(De Swaen,
26-27/1/2008)
Pas nadat Bach in zijn eerste vier Leipziger jaren vrijwel drie
cantatejaargangen had voltooid schreef hij zijn eerste cantates op
teksten van de postbeambte Christian Friedrich Henrici die wij kennen
als tekstdichter Picander van de Matthäus-Passion en het
Weihnachtsoratorium. Deze publiceerde zelf in 1728 een jaargang
cantateteksten, bedoeld voor toonzetting door de unvergleichliche Herr Capell-Meister Bach,
maar wij kennen slechts acht cantates van Bach op deze teksten
(waaronder BWV 156) zodat betwijfeld moet worden of Bach ooit een
complete Picander-jaargang heeft gecomponeerd.
BWV 156 behoort tot de circa vijftig ‘solocantates' (globaal te vinden
in de BWV-tientallen 50, 80, 150 en 160) waarin het vierstemmig koor
slechts een slotkoraal zingt, en soms zelfs dat niet. Zij is bestemd
voor de derde zondag na Epifanie (Driekoningen) en werd waarschijnlijk
voor het eerst uitgevoerd op 23 januari 1729. In de evangelielezing
voor deze dag, Mattheus 8 : 1 - 13, vraagt een ‘melaatse', een
leprapatient, Jezus om genezing, doch slechts "indien gij dat wilt".
Deze van een sterk geloof getuigende woorden vormden de basis van Bachs
vroegere cantates voor deze zondag: Herr,
wie du willt (BWV 73, 1724), Was
mein Gott will (BWV 111, 1725) en Alles nur nach Gottes Willen (BWV
72, 1726) en ook voor de cantate van vandaag, al blijkt dat niet uit de
titel; deze - of gelijksoortige - woorden openen en besluiten wel de
belangrijke aria (4) en het
slotkoraal (6).
In plaats van met een openingskoor begint de korte cantate 156 met een
instrumentale Sinfonia (1) waarvan u de fraaie hobomelodie
zou kunnen herkennen als het langzame middendeel van het
clavecimbelconcert in f-klein (BWV 1056); beide stukken zijn
bewerkingen van een verloren gegaan Köthener hoboconcert; alleen
vraagt Bach hier nog geen pizzicato
van de strijkers, hoewel deze doodsklokken-symbolen er zeker hadden
gepast.
De krasse titeltekst Ich steh mit
einem Fuß im Grabe klinkt uit de mond van de tenor (2) die zich vereenzelvigt met de
zieke uit de evangelielezing. Hij lijkt stevig te staan, op een lang
aangehouden noot, een motief dat direct al door de unisono begeleidende
strijkers werd gespeeld, maar onderwijl zakt de (harmonische) grond
onder zijn voeten weg in een syncopisch schuivende beweging van de
continuobas. Ook imiteert de muziek een vallende beweging. Maar de zich
beklagende tenor is voortdurend in dialoog met zijn betere ik, de
standvastige Seele (sopraan)
die de aria doorsnijdt met uitingen van godsvertrouwen: een koraalvers
van de voormalig Thomaskantor Johann Hermann Schein (1628). Het stuk
wordt evenwel geen koraalbewerking maar blijft een aria: de tenor gaat
steeds voorop, hij bepaalt de struktuur en vooral de sfeer waaraan de
sopraan zich optimistisch onttrekt.
Twee secco-recitatieven voor de bas omlijsten alt-aria (4). Ze vormen eigenlijk
één geheel: de bas aanvaardt zijn lot, Ich bin bereit, in ziekte (3) en gezondheid (5). In de arioso conclusie van (3) onderstreept de continuobas het
verhoopte snelle sterven met stijgende lijnen.
De alt parafraseert in aria (4)
de tekst van het koraal uit (2). Met de twee begeleidende stemmen, hobo
en unisono spelende hoge strijkers, weeft hij een hecht driestemmig
contrapuntisch netwerk op een aansprekend opgewekt thema, waaraan de
begeleidende continuo nu en dan slechts lijkt deel te nemen. De zonnige
sfeer betrekt tweemaal even wanneer Leiden
en Sterben ter sprake komen.
Maar ook woorden als Freude, Bitten en Flehen worden beeldend neergezet.
Nadat de bas zich in (5) heeft
voorgenomen ook mit frischem Leibe
God als trooster te aanvaarden, bevestigt het eenvoudig vierstemmig
geharmoniseerde slotkoraal het centrale thema Dein Wille gescheh´ met de
woorden van een koraal van Kaspar Bienemann (1582) op een oude, ook wel
voor Aus tiefer Not gebruikte
melodie van Wolfgang Dachstein (1525).
G. Ph. Telemann: Sollt ein
christliches gemüthe (TWV 1:1373)
Georg Philipp Telemann (1681 – 1767)
schreef de solocantate voor bas
Sollt
ein christliches gemüthe
(TWV 1:1373) waarschijnlijk begin jaren ´20 in Hamburg ter
gelegenheid
van een Michaelisfeest (29 september). De tekst verwijst niet naar de
evangelielezing voor deze dag dus is de cantate waarschijnlijk bedoeld
voor ná de preek, of zelfs als communiemuziek gezien de
verwijzingen
naar
Brot und Wein (1),
teures Gnadenmahl (2) en
dein Abendmahl (4). De cantate bestaat uit drie
da-capo aria´s (snel -
langzaam - snel), verbonden door twee
secco
recitatieven. De instrumentale begeleiding van de drie aria´s
heeft obligate partijen voor achtereenvolgens een
violetta (altviool) met in het
octaaf verdubbelende traverso
(1),
hobo en unisono violen
(3) en
traverso, hobo en unisono strijkers
(5).
