De Swaen koos dit seizoen zijn
Bachcantates uit de 55 cantates die Bach
schreef gedurende zijn tweede jaar als Thomaskantor te Leipzig. Hij nam
zich voor tussen Trinitatis (Drievuldigheidszondag, de zondag na
Pinksteren) 1724 en Trinitatis 1725 slechts cantates te schrijven van
één bepaald type: elke cantate zou gebaseerd zijn op
één van de liederen (koralen) uit het kerkelijk liedboek,
en wel op een bepaalde manier. Steeds zou het eerste vers ten grondslag
liggen aan een koraalfantasie ter opening van de cantate, en het slot
zou worden gevormd door een eenvoudige vierstemmige harmonisering van
het laatste couplet. De tussenliggende coupletten (‘binnenverzen') van
het koraal zouden worden om-gedicht tot teksten voor recitatieven en
aria's. Dergelijke libretti waren voor Bach nergens te vinden, zij
konden slechts ontstaan uit de intensieve samenwerking met een
tekstschrijver. Veertig cantates lang lukt dit en dan, in de passietijd
1725 houdt het ineens op, en in de Leipziger overlijdensakten zien we
dat eind januari Andreas Stübel is overleden, een voormalig
conrector van de Thomasschool met een zekere reputatie als dichter, die
daarom als librettist van Bachs koraalcantates wordt beschouwd. Bach
voltooide zijn "tweede jaargang" met cantates die veelal weinig of
niets met koralen te maken hadden, maar deed in latere jaren nog wel
pogingen om de lacunes in zijn koraalcantate-jaargang aan te vullen.
Tot die latere aanvullingen behoort de cantate van vandaag. Bach
schreef BWV 129 waarschijnlijk voor Trinitatis 1726 (16 juni) of 1727
(8 juni) en misschien ook wel niet voor een Trinitatis-zondag hoewel
hij daarvoor uitstekend geschikt is: de vijf verzen van het koraal
Gelobet sei der Herr, mein Gott
(Johann Olearius, 1665) behandelen
achtereenvolgens God de schepper en Vader (vers 1), zijn zoon, de
verlosser (vers 2), de heilige geest (vers 3) en bezingen de
drieëenheid daartussen (verzen 4 en 5). Anderzijds legt de tekst
geen verband met de evangelie- en epistellezingen van
Trinitatis-zondag. Met BWV 129 verving Bach in zijn
koraalcantate-jaargang BWV 176 die hij schreef voor de zondag waarop
hij zijn koraalcantate-jaargang had willen voltooien (Trinitatis 1725)
op een tekst van Mariane von Ziegler waaraan geen koraal ten grondslag
lag.
Toch beantwoordt BWV 129 niet aan het ideale model van een
koraalcantate dat Bach voor ogen stond en dat hij veertig cantates lang
volgde; er zijn geen herdichtingen van de binnenverzen maar de tekst
van alle vijf koraalverzen dient ongewijzigd tot cantatetekst. Er is
dus ook geen tekstdichter aan te pas gekomen, dit is een cantate van
het ouderwetse type
per omnes versus,
vaak geschreven toen cantates nog
geen recitatieven en aria's omvatten. Twee gevolgen van het gebruik van
een metrische, rijmende en strofische liedtekst zijn in BWV 129 te
zien: er ontbreken recitatieven en de aria's zijn niet
da-capo omdat
herhaling van eerste regels geen zin heeft.
Het openingskoor
(1), in
feestelijke aankleding met trompetten en
pauken, is een koraalfantasie van een ons intussen vertrouwd maar
altijd weer imponerend type. drie instrumentale groepen, koper, hobo's
en strijkers, concerteren (‘wedijveren') met elkaar, elk met zijn eigen
motieven die geheel losstaan van de koraalmelodie en waarbij de
traverso veelal de eerste viool verdubbelt. In dit instrumentale
concert zijn bloksgewijs acht koorpassages ingebouwd waarin de sopraan
in lange noten de koraalmelodie voordraagt, de tamelijk recente melodie
voor het lied
O Gott, du frommer Gott
(1698); de drie overige stemmen
begeleiden deze
cantus firmus,
op woorden als
Gelobet en
Leben met
snelle polyfone passages, elders eenvoudig in akkoorden.en enkele malen
zelfstandig met een nadrukkelijke driestemmige tekstherhaling.
De aan de tweede persoon der goddelijke Drieëenheid gewijde aria
(2) is uiteraard voorbehouden
aan de gebruikelijke
Vox Christi,
de bas,
en herinnert in zijn povere bezetting - slechts continuo-begeleiding -
aan de armelijke omstandigheden rond Christus' komst op aarde. Als om
daar nog even op te attenderen omspeelt het continuo ter opening de
noten van een dalend octaaf, de melodie van
Vom Himmel hoch da komm ich
her; aan het slot van het ritornel horen we herhaaldelijk het
huppelende ritme
dat ooit door Schweitzer als vreugde-motief werd
geïdentificeerd. De bas onderstreept met uitvoerige coloraturen
sleutelwoorden als
gelobet,
erlöset en
höchstes Gut.
In een kwartet
(3) met viool,
traverso en continuo bezingt de sopraan
met ingetogen vreugde en in lange rustige lijnen de derde component van
de Drieëenheid, de heilige geest. Zij ziet af van de snelle
zestienden loopjes, even omhoog en weer omlaag die de instrumentalisten
voortdurend ten beste geven en waarin men de opflakkerende vuurtongen
verbeeld kan zien waarmee - met Pinksteren, een week geleden - de
heilige geest zich over de apostelen vaardig maakte.
Een ontspannen pastorale sfeer, gecreëerd door hobo d'amore en een
6/8-maat, karakteriseert de alt-aria
(4)
waarin de obligate hobo
domineert met een 24 maten lange melodie, die ook nog eens in extenso
terugkeert als tussen- en naspel; de alt resteert daardoor minder dan
de helft van de tijd voor zijn lofzang op de goddelijke
Drieëenheid.

Speciale aandacht verdient - wat bij eerste
beluistering waarschijnlijk gemist zal worden - dat, wanneer na het
lange tussenspel de alt voor het eerst de woorden
Gott Vater, Sohn und heil´ge Geist
zingt de drie stemmen (alt, hobo, continuo) volkomen unisono gaan
(m.89-91), een drie-eenheid vormen, iets wat volgens de regels van het
contrapunt nooit mag gebeuren en dus slechts als speciaal effect geduid
kan worden.(zie afbeelding)
Het gebruikelijke eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal
(5)
is deze keer met behulp van het volledig instrumentarium uitgebouwd tot
een stralende concertante koraalfantasie, compacter dan het
openingskoor en vergelijkbaar met het slotkoraal van het
Weihnachtsoratorium. Terwijl de trompetten in het openingskoor geen
melodische functie hadden spelen zij hier een volwaardige thematische
rol. Eerst verantwoordelijk voor deze hemelse instrumenten is de
Engelschar (r.3) waarnaar ook
de herhaalde opstijgende gebaren van de
strijkers verwijzen.