Arie Altena
index

Over DeLillo’s Mao II

Arie Altena

Deze tekst is vermoedelijk de definitieve versie van mijn voorgenomen tekst over DeLillo’s Mao II. Ik vond hiervan twee andere versies en veel aantekeningen. In de onaffe versies zit wat meer energie. Eerlijk gezegd vind ik deze lange versie saai en braaf. Het kostte me moeite om de tekst helemaal door te lezen. Waarom moest ik toch elk punt minstens twee keer maken? Zoveel jaren later zinkt de moed me opnieuw in de schoenen. Ik wist (en weet) echt niet wat ik met mijn onderwerp moest doen. Ik had een aantal goede ideeën, maar eigenlijk werden die veel beter verwoord door DeLillo. Dus waarom deze poging om het allemaal nog een keer (maar dan minder scherp) op te schrijven? Wie zou dit moeten lezen? (Buiten de persoon die moet beoordelen of het proefschriftwaardig is). (Is het proefschriftwaardig? Nee). Ik herinner me mijn geworstel van toen, en zoveel jaren later zie ik nog niet hoe ik hier iets van had moeten maken dat de moeite van het lezen waard is. Misschien door wel Baudrillard, McLuhan en Ong in het spel te brengen, en ook nog Churchland – daarover had ik veel aantekeningen. Ik heb het hier daar wat ingekort, de spelling heb ik gelaten.


Het werk van Don DeLillo is sinds het succes van White Noise en Libra steeds vaker het onderwerp van literatuurwetenschappelijke artikelen. Dat is niet verwonderlijk. Als er op dit moment één schrijver in de USA rondloopt wiens visie op de hedendaagse wereld verwarring wekt en tot nadenken aanzet dan is het DeLillo. Bovendien gaat hij ‘gevaarlijke’ onderwerpen niet uit de weg: terrorisme, Beirut, sektes, daklozen in NYC, de aantrekkingskracht van het beeld.

Het doel van dit artikel is een schets te geven van DeLillo’s obsessieve visie van de hedendaagse wereld in zijn laatste roman Mao II. Ik zal de verschillende ideeën over de wereld die hij in deze roman in de mond legt van de personages inventariseren. Daarna zal ik ingaan op de personages en de manieren waarop zij hun identiteit opbouwen, waarborgen of afwerpen.

Mao II gaat over de mens van de massa en de aartsindividualist, over het beeld en het woord, over de terrorist en de romanschrijver. DeLillo zet de wereld van de massa, het beeld, en terreur aan de ene kant en de individualist, het woord en de romanschrijver aan de andere kant. Het gaat daarbij om twee verschillende manieren van tegen de wereld aankijken, twee verschillende keuzes over wat de wereld ‘nodig’ heeft.

Voordat ik hierop inga zal ik iets moeten zeggen over DeLillo’s gebruik van vertelperspektief en de manier waarop hij zijn romans opbouwt en ‘zijn’ visie vormgeeft. DeLillo’s werk bestaat voor een groot deel uit dialogen. Vaak worden in die dialogen de ideeën die de roman beheersen uiteengezet. Het zijn meestal meningen, pogingen tot verklaring of theorietjes over hoe de wereld in elkaar zit. DeLillo’s romans staan vol met kleine essays die in de mond zijn gelegd van een personage. In Mao II vinden we  bijvoorbeeld zulke essays over Mao, over Warhol, over de daklozen op Tompkins Square, over fotografie, en over het antwoordapparaat.

Omdat DeLillo deze ideeën ‘toeschrijft’ aan personages, en ook tegengestelde en afwijkende ideeën naar voren laat brengen ‘verschuilt’ hij zijn eigen opvattingen. De vertelinstantie lijkt afwezig, hij hanteert enkel de montageschaar. Het lijkt alsof alles vanuit objektief standpunt verteld wordt. Opmerkingen van een instantie ‘hoger’ dan het personage ontbreken. Er wordt geen afkeur of instemming uitgesproken door de vertelinstantie. Op die manier worden verschillende wereldbeelden naast elkaar geplaatst, kunnen verschillende oplossingen en keuzes met elkaar gekonfronteerd worden zonder dat echt duidelijk wordt waarnaar DeLillo’s eigen sympathie uitgaat.

De vertelinstantie beperkt zich steeds met opzet en zeer strikt tot wat één personage ziet, weet, denkt. Hij wisselt voortdurend van personage, van het perspektief van Karen naar dat van Scott, van dat van Bill naar dat van George Haddad. De vertelinstantie onthoudt zich totaal van kommentaar op ‘eigen’ rekening: alle uitspraken, gedachten, waarnemingen moeten toegeschreven worden aan het bewustzijn van een personage. Er zijn natuurlijk genoeg “neutrale” zinnen waaruit de aanwezigheid van een vertelinstantie blijkt, maar deze zinnen doen nooit meer dan registreren (“Then he went to see George Haddad” (p.154)), ze geven nooit verklaringen. De positie van de vertelinstantie is te vergelijken met die van een kamera.

Een voorbeeld hiervan is de proloog waarin de massale trouwceremonie van de Moonies wordt beschreven. DeLillo springt hier heen en weer tussen de perspektieven van Rodge & Maureen – de ouders van Karen – aan de ene kant en Karen & de massa Moonies aan de andere kant. Het spektakel wordt zowel van binnenuit als van buitenaf wordt beschreven. Rodge kijkt het grootste deel van de tijd door een kamera. DeLillo reflekteert dan ook op zijn eigen verteltechniek wanneer hij zinnen schrijft als “Rudy zooms in” (p.6). Het geeft de instelling weer waarmee hij gebruik maakt van de verteltechniek. DeLillo geeft elke keer strikt gebonden aan het gelimiteerde perspektief van een personage de gedachten van dit personage weer. Hij wisselt bovendien zeer snel en zonder overgang tussen de perspektieven van Rodge enerzijds en die van Karen anderzijds. De visies van Rodge/Maureen en Karen/Moonies, oftewel de visie van buitenaf versus de visie van binnenuit het spektakel komen daardoor tegenover elkaar te staan. Het is de visie van de all-american middleclass-man tegenover de kollektieve visie van de Moonies. DeLillo, of de vertelinstantie zo men wil, onthoudt zich van kommentaar. Hij dokumenteert beide visies, kiest niet voor één boven de andere.

