|
|
|
|
|
|
J. S. Bach: Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben (BWV 102) |
Beluister
deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
(1)
Terecht herinnert Bach zich het schitterende openingskoor van
deze
cantate, wanneer hij zich tien jaar later zet tot zijn Mis in g (BWV
235,
hier te horen op 29 mei). De tekst is van Jeremia, hoofdstuk 5:3.
Het stuk heeft een A-B-A struktuur, met als A-deel een instrumentale
Sinfonia die alle motieven in zich verenigt voor de rest van het stuk.
De terugkeer van deze muziek aan het eind wordt echter gemaskeerd omdat
deze nu fungeert als begeleiding van het vierstemmige koor! Dit
compositorische
hoogstandje ('koor-inbouw') zou de niet-gewaarschuwde toehoorder
derhalve
kunnen ontgaan, daarom verdient de struktuur enige toelichting.
Tussen het instrumentaal identieke begin en einde hoort u de zangers
in twee fugatische stukken, in- en uitgeleid door Jeremia's telkens
herhaalde,
verontwaardigde uitroep 'Heer, ziet gij niet uit naar oprechtheid?'
In de eerste fuga-achtige (fugato) passage worden de twee half-zinnen
Du schlägest... en Du plagest... achtereenvolgens
behandeld door
Alt,
Sopraan, Bas en Tenor, met minimale instrumentale ondersteuning; de
opmerkelijke
staccato's van de zangers verbeelden realistisch de slagen, wat temeer
duidelijk wordt omdat deze staccato's vervallen bij het hergebruik in
de
Mis BWV 235. Deze twee zinnen lenen zich vervolgens voor een
dialogerend
vraag-antwoordspelletje tussen de duo's sopraan/bas en alt/tenor. De
tweede
fuga is een echte, uitgebreide waarin het thema op de tekst Sie haben
ein
härter Angesicht etc., ingezet door de bas, via tenor en
alt wordt
doorgegeven naar de sopraan, en vervolgens in een herhaling weer 'naar
beneden'. Wanneer de bas tenslotte het thema ten tweeden male 'uit'
heeft
hernemen de instrumentalisten hun sinfonia, terwijl de zangers de
openingstekst
en de duetten-dialoog herhalen.
(2) Een eenvoudig, slechts door
continuo begeleid (secco)
recitatief
voor de bas: wie zich niet bekeert wordt aan duisternis prijs gegeven,
de muziek vervalt van Bes-groot naar bes-klein.
(3) Een intiem klaaglied voor
alt, hobo en continuo. De 'softe'
stemmen
richten, met schrijnende dissonanten, vreemde sprongen en stekelige
intervallen
een bewogen oproep tot de koppige die weigert de gevolgen van eigen
handelen
en Gods genade onder ogen te zien. In de Mis in F (volgende maand)
keert
de muziek van deze aria terug als Qui
tollis, met een verwant
'negatief'
affekt: een bezinning op 's mensen zondigheid i.p.v. de ontkenning
ervan.
De muziek is een toon omhoog getransponeerd, voor sopraan i.p.v. alt,
en
bijvoorbeeld de dissonante inzet van de hobo is milder gemaakt.
(4) Materieel het begin van het
nieuw-testamentisch cantatedeel,
nominaal
echter slot van Deel I. Maar wat voor soort stuk is dit 'arioso' voor
bassolist
en strijkers eigenlijk? De aanduiding 'arioso' stamt niet van Bach; hij
liet het opschrift open, en op interessante gronden. Want muzikaal
lijkt
het een aria: instrumentale voor-, tussen- en naspelen (ritornellen)
met
motieven die ook de vocale solist gebruikt, tekstherhalingen, een
(verkorte)
da-capostruktuur, alles tamelijk ongebruikelijk voor een arioso. Maar
anderzijds
is de tekst proza, de verzen 4 en 5 uit Paulus' brief aan de Romeinen.
Poëzie was voor Bach blijkbaar een zo karakteristiek kenmerk van
een
aria, dat hij, wetende weer een conventie te hebben overtreden, de
titel
openliet.
Het opgewekte affekt van dit stuk contrasteert met de tekst die nogal
barse vragen stelt aan de onboetvaardige, die Gods toornend oordeel
moet
vrezen. Het lijkt een illustratie van het wegkijken, van geestelijke
blindheid
voor de dreigende vergelding.
De 'verstokt'-heid wordt drastisch geïllustreerd door het geheel
tot stilstand komen van de muziek, met een - tegen alle
compositieregels
in - viervoudige herhaling van drie-noten op verschillende woorden.
(5) is een verontrustende aria
voor tenor en traverso. In het Quoniam
van
de Mis in F (BWV 233, 26 december) is het soloinstrument vervangen door
een viool, bij een heruitvoering van de cantate in 1737 door violino
piccolo.
Ook de paniekerige motiefjes en grillige sprongen van de tenor die de
zelfgenoegzame
ziel poogt wakker te schudden zijn in de mis-versie gefatsoeneerd.
Lange
noten onderstrepen de eeuwige druk van het juk der zonden, maar ook
Gods
aanhoudende lankmoedigheid.
(6) Terwijl de tijd wegtikt
dringt ook de alt aan op
boetvaardigheid,
nu. De cantate besluit (7) met
de twee laatste verzen (6 en 7) van een
koraal
uit 1630 (Joh.Heermann, So wahr ich
lebe, spricht dein Gott), hier
gezongen
op de bekende melodie van het Vater
unser im Himmelreich.
eventuele voetnoot
Dat Bach na 150 cantates pas Cantate BWV 102 schrijft illustreert dat
de cantates in de Bach Werken Verzeichnis niet in chronologische
volgorde
staan. De BWV-nummering ontstond tamelijk toevallig uit de volgorde
waarin
de Bach Gesellschaft vanaf het eeuwfeest 1850 Bachs werken, voorzover
voorhanden,
begon te publiceren. De precieze compositiedatum van de meeste cantates
werd pas het eind jaren '50 van de twintigste eeuw vastgesteld, op
grond
van de watermerken van het papier en de handschriften van Bach en zijn
kopiïsten. Wij weten trouwens van het bestaan van veel meer
Bachcantates
dan die welke, omdat er enige muziek van gevonden is, een plaats in de
BWV hebben gekregen; tekstboekjes wijzen bijv. uit dat ze bestaan
moeten
hebben.
