Bachs cantate 117 behoort tot het
tiental cantates waarmee Bach zijn
gedurende het seizoen 1724/25 gecomponeerde reeks koraalcantates tot
een volledige jaargang heeft pogen aan te vullen. Door het ontbreken
van een voorpagina van de partituur weten we helaas niet voor welke van
de - nog openstaande - zondagen in die jaargang de
cantate is bestemd en zelfs niet in welk jaar hij werd gecomponeerd;
ergens tussen 1728 en 1731. De tekst heeft trouwens een vrij algemeen,
lofprijzend karakter, hij bevat geen verwijzingen naar een specifieke,
voor enige zondag voorgeschreven evangelielezing, en het er aan ten
grondslag liggende kerklied heeft ook geen typische liturgische
bestemming. De cantate zou dus voor een willekeurige feestelijke
gelegenheid, een dank- of zelfs huwelijksdienst geschreven kunnen zijn.
BWV 117 is gebaseerd op het koraal
Sei
Lob und Ehr dem höchsten
Gut dat in 1673 werd geschreven door de Frankfurter jurist
Johann Jakob
Schütz (1640-1690), een aanvankelijk vroom doch gaandeweg
radicaler piëtist die uiteindelijk als sectariër de Lutherse
kerk verliet en zelfs zijn advocatenpraktijk opgaf (‘vuile handen').
Het lied werd destijds in Leipzig gezongen op de voor-reformatorische
melodie van
Es ist das Heil uns
kommen her, het gezang uit het eerste
lutherse liedboekje van 1523 dat - geschreven door Paul Speratus - de
basis vormde voor cantate 9 die hier vorige maand klonk. Vandaag dus
dezelfde koraalmelodie maar andere tekst.
Bachs latere toevoegingen aan zijn onvoltooid gebleven reeks
koraalcantates missen een specifiek element van dat genre: de
herdichtingen van de ‘binnen-coupletten' tot recitatief- en
aria-teksten. Zoals bekend handhaafde Bachs waarschijnlijk voorjaar
1725 overleden tekstdichter alleen het eerste en laatste couplet
ongewijzigd voor een openings- en slotkoor. In de latere jaren beschikt
Bach dus slechts over de in zijn gezangboeken afgedrukte, metrische en
berijmde liedteksten; composities die op zulke strofische teksten waren
gebaseerd (
per omnes versus)
werden in Bachs jeugd (ook door hemzelf,
zie BWV 4) nog wel gemaakt, voordat aria's en recitatieven in de
kerkmuziek waren geïntroduceerd. Voor een moderne koraalcantate
van het door Bach zelf geschapen genre is de ijzeren regelmaat van
metrische en strofische liedtekst een ernstige handicap. In het geval
van
Sei Lob und Ehr... zijn
er maar liefst negen coupletten, met het
rijmschema ababccd en resp. 4-3-4-3-4-4-3 versvoeten per regel; geen
van die coupletten heeft het karakter van een contemplatief rustpunt
dat een da-capoaria vormt, en er is - doorheen de negen coupletten -
ook geen duidelijke sfeer-ontwikkeling. Monotonie ligt op de loer, maar
Bach schrijft een uiterst aantrekkelijke cantate. Met name maakt hij
het zich tot voordeel dat elke strofe van Schütz' lied - als een
litanie - eindigt met dezelfde regel
Gebt
unserm Gott die Ehre; deze
terugkerende regel wordt een strukturerend element in de cantate
doordat Bach hem vrijwel steeds op een, van de voorgaande zes regels
afwijkende manier toonzet.
Met, buiten strijkers en continuo, twee traverso's en twee hobo's
(d'amore) heeft BWV 117 een uitgebreide, feestelijke bezetting, maar
geen hemelse feestelijkheid (met trompetten en pauken) doch aardse. Er
is geen solorol voor de sopraan, waarschijnlijk om
niet-principiële maar praktische gronden: ontbreken van een
gekwalificeerde concertist. Door een vierstemmig koraal als vierde deel
lijkt de cantate tweedelig, bestemd tot uitvoering vóór
en na de preek. Door de herhaling van het openingskoor aan het slot
maakt de cantate een symmetrisch indruk, met een stralende omlijsting.
Ondanks zijn negen delen en uitgebreid slotkoor duurt BWV 117 toch niet
langer dan een normale cantate, vooral omdat de aria's kort zijn
aangezien de teksten geen da-capo, d.w.z. terugkeer naar de
beginregel(s), toelaten.