Film & fotografie zijn thema’s in Mao II, maar ze zijn ook een model voor de verteltechniek. Dat heeft alles te maken met de thematiek, de theorieën over het beeld versus het woord-DeLillo is zelf een schrijver uit het beeldtijdperk. De vertelinstantie registreert wat een personage ziet. DeLillo bouwt zijn boek op als een aantal scenes, soms dialogen, soms beschrijvingen van scenes.

Scott bekijkt aan het begin van de roman Warhols Mao II, een kunstwerk dat nog een aantal keer het objekt is van de gedachten van een personage. Geen kunstwerk is zo indifferent, volgens Scott, ten aanzien van het effekt op de toeschouwer, het lijkt zich overal aan te onttrekken; toch heeft juist dat werk de grootste impakt. De grootste afstandelijkheid en onverschilligheid en de grootste oppervlakkigheid leiden tot de diepste indruk.

De vertelinstantie (DeLillo) doet niet meer dan naast elkaar zetten, kiezen, monteren, wat zijn visie is blijkt hoogstens uit de kompositie van het boek als geheel. Natuurlijk is het DeLillo’s visie van de hedendaagse wereld, het blijkt al duidelijk genoeg uit de keuze van zijn materiaal, zijn obsessie met terreur, met de beeldkultuur, met massa’s. De foto’s die opgenomen zijn in het boek zijn veelzeggend: een Mooniehuwelijksceremonie, het Heizeldrama, een massa voor het gigantische portret van Khomeini en drie Palestijnse jochies in een soort loopgraaf. Maar de vertelinstantie doet geen uitspraken, geeft geen mening, draagt geen oplossing aan voor de problemen die hij signaleert. Alleen de terroristen en sektevolgelingen hebben oplossingen. De vertelinstantie blijft buiten het spel, hij geeft de lezer de stukken, en dat is het. Hij is ongrijpbaar, hij houdt afstand. DeLillo’s romans en Mao II in het bijzonder wekken de indruk van objektiviteit door de manier waarop omgegaan wordt met de verteltechniek. Mao II is als een beeld, het is er, het dokumenteert enkel en het onttrekt zich totaal aan stellingname. Toch is het uiterst betrokken en kritisch, door wat het dokumenteert.

Drie onderwerpen waarover de personages nadenken zijn het primaat van het beeld in de maatschappij en de gevolgen daarvan, de rol van telekommunikatie en de “Beirut”-situatie in NYC.

Bill is ervan overtuigd dat het beeld de wereld in zijn macht heeft. Noem het “Nature has given way to aura” (p.44), zegt hij. Er gebeurt niets tenzij het geconsumeerd wordt: alleen wat in het nieuws komt, wat anderen zien, dat gebeurt echt. Het gaat allemaal om het ‘image’. Een symptoom hiervan is de rechtszaak vanwege een karikatuur van Pinochet waarover Brita verteld: de aanklacht was “assassinating the image of the general” (p.44). Bill’s reaktie “Sounds perfectly reasonable”.  Hij zegt:“In our world we sleep and eat the image and pray to it and wear it too” (p.37).

In de wereld van Mao II is het praktisch onmogelijk om buiten de beelden van de media  te denken, alles wordt bepaald, of mede bepaald door die beelden. Brita bijvoorbeeld: “She was thinking that everything that came into her mind lately and developed as a percepeption seemed at once to enter the culture, to become a painting or photograph or hairstyle or slogan. She saw the dumbest details of her private thoughts on postcards or billboards.” (p.165). En, even verderop: “Strange how images come between the physical selves.” (p. 166). Beelden bepalen wat je ervaart.

Ook de terrorist George Haddad is overtuigd van de almacht van de media en haar beelden. Hij zegt van de gijzelaar: “His freedom is tied to the public announcement of his freedom” (p.129). Dit aspekt: iets bestaat pas werkelijk wanneer het in het nieuws komt “is one of the many things Beirut has learned from the West” (p.129). Haddad verwoordt hier ideeën die overeenkomen met die van Bill Gray.  “A few years ago a neo-Nazist group in Germany devised the slogan “The worse the better. This is also the slogan of the western media. Get killed and maybe they notice you” (p.130). Dit is het cynisme van een wereld waarin het beeld boven alles gaat, waar iets pas werkelijk bestaat wanneer het gekonsumeerd wordt. Het westen verstaat maar één taal, volgens Haddad “But this is precisely the language of being noticed, the only language the West understands. The way they determine how we see them. The way they dominate the rush of endless streaming images.” Via de beeldkultuur drukt het westen zijn stempel op de wereld en bepaalt ze de identiteit van de mensen.

Telekommunikatie heeft de wereld verandert. Satellieten kunnen alles zien. Meerdere malen wordt ingegaan op het bestaan van een perspektief van buitenaf: vanuit de ruimte de hele wereld zien. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop de mens zichzelf ziet. Scott zegt:“We’ve learned to see ourselves as if from space, as if from satellite cameras, all the time, all the same. As if from the moon even. We’re all Moonies or should learn to be.” (p. 89). Dit ene perspektief is absoluut en onmenselijk. Het heeft niets te maken met de partiële perspektieven van de mens vanaf de aarde, middenin de chaos. Het is een totalitair perspektief, niet individueel en het laat maar één waarheid toe, dit in tegenstelling tot de vele waarheden die gezien vanaf de aarde naast elkaar bestaan.

Alles wordt langzaam onmenselijker in de wereld. Antwoordapparaten veranderen alles wat je zegt in een boodschap (p. 92): “The machine makes everything a message, which narrows the discourse” zegt Bill over de telefoonbeantwoorder van Brita. Thuis of niet thuis wordt opnemen of niet opnemen, oftewel: inpluggen of niet inpluggen: alles staat in termen van info-overdracht. 

De wereld bestaat uit taal, signalen constant overal, die op je af komen. NYC stikt van de tekens, graffiti en reklame. Ook in Beirut stikt het van de tekens: Brita ziet het als een “milleneal image mill” (p.227). “Everything feeds in, everything is coded” denkt Brita (p.90). De enorme hoeveelheid taal en beelden in de wereld maakt alles tot informatie, tot boodschappen, meer niet. Ook dit laat geen ruimte voor meer betekenissen, individualiteit enzovoorts.

