij in
Von Zieglers tekst de koppig-gelovige kant van Nicodemus wat
onderbelicht achtte. De muzikale vorm van deze eigen toevoeging neemt
echter het grootste deel van het recitatief in beslag: een expressief
arioso dat de tekst tweemaal herhaalt, met lange melismen op
glauben en
verloren, boven een telkens
herhaalde (
ostinate) basfiguur
die de onwankelbare status van de tekst onderstreept.
De tweede en laatste aria in deze cantate
(5) is voor de alt en klinkt als een
gracieuze hoofse dans, op het ritme van een menuet. Qua vorm is het een
triosonate, een compositie voor twee concerterende stemmen boven een
continuo. Terwijl in Bachs oeuvre de instrumentale stem daarin
regelmatig gevormd wordt door unisono spelende strijkers is het unisono
van drie blazers, c.q. hobo's dat we hier aantreffen hoogst
uitzonderlijk. Ook Bach bleek er niet geheel tevreden mee: bij een
heruitvoering verzocht hij de twee hobo's te zwijgen waar de alt zingt,
waarschijnlijk omdat deze zich naast het volume van drie hobo's niet
kon handhaven. De tekst heeft het karakter van een aanmoediging jegens
de Nicodemus-in-ons, en de melodie volgt details van die tekst:
een opwekkend
Ermuntre langs
een majeur-toonladder omhoog, gevolgd door een harmonisch wat
vertroebelde neergang op
furchtsam
und schüchtern, septiemsprongen op
höret, en coloraturen op
lobet en
preiset. De laatste zin legt het
verband met het Trinitatis-feest en slaat een brug naar het slotkoraal.
Zonder enige solorol voor de tenor eindigt deze korte cantate met een
eenvoudig vierstemmig geharmoniseerd slotkoraal
(6) waarin de instrumenten meespelen
met koorstemmen, het achtste couplet van Paul Gerhardts triniteitslied
Was alle Weisheit in der Welt... (1653);
het wordt gezongen op de melodie die Luther gebruikte voor zijn
Christ, unser Herr, zum Jordan kam
en daaraan is vooral interessant dat die melodie in een oude
kerktoonsoort (
modus) staat,
het Dorisch, dat is de toonladder die (op de piano) alleen de witte
toetsen gebruikt (geen kruizen of mollen) maar
als eindnoot (
tonica) de D
heeft, en niet - zoals tonale junks
verwachten - de C (majeur) of de A (mineur).