swaentje Barokensemble De Swaen
17/23/24 juni 2007




J. S. Bach: Gelobet sei der Herr, mein Gott (BWV 129)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir
De Swaen koos dit seizoen zijn Bachcantates uit de 55 cantates die Bach schreef gedurende zijn tweede jaar als Thomaskantor te Leipzig. Hij nam zich voor tussen Trinitatis (Drievuldigheidszondag, de zondag na Pinksteren) 1724 en Trinitatis 1725 slechts cantates te schrijven van één bepaald type: elke cantate zou gebaseerd zijn op één van de liederen (koralen) uit het kerkelijk liedboek, en wel op een bepaalde manier. Steeds zou het eerste vers ten grondslag liggen aan een koraalfantasie ter opening van de cantate, en het slot zou worden gevormd door een eenvoudige vierstemmige harmonisering van het laatste couplet. De tussenliggende coupletten (‘binnenverzen') van het koraal zouden worden om-gedicht tot teksten voor recitatieven en aria's. Dergelijke libretti waren voor Bach nergens te vinden, zij konden slechts ontstaan uit de intensieve samenwerking met een tekstschrijver. Veertig cantates lang lukt dit en dan, in de passietijd 1725 houdt het ineens op, en in de Leipziger overlijdensakten zien we dat eind januari Andreas Stübel is overleden, een voormalig conrector van de Thomasschool met een zekere reputatie als dichter, die daarom als librettist van Bachs koraalcantates wordt beschouwd. Bach voltooide zijn "tweede jaargang" met cantates die veelal weinig of niets met koralen te maken hadden, maar deed in latere jaren nog wel pogingen om de lacunes in zijn koraalcantate-jaargang aan te vullen.
Tot die latere aanvullingen behoort de cantate van vandaag. Bach schreef BWV 129 waarschijnlijk voor Trinitatis 1726 (16 juni) of 1727 (8 juni) en misschien ook wel niet voor een Trinitatis-zondag hoewel hij daarvoor uitstekend geschikt is: de vijf verzen van het koraal Gelobet sei der Herr, mein Gott (Johann Olearius, 1665) behandelen achtereenvolgens God de schepper en Vader (vers 1), zijn zoon, de verlosser (vers 2), de heilige geest (vers 3) en bezingen de drieëenheid daartussen (verzen 4 en 5). Anderzijds legt de tekst geen verband met de evangelie- en epistellezingen van Trinitatis-zondag. Met BWV 129 verving Bach in zijn koraalcantate-jaargang BWV 176 die hij schreef voor de zondag waarop hij zijn koraalcantate-jaargang had willen voltooien (Trinitatis 1725) op een tekst van Mariane von Ziegler waaraan geen koraal ten grondslag lag.
Toch beantwoordt BWV 129 niet aan het ideale model van een koraalcantate dat Bach voor ogen stond en dat hij veertig cantates lang volgde; er zijn geen herdichtingen van de binnenverzen maar de tekst van alle vijf koraalverzen dient ongewijzigd tot cantatetekst. Er is dus ook geen tekstdichter aan te pas gekomen, dit is een cantate van het ouderwetse type per omnes versus, vaak geschreven toen cantates nog geen recitatieven en aria's omvatten. Twee gevolgen van het gebruik van een metrische, rijmende en strofische liedtekst zijn in BWV 129 te zien: er ontbreken recitatieven en de aria's zijn niet da-capo omdat herhaling van eerste regels geen zin heeft.
Het openingskoor (1), in feestelijke aankleding met trompetten en pauken, is een koraalfantasie van een ons intussen vertrouwd maar altijd weer imponerend type. drie instrumentale groepen, koper, hobo's en strijkers, concerteren (‘wedijveren') met elkaar, elk met zijn eigen motieven die geheel losstaan van de koraalmelodie en waarbij de traverso veelal de eerste viool verdubbelt. In dit instrumentale concert zijn bloksgewijs acht koorpassages ingebouwd waarin de sopraan in lange noten de koraalmelodie voordraagt, de tamelijk recente melodie voor het lied O Gott, du frommer Gott (1698); de drie overige stemmen begeleiden deze cantus firmus, op woorden als Gelobet en Leben met snelle polyfone passages, elders eenvoudig in akkoorden.en enkele malen zelfstandig met een nadrukkelijke driestemmige tekstherhaling.
De aan de tweede persoon der goddelijke Drieëenheid gewijde aria (2) is uiteraard voorbehouden aan de gebruikelijke Vox Christi, de bas, en herinnert in zijn povere bezetting - slechts continuo-begeleiding - aan de armelijke omstandigheden rond Christus' komst op aarde. Als om daar nog even op te attenderen omspeelt het continuo ter opening de noten van een dalend octaaf, de melodie van Vom Himmel hoch da komm ich her; aan het slot van het ritornel horen we herhaaldelijk het huppelende ritmevreugde motief
 dat ooit door Schweitzer als vreugde-motief werd geïdentificeerd. De bas onderstreept met uitvoerige coloraturen sleutelwoorden als gelobet, erlöset en höchstes Gut.
In een kwartet (3) met viool, traverso en continuo bezingt de sopraan met ingetogen vreugde en in lange rustige lijnen de derde component van de Drieëenheid, de heilige geest. Zij ziet af van de snelle zestienden loopjes, even omhoog en weer omlaag die de instrumentalisten voortdurend ten beste geven en waarin men de opflakkerende vuurtongen verbeeld kan zien waarmee - met Pinksteren, een week geleden - de heilige geest zich over de apostelen vaardig maakte.
Een ontspannen pastorale sfeer, gecreëerd door hobo d'amore en een 6/8-maat, karakteriseert de alt-aria (4) waarin de obligate hobo domineert met een 24 maten lange melodie, die ook nog eens in extenso terugkeert als tussen- en naspel; de alt resteert daardoor minder dan de helft van de tijd voor zijn lofzang op de goddelijke Drieëenheid. 3enigheidSpeciale aandacht verdient - wat bij eerste beluistering waarschijnlijk gemist zal worden - dat, wanneer na het lange tussenspel de alt voor het eerst de woorden Gott Vater, Sohn und heil´ge Geist zingt de drie stemmen (alt, hobo, continuo) volkomen unisono gaan (m.89-91), een drie-eenheid vormen, iets wat volgens de regels van het contrapunt nooit mag gebeuren en dus slechts als speciaal effect geduid kan worden.(zie afbeelding)
Het gebruikelijke eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal (5) is deze keer met behulp van het volledig instrumentarium uitgebouwd tot een stralende concertante koraalfantasie, compacter dan het openingskoor en vergelijkbaar met het slotkoraal van het Weihnachtsoratorium. Terwijl de trompetten in het openingskoor geen melodische functie hadden spelen zij hier een volwaardige thematische rol. Eerst verantwoordelijk voor deze hemelse instrumenten is de Engelschar (r.3) waarnaar ook de herhaalde opstijgende gebaren van de strijkers verwijzen.