DeLillo benadrukt de ongelofelijke hoeveelheid indrukken, dingen, beelden waar je tegenop loopt in de stad. “…it blocked comment, the way it simply rushed at him, massively” (p.96) schrijft hij wanneer Bill voor het eerst weer in Londen is; en Karen heeft het over de “glow” van NYC. Het is de rush of things, de flood of things, alles wat er gewoon is. Wat niet in woorden te vatten valt. Het is een overdosis aan informatie, aan signalen die alles wat belangrijk is overspoelt.

Haddad theoretiseert hier uitgebreid over: “There’s too much everything, more things and messages and meanings than we can use in then thousands lifetimes. Inertia-hysteria. Is history possible? Is anyone serious?”  De overdaad van het beeld vooral, doodt het eigen initiatief, doodt het denken, de individualiteit. Het laat alles doodslaan. Niets komt over behalve boodschappen. Het beeld incorporeert alles in zijn systeem. Haddad heeft hier een oplossing voor: terrorisme, de mens die absoluut gelooft: “Who do we take seriously? Only the lethal believer, the person who kills and dies for faith. Everything else is absorbed.”  (p. 157). Alleen de terrorist zou zich niet laten inkorporeren door de beeldkultuur.

Het is een wereld waarin de media bepalen wat werkelijk is. Alleen wat zichtbaar is in de media bestaat. Dit is echter maar één kant van de wereld. Aan de andere kant staan de beschrijvingen van NYC en Beirut als twee steden die aan de afgrond staan maar waarin het leven toch doorgaat. DeLillo wijst op de absurditeit van het hedendaagse NYC, de zwervers, de stadsnomaden. Al deze dingen zijn onzichtbaar in de media, maar direkt op straat te zien. NYC stikt van de mensen zonder huis. Maar er worden enorme kantoorgebouwen neergeplant. Brita denkt: de hele stad is extreem mobiel, en konstant wordt je opgejaagd, zelfs de lucht die je ademt wordt je afgenomen. DeLillo beschrijft NYC als een tweede Beiroet; het is een apocalyptische stad. DeLillo registreert -via Karen- de afstandelijkheid van de mensen, het gevaar van kontakt, de tekens van Sendero Luminoso op de muren, de mensen die zeggen “Beirut, Beirut, it’s just like Beirut” (p. 173).

Behalve het probleem dat het beeld heerst is er dus ook het konkrete probleem van de ellende in de stad. DeLillo weet een erg ongemakkelijke link te maken tussen de beloofde redding van de terroristen en de sekteleiders -zij met het onwrikbare geloof- en de teloorgang van de stad. De beelden lijken de werkelijkheid van de daklozen onzichtbaar te maken, maar het zijn juist de terroristen en de sektes, de groeperingen die gebruik maken van het beeld om massa’s te bekeren en ze een nieuwe identiteit te geven die een betere toekomst mogelijk lijken te maken.

In de volgende paragraaf zal ik een aantal personages onder de loep nemen. Ik laat me daarbij leiden door de vraag naar de verschillende keuzes in die wereld met betrekking tot hun eigen identiteit. Welke plaats is er in de wereld waarin zij leven voor individualiteit, en waaruit bestaat die? Of geven ze hun individualiteit op, en als ze dat doen, wat komt ervoor in de plaats. Wat is de reden om vast te houden aan een eigen individualiteit, wat de reden om deze op te geven? Ik zal me vooral richten op Bill Gray aan de ene kant en Karen en de ideeën van Abu Rashid aan de andere kant. Zij vertegenwoordigen twee polen. Verder zal ik ingaan op de gijzelaar en op DeLillo’s beschrijving van de baglady. De andere personages, zoals Brita en Scott zijn minder uitgesproken, zij komen alleen zijdelings aan bod.

De schrijver Bill Gray is een typisch DeLillo-personage. Hij is een aartsindividualist die weigert zich te laten inkorporeren door wat voor systeem dan ook. Hij gaat zijn eigen weg en trekt zich van niemand iets aan. Wat dit betreft lijkt hij op bijvoorbeeld Gary Hackett, de hoofdpersoon uit Endzone, en Bucky Wunderlich uit Great Jones Street. Net als Pynchon en Salinger heeft Bill Gray zich teruggetrokken uit de publiciteit, woont hij volkomen van de buitenwereld afgesloten. Al zo’n twintig jaar lang weigert hij ieder kontakt met de pers en de uitgeverswereld, en heeft hij niets meer gepubliceerd. Via via wordt hij benadert door Brita, een fotografe die bezig is met een enorm projekt waarbij alle schrijvers van de wereld gefotografeerd worden. Bill Gray besluit zijn foto te laten maken.

Dit is een doorbraak, zeker in het licht van de thematieken die in Mao II aangesneden worden. Er zou gezegd kunnen worden dat Bill met de foto zijn eigen dood aankondigt. (Van een man van het woord wordt hij een beeld). Het nemen van de foto is de eerste stap in Bill’s besluit zijn isolement op te heffen. 

De vraag is waarom Bill Gray, die zich negatief uitlaat over de religie van het beeld, ervoor kiest zich te laten fotograferen -waarmee hij geïnkorporeerd wordt door het beeld, zijn eigen werkelijke gestalte vervangen zal worden door de foto. En waarom vertrekt hij vervolgens richting Beirut terwijl hij weet dat hij er niets zal kunnen uitrichten, maar er de dood zal vinden.

Er zijn twee redenen. Ten eerste Bill verklaart aan Brita: “When a writer doesn’t show his face, he becomes a local sympton of God’s famous reluctance to appear” (p.36). Bill weigert zo’n god te worden. De verdwijning uit de media en zijn isolement zijn een beeld geworden in de mediawereld, het heeft hem een aura gegeven (al zegt hij dit zelf niet met zoveel woorden). Belangrijker is, ten tweede, dat juist zijn isolement een systeem is geworden, een gevangenis. Zijn isolement betekent dat hij alles moet plannen, zelfs het inkopen doen. De logika van een verborgen leven heeft hem in haar macht gekregen: “It’s an irrational way of life that has a powerful inner logic. The way religion takes over a life. The way disease takes over a life. There’s a force totally independent of my conscious choices” (p.45). Bill de aartsindividualist weigert een leven dat is overgenomen door krachten van buitenaf -systemen zoals religie, ziekte, absoluut geloof. Hij wil autonoom blijven. Daarom heeft hij, paradoxaal genoeg, de foto’s nodig.

