Dat er in Bachs Leipzig gedurende de
bezinningstijd van Advent drie weken lang geen concertante muziek in de
kerk mocht klinken, moet elke toenmalige kantor dankbaar hebben gestemd
gezien de verplichtingen die hem in de Kersttijd wachtten. Rond Oud
& Nieuw 1724/25 werden van Bach binnen 14 dagen liefst zeven
cantates verwacht waarvan er vier met uitgebreide feestelijke
bezetting, inclusief trompetten en pauken, zowel in de Thomas- als in
de Nicolaikirche moesten worden uitgevoerd. Volgens Bachs
zelf-opgelegde discipline dienden deze cantates ook allemaal nieuw
gecomponeerd te zijn en dat bovendien op het stramien van de
koraalcantate dat hij gedurende het seizoen 1724/25 verkoos te volgen.
Het verbaast dan ook niet dat de cantate voor de wat minder belangrijke
derde Kerstdag 1724 (BWV 133) enige compassie van Bach verraadt voor
zijn koorzangers: de bas en de tenor die op eerste en tweede Kerstdag
(in cantates 91 en 121) moeilijke aria's te vertolken kregen, hoeven nu
slechts recitatieven te zingen, en in de koraalfantasie die
traditiegetrouw een koraalcantate opent, zingt het koor nauwelijks meer
dan een vierstemmig geharmoniseerd slotkoraal.
Ten grondslag aan cantate 133 ligt het koraal
Ich freue mich in dir, een gedicht
van Kaspar Ziegler uit 1648 dat sinds 1697 wel werd gezongen op de
melodie
O Gott, du frommer Gott
maar niet in Leipziger gezangbundels voorkwam en waarvoor pas in 1738
de melodie van Johann Balthasar König (1691-1758) werd
gepubliceerd die Bach voor deze cantate gebruikt; deze melodie was hem
in 1724 blijkbaar nog zo weinig vertrouwd dat hij haar terloops
noteerde in een leeg hoekje van zijn manuscript voor het
Sanctus dat (ook dat nog!) op
Eerste Kerstdag in première ging en later in de Hohe Messe zou
terecht komen.
Derde Kerstdag of 27 december is ook de feestdag van de apostel en
evangelist Johannes; verwijzingen hiernaar of naar de evangelielezing
voor deze dag (Johannes 1:1-14) ontbreken in deze cantate geheel.
Wegens de genoemde bescheiden rol van het koor is de vrolijke
koraalfantasie
(1) voor
vier-vijfde een instrumentaal stuk dat thematisch niet naar de
koraalmelodie verwijst. Zoals zo vaak spelen de twee hobo's d'amore
hier geen zelfstandige partij maar verdubbelen zij de violen, waarmee
ze de pastorale klankkleur van het stuk bepalen. Maar opmerkelijk
genoeg volgen zij in dit geval niet de eerste en tweede viool maar de
tweede en de altvool, waardoor de eerste viool vrij is voor een
virtuoze, breed uitwaaierende, quasi-solistische partij. De
koraalmelodie, door de sopraan als
cantus
firmus gezongen, wordt zoals gebruikelijk versterkt door een
blaasinstrument, hier: een
cornetto
of
zink. Kontrasterend met de
beweeglijke orkestpartij handhaaft het koor zijn gedragen en bondige
harmoniseringsstijl die alleen aan het eind van de zesde en de achtste
regel ruimte geeft voor een versiering-met-echoeffekt van de lang
aangehouden
süßer Ton,
resp. voor de onderstreping van de
große
Gottessohn met jachtige, echoënde zestienden.
Zoals in al Bachs eigenzinnige ‘koraalcantates' volgen openings- en
slotkoor letterlijk de tekst van het koraal. Omdat Zieglers koraal
slechts vier coupletten omvat, resteren Bachs librettist slechts twee
‘binnenverzen' voor twee recitatief/aria-paren. Telkens het eerste
halfvers (vier regels) zet hij om in een aria-tekst, de tweede helften
worden opgerekt tot recitatiefteksten, waarbij hij een aantal van de
oorspronkelijke regels woordelijk handhaaft en in het algemeen de
strekking ombuigt naar de individuele gelovige:
die Welt muß genesen wordt
meine Seele muß genesen.
In aria
(2) vormen de twee
hobo's een levendig kwartet met alt en continuo; hun figuraties sluiten
aan bij motieven in het openingskoor. De triomfantelijke, drievoudige
fanfare
Getrost wordt in het
continuo begeleid door een figuur van circulerende achtsten die later
de betekenis blijkt te dragen van de tussenzin
Wie wohl ist mir geschehen. Met
Ach, meine Seele muß genesen
verduistert een kortstondig wolkje de overheersende zonnige sfeer.
Tweemaal twee regels van het secco-recitatief
(3) voor de tenor markeert Bach met
Adagio: de citaten uit de
oorspronkelijke koraaltekst, en bij telkens de tweede regel citeert hij
ook de melodie.
Da-capoaria
(4) vormt het hart
van deze cantate. De sopraan wordt begeleid door de strijkers terwijl
het continuo zich hoofdzakelijk beperkt tot een ostinaat motief. Ook
hier weer virtuoze uithalen van de eerste viool, die bij
Wie lieblich klingt es in den Ohren
rinkelende belletjes imiteert met zijn 'bariolage‘-techniek: een toon
snel herhalen, afwisselend op een losse en een bevingerde snaar. Het
vriendelijke A-gedeelte en zijn herhaling omsluiten een sterk
afwijkend, vermanend middendeel. De 4/4 maat (
alla breve) verandert in 12/8, het
tempo wordt
Largo en vooral:
de continuobas valt weg en wordt vervangen door een surrogaat basje,
een
bassettchen, gespeeld
door
tweede en altviool, ten teken dat hier iets ontbreekt: gevoel (
Herzen) en verstand (
versteht).
In het laatste recitatief
(5)
trekt de bas zijn conclusies uit de geboorte van Jezus; en opnieuw
markeert Bach de laatste, uit het oorspronkelijke koraal geciteerde
regels, door een ritmische begeleiding (
arioso) en de aanwijzing
Adagio.
De cantate eindigt met het gebruikelijke, eenvoudig vierstemmig
geharmoniseerde slotkoraal
(6).
De hobo's verdubbelen weer gewoon de beide violen, en ook de cornetto
versterkt de sopraan. Door een tel rust in de eerste koraalregels -
waar elders steeds een lange noot staat genoteerd - worden de eerste
regels, zo niet
in tausend
Stücke gespalten maar toch wel in twee.
