De Swaen,
25-26/4/2009)
Nadat Bach, om redenen waarnaar wij slechts kunnen gissen, in de
vastentijd 1725 gedwongen was zijn beoogde jaargang koraalcantates
voortijdig te beëindigen, schreef hij tussen Pasen en Pinksteren
1725 onder meer negen cantates op teksten van de begaafde Leipziger
dichteres Christiane Mariane von Ziegler (*1695); BWV 103, voor de
derde zondag na Pasen (22 april 1725), is de eerste in deze reeks. Von
Ziegler was de kunstminnende dochter van een oud-burgemeester van
Leipzig; op 27-jarige leeftijd keerde zij terug naar Leipzig nadat ze
twee echtgenoten had verloren en haar kinderen uit beide huwelijken.
Haar teksten behoren tot de beste die Bach heeft getoonzet. Omdat Von
Ziegler haar teksten voor deze negen cantates zelf in 1728 publiceerde
kunnen we niet alleen concluderen dat Bach daarover op basis van
persoonlijke kontakten reeds in 1725 kon beschikken, maar kunnen we er
ook getuige van zijn dat Bach desondanks soms drastisch in haar teksten
heeft ingegrepen (zie onder).
De derde zondag na Pasen heet in de kerkelijke agenda weliswaar Zondag
Jubilate, maar in Bachs kerkmuziek is het
desondanks geen vrolijke boel; andere cantates die hij voor deze dag
schreef heten resp
Weinen, Klagen,
Sorgen, Zagen (BWV 12, 1714) en
Wir müssen durch viel Trübsal
(BWV 146, 1726/7). De reden daarvoor geeft de evangelielezing uit
Johannes 16:16-23 waarin Jezus zijn afscheid aankondigt en zijn
discipelen waarschuwt dat dat slechts een korte treurige periode zal
vormen waarin de buitenwereld hen zal bespotten.
BWV 103 heeft tussen openingskoor en slotkoraal twee
recitatief/aria-paren die respectievelijk het verdriet over het vertrek
van Jezus en de vreugde over zijn beloofde wederkomst behandelen. Er is
geen solorol weggelegd voor de sopraan; instrumentale obligaatpartijen
zijn er voor de trompet (nrs 5 en 6) en (in nrs 1 en 3) voor een
flauto piccolo, een zeer hoge
blokfluit die wij tegenwoordig '
sopranino‘
noemen; bij een latere uitvoering waarvoor blijkbaar geen blokfluitist
beschikbaar was, herschreef Bach deze partij, een octaaf lager, voor
een viool- of traverso-solo.
De driedeling in het openingskoor
(1)
- twee koordelen rond een kort recitativisch middendeel voor de
bas - volgt een driedeling in de tekst (Joh. 16:20) uit de
evangelielezing:
1. (koor)
Ihr werdet weinen und
heulen, aber die Welt wird sich freuen.
2. (bas)
Ihr aber werdet traurig
sein.
3. (koor)
Doch eure Traurigkeit soll
in Freude verkehret werden.
De ingewikkelde struktuur van het stuk beoogt de vier (!) verschillende
zinsdelen recht te doen, de daarin vervatte contraire affekten
freuen en
Traurigkeit muzikaal uit te buiten
en desondanks een samenhangend geheel te ontwerpen.
Anders dan de titeltekst doet verwachten, begint het openingskoor met
een lang en vrolijk instrumentaal ritornel waarin de minuscule
sopranino (<25 cm) zich hoog boven het concert van hobo's en
strijkers moeiteloos handhaaft in de rol van een schrille spotter. Dan
volgt een eerste koorfuga (
weinen und
heulen) op een gewrongen, ‘treurnis' uitdrukkend thema: dalend,
chromatisch en met een overmatige secunde, stijgend met een
septiemsprong, en begeleid door een eerste tegenthema (
contrapunt) met de
lamento-figuur (in halve tonen
dalende kwart). Dan herhaalt het orkest zijn ritornel gedeeltelijk
waarboven het koor de tweede zinsnede (
aber
... freuen) zingt, waarna in een tweede koorfuga boven het
volledige instrumentale ritornel beide elementen in een dubbelfuga
worden gecombineerd, culminerend in een vijfde thema-inzet van de
sopranino. Alle beweging komt plotseling tot stilstand voor een kort,
door alle instrumenten begeleid recitatief van de bas (
Ihr aber), bekend als
Vox Christi, als om te onderstrepen
dat niet alleen deze, maar àlle woorden van dit stuk uit
Christus' mond geacht worden te klinken. De sopranino deelt in zijn
smart. Dan volgt op de laatste tekstzin die ook weer beide affekten
verbindt, een herhaling van de tweede koorfuga. Het kort-kort-lang
ritme (
figura corta), code
voor 'vreugde', domineert.
Het slechts door continuo begeleide (
secco)
tenor-recitatief
(2) eindigt
met een kort ritmisch
arioso
dat de
Schmerz (pijn) van
Christus' afwezigheid onderstreept. Die pijn wordt als ziekte van het
hart geduid, waarvoor echter, aldus de alt in aria
(3) geen arts competent is, en zelfs
in het aan balsem zo rijke Gilead (volgens Jeremia 8:22) geen
verzachting te vinden. De alt wordt begeleid door een prachtige
beweeglijke piccolo-solo. De vorm van de aria is ambivalent: het
continuo begeleidt de twee melodische stemmen hoofdzakelijk met korte
akkoorden (
piano e staccato,
als in een triosonate) maar vervult nu en dan ook zelf melodische
functies, als in een trio.
Met het secco recitatief
(4)
voltrekt de alt de inhoudelijke wending (
volta) in deze cantate, van
droefheid naar vreugde; h/zij verkneukelt zich in het vooruitzicht op
Christus' beloofde wederkomst, met een uitbundige coloratuur op
Freude. In zijn behoefte de twee
recitatieven enigszins met elkaar in evenwicht te brengen, schrapte
Bach botweg twee regels uit Von Zieglers tekst, daarmee het rijm
beschadigend:
| Von Ziegler |
Bach |
Daß meine Traurigkeit
und dies vielleicht in kurzer Zeit,
Nach bäng- und ängstlichen Gebärden
In Freude soll verkehret werden
|
Daß meine Traurigkeit
...
...
In Freude soll verkehret werden.
|
Aria
(5) is het enige stuk in
een majeur toonsoort (D-groot). Strijkers en trompet begeleiden de
tenor in een vrolijk, zonnig stuk waarin het vertrouwde vreugde-ritme,
kort-kort-lang (pa-pa-pam) domineert. Enkele kortstondige harmonische
wolkenvelden herinneren nog aan de
Weh,
Betrübung en
Traurigkeit
van het eerste deel van de cantate; op dergelijke plekken worden van de
trompettist tonen gevergd die niet tot zijn natuurlijke toonvoorraad
behoren (
blue notes), waardoor
hij onvermijdelijk aan de droefenis zal bijdragen. De
tenor overtreft de alt in een extatische coloratuur op
Freude die zes maten en bijkans 100
noten beslaat.
Het slotkoraal
(6), het
negende vers van Paul Gerhardts koraal
Barmherz'ger Vater, höchster Gott
(1653) vat de boodschap van de cantate goed samen. Het wordt gezongen
op de melodie van
Was mein Gott
will, daß gescheh' allzeit (1571). De eenvoudige
vierstemmige harmonisering wordt uitgevoerd door allen, met
uitzondering van de sopranino.
