|
|
|
|
|
|
J. S. Bach: Nach dir,
Herr, verlanget mich (BWV 150)
|
Beluister
deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
(Inleiding bij de cantateuitvoering o.l.v. Jeroen Felix, Jacobskerk, 's-Hertogenbosch, 10 september 2005).
Op vele punten demonstreert deze cantate
een jeugdwerk te zijn. Hij
getuigt niet zozeer van de onvolwassenheid van Bachs talent maar van
het
cantatemodel waaraan Bach zich hier, maar ook later, als dat model is
gewijzigd,
conformeert.
Met zijn Leipziger cantates (90%) volgde Bach de ‘moderne', sinds 1714
gebruikelijke cantatevorm: een beginkoor, een slotkoraal en daartussen
een afwisseling van recitatieven en aria's naar Italiaans model. Daar
is
in
BWV 150 nog niets van te zien: géén slotkoraal,
überhaupt
speelt geen enkele koraalmelodie een rol, hoewel er toch veel koorwerk
is; geen recitatieven, geen da-capo-aria's maar enkele aria's van een
veel
simpeler type, en daartegenover maar liefst vier koorgedeelten.
Maar ook die afzonderlijke koordelen zijn karakteristiek voor de nog
onvolgroeide Bach. Als een koor vier regels tekst heeft krijgt elke
regel
zijn eigen melodietje en muzikale vorm, soms trekken de vier stemmen
gelijk
op (homofonie), soms zingen ze imiterend hun eigen partijtjes, en dan
weer
produceren zij een echte fuga, waarin een thema achtereenvolgens door
alle
stemmen gaat, het gaat nu eens even allegro, dan weer een stukje
andante
en even verderop Adagio, enz.. Maar na afloop van zo'n koor-deel heb je
dus niet één maar vier vaak heel verschillende stukjes
muziek
gehoord, en na afloop van deze cantate hebt u niet 7 maar zeker 15
stukjes
gehoord, die misschien elk voor zich heel goed bij de tekst passen maar
wel allemaal erg kort zijn, ze zijn voorbij voor je het weet: er is dus
weinig overkoepelende struktuur of samenhang tussen de onderdelen,
zelfs
niet binnen één deel/nummer, en muzikale ideeën
(thema's)
worden weinig uitgediept. De cantate lijdt nog onder de verbrokkeldheid
van de oude motettentraditie waaruit hij voortkomt, en waar pas de
latere
Bach goed raad mee weet. En denk maar eens aan de grote variatiewerken
van de oude Bach: aan één thema dat van alle kanten wordt
bekeken en in allerlei richtingen wordt uitgewerkt heeft hij voldoende
voor 40 minuten muziek.
Maar het goede nieuws is natuurlijk dat zo'n kleinschalige cantate
uitermate afwisselend is, verrassend, avontuurlijk, toegankelijk, fris,
puur, onopgesmukt, ongepolijst, u hoort een nog ongeraffineerde Bach;
en omdat elk stukje tekst zijn eigen muzikale vorm krijgt zou je er
een hele kursus muzikale figurenleer op kunnen baseren.
Dat gaan we niet doen, ik wil integendeel juist uw aandacht vestigen
op enkele strukturerende maatregelen die Bach al wel nam. Eén
ervan
noemde ik al: de regelmatige afwisseling in de zeven delen, waardoor
een
symmetrische struktuur ontstaat met de centrale bede (Leite mich in
deiner Wahrheit) in het midden, geflankeerd door de twee
solostukken.
Maar ook thematisch legt Bach verbanden.
Luistert u eerst even naar het eerste thema van Deel 1, de plechtige
sinfonia
dat in maat 4 (met opmaat) door de 1e viool, en een maat later door de
fagot wordt gespeeld.
de melodie loopt in vijf stapjes van een halve toon een kwart naar beneden.(een chromatisch dalende kwart), Het is een heel beroemd, door vele componisten voor en na Bach gebruikt, het lamento-thema, dat altijd uitdrukking is van pijn, lijden, tragiek, beproevingen, deprimerende omstandigheden, een schrijnende gang (passus duriusculus): Bach gebruikte het thema ook vaak, het meest bekend in zijn cantate met de veelzeggende titel Weinen, Klagen, Sorgen Zagen (BWV 12) van 1714, die hij later hergebruikte als Crucifixus in de Hohe Messe. Hier symboliseert dit motief dus het gekweld verlangen naar de afwezige God, want: het is tegelijk het thema waarop het koor vervolgens (Deel 2) de titeltekst zingt: dat is dus de strukturele winst: deel 1 is eigenlijk gewoon de instrumentale inleiding van Deel 2..
Maar dit thema speelt nog een verdere
rol.
In Deel 2 krijgen we, na enkele muzikaal heel diverse stukjes, ten
slotte een fuga op een thema dat duidelijk van het ‘lamento'-thema is
afgeleid.
Hoor maar (alten, m.33-35)
Maar er is nog meer.
In het laatste deel speelt het continuo een thema dat lijkt op het
lamento-thema
Weer een melodielijn in kleine stapjes, maar nu lopen ze omhoog (en
diatonisch, niet chromatisch). En daar geeft de tekst goede reden voor:
na het gekwelde verlangen naar de afwezige God van het begin toonzet
Bach
hier, aan het eind van zijn cantate, het goede nieuws dat, in
Godsvertrouwen
het lijden voorbij is, Christus staat naast de gelovige en helpt hem
dagelijks:
de optimistische variant v/d lamento-figuur.
In dit laatste deel spelen de bassen zelfs niets anders dan dit thema
van vier maten, wel 22 keer achter elkaar, waarboven de andere stemmen
natuurlijk voortdurend allerlei melodische en harmonische variaties
uitvoeren.
Zo'n stuk op een voortdurend repeterende basfiguur, noemen we een
chaconne.
En dit chaconne-thema is vooral beroemd geworden omdat Brahms, de grote
Bach-bewonderaar en promotor van de eerste Bachausgabe in de 2e helft
van
de 19e eeuw, het gebruikte als thema voor het laatste deel van zijn
vierde
en laatste symfonie (Op.98), eveneens een chaconne, in de symfonische
literatuur
heel ongebruikelijk, in 1885, het jaar na de eerste publikatie van
Cantate
150. Ook ‘t laatste symfonische werk dat Brahms een maand voor zijn
dood
hoorde
uitvoeren..
Het continuo speelt het chaconne-thema dus 22 keer, overigens
wel op verschillende toonhoogten, maar één keer spelen ze
het ‘in de omkering', de melodie lopend van boven naar beneden. Let u
maar
goed op. De hoeveelste keer? Wat dacht u: de dertiende!, in het
instrumentale
tussenspel na de solistische passages.
Sopraanaria 3 wordt bijeengehouden door een kort motiefje, in continuo en unisono spelende violen, dat veel ruimte laat voor allerlei toonschildering: muzikale illustraties van woorden zoals Toben (opschudding, geraas, getier), Sturm en een heel onwelluidende, dissonante sprong naar beneden op Tod en Höll.
Het harre (verbeiden, vurig en langdurig verlangen) wordt door lange noten uitgedrukt.
Aria 5, het tweede solostuk, is een terzet voor drie laagste solostemmen, zo krijgt iedereen wat te doen, maar deze solopartijen zijn - opmerkelijk genoeg - wel een stuk eenvoudiger dan een willekeurige koorpartij, want zij verbeelden de onwankelbare standvastigheid van de ceders, onder de wervelwind van de continuo, een standvastigheid die de gelovige ten voorbeeld wordt gesteld.