Cantate 115 behoort tot Bachs tweede Leipziger jaargang en is dus een
koraalcantate. Hij werd geschreven voor 4 november 1724, de 22ste
zondag na Trinitatis; het kerkelijk jaar loopt ten einde, Allerzielen
en -Heiligen zijn voorbij, de kerk bereidt zich voor op de laatste
dingen wanneer, zoals de slotregels van het koraal grimmig aankondigen
Gott wird richten und die Welt
vernichten.
De evangelielezing voor deze zondag is uit Mattheus 18, de verzen
23-35, de gelijkenis van de ondankbare knecht die, nadat hem zelf grote
schulden zijn kwijt gescholden, op zijn beurt meedogenloos optreedt
tegen een collega van wie hij nog iets tegoed heeft, en daarvoor ter
verantwoording wordt geroepen. Het betrekkelijk recente en daarom
wellicht in Leipzig nog niet zo vertrouwde koraal van
Johann Burchard
Freystein uit 1695 dat de basis vormt voor Bachs cantate houdt
slechts
zijdelings met de evangelietekst verband; de cantate die Bach het vorig
jaar voor deze zondag schreef (BWV 89) was daarop sterker betrokken.
Mache dich, mein Geist bereit
concentreert zich op het moment dat
onverwachts de afrekening kan plaats vinden: zorg dat je morele
huishouding op orde is, waakt (delen
2
en
3) en bidt (delen
4 en
5),
thema's die ook in twee andere november-cantates terugkomen:
Wachet auf
(BWV 140) en
Wachet, betet
(BWV 70).
Zoals in de cantates van zijn tweede jaargang gebruikelijk handhaaft
Bach de teksten van het eerste en laatste (tiende) koraalvers voor
opening en slot van zijn cantate, de twee aria's (
2 en
4) zijn
parafrases van Freysteins verzen 2 resp. 7, de recitatieven van de
resterende ‘binnencoupletten' (3-6, 8-9).
In de koraalfantasie
(1) wordt
het koor begeleid door een kwartet
bestaande uit continuo, traverso, hobo d´amore en - tot
één donker
gekleurde stem verenigde - strijkers. Tegenover de twee komende aria's
in hun trage
adagio-tempo
heerst hier een levendige en aktivistische
sfeer:`de schouders eronder, laat je niet door Satan verrassen`, al
direct vanaf de eerste door de strijkers gespeelde noten, een martiale
oktaafsprong (Geeft acht!) met de aantekening
forte die ook straks in
de begeleidende stemmen (regels 1, 3 en 7) zal terugkeren. Zoals steeds
klinkt de koraalmelodie als
cantus
firmus in lange noten in de sopraan,
tijdloos, onaangedaan en verheven boven het gewoel van alle overige,
vocale en instrumentale stemmen. De drie begeleidende zangstemmen
volgen geen vast patroon: nu eens polyfoon elkaar imiterend, dan weer
in akkoorden samen optrekkend (homofoon).
Na Satans verzoeking (regel 7) raakt de begeleiding even in het
ongerede: de twee blazers trekken één lijn en de
strijkers spelen een
tumultmotief; daarom is het afsluitend instrumentaal ritornel ook niet
identiek aan het inleidende.
Begeleid door de hobo d'amore en strijkers zingt de alt
(2) een onmiskenbaar slaaplied op
het gepunkteerde 3/8 ritme van de
siciliano;
muzikaal herinnert het
ritme, de pulserende bas en de sextsprong met dubbele voorslag
(
Schleifer) aan het
Erbarme dich uit de
Matthäus-Passion. Zelfs het
Ermuntre! verschrikt de alt
niet; pas de dreiging met
ewige Tod
beweegt
haar tot een krachtdadig en waakzaam
allegro
waarna hij toch weer
indommelt, en niet alleen omdat de da-capovorm dat vergt.