Ook de vraag of Bill zijn nieuwe boek moet publiceren heeft alles te maken met zijn ‘image’ en de wil de autonomie over het eigen leven te behouden. Bill, die  beweert dat zijn boek niet af is wil gewoon publiceren. Hij geeft daarvoor geen reden, maar het is duidelijk dat hij dit zou doen omdat hij er zijn “image” als verborgen, verdwenen schrijver mee zou vernietigen, waarmee hij zijn autonomie waarborgt (zoals Pynchon zijn imago vernietigd heeft door Vineland te publiceren). Scott beweert dat het boek wel af is maar wil niet publiceren. “…the withheld work of art is the only eloquence left” beweert hij. Niet publiceren betekent dat het mysterie Bill Gray groter wordt, daarmee zou meer effekt bereikt worden, hij wil het boek achterhouden. Hij kiest voor de macht van het beeld.

Het boek waaraan Bill al twintig jaar werkt is een gevangenis geworden. Bill heeft in zijn  schrijfkamer een tweede ‘zelf’ gekreëerd (“I’ve grown a second self in this room” (p.37)). Het is de gek die hem aan het werk zet en hem gevangen houdt. Bill heeft zichzelf volkomen vereenzelvigt met zijn werk. Zijn identiteit bestaat uit de zinnen die hij schrijft “Ive always seen myself in sentences” (p.48). Een ander teken (maar op een metaforisch nivo) is dat hij letterlijk in zijn werk woont: het huis is volgestapelt en volgeplakt met korrespondentie, schetsen en eerste, tweede en derde versies.

Bill wil zijn isolement opheffen omdat het een systeem is geworden dat hem zijn individualiteit ontneemt. Hij wil bovendien ontkomen aan zijn volgens hem mislukte roman. Dit heeft ongetwijfeld alles te maken met wat hij ziet als de opdracht van de romanschrijver. Bill wil als schrijver zo gevaarlijk zijn als een terrorist. Hij wil dat schrijvers effekt hebben op de wereld, maar ziet dat de rol die de roman vroeger had is overgenomen door de media. “The novel used to feed our search for meaning”, zegt hij, nu wordt de “emotional experience” gevonden in het nieuws (p.72). Alleen terroristen hebben nog de mogelijkheid om het brainscape te veranderen. “What terrorists gain, novelists lose. The degree to which they influence mass consciousness is the extent of our decline as shapers of sensibility and thought. The danger they represent equals our own failure to be dangerous.” En even verder: “Beckett is the last writer to shape the way we think and see. After him, the major work involves midair explosions and crumbled buildings. This is the new tragic narrative” (p. 157).

Bill benijdt de macht van de terroristen. George Haddad, met wie hij over deze zaken van diskussieert, probeert hem over te halen tot het standpunt van de terroristen. Zijn theorie over de terrorist zou Bill aan moeten spreken. Haddad zegt: “The artist is absorbed, the madman in the street is absorbed and processed and incorporated…Only the terrorist stands outside. The culture hasn’t figured out how to assimilate him.” Haddad ziet in Bill een medestander. Hij zou zien wat het volk nodig heeft, hij zou beter dan Mao een volk op kunnen voeden, en ze tonen dat ze een absoluut geloof nodig hebben.  Volgens hem heeft Libanon -en niet alleen Libanon maar de hele wereld, al zegt hij dat niet expliciet- iets enorms nodig “A figure of absolute being…total politics, total authority, total being” (p.158). Haddad is als een schrijver die de overstap gemaakt heeft naar de beeldkultuur. Terrorist worden is de logische stap als je wilt blijven doen wat een schrijver moet doen: het brainscape veranderen.

Bill verzet zich echter tegen Haddad’s opvattingen en wijst op de verschillen tussen schrijvers en terroristen. Uiteindelijk komen die neer op het verschil tussen totalitarisme en demokratie, tussen absoluut geloof van een massa in één waarheid en individualisme, tussen een gebondenheid aan het fascinerende beeld en het gebruik van verschillende stemmen.

“No it’s pure myth, the terrorist as solitary outlaw” zegt Bill, volgens hem zijn terroristische organisaties totalitaire staten in het klein, gesteund door repressieve regeringen (p.158). Bill gelooft bovendien niet in autoriteit noch in iets absoluuts. Hij gelooft in de roman. “Do you know why I believe in the novel? It’s a democratic shout. Anybody can write a great novel, one great novel, almost any amateur off the street. I believe this George…The spray of talent, the stray of ideas. One thing unlike another, one voice unlike the next. Ambiguities, contradictions, whispers, hints”  (p. 159).Het zijn uitspraken die ook gelezen kunnen worden als een beginselverklaring van DeLillo ten aanzien van zijn verteltechniek. Hij verzet zich tegen het gebruik van taal door Mao, dat is volgens hem niets meer dan “incantations” (p.162), één stem die één waarheid herhaalt en daarmee een volk indoktrineert. Bill wil vele stemmen in plaats van het aandragen van één oplossing. Hij is een donutbakker, zoals hij zelf zegt, geen leider van een volk.

Bovendien heeft Bill bezwaar tegen de strategieën van de terroristen, het uitoefenen van terreur -zoals Haddad zegt “In societies reduced to blur and glut, terror is the only meaningful act” (p.156)- en het gijzelen van mensen. Bill tegen Haddad: “You put a man in a room and lock the door. There’s something serenely pure here. Let’s destroy the mind that makes words and sentences” (p. 161). De terroristen hebben de kant van het beeld gekozen -de volgelingen van Abu Rashid lopen met diens beeltenis op het T-shirt-, Bill gelooft in de taal, gelooft dat taal gevaarlijk kan zijn: “There’s a danger in a sentence when it comes out right, a sense that these words almost did not make it to the page” (p.167). Het doel van verhalen is uiteindelijk ook een andere dan het doel van de terroristen. Verhalen moeten een tegenwicht vormen tegen terreur: “He could have told George a writer creates a character as a way to reveal consciousness, increase the flow of meaning. This is how we reply to power and beat back our fear by extending the pitch of consciousness and human possibility” (p.200).