Zoals gewoonlijk in koraalcantates is het openingskoor een concertante
koraalfantasie
(1) die hier
zijn spanning ontleent aan het voortdurende
contrast tussen levendige instrumentale en rustige vocale passages. Het
koor zingt regel voor regel een tamelijk onopgesmukte vierstemmige
harmonisering van het eerste koraalvers tegen een kleurrijk
instrumentaal decor dat, ondanks de vele instrumenten, transparant
blijft want slechts vierstemmig is: de houtblazers verdubbelen de
violen. Het instrumentale thema is - zoals het muziekvoorbeeld toont -

een
omspeling van de eerste koraalregel met zijn markante drie
herhaalde noten, een motief dat Bach ook straks weer (in nrs 5 en 6)
zal citeren. Bedrijvige zestienden klinken afwisselend tussen strijkers
en continuo. De sfeer is van een luchtige en vitale dans, en
dienovereenkomstig wisselen vocale en instrumentale passages elkaar ook
- dansachtig - af in eenheden van vier maten. Met als gevolg dat,
wanneer de begeleidende koorstemmen de laatste koraalregel (zie boven)
accentueren door hem driemaal te herhalen, de instrumenten reeds -
tersluiks - aan de herhaling van hun inleiding (
ritornel) zijn begonnen
voor het koor klaar is. Binnen het strakke vier-matenschema ziet Bach
nog kans het
Gemüthe
bewogen te illustreren, en natuurlijk
versombert de harmonie bij
allen
Jammer.
Schütz' tweede couplet vormt de tekst van het slechts door
continuo begeleide (
secco)
bas-recitatief
(2). De eerste
zes regels
passeren compact, de laatste wordt in 25 maten vier maal herhaald, met
een ritmische begeleiding (
arioso).
In aria
(3) opereren
tenorsolist, continuo en 2 hobo's d'amore als
kwartet, in gelijkwaardige rollen. De amores en een mineur-toonsoort
zorgen voor een ingetogen sfeer.
Königreich
en
Ehre worden
uitgelicht met melisma's van 3½ maat. De vrijwel steeds in
parallelle tertsen en sexten gevoerde hobo's zouden de welgeordende
schepping kunnen representeren. De inmiddels vertrouwde zevende regel
Gebt Gott... wordt driemaal
herhaald.
Het vierde deel / couplet
(4)
wordt eenvoudig vierstemmig
geharmoniseerd door het koor voorgedragen, wat er op duidt dat deze
lange - negendelige - cantate bestemd is om in twee delen, voor en na
de preek, te worden uitgevoerd.
Het tweede deel van de cantate opent met een recitatief
(5) waarin de
alt de eerste zes regels weer kort en syllabisch reciteert, maar wel
met een strijkers-
accompagnato.
En ook hier krijgt de laatste regel een
speciale behandeling: de strijkers trekken zich terug, daarentegen
speelt het continuo een levendige begeleiding waarin het vreugde-motief
pa-pa-dam (
figura corta)
domineert. De alt onderstreept het
Gebt
unserm
Gott met de drie herhaalde noten waarmee de koraalmelodie begint
(zie boven), en
het continuo imiteert dat even later.
Het zesde koraalcouplet
(6)
krijgt de vorm van een duet voor bas en
soloviool, boven een louter begeleidend continuo. De bezonken muziek,
vervuld van vaderlijk mededogen, komt tot rust bij
Ruh en verstomt
geheel op
nirgend, waarna de
laatste regel maar liefst zeven maal wordt
herhaald, terwijl bas en soloviool regelmatig de drie achtereenvolgende
kwartnoten van
unserm Gott,
resp.
Lob und Ehr laten horen.
Muzikaal hoogtepunt van de cantate lijkt wel de alt-aria
(7) te zijn.
Een plechtige en galante dans waarin het samengaan van een koninklijk
gepunkteerd ritme in de bas met aardse triolen in strijkers en traverso
Gods menswording (
von nun an)
in beeld brengt. De laatste tekstregel
klinkt weliswaar zeven keer, maar krijgt hier een minder uitzonderlijke
behandeling.
Dat gebeurt evenmin in het korte tenor-recitatief
(8) omdat in het
achtste couplet de bewuste regel
Gebt
Gott etc. toch al driemaal
voorkomt.
Ten slotte noteert Bach
Versus 9 ubi
primus, het negende vers als het
eerste, een integrale herhaling dus van het openingskoor, op de tekst
van couplet
(9). De oude
(negentiende eeuwse)
Bachausgabe
kon zich niet
voorstellen dat een (tweedelige) cantate niet gewoon met een
vierstemmig slotkoraal zou eindigen, en vatte deze aanwijzing op als
herhaling van nummer 4, een gewoonte die zelfs hedendaagse uitvoerenden
die beter kunnen weten soms nog volgen. Wie Bachs aanwijzing wel volgt,
kan zich verbazen dat hij voor twee verschillende teksten dezelfde
muziek voorschrijft, en bijvoorbeeld overwegen om nr.9, waarin woorden
als
jauchzen en
fröhlich voorkomen, wat
lichter en sneller uit te
voeren dan nr.1 waar wordt gezongen over
Trost en
Jammer.
Absurde voetnoot: Het vierde couplet wordt integraal gereciteerd door
Old Shatterhand,
nadat hij met zijn trouwe kameraad Winnetou het kwaad weer eens heeft
bezworen, terwijl de overwonnen Sioux-hoofdman, die gebonden aan zijn
voeten ligt, zich verbijsterd afvraagt wat dit voor zijn lot te
beduiden heeft. (Bron: voorlaatste aflevering van Karl May:
Der
Sohn
des Bärenjägers, gepubliceerd in de Knabenzeitung Der
Gute
Kamerad, September 1887)