Met aan drie van Freysteins verzen ontleende argumenten bepleit de bas
in recitatief
(3) offne Geistesaugen; de satan krijgt
geen harmonisch
rustpunt.
Ook de intieme tweede aria
(4)
heeft een langzaam tempo,
Molto
adagio
zelfs. De eerste twee regels zijn een letterlijk citaat van het
oorspronkelijke koraal, maar zonder melodische toespeling. De sopraan
doet in lange noten de dwingende oproep
bete en
bitte, terwijl zij
overigens deelneemt aan het transparante polyfone spel van de drie
melodische stemmen die door het continuo worden begeleid. Het obligate
instrument dat naast de traverso aantreedt is de
violoncello piccolo;
onderstaande aantekening legt uit welk instrument daarmee wordt bedoeld.
De dankbaarheid waaraan in de meeste cantates een opgewekte laatste
aria is gewijd, beperkt zich hier tot een secco-recitatief van de tenor
(5) dat nog wel
arioso wordt afgesloten.Tijdens het
eenvoudig
vierstemmige slotkoraal
(6)
lijkt de voortdurend aktief doorlopende bas
ons wakker en bij de les te willen houden.
Violoncello piccolo
Van de
violoncello piccolo is
wel gedacht dat hij door Bach zelf was
ontwikkeld. Allengs wordt duidelijk dat het instrument waarschijnlijk
identiek is aan wat elders een
viola
pomposa werd genoemd. Zeker is dat
het om een vijfsnarig instrument gaat dat behalve over de gebruikelijke
vier snaren van de cello beschikt over een hoge e-snaar; Bach schrijft
het voor in een tiental cantates en in de zesde cellosuite. Het houdt
dus het midden c.q. vult het gat tussen de violoncello en de altviool,
is kleiner dan de eerste en groter dan de tweede en daarmee doemt de
vraag op of het tussen de benen (
da
gamba) of op de schouder (
da
spalla) wordt bespeeld. Waarschijnlijk kon dat allebei en hing
het af
van de techniek die de bespeler gewend was; bij ons is dat de
altviolist, en dus klinkt het instrument
da spalla.
Door zijn korter corpus klinkt de piccolo doordringender en minder
sonoor dan de gewone cello, maar gezien zijn bereik (
ambitus) kun je er
ook gewone continuopartijen op spelen. Dat gaan wij ook doen, met als
tweede continuostrijker een
basse de
violon, gelijk gestemd maar groter en meer sonoor dan
de cello. Deze keer in het continuo dus geen 16-voets instrument
(contrabas) maar twee instrumenten in hetzelfde register (octaaf), met
verschillende sonoriteit.
G.M.Hoffmann: Schlage
doch, gewünschte Stunde (olim BWV 53)
Melchior Hoffmann (1679 - 1715) studeerde vanaf 1702 in Leipzig waar
hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte
Collegium Musicum
en na diens vertrek in 1705 leider. Hij componeerde o.m. instrumentaal
werk, missen, cantates en opera's voor de toen nog bestaande Leipziger
opera. In 1714 was hij met J.S.Bach sollicitant voor de organistenpost
te Halle waarvoor uiteindelijk beiden bedankten. Bij zijn overlijden op
36-jarige leeftijd was hij een beroemd componist.
Zijn ééndelige
Trauermusik
Schlage doch, gewünschte Stunde
is een solo-cantate voor alt, bestaande uit een da-capoaria. Hij werd
lange tijd aan J.S.Bach toegeschreven. De alt wordt er begeleid door
strijkers, continuo en twee klokken (
campanella),
de symbolen van het tijdelijke wier geluid in zoveel
Trauermusiken wordt geïmiteerd
of aangeduid maar die nu eens
de
facto aanwezig zijn.
De gedachte dat de sterfdag iets is om verlangend naar uit te zien
omdat zij ons dichter bij Jezus brengt, behoort tot het toenmalige
Lutherse gedachtengoed dat we ook in Bachs werk tegenkomen.