J. S. Bach, Nimm, was dein ist, und gehe hin. (BWV 144)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir
(Utr. Bachcantatediensten, 3/2/2008)

6 Februari 1724, de zondag waarvoor Bach zijn cantate 144 schreef, was Zondag Septuagesima*, de negende zondag voor Pasen en de eerste van de lange reeks aan de paasdatum gerelateerde zondagen. De evangelietekst voor deze zondag die aan de cantate ten grondslag ligt is Mattheus 20: 1 - 16, de parabel over de dagloners van een wijnboer die mopperen dat ze na twaalf uur werk weliswaar hun afgesproken loon ontvangen maar collegae die pas later, tot en met het elfde uur werden ingehuurd eenzelfde beloning zien krijgen. Waarop de wijngaardenier antwoordt: neem waar je recht op hebt en ga naar huis; ben ik niet vrij om verder over mijn eigen geld te beschikken? Moraal: aanvaard je lot en probeer God niet in de kaart te kijken; hij beloont niet volgens een inzichtelijke logica. De tekstdichter verliest zich niet in diepzinnig theologische kwesties maar volstaat met een oproep tot soberheid en tevredenheid.
Bach schrijft voor deze voor-vastenzondag een korte, zesdelige cantate die ook nog eens door een koraal in tweeën wordt gedeeld. Voor de bas is er zelfs geen solopartij weggelegd en het orkest omvat, naast strijkers en continuo, slechts twee hobo's waaronder een hobo d'amore.

Zonder enige instrumentale inleiding opent BWV 144 met een stricte vierstemmige koorfuga (1) in de antieke motetstijl. Instrumenten spelen er geen zelfstandige partij maar verdubbelen slechts de koorstemmen (colla parte). De zeven woorden en acht lettergrepen van de titel (Mattheus 20: 14) vormen de enige tekst voor een kort, markant en hoekig fugathema, met een zelfbewuste sextsprong die naar de hoogste noot op dein voert. Op de woorden gehe hin klinkt eerst een contrapunt van korte nootjes dat tegenover het fugathema wordt geplaatst en vervolgens één op lange noten dat ten slotte ook het aanvankelijke thema ontmoet.
Deze fuga kreeg reeds in de achttiende eeuw bekendheid als een exemplarische combinatie van complexiteit en helderheid: de onvermijdelijke ingewikkeldheid van het fugatisch stemmenverloop staat rhetorische helderheid en declamatorische verstaanbaarheid niet in de weg.
Strijkers begeleiden de alt in de aria (2) Murre nicht, lieber Christ. De tekstdichter is hier al bij zijn conclusie aangeland: Sei zufrieden. Vergeleken met de strenge fuga is de toon luchtiger, het ritme dat van een gestileerd menuet. De muziek is gebaseerd op de tegenstelling tussen hoog en laag. In Bachs muzikale symbolentaal staat hoog altijd voor ‘goed', en laag voor ‘slecht' of - in dit geval - het negativum nicht. Murre nicht klinkt dus steeds laag en lieber Christ hoog, De strijkers onderstrepen het verongelijkte gemopper voortdurend met repeterende noten. De da-capostruktuur (A-B-A) accentueert het onderscheid tussen vermaning en redegeving in de tekst.
Het koraal (3) Was Gott tut, das ist wohlgetan (Samuel Rodigast, 1675) onderstreept het godsvertrouwen dat de basis vormt voor de Zufriedenheit. Het zou als slot van het eerste deel van de cantate kunnen fungeren, waarna het tweede deel na de preek volgt; het is onduidelijk of dat Bachs bedoeling was.
De tenor krijgt in het secco-recitatief (4) uitvoerig gelegenheid de morele les uit de tekst te trekken. Bij Gram und Kummer vertroebelt de harmonie.
Met zijn laatste woorden Was Gott tut .... lijkt de tenor ons te willen herinneren aan de koraalmelodie waarop deze woorden zojuist werden gezongen, opdat we die zullen herkennen in de hoofdnoten van de hobo-d'amoresolo in de eerste maten van de nu volgende sopraanaria (5): fis - b - cis - d - g - fis - e - d, in de maten 1 - 5.
thema 144-5Het hoofdwoord Genügsamkeit, tevredenheid, klinkt hier maar liefst vijftien keer. Opmerkelijk is de nogal vrije struktuur. Na de tweede tekstzin wordt de eerste weliswaar herhaald maar op andere noten zodat het geheel geen da-capovorm heeft. En ten slotte herhalen de instrumentalisten zoals te verwachten hun voorspel (ritornel) integraal als naspel maar beginnen daarmee al vóór de sopraan is uitgezongen, de hoboist pauzeert beleefd een halve maat voor haar slotnoten en maakt dan zijn rotornel af.
De cantate eindigt (6) met één van de zeven (!) van Bach bekende vierstemmige harmoniseringen van het (o.m. in de Matthäus-Passion voorkomende) koraal Was mein Gott will, das g'scheh allzeit, een van de oudere koralen uit de Lutherse liedboeken, in 1547 geschreven door Albrecht, de eerste hertog van Pruisen en de eerste tot het Lutheranisme bekeerde Duitse prins.


*) In het kerkelijk jaar luisteren de zesde tot negende zondag voor Pasen naar de namen Quadragesima (ook wel: Invocabit),  Quinquagesima (ook wel: Estomihi; de "carnavalszondag"), Sexagesima en Septuagesima wat achtereenvolgens betekent de 40ste, 50ste, 60ste en 70ste. Hoezo: tien dagen per week? De verklaring ligt in het begrip ‘veertigdagentijd' als synoniem voor de vastentijd. De periode tussen Aswoensdag en Pasen beslaat weliswaar 46 dagen, maar na aftrek van de zes tussenliggende zondagen waarop niet wordt gevast resten er precies veertig vastendagen. Zondag Quadragesima, ‘de veertigste' is dus de eerste zondag in die veertig-dagenperiode; de aan Quadragesima voorafgaande drie zondagen kregen ooit in de geschiedenis gemakshalve de namen van de opvolgende tientallen. (Het Tweede Vaticaans Concilie van de Rooms-Katholieke kerk, 1962 - 1965, schafte deze drie voor-vastenzondagen af.)
omhoog