Na Pasen 1725 rondde Bach zijn tweede
cantatejaargang, die geheel uit koraalcantates had moeten bestaan, af
met negen cantates op tekst van de Leipziger dichteres Christiane
Mariane von Ziegler (1695-1760). De tweede daarvan (BWV 108) was
bestemd voor de 25e April 1725, de derde zondag na Pasen,
zondag Cantate.
De titeltekst is ontleend aan de voorgeschreven evangelielezing voor
deze zondag, de verzen 5 - 15 uit het zestiende hoofdstuk van het
evangelie van Johannes, waarin deze de uitgebreide afscheidsrede
weergeeft die Jezus hield tot zijn discipelen alvorens hij zou worden
gekruisigd, maar waarover geen van de andere evangelisten ons
informeert. Jezus motiveert daarbij zijn uitspraak
Es ist euch gut, daß ich hingehe
met de overweging dat hij nu wel tot God, zijn Vader moet terugkeren
opdat die ‘de Trooster' zal sturen, de Heilige Geest die vervolgens ook
inderdaad op Pinksteren verschijnt om Christus' volgelingen tot in der
eeuwigheid de weg te wijzen.
De cantate bestaat uit twee delen, elk ingeleid door een bijbelcitaat
en gevolgd door een aria. Zoals in vrijwel alle cantates die Bach
tussen Pasen en Pinksteren 1725 componeert, is er geen solopartij voor
de sopraan; zijn sopraansolist was wellicht met Pasen vertrokken.
Omdat de titeltekst Joh. 15:7 uit de mond van Christus komt, begint
(1) de cantate niet met een koor
maar met een solostuk voor de
Vox
Christi, de bassolist, dat om die reden noch als ‘aria' noch als
‘arioso' is aangeduid. Bach moet de bijbeltekst in drie zingbare
gedeelten verdelen: (a)
Es ist euch
gut... (b)
denn so ich
nicht... en (c)
So ich
aber... . Om te voorkomen dat het stuk daardoor in drie delen
uiteenvalt schept de muziek samenhang. Strijkers en continuo zorgen
voor een doorgaande rustige achtergrond, in een waardig stappend ritme.
De overheersende instrumentale rol speelt de vluchtige en ongrijpbare
(‘spirituele') hobo d'amore: zijn onwrikbare lange noten ontbreken
slechts in het ontkennende middendeel, zijn rijk versierde lange lijnen
inspireren de bas tot lange coloraturen op
hingehe in de eerste twee delen,
die in de derde frase betekenisvol - want redegevend - worden
geïmiteerd op
sende.
De tenor beantwoordt Christus' woorden in aria
(2), een triosonate met soloviool en
continuo. Met lange noten op
Zweifel
en
Glaube geeft hij
vastberaden uiting aan zijn vertrouwen in Christus' toezegging, terwijl
de continuobas die standvastigheid onderstreept met een ostinaat
ritmisch motief en hardnekkige toonherhalingen. De levendige maar
onrustige en kronkelige vioolsolo schetst de voortdurende twijfel en
aanvechting; hij laat zich door de tenor allengs tot enige rust
verleiden en sluit zich ten slotte zelfs met een resolute gedragen noot
bij hem aan. Door de woorden
gehst
du fort telkens op een stijgende lijn te zingen legt de tenor
uit dat daarmee Christus' hemelvaart wordt bedoeld.
In het secco-recitatief
(3)
blijkt de tenor niet alleen Christus´ vertrek te aanvaarden maar
zelfs verlangend uit te zien naar de beloofde, troostende Geest der
Waarheid: een brug naar het tweede bijbelwoord. De later door Von
Ziegler zelf gepubliceerde teksten tonen dat Bach zich - niet alleen
hier - aanmerkelijke retouches in haar libretti permitteerde. Hier
wijzigt hij woorden (
indessen schon
in
also,
ängstiglich in
sorgensvoll) en schrapt zelfs een
hele regel waardoor het rijmwoord op
regieren
is vervallen.
Het tweede bijbelwoord
(4) is
weliswaar ook opgetekend uit de mond van Christus, maar je kunt je
voorstellen dat ‘t door het discipelen-collectief op Pinksteren werd
herhaald. Bach schrijft daarom een koorstuk en kiest, voor het nogal
abstracte en dogmatische vers 13 van Johannes 16, de oude,
affektief-neutrale vorm van het motet, een vocale compositie met naar
believen (
ad libitum)
meespelende instrumenten. De lengte van de tekst dwingt hem die in
drieën te verdelen:
(a)
Wenn aber jener, der Geist der
Wahrheit, kommen wird,
/der
wird euch in alle Wahrheit leiten.
(b)
Denn er wird nicht von ihm
selber reden,
/sondern
was er hören wird, das wird er reden;
(c)
und was zukünftig ist, wird
er verkündigen.
Op elk van die delen componeert Bach een strakke koorfuga maar van de
eerste twee delen is de tekst zelfs nog te lang voor een fuga-thema,
waardoor Bach die tekst moet verdelen over het thema èn het
eerste contrapunt, dat is hetgeen een stem zingt wanneer de volgende
het fugathema al heeft ingezet. Door het derde fugathema af te leiden
uit het eerste suggereert Bach een
da-capo
en behouden de drie delen eenheid zodat een monumentale koorcompositie
ontstaat; de derde fuga is trouwens - anders dan bij een
da-capo - langer dan de voorgaande.
Het hoekige eerste fugathema weerspiegelt met zijn energiek hamerende
toonherhalingen (als in de tenoraria) de stelligheid van de komst van
de Heilige Geest, terwijl het zwieriger tweede thema toont hoe deze
waait waarheen hij wil. Achtereenvolgende hoofdwoorden
leiten,
reden en
verkündigen worden
onderstreept met snelle coloraturen, en contrasterend hiermee horen we
een lange en stabiele toon op
Wahrheit.
Na het stugge en akademische koor slaat de sfeer geheel om met de
gelukzalige alt-aria
(5).
Begeleid door prachtige verzadigde harmonieën van strijkers en de
basso continuo betoont de alt zich
dankbaar voor wat hem/haar is beloofd. Opgelucht en vredig heeft zij
alle angst en twijfel achter zich gelaten. De eerste violen
verlevendigen het ‘largo'-tempo met het bekende vreugde-ritme,
kort-kort-lang (pa-pa-dam).
Tot slotkoraal dient vers 10 van Paul Gerhardts
Gott Vater, sende deinen Geist
(1653), gezongen op de oude (1530) melodie
Kommt her zu mir, spricht Gottes Sohn.
De woorden
leitet,
gebähnten Wege,
Fuß en
treten vormen aanleiding voor een
permanent in achtsten bewegende baslijn.