(29/30
december
2007)
Cantate 152 is een van Bachs vroege cantates, geschreven gedurende zijn
aanstelling aan het hof te Weimar (1707-1717) sinds hij daar in het
voorjaar 1714 was gepromoveerd van violist tot concertmeester, met de
daaraan verbonden verplichting maandelijks een cantate te componeren.
De cantate werd voor het eerst uitgevoerd op 30 december 1714, de
zondag tussen Kerst en Nieuwjaar. Dat is wellicht de reden van zijn
uitzonderlijk kleine, kamermuzikale bezetting: Bach zou zijn musici
hebben willen ontzien op deze enige ‘gewone' zondag gedurende de aan
feestdagen en daaruit voortvloeiende muzikale verplichtingen zo rijke
Kerst-twaalfdaagse van 1714/15. We horen hier geen koor, zelfs niet in
een slotkoraal, doch slechts twee solisten, en ook geen vierstemmige
strijkersgroep, laat staan meervoudig bezette hobo's of trompetten
maar, afgezien van het continuo, slechts een kleurrijk ensemble van
vier instrumenten: een blokfluit, een hobo, een intieme viola d'amore
en een - toen al wat ouderwetse - viola da gamba.
De voorgeschreven evangelietekst voor deze zondag (Lucas 2:33-40)
verhaalt van de ontmoeting tijdens Jezus' presentatie in de tempel (de
gebeurtenis die centraal staat op het feest van Maria Reiniging, 2
februari) met de oude Simeon, die
daarbij refereert aan oud-testamentische teksten waarin de komst van de
Messias wordt voorspeld. Bachs librettist, de Weimarer hofdichter
en -bibliothecaris Salomon Franck, liet zich vooral inspireren door
deze secundaire bijbelplaatsen die de Messias karakteriseren als een
door bouwlieden versmade steen die door God tot hoeksteen wordt gemaakt
(Psalm 118:22), maar ook tot een steen des aanstoots (Jesaja 8).
BWV 152 opent, zoals veel cantates van ‘de jonge Bach', met een
instrumentale sinfonia
(1). Na
een langzame, statige inleiding van vier maten entameren de vier
instrumenten, gesteund door de continuo, een levendige en stuwende fuga
die Bach ontleende aan, dan wel later verwerkte tot de orgelfuga BWV
536. De fuga is gestruktureerd als permutatie-fuga wat betekent dat de
vier stemmen / instrumenten niet alleen op hun beurt het fugathema (van
acht maten) introduceren maar elkaar ook op afstanden van acht maten
volgen in de eerste, tweede en derde contrapunten (tegenthema's) die
daartegenover worden gezet.
De eerste aria
(2) is een trio
voor bas, continuo en een vastberaden hobosolo. Voortdurende, stappende
toonladderfiguren maar ook lange bochtige lijnen brengen de
Glaubensbahn in beeld. Hier, en in
het afsluitende duet
(6)
treedt de bas - als zo vaak - onmiskenbaar op als
Vox Christi (stem van Christus);
dat is niet het geval in de twee recitatieven
(3) en
(5) die de centrale sopraanaria
(4) omlijsten.
Basrecitatief
(3) is
secco, slechts door
continuoakkoorden begeleid, zolang de
böse
Welt wordt geschetst, met een diepe (decime!) tuimeling op
Fall en een rumoerige op
zur Höllen fällt, maar
wordt
arioso d.w.z. met
ritmische en thematische begeleiding waar het om
Heil en
Erlösung gaat. Thematische
imitaties tussen bas en continuo symboliseren de navolging van Christus.
De sopraan vertolkt in de centrale aria
(4) de rol (
ich, mich) van ‘gelovige ziel' (
anima) die ze ook in het slotduet
zal spelen. Hier vormt ze een lieflijk kwartet met de blokfluit en de
viola d'amore, een prachtige (
über
alle Schätze), ingehouden en in Bachs oeuvre unieke
combinatie van timbres.
In het
secco recitatief
(5) illustreert de bas, hier weer in
zijn neutrale rol van berichtgever en tekstuitlegger, hoe de afdaling
"uit den hoge" in een moeizame lijdensweg verkeert en de weg die het
verstand wijst langs kwalijke harmonieën voert.
BWV 152 eindigt
(6) met een
dialogisch duet tussen de
Vox Christi
(bas) en de
anima (ziel,
sopraan) zoals we in Bachs werk herhaaldelijk tegenkomen, onder meer in
de vierde cantate (Nieuwjaarsdag) van het Weihnachtsoratorium en in De
Swaens cantate BWV 140 (
Wachet auf)
van vorige maand. De vier instrumentalisten hebben hier slechts een
bescheiden rol: zij spelen allen dezelfde partij (
unisono), wat je zou kunnen
vergelijken met de ‘vereende krachten' die in Bachs latere werk altijd
het slotkoraal uitvoeren. Na een uitgebreid, opgewekt en dansant
voorspel interrumperen zij de twee duetterende geliefden niet met
instrumentale tussenspelen maar beperken hun begeleiding tot het
eenmaal herhalen van de vijf achtereenvolgende frasen van dit voorspel
terwijl de zangers hun vier vragen-met-antwoord ieder op eenzelfde
manier verwerken: eerst als vraag (sopraan) en antwoord (bas) en
vervolgens als canon waarbij ieder zich uiteraard aan zijn/haar eigen
tekst houdt. Ten slotte herhaalt het instrumentale ensemble zijn
voorspel integraal.
G. H. Stölzel: Alles was
ihr thut mit Worten oder Wercken (1736)
Gottfried Heinrich Stölzel (1690-1749), akademisch en in
Italië
geschoolde tijdgenoot van Bach, was dertig jaar hofkapelmeester te
Gotha. Hij componeerde zeker twaalf jaargangen cantates.
Alles was ihr thut mit Worten oder Wercken
is geschreven voor Nieuwjaar 1736, volgens de kerkelijke kalender het
feest van de besnijdenis van Christus (
festum
circumcisionis Christi),
de gelegenheid waarbij de boreling zijn naam ‘Jezus' krijgt. De
titeltekst is uit de brief van de apostel Paulus aan de christenen in
Colossus (3:17)
Stölzel fungeerde veelvuldig als zijn eigen tekstdichter. Zijn
compositorische specialiteit was het meerstemmige recitatief dat we ook
in deze cantate tegenkomen: in
(2)
zingen de concertisten achtereenvolgens een volzin, wat het tekstbegrip
ten goede komt; in
(4)
concluderen zij gezamenlijk vierstemmig en vervolgen met het beamen -
als in een litanie - van enkele gebeden. Het Amen van het slotkoraal
wordt als fuga verwerkt.