Voordat hij dat zegt heeft hij wel eerst geprobeerd zonder woorden te leven. Om zelf schoon te worden legt hij zichzelf het zwijgen op. Hij wijst in plaats van te spreken: “You could depend on pointing as a kind of self-enforced loneliness that helps you to advance in moral rigor” (p.160.). “And he was near the point where he wanted to eliminate things that no longer mattered, things that still mattered, all excess and all necessity, and why not to begin with words” (p. 160). Behalve een zichzelf opgelegde morele beperking in een poging zijn leven terug te vinden (“It was writing that caused his life to disappear” (p. 215) zoals hijzelf zegt), is het ook een poging zich te identificeren met de gijzelaar. In de loop van de tijd begint hij het als zijn morele opdracht te zien om te spreken voor diegenen die de stem ontnomen is, zoals de gijzelaar.  “…he was writing about the hostage to bring him back, to return a meaning that had been lost to the world when they locked him in that room” (p. 200). Op die manier strijdt hij tegen de terroristen.

De aartsindividualist Bill, die zijn autonomie wil behouden, denkt uiteraard na over de vraag waarin precies zijn individualiteit ligt, welke dingen zijn eigenheid uitmaken. Zo denkt hij na over de haren die zich verzameld hebben in zijn typemachine. Het zijn stukken van zijn leven, zijn werkelijke leven, ze hebben voor hem een diepere betekenis die niet verdergaat dan een gehechtheid aan die dingen. Zijn ware individualiteit ligt in de kleine dingen, zo denkt hij, het uitspugen van slijm, scheten laten, het in het hoofd opdreunen van de slagvolgorde van een honkbalploeg uit 1936; (de waarlijk onschuldige manier van schrijven: slagvolgordes, het beschrijven van imaginaire sportwedstrijden: “perfect clarity of invention”). Niemand, zo denkt hij zal hem werkelijk begrepen hebben als ze die dingen vergeten. Ze zijn: “…the texture of his life…This was the true man, awake with his phantomes” (p.136). In kleine, schijnbaar betekenisloze en banale dingen ligt zijn individualiteit.

Als hij zijn einde voelt naderen -hij is op een reis naar de dood- worden kleine onbelangrijke zinnen steeds belangrijker voor hem. Het zijn zinnen waarin veel stemmen samenkomen (“…so the line was not one voice but several…”), zinnen die hij ooit toevallig gehoord heeft, die hem bijgebleven zijn. Zinnen als “measure your head before ordering”. Zinnen die, net als de kleine en banale dingen waarin zijn individualiteit ligt, enkel een emotionele betekenis hebben maar verder los staan van de wereld om hem heen. Het lijkt alsof ze de waarheid vertellen, alsof ze een mysterie bevatten. Zulke zinnen spelen door zijn hoofd voordat hij sterft. Het is een totaal ander soort zinnen dan de chants en incantations van de sektes en de massabewegingen. Het zijn geen door een absoluut geloof opgelegde waarheden. Het zijn puur individuele zinnen die enkel voor Bill Gray betekenis hebben.

Hij wil naar Abu Rashid “…and tell him who he was”. Dat is alles. Hij weet dat hij niet meer kan verwachten dan dat en vervolgens in handen van de terroristen gijzelaar worden of sterven. Op deze manier wil hij terugwinnen wat hij verloren heeft tijdens het schrijven van zijn boek. Hij heeft zich altijd verborgen, zijn leven is een aaneenschakeling geweest van verdwijningen -manieren om zijn indentiteit te beschermen. “Bill has never walked into a space and told then who he was” (p.215). Bill wil eindelijk zijn ware naam zeggen. Zelfs Scott kende zijn ware naam niet. Hij vindt als hij Bill’s spullen ordent een formulier waaruit blijkt dat Bill Willard Skansey Jr. heet. Bill zal zijn ware naam niet zeggen. Hij komt nooit aan in Beirut. Hij sterft op weg naar Junieh op de veerboot aan de gevolgen van een auto-ongeluk en teveel alcoholgebruik in het verleden. Het is als bij toeval, oftewel een noodzakelijk gevolg van de omstandigheden: net op het moment waarop hij besluit zich te laten behandelen door een dokter vaart het veer. Hij kiest voor de overtocht. Hij laat zich zijn autonomie ook niet door een ziekte afnemen.

Bill zal voortleven in zijn image, als een beeld in de media. Voorbij zijn dood wordt hij alsnog geïnkorporeerd. Misschien oefent hij (zijn beeld) op die manier wel meer kracht uit dan de levende Bill Gray. Het is zijn tweede kans, zoals Scott op het einde van boek zegt, “The nice thing about life is that it is filled with second chances. Quoting Bill.” (p. 224). Zijn paspoort wordt gejat en zal verkocht worden aan een militia in Beirut (wie weet neemt hij voorbij zijn dood de plaats in van de gijzelaar). De foto’s zullen gepubliceerd worden, Scott, de schatbewaarder van Bill’s image, zal het geheim van Bill’s naam bewaren en de roman niet publiceren: “…and word would travel, and the pictures would appear, a small and deft selection, one time only, and word would build and spread, and the novel would stay right here, collecting aura and force, deepening old Bill’s legend, undyingly” (p.224).

Bill is in zekere zin een echte ouderwetse Amerikaan. Hij wil koste wat het kost zijn individualiteit en autonomie bewaren in een wereld waarin de toekomst is aan de massa’s. Enige paranoia is hem niet vreemd in zijn weigering zich te laten inkorporeren door een systeem -ziekte, religie, absoluut geloof- dat zijn leven overneemt. Hij heeft vertrouwen in de taal omdat taal de mogelijkheid in zich heeft om verschillende stemmen te laten spreken, dit in tegenstelling tot het beeld, en ziet zijn individualiteit besloten in banale dingen die niemand van hem weet.

Karen is een Moonie. Zij vertegenwoordigt een totaal andere keuze dan die van Bill. Karen is een kind van de toekomst. Zoals Bill zegt “She carried the virus of the future” (p. 119). Zij is de nieuwe mens, een schepsel van de beeldkultuur (ze kijkt TV met het geluid uit), zonder individualiteit.

