(De Swaen,23-24/9/2006)

J. S. Bach: Ach, lieben Christen, seid getrost (BWV 114)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir
De Bach-cantates die De Swaen dit seizoen uitvoert behoren allen tot Bachs tweede Leipziger jaargang, een reeks cantates die Bach volgens eenzelfde stramien wilde componeren: aan elke cantate liggen tekst en melodie ten grondslag van één van de kerkliederen uit de toenmalige Lutherse gezangenbundel.
Wanneer wij met BWV 114, een cantate voor de 17e zondag na Trinitatis (1 oktober 1724), instappen in deze reeks heeft Bach er reeds 16 afgeleverd. Met zijn - anonieme - tekstdichter sprak hij af dat de teksten van het eerste en laatste koraal-couplet onveranderd zouden worden gebruikt voor een openingskoor en een vierstemmig slotkoraal, de tussenliggende coupletten zouden, afhankelijk van hun aantal gecomprimeerd of geëxpandeerd, worden omgedicht tot aria- en recitatiefteksten.
Het koraal Ach, lieben Christen, seid getrost (Joh. Gigas, 1651), grondslag en dus titel van BWV 114, werd gezongen op dezelfde melodie als Telemanns slotkoraal, een melodie die ‘eigenlijk' toebehoort aan nog weer een derde koraal, het oudste, uit 1524 daterende Wo Gott der Herr nicht bei uns hält; Bach gebruikte dit lied negen weken eerder voor een andere koraalcantate; de melodie klinkt in drie delen van deze cantate. De tekst van het lied dat meestal als boete- en/of troostlied werd gezongen heeft geen duidelijke relatie met het evangelie van de dag. De instrumentale basisbezetting (2 hobo's, 2 violen, altviool en continuo) wordt in drie delen uitgebreid met een hoorn c.q. een traverso, die in Bachs uitvoering waarschijnlijk door dezelfde persoon werden bespeeld.
De tekst van het openingskoor (1) is een schuldbekentenis en een oproep tot aanvaarding van het lijden als straf voor de zonde. De terts- en kwintsprong waarmee het levendige instrumentale voorspel begint verwijzen naar de sprongen in de koraalmelodie, die vervolgens als cantus firmus regel voor regel in lange noten wordt gezongen door (zoals meestal) de sopraan, gesteund door een hoorn. De sterk ritmisch geprofileerde orkestbegeleiding handhaaft zich voortdurend als een geagiteerde achtergrond die kontrasteert met de troostvolle muziek van het koor: de opwinding en onrust van het dagelijks leven als achtergrond voor rustgevende geloofszekerheid.
Terwijl de sopraan en het orkest de muziek van de eerste twee regels, inclusief het instrumentale voorspel, ongewijzigd herhalen zingen de begeleidende koorstemmen andere noten, eerst ter illustratie van de woorden lieben, getrost en verzagen (= wanhopen), en daarna van heimsuchen (= kwellen) en tenslotte akkoordisch von Herzen, als één man/vrouw.
Reeds voor de tenor in aria (2) een woord heeft gezongen heeft de virtuoze traversopartij al in lange, zoekende melisma's de uitzichtloosheid geschetst van het aardse Jammerthal. Het kontrasterende, optimistische middendeel, vivace en in majeur toonsoorten, geeft het antwoord, maar met sonst weiß ich aus noch ein keert het begin onverkort weer terug, en niet alleen omdat Bach zich - sinds kort - verplicht voelt het da-capoprincipe streng te volgen. De veeleisende fluitpartij illustreert dat Bach sinds medio ‘24 over een bekwame traverso-speler beschikt, zoals daarentegen koraal (4) en naburige cantates uit deze periode tonen dat hij van zijn sopraansolist nog niet veel meer dan een koraalmelodie kan vergen.
Het recitatief (3) parafraseert geen koraalvers maar de evangelielezing van de dag: Lucas 14: 1-11, de genezing van een aan ‘waterzucht' (oedeem) lijdende man en een pleidooi voor nederigheid, en de bas fungeert, zoals vaak, als Vox Christi die hier de gelovige zondaar ("du") toespreekt die zich verschuilt achter schwülstige (pathetische, hooghartige) gebaren.
Het seccorecitatief verdicht zich tot arioso ter onderstreping van het woord erniedrigt.
Koraalvers 3 dient ongewijzigd als tekst voor deel (4), het centrum en inhoudelijk scharnierpunt van de cantate dat evenwel muzikaal nederig, om niet te zeggen ‘schraal' van vorm is. De sopraan zingt, in zijn/haar vertrouwde rol als hooggestemde ‘gläubige Seele'(Anima), nauwelijks versierd, dezelfde koraalmelodie als in de delen 1 en 7; de wat korrelige continuo-begeleiding maakt zaaiende gebaren maar komt niet tot bloei.
Begeleid door een solo-hobo, strijkers en continuo stapt de alt (5) als eenvoudige aardse gelovige gerustgesteld voort in ongecompliceerde harmonieën, onwankelbaar en zelfverzekerd. Bij Es muß ja so einmal gestorben sein (de librettist kwam blijkbaar wat lettergrepen tekort) wijkt het overheersende Bes-groot kortstondig voor wat duisterder mineur-toonsoorten.
Een slechts door continuo begeleid (‘secco') recitatief van de tenor (6) voert naar het slotkoraal (7) waarvan de harmonisering de bas gelegenheid geeft om in een over anderhalf oktaaf stijgende lijn de onvermijdelijke komst van de dood nog eens te schetsen.

Telemann: Siehe, es hat überwunden der Löwe (TVWV 1:1328)

(voorheen BWV 219)

G.Ph.Telemann (1681–1767) schreef zijn cantate Siehe, es hat überwunden der Löwe (TVWV 1:1328) waarschijnlijk in 1723 te Hamburg, voor het Michaëlisfeest van 29 september, een feest dat tegenwoordig nog wel - geseculariseerd - als oogstfeest wordt gevierd. Volgens de epistellezing van deze dag (Openbaringen 12:7-12) versloegen de engelen in de hemel, onder aanvoering van aartsengel Michael de draak van het kwaad, die met zijn kornuiten naar de aarde werd verdreven waar hij vervolgens, lang voor St. Joris, werd verslagen door Christus, de leeuw uit Juda (Openb. 5:5) waarvan het openingskoor, een koorfuga, spreekt. Ter viering van deze triomf zet Telemann uiteraard trompetten in. De Hochmuth in de delen 2 en 3 verwijst naar de evangelietekst (Mattheus 18:1-11, ‘wordt als de kinderen').
Als slotkoraal, met zelfstandige trompetpartijen, dienen de verzen 9 en 10 van het koraal O Gott, der du aus Herzensgrund, een koraal dat - opmerkelijk genoeg - op dezelfde melodie wordt gezongen als het koraal dat de basis vormt voor Bachs cantate van vandaag.
In de oude, negentiende eeuwse Bachausgabe figureerde dit stuk, met omstreden status, als BWV 219, een apocriefe Bachcantate. Oordeelt u zelf: kunt u zich moeiteloos voorstellen dat men hierin ooit Bach heeft gehoord? Of toch niet?
(De Swaen, 27-28/9/2008)