G. Ph. Telemann: Gelobet sei Gott, der Herr Israel (TWV 1:604)

Voor Johannistag, de vaste feestdag van Johannes de Doper op 24 juni schreef Telemann herhaaldelijk cantates, vaak op dezelfde tekst. Van de lange maar gebrekkig overgeleverde cantate TWV 1:604 hoort u vandaag het eerste deel. Het behandelt uit de evangelietekst voor deze dag (Lucas 1: 57-80) slechts het centrale vers 68, uitgebreid feestelijk geïnstrumenteerd met trompetten, hobo, traverso, strijkers en continuo. Het koor lijkt, gesecondeerd door instrumenten, het tweede halfvers Denn er hat..... fugatisch aan te pakken maar echt vierstemmig wordt het niet: veelal gaan twee stemmen met elkaar in terts- of sext-parallellen.

Anonymus: Lobt ihn mit Herz und Munde (voorheen BWV 220)

De oude, negentiende eeuwse BachAusgabe liet deze cantate voor Johannistag aarzelend toe in één van haar laatste edities; de nieuwe verbande hem rigoureus naar Anhang II met onbewezen toeschrijvingen.
Deze apocrieve cantate begint met een eenvoudig vierstemmig koraal (couplet 5 van het bekende Von Gott will ich nicht lassen, (1)) en eindigt met een homofone zetting van een bijbeltekst (Jesaja 61:10, (5)); struktureel in elk geval precies andersom als veel van de echte Bach-cantates. Daartussen staan twee da-capo aria's die een centraal secco bas-recitatief (3) omsluiten, de eerste (2) voor de tenor, begeleid door strijkers en twee hobo's, de tweede (4) voor de alt met een begeleiding van strijkers, traverso en hobo; deze laatste doet nog het meest aan Bach denken.

Terug naar homepage van De Swaen
 of van Eduard van Hengel