Karen’s geloof in de leer van Moon betekent dat zij haar individualiteit, opgegeven heeft. Het is een “surrender of the self”, een Moonie vergeet wie hij is onder zijn kleren (p.8). Alles Moonies zijn gelijk. Zij is “immunized against the language of self”. In plaats van die individualiteit is het absolute geloof in de leer van Moon gekomen. “They bring us up to believe  but when we show them true believe they call out psychiatrist and police” (p.8), denkt Karen. Dit geloof geeft haar houvast, strikte regels hoe te leven, en een kollektieve identiteit. Karen doet dan ook nooit iets voor haarzelf. Ook in die zin is zij een kind van de toekomst: haar instelling zou de wereld een betere toekomst kunnen geven…

De Moonie-religie beweert dat de wereld in duigen ligt: “World in pieces”, maar er is hoop op een betere wereld: “But there is plan” (p.9). DeLillo maakt duidelijk dat er geen zekerheden zijn behalve voor degene met absoluut geloof, en alleen degene met absoluut geloof -de Moonies, de terroristen- hebben een visie van een betere toekomst en werken daaraan. (Karen helpt de daklozen wanneer ze op zoek is naar Bill in NYC). Een individualist als Bill Gray kan daar vrijwel niets tegenover stellen. Zelfs Scott beweert dat het massaspektakel van een Moonie-huwelijksceremonie toont dat we alleen kunnen overleven als een gemeenschap (p.85).

De Moonies kennen hun leider door en door. Het is het beeld (aura) van hun leider dat zij in zich meevoeren. Zij kennen hem tot in hun moleculen. “He is part of the structure of their protein. He lifts them out of ordinary strips of space and time and then shows them the blessedness of lives devoted to the ordinary, to work, prayer and obedience” (p.9). De metaforen die DeLillo gebruikt geven aan hoe diep het systeem gaat.

De taal van Moon, de “chants” in gebroken engels is hun persoonlijkheidsstruktuur geworden. Dat is iets totaal anders dan de schijnbaar betekenisloze zinnen die door Bill’s hoofd spoken. Deze zinnen zijn kollektief, bovendien maakt DeLillo duidelijk dat deze “chants” eigenlijk niet tot de taal horen -waarin meerdere stemmen klinken-, maar in hun eenzijdigheid en hypnotische kracht, waardoor ze even direkt werken als het beeld en geen plaats voor een individuele verwerking laten, in feite voorbij de taal gaan. (Hetzelfde geldt voor de taal van de reklame, merknamen. Het is de taal van de massa: het zijn woorden als mantra’s, zonder betekenis, in elke taal uit te spreken, waarlijk internationaal). De “chant” betekent een-zijn, zuiverheid, de “chant” wordt de grens van de wereld, schrijft hij in zijn weergave van de Moonie-ceremonie. “They chant for one language, one word, for the time when names are lost”. De chant gaat voorbij aan de taal, is het mysterie. De zang is voor een nieuw leven, waarin iedereen gelijk is omdat er geen namen meer bestaan.

Karen heeft de Moonies verlaten omdat ze het harde leven niet meer aankon. Haar geloof heeft ze echter niet opgegeven. Wanneer ze de daklozen in NYC helpt valt ze meer en meer terug op de zinnen van haar leider Moon: “She had Master’s total voice ready in her head” (p. 194). “We will all be single family soon. Because the day is coming. Because total vision is being seen.” (p. 193). “Our task is to prepare for the second coming. The world will be a universal family…we are the total children” (p. 178). Zij hoort de vele talen van NYC (zoals de taal van de daklozen , die ze aanvankelijk niet verstaat: “…no one spoke in ways she’d ever heard before. The whole rest of her life had been one way of hearing and now she needed to learn another. It was a different language completely, unwritable and interior, the rag-speak of shopping carts and plastic bags, the language of soot…” (p.180)), en brengt hen de ene taal van Moon, die het leven van de daklozen en wanhopigen eenheid en hoop zal geven: “Telling them how to totalize their lives according to the sayings of a man with power”.  En: “All doubt will vanish in the arms of total control” (179). Karen voelt het Lichtend Pad in haar gloeien. De identiteit van een Moonie betekent eenheid, zekerheid, kontrole, een einde aan de onzekerheid en chaos van het leven in de moderne wereld.

Karen is -als kind van de toekomst- “thinboundaried” zoals Scott het uitdrukt (p. 119). De grens tussen haarzelf en de wereld is dun. Ze gelooft niet alleen in Moon, ze gelooft oprecht en totaal in alle dingen die ze ziet, zelfs de dingen op TV. Alles is echt voor haar: “She took it all in, she believed it all” denkt Scott als hij haar TV ziet kijken “pain, ectasy, dog food, all the seraphic matter, the baby bliss that falls from the air…She carried the virus of the future. Quoting Bill” (p.119). Daartegenover staan mensen als Bill die hoe dan ook hun autonomie willen waarborgen, die zichzelf afsluiten, zichzelf terugtrekken, zichzelf willen beschermen.

DeLillo legt een zeer duidelijk verband tussen de Moonies en de terroristen. Hun methodes en doel zijn in feite gelijk. In de epiloog geeft DeLillo het woord aan Abu Rashid en zijn tolk als Abu Rashid gefotografeerd wordt door Brita. Diens ideeën sluiten naadloos aan bij die van Moon, zij het dat hier de link tussen het ‘image’, de massa en een nieuwe identiteit nog wat duidelijker wordt gemaakt.

Abu Rashid wil de geschiedenis veranderen, net als Mao. Moon is de man “with the power to alter history”. Khomeini veranderde de geschiedenis. Zij hebben (of hadden) allemaal een idee van een nieuwe wereld. In alle gevallen is er een verband tussen het beeld: het aura van Moon, de grote foto’s van Mao en Khomeini en de eenvormige massa’s die ze op de been brengen en die ze een nieuwe identiteit en een toekomstbeeld geven.

De jochies in dienst van Abu Rashid dragen allemaal zijn beeltenis op hun T-shirt. Rashid wil ze zo een nieuwe identiteit te geven, om los te komen van het westen, om voor hoop te zorgen, en geschiedenis te maken, “It gives them a vision they will accept and obey. These children need an identity outside the narrow function of who they are and where they come from” (p. 233). Hij zegt verder: “we teach them identity…all men one man…The image of Rashid is their identity.” Zij geven hun individualiteit op in ruil voor een kollektieve identiteit. “The boys who work near Abu Rashid have no face or speech. Their features are identical. They are his features or voices. They are surrendering these things to something powerful and great” (p. 233). Iedereen wordt gelijk. De jochies dragen dan ook allemaal een kap over hun hoofd, zodat zelfs hun eigen gezicht onzichtbaar wordt.

Brita, die net als Bill vast wil houden aan eigen individualiteit (in haar foto’s probeert ze het eigene van iemand vast te leggen, niet zijn mysterie of aura), is het hier helemaal niet mee eens. Zij gebruikt haar kamera als geweer: “She reloads and shoots” (p.235). Als ze klaar is trekt ze  impulsief de kap van het jochie af, om zo zijn gezicht te tonen & neemt een foto. Zo kunnen foto’s dodelijk zijn & individualiteit tonen.

