Luther handhaafde veel elementen uit het rooms-katholicisme van zijn
tijd waaronder (a) een beperkte Mariaverering: Maria verloor haar rol
als middelares maar feesten als Maria Boodschap (25 maart) en Maria
Bezoek (
Heimsuchung /
Visitatie, 2 juli) bleven op de lutherse
liturgische agenda. En terwijl de mis goeddeels in de volkstaal werd
gehouden was (b) op grote feesten en in de vespers het Latijn nog in
gebruik zodat we van Bach Latijnse missen kennen en een Latijns
MAGNIFICAT (BWV 243) hoewel de tekst van dit laatste, de
lofzang van
Maria uit dankbaarheid dat ze de zoon Gods mag dragen (Lucas 1: 46-55),
door Luther zelf ook in het Duits was vertaald:
Meine Seel erhebt den
Herrn. En tenslotte (c) behield het gregoriaans een zekere
plaats als
liturgisch gezang, naast de typisch protestantse kerkgezangen
(
koralen). Zodoende waren
Bachs kerkgangers vertrouwd met Luthers
Deutsche Magnificat, gezongen
op de negende gregoriaanse psalmtoon, in
moderne notatie:
(In principe bestaan er acht
kerktoonsoorten (modi),
tweemaal vier
(dorisch, phrygisch, lydisch en mixolydisch) en in elk daarvan een
melodie waarop de psalmen worden gezongen (‘psalmtoon'). De negende
psalmtoon is een onregelmatige omdat de reciteertoon (de ténor, waarop
de meeste lettergrepen worden gezongen) verschilt in de voor- en de
nazin; in het voorbeeld hierboven een E, resp. een D. Daardoor schuift
de melodie door twee verschillende kerktoonsoorten en heet dan ook
tonus peregrinus (zwerftoonsoort).
Hij bestrijkt daardoor alle tonen
van wat in ons modern tonaal jargon een kleine-tertstoonladder heet,
in bovenstaande ligging A-klein, en is daarom geschikt voor verwerking
in tonale composities.)
Het Mariafeest van 2 juli viert het bezoek van Maria aan haar nicht
Elisabeth die een week eerder (24 juni, St Jan) haar zoon Johannes de
Doper heeft gebaard die geacht werd een half jaar ouder te zijn dan
Jezus.
Bach componeert voor de eerste Mariavespers na zijn aantreden als
Thomaskantor, 2 juli 1723, zijn
MAGNIFICAT op Latijnse
tekst. Een jaar
later valt Maria Boodschap op de vierde zondag na Trinitatis; Bach is
dan net begonnen aan een jaargang cantates op basis van teksten en
melodieën van kerkliederen (koraalcantates) en besluit het
Deutsche
Magnificat als een koraal in een cantate te verwerken:
Meine Seel
erhebt den Herren (BWV 10). Het is een in de hedendaagse
uitvoeringspraktijk ten onrechte veronachtzaamd werk, wat ingetogener
dan het
MAGNIFICAT BWV 243: slechts 2 hobo's, geen
pauken en slechts
één trompet die alleen enkele malen de ‘koraal'melodie
(mee)speelt.
Conform het gebruikelijke koraalcantate-procédé vormen
ook in BWV 10
‘koraal'tekst en -melodie ongewijzigd de basis voor een openingskoor en
een slotkoraal, en hier bovendien voor het duet
(5); de overige verzen
worden geparafraseerd tot recitatief- en ariateksten.
Als tekst voor het openingskoor
(1)
van een koraalcantate dient
normaliter het eerste couplet van het onderhavige koraal; omdat de
verzen van Luthers
Deutsche
Magnificat slechts uit een voor- en een
nazin bestaan, behandelt Bach er in het openingskoor van BWV 10 twee
van (Lucas 1: 46-48), zoals ook de nrs
3,
4 en
7 van deze cantate
telkens op twee versregels gebaseerd zullen blijken. Deze twee verzen
worden in
(1) zoals
gebruikelijk als
cantus firmus
in lange noten
gezongen (gesteund door een trompet), maar in dit geval door
achtereenvolgens de sopraan en de alt; Bach markeert daarmee niet
slechts het verschil tussen de twee versregels maar accentueert ook het
onderscheid tussen de hogere
Geist/Seele
vs ‘nederige dienstmaagd', en
refereert bovendien aan zijn experiment in de vier koraalcantates van
de voorgaande weken (BWV's 20, 2, 7, 135) waarin de
cantus firmus
achtereenvolgens door sopraan, alt, tenor en bas werd gezongen. Na BWV
10 ligt deze echter onveranderlijk in de sopraan.
De plechtige psalmtoon wordt in het openingskoor ingebed in een
levendige polyfone begeleiding door continuo, strijkers en twee hobo's.
De instrumentalisten openen met een krachtig ritornel waarin direct
vanaf het begin in de continuobas de door Schweitzer als vreugdemotief
herkende
figura corta
(pa-pa-pam) klinkt. Om de
cantus-firmusovergang
van sopraan naar alt mogelijk te maken transponeert Bach de muziek
halverwege een kwint omlaag, waarbij de ongelijk lange versregels van
de bijbelse prozatekst nog enige verdere aanpassingen vergen. Om naar
de oorspronkelijke toonsoort terug te keren volgt, na afsluiting van de
cantus firmus door de alt een
coda: de instrumentalisten herhalen hun
openingsritornel, met vrije vocale partijen daarin ingebouwd. Terloops
hebben de zangers dan al diverse woorden passend geïllustreerd:
alle
met veel herhalingen,
freuet,
selig en
preisen met lange coloraturen.
Het volgende Magnificat-vers, Lucas 1:49, heeft Bachs onbekende
tekstdichter met enkele psalmcitaten opgewerkt tot tekst voor
sopraanaria
(2).
Stark en
mächtig zijn onmiskenbaar de
bepalende
woorden; deze eerste sopraanaria die Bach sinds Pasen '24 schrijft (hij
heeft blijkbaar een sopraanprobleem gehad en opgelost!) gaat allerminst
voorzichtig maar met veel bravoure van start. Een dwingende, over twee
octaven stijgende figuur van de violen leidt naar het ongecompliceerde
en energieke thema waarvan ook de sopraan zich zal bedienen. De twee
hobo's spelen
colla parte
(d.w.z. dezelfde noten) als de eerste viool
wanneer de sopraan zwijgt, maar rusten wanneer z/hij zingt (om haar
niet te overstemmen?); het continuo is vrijwel steeds druk met
zestienden motieven. De muziek verstilt en wordt harmonisch complexer
in het middendeel
Du siehest mich
Elenden totdat ten slotte bij
daß ich
nicht alles zähl und merke alleen nog continuobegeleiding
resteert.
Tenor-recitatief
(3)
ontwikkelt zich na een kalm begin (vs 50, Gods
barmhartigheid) naar een dramatisch hoogtepunt wanneer (vs 51) de
machtigen en onverschilligen met harde hand als kaf (
Spreu) worden
verjaagd. De tekstdichter vult de lofzangwoorden aan met citaten uit
Jeremia's Klaagliederen 3:22-23 en Openbaringen 3:16.
Niet alleen dit recitatief maar ook de twee volgende stukken worden
slechts door het continuo begeleid; maar wel op heel verschillende
wijze. Voor basaria
(4) richt
het continuo vanaf maat 1 een
heroïsch
decor op: het eerste motief - blijkens de tekst van de bas - verwijzend
naar de ‘machtigen', het tweede (dalende figuren) naar hun verstoting
in de
Schwefelpuhl, op de
laagst speelbare noot; vergelijk het
deposuit
potentes uit Bachs Latijnse
MAGNIFICAT. Zonder
grote veranderingen
ondersteunen deze stuwende begeleidingsfiguren vervolgens (vs 53)
evenwel ook de verhoging der vernederden en de deernis met de
Hungrigen,
waar de bas opgaande lijnen trekt, en het
bloß und leer met
rusten,
ledigheid illustreert.
Geheel anders bepaalt het continuo in duet
(5) de sfeer met een trage,
zangerige melodie vol smartelijke chromatiek (halve tonen) en
schrijnende dissonanten, een melodiek die door de duet-partners alt en
tenor, elkaar imiterend, wordt overgenomen. Terwijl hun tekst identiek
is aan Luthers tekst (vs 54) blijkt ook de
Tonus Peregrinus ongewijzigd
aanwezig, maar slechts als tekstloos muzikaal citaat door de trompet en
de beide hobo's; koraaltekst en melodie zijn uit elkaar gespeeld. Ook
in zijn Latijnse
MAGNIFICAT citeert Bach de psalmtoon
instrumentaal, en
wel in het overeenkomstige deel,
Suscepit
Israel. Bach bewerkte dit
stuk in 1747 tot één van de zes
Schübler
Choräle (BWV 648) voor orgel. (NB Omdat het aantal
ténor-noten van de psalmtoon afhangt van het aantal lettergrepen
van de tekst die erop gezongen wordt, kan uit de trompetmelodie worden
afgelezen welke tekst daarmee correspondeert. En inderdaad: de tekst
van het achtste vers die door alt en tenor op veel meer en andere noten
wordt gezongen.)
De laatste aan het Lucas-evangelie ontleende zinsnede (vs 55), "zoals
beloofd aan Abraham en zijn nageslacht" wordt door de tekstdichter
royaal uitgebreid met verwijzingen naar Christus' geboorte; het tot dan
toe
secco, slechts door
continuo gesteunde recitatief van de tenor
(6)
wordt vanaf dat punt begeleid door strijkers die met golvende
bewegingen de verbreiding van Abrahams nakomelingschap in beeld
brengen, en de kern van het evangelie onderstrepen.
Niet aan het Lucas-evangelie ontleend is de twee-regelige lofprijzing
(doxologie)
Gloria Patri etc
waarmee gregoriaanse psalmodie en ook het
Magnificat pleegt te besluiten. Ze levert Bach net voldoende tekst en
muziek om tot een quasi-slotkoraal
(7)
te masseren: de psalmtoon klinkt
tweemaal, verschillend geharmoniseerd en over 9, resp. 13 maten
verdeeld. Bij de harmonisering van de laatste regel, op het woord
Ewigkeit, valt op dat de drie
begeleidende stemmen achtereenvolgens en
elkaar imiterend binnenkomen: conform de eeuwenoude polyfonie en in
homofone koralen hoogst ongebruikelijk.
G.M.Hoffmann: Meine Seel erhebt den Herren (1708)
Georg Melchior Hoffmann (1679 - 1715) studeerde vanaf 1702 in Leipzig
waar hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte
Collegium Musicum en na diens
vertrek in 1705 leider. Hij was muzikaal leider van Leipzigs
Neue Kirche
en componeerde o.m. instrumentaal werk, missen, cantates en opera's
voor de toen nog bestaande Leipziger opera. In 1714 was hij met
J.S.Bach sollicitant voor de organistenpost te Halle waarvoor
uiteindelijk beiden bedankten. Bij zijn overlijden op 36-jarige
leeftijd was hij een beroemd componist.
Zijn solocantate voor sopraan
Meine
Seele erhebt den Herren wordt gezien zijn kamermuzikale
bezetting wel als
Kleines Magnificat
aangeduid. De oude Bachgesellschaft beschouwde het als een jeugdwerk
van Bach maar het raakte zoek voor ‘t gepubliceerd kon worden en kreeg
dus - anders dan de eveneens aan Hoffmann toegeschreven BWV 53 en 189 -
nooit een BWV-nummer. Sinds 1982 staat Hoffmanns auteurschap vast en is
het stuk verbannen naar de BWV-aanhang, Anh.I/21, de verzameling ooit
ten onrechte aan Bach toegeschreven werken.
De solosopraan, die afwisselend wordt begeleid door continuo, strijkers
en traverso, kan, technisch gezien. nooit een jongenssopraan zijn
geweest en dus zal
Meine Seel erhebt
den Herren dus ook nooit in een kerk zijn uitgevoerd.
Anders dan Bachs BWV 10 en Hoffmanns BWV 189 volgt dit stuk zonder
parafraseringen de letterlijke tekst van het Lucas-evangelie en Luthers
Deutsche Magnificat. Lucas'
negen versregels plus de twee regels doxologie zijn verdeeld over tien
aria's en recitatieven: alleen recitatief 2 behandelt twee versregels.
De gregoriaanse koraalmelodie klinkt alleen in het voorlaatste deel,
een koraalbewerking waarin de sopraan gesecondeerd wordt door een
drukke begeleiding van unisono strijkers.