De groep van Abu Rashid houdt een Zwitserse schrijver gevangen. Zijn naam wordt niet alleen door de terroristen vergeten, maar ook door de lezer. DeLillo wijdt een aantal passages aan zijn gedachten die te lezen zijn als essays over het ‘zelf en het belang van taal.

Het gaat erom wat er gebeurt wanneer iedereen je vergeet (de pers, zijn familie, zelfs de terroristen vergeten hem), je geen gezichten meer ziet (hij draagt zelf een kap over zijn hoofd en de jongen die hem eten komt brengen draagt ook een kap), je niet meer kunt schrijven en nooit een geprek kunt voeren. (Iets wat ook gebeurt met de daklozen).

Hij theoretiseert hoe hij een kode wordt in het kommunikatienetwerk, een beeld in de media. Hoe hij in elkaar gezet wordt door terroristen, diplomaten en journalisten: “He’d tumbled into the new culture, the system of world terror, they’d given him a second self, an immortality, the spirit of Jean-Claude Julien. He was a digital mosaic in the processing grid, lines of ghostly type on microfilm. They were putting him together, storing his data in starfish satellites, bouncing his image off the moon. He saw himself floating to the far shores of space, past his own death and back again” (p.112). In een wereld waarin het mediabeeld echter is dan de lijfelijke aanwezigheid begint hij op deze manier pas echt te leven. Hem gebeurt -als dit echt gebeurt, het is enkel een theorietje- hetzelfde als Bill: hij gaat over in de werkelijkheid van het beeld. Met dit verschil dat hij door de media alweer vergeten zal zijn terwijl hij misschien nog leeft, terwijl Bill pas na zijn dood een signaal in de media wordt.

De gijzelaar is in zekere zin ook een man van de toekomst : hij is degene die het zonder woorden moet doen, die alleen nog de innerlijke beelden heeft onder zijn kap & nooit het gezicht van iemand ziet, enkel de kap. “The room drained the longings out of him. He was left with images” (p.201). Hij kan niets opschrijven, vastleggen, “There were thoughts he could not formulate without writing them down”.  En hij denkt:“Only writing could soak up his loneliness and pain. Written words could tell him who he was” (p.204). Dit duidt op het doorslaggevende belang van taal voor het gevoel individualiteit te bezitten. Taal geeft hem identiteit, en taal is hem ontnomen.  Dankzij taal kan hij het gevoel hebben te bestaan in de wereld. “The only way to be in the world was to write himself there, his thoughts and words were dying. Let him write ten words and he could come into being once again” (p.204). Als taal hem afgenomen wordt verliest hij zijn identiteit, uiteindelijk zelfs het gevoel een lichaam te bezitten:“His body was fleeing with his voices”.  

DeLillo gelooft dat er zoiets is als individualiteit, maar zelfs dat er een innerlijke kern is waarin je je terug kunt trekken, iets waar je totaal alleen kunt zijn, iets wat totaal van jezelf is. Bij Bill Gray is dat duidelijk, maar ook Brita spreekt erover dat zij intakt wil blijven, zij wil zichzelf beschermen tegen de dingen van buiten: “She wanted her body to remain a secret of the past” (p.90). (Net als Bill heeft zij haar eigen “hidden meanings” nodig om de dag door te komen (p.90), verborgen betekenissen waarin haar individualiteit ligt). Zelfs Karen meent een innerlijke kern te bezitten. Als zij door NYC zwerft leert ze zich aan te passen: “…contact could be dangerous. Contact was not a word or touch but the air that flashed between strangers. She was learning how to alter the way she walked and sat, how to hide her glances or sort of root them out. She remained in the deep core. She walked within herself, did not cross the boundary into the no-man’s land of a glance, a fleeting ray of recognition. Like I’m a person and you’re a person, which gives you the right to kill me” (p.176).

Deze passage geeft ook aan hoe de “Beirut”-situatie in NYC de mensen dwingt tot een onverschillige houding. De moderne stad heeft een diep effekt op hoe de mensen zichzelf zien. Ze vallen terug op zichzelf, moeten wat van henzelf is verbergen en beschermen. DeLillo’s beschrijving van de baglady, zoals Karen haar waarneemt, is een klein essay daarover, en is te lezen als een metafoor van wat een “zelf” in zo’n situatie is: “This person knew some things about bundling and tying. Survival means you learn how to narrow the space you take up for fear of arousing antagonistic interest and it also means you hide what you own inside something else so that you may seem to possess one chief thing  when it is really many things  bundled and tied and placed inside each other, a secret universe of things, unwhisperable, plastic bags inside plastic bags, and the woman is somewhere in there too, bagged with her possessions” (p.145). In NYC moet je jezelf verbergen, moet je je eigen naam geheim houden. Zelfs Karen moet het doen. Maar zij brengt wel de leer van Moon over, een visie waarvoor de daklozen open zouden kunnen staan omdat het hen zekerheid zou kunnen geven. Maar er is is er geen enkel teken dat Karen succes heeft.

In Mao II wordt ook veel nagedacht over de relatie tussen woord en beeld en via dat over het verschil tussen een beeldkultuur en een woordkultuur. Bill Gray is iemand die vertrouwen heeft in taal. In taal kunnen verschillende stemmen spreken, taal laat ruimte voor individualiteit, verschillende ideeën. Beelden daarentegen zijn overweldigend, pakken je meteen, laten geen afstand. Woorden laten ruimte. Scott, de categoriseerder: “What we have in front of us represents one thing. How we analyse and describe and codify it is something else completely.” (p. 222). Woord en beeld zijn twee verschillende dingen & het beeld, zo lijkt Scott hier te zeggen, heeft het woord nodig. Als dat er niet is, dan enkel aura, aura waarvan je onder de indruk kunnen raken, woordeloos, waarmee je individualiteit verdwijnt. Dit is zelfs wat Karen denkt wanneer ze de foto’s van Brita bekijkt: “She needed the captions to fill the space. The pictures could overwhelm her without the lines of type” (p. 174).

In Mao II schetst DeLillo via zijn personages een beeld van een wereld waarin het beeld heerst, waarin alleen voor mensen die een absoluut geloof hebben zekerheden bestaan en de steden uiteenvallen. Hij toont de verwevenheid tussen het beeld, en de massa. Karen en de terroristen vertegenwoordigen de mens van de toekomst met een absoluut geloof, een kollektieve identiteit en een visie van een betere wereld in plaats van individualiteit. Zij zijn totaal geïnkorporeerd door een beeld die hen tot eenvormige massa maakt. Aan de andere kant staat Bill Gray, de man van het woord die weigert zijn individualiteit over te laten nemen door een systeem. Hij wil autonoom blijven en strijdt voor het woord. In Mao II horen beeldkultuur (reklame, sektes, massabewegingen, het nieuws), massa en terreur bij elkaar, en staan het woord, individualiteit en vrijheid (van vele stemmen, vele talen door elkaar) aan de andere kant.

Identiteit ontlenen personages in Mao II aan systemen: de leer van Moon, de visie van Abu Rashid, het isolement. Bill Gray probeert daaraan te ontkomen. Taal speelt hierbij een doorslaggevende rol: voor bijvoorbeeld de Moonies gaat het daarbij om één taal die eigenlijk voorbij de taal gaat (de “chant”), voor Bill Gray en de gijzelaar gaat het om eigen of om schijnbaar betekenisloze, toevallig opgevangen zinnen. De individualiteit, het gevoel een eigen identiteit te bezitten die onvervreemdbaar is, is een kwestie van kleine, banale dingen, van onzinnige zinnen. Alle personages geloven een eigen innerlijke kern te bezitten -iets dat ze proberen te beschermen voor invloeden van buitenaf, voor dingen die ze niet als eigen beschouwen. Karen doet dit veel minder. Zij staat open voor de hele wereld, gelooft totaal in alles wat ze ziet.

Bill Gray is zeer Amerikaans. Hij lijkt bevreesd voor de massa, voor de mensen die hun identiteit ontlenen aan een systeem, die zichzelf opgeven, voor het kollektief dat de wereld komt redden. Hij wil de individualiteit niet opgeven. Hij is bang voor iets dat het leven overneemt. Dit lijkt ook de angst van DeLillo te zijn. Het is tenminste de indruk die ontstaat door de keuze voor het beschrijven van het Heizeldrama, de massa’s op het plein van de Hemelse Vrede in Beijing, de Moon-ceremonie en de begrafenis van Khomeini -allemaal waargenomen door een kamera of via de televisie-. Het zijn bijna apocalyptische beelden, die onbehagen wekken.

Maar DeLillo is ambigu, want ook deze afkeer van de massa is de afkeer van de personages, niet van de vertelinstantie. DeLillo probeert vele stemmen te laten spreken zonder zich uit te spreken voor de waarheid van één van die stemmen. Mao II gaat wat dit betreft ook over de rol die DeLillo voor zichzelf ziet in deze wereld: gevaarlijk te zijn als een terrorist, zonder terreur uit te oefenen. Hij toont de uitzichtloosheid van de daklozen, de puinhopen in NYC en Beirut & de terroristen die zich het lot van de mensen zonder toekomst hebben aangetrokken. Hij laat vele stemmen spreken, maar niet zijn eigen en hij stelt zich niet achter de één stem. Dat is in overeenstemming met de ideeën van Bill Gray. DeLillo verwart de lezer daardoor. Hij houdt afstand. Hij reikt geen mogelijke oplossing aan. Hij legt de hedendaagse wereld bloot, hij toont hoe het is en hij toont dat alleen de mensen met absoluut geloof, mensen die hun individualiteit opgegeven hebben met oplossingen komen. Bill Gray’s missie loopt op niets uit.

Dat DeLillo zelf geen oplossingen aandraagt, niet vooruitwijst naar een betere toekomst, en niet kiest voor één perspektief als het juiste, wat sommige van zijn kritici wel zouden willen (zie hiervoor Lentricchia’s New Essays on White Noise 1992), is in het licht van Mao II volstrekt logisch, paradoxaal genoeg: de enig juiste keuze. Eén van de passages waarin Bill Gray -de naar het beeld van Pynchon en Rushdie gemodelleerde schrijver uit Mao II- zijn ideeën over het schrijven uiteenzet kan gelezen worden als een stellingname van DeLillo tegen het soort kritici die hem verwijten geen duidelijke uitspraken te doen. George Haddad -de kontaktpersoon tussen Bill en de terroristen in Beirut zegt tegen Bill: “You would have written what the culture needed in order to see itself.” Dat is, tot op zekere hoogte wat DeLillo doet, of wat hij zou willen doen, als we aannemen dat zijn opvattingen over het schrijven overeenkomen met die van Bill Gray. Haddad gaat verder: “And you would have seen the need for an absolute being, a way out of weakness and confusion.” (p.163). Precies daartegen verzet Bill Gray zich, & DeLillo bij monde van hem. Zij willen geen oplossingen geven omdat zulke “oplossingen” absolutistisch zijn.  Zij zijn tegenstanders van een “absolute being”, omdat het tot indoctrinatie, massaliteit, en einde van individualiteit leidt. Een roman moet vele stemmen in zich verenigen, het is een “democratic shout”. Bill wil, kan zelfs niet een absolute visie op de zaken geven en daarmee een oplossing aandragen. Hij wil niet één waarheid opdringen aan de wereld zoals de terroristen en sekteleiders doen. Hij wil meerdere perspektieven naast elkaar laten bestaan, hij wil dialogen.

DeLillo’s boodschap lijkt te zijn dat beeldkultuur en massaliteit bij elkaar horen. Dat dit de toekomst is & het einde van het woord en de individualiteit. Dit heeft te maken met de aard van het beeld (dat niet verwijst maar is), maar ook met de instantie die de macht over het beeld hebben (terroristen bijvoorbeeld). Echter: de foto’s van Brita tonen dat ook in beelden individualiteit tot uitdrukking kan komen. DeLillo is niet te betrappen op een straightforward pessimistische houding. Scott over de foto’s van Brita van Bill: “He…saw a photographer who was trying to deliver her subject from every mystery that hovered over his chosen life. She wanted to do pictures that erased his seclusion…” (p. 221).

Tenslotte: het boek eindigt, zoals het begon, met een huwelijk. Maar nu is het geen massaspektakel, maar het feestje van een kleine familie in nachtelijk Beiroet. Op de puinhopen gaat het leven van de individuele mensen gewoon door.

This text was written in 1993 as part of an unifinished PhD.

some rights reserved
Arie